Livraison intracommunautaire, Numéro de TVA intracommunautaire, Rectification spontanée · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 24/3277/A 30 mars 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Livraison intracommunautaire, Numéro de TVA intracommunautaire, Rectification spontanée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-tva-rectification-spontanee-tribunal-anvers-2026-03-30-02dc

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Numéro de rôle
24/3277/A
Date
30 mars 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

172 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 30.03.2026 (24/3277/A)

FIN 5481467201

Livraison intracommunautaire - Numéro de TVA intracommunautaire - Rectification spontanée - Bonne foi - Intention frauduleuse

Résumé

Résumé non fourni

Texte intégral

Corps de la décision

L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen

Sectie burgerlijke rechtbank

Vonnis

Kamer AFi1

Rolnummer: 24/3277/A

Inzake:

cie1,

met maatschappelijke zetel te ..., KBO: ...,

eiseres

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. VAN BELLE DIRK te 2000 ANTWERPEN, Plantinkaai 10 bus 21,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (AABBI), vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, van de 5de Directie BBI, Cel Geschillen, met kantoren gevestigd te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 805, KBO: 0308.357.159,

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw DOSSCHE CARINE, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

- vertegenwoordigd ter zitting door de heer NOOYENS KEVIN, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 23 augustus 2024, ingeschreven ter griffie op 23 augustus 2024;

- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 4 oktober 2024, waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 2 maart 2026.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

De huidige betwisting heeft betrekking op de btw opgenomen in het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500286300324, uitvoerbaar verklaard op 4 april 2024, waarbij een bedrag van 150.477,58 euro als btw werd gevorderd, meer een geldboete van 300.900,00 euro te vermeerderen met nalatigheidsintresten te rekenen vanaf 21 januari 2024.

Eiseres werd opgericht op 4 september 2023 met maatschappelijke zetel te ... als btw-belastingplichtige geregistreerd vanaf 1 oktober 2023 onder het nummer .... De heer W.N. werd benoemd tot bestuurder.

Op 19 februari 2024 verzond de belastingadministratie een proces-verbaal waarin volgende bedragen werden gevorderd met betrekking tot de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 (stuk 1 AD):

- als btw: 150.477,58 euro;

- als proportionele geldboete (200%): 300.900,00 euro;

- te vermeerderen met de verschuldigde nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2024.

Uit het proces-verbaal blijkt dat een er een controle plaatsvond bij eiseres met onder meer plaatsbezoeken op 22 december 2023 en 22 januari 2024.

Op 28 maart 2024 diende eiseres een administratief beroep in (stuk 2 AD). In het kader van het administratief beroep vond communicatie plaats tussen partijen, werd eiseres gehoord en werd een aanvullend bezwaarschrift ingediend (stukken 4, 5 en 9 AD).

Voor de in het proces-verbaal als verschuldigd opgenomen bedragen werd een inschrijving gedaan in het innings-en invorderingsregister op 2 april 2024 onder het schuldnummer 500286300324 dat op 4 april 2024 uitvoerbaar werd verklaard. Eiseres werd hiervan bij schrijven van dezelfde dag in kennis gesteld (stuk 3 AD).

Op, naar zeggen van de belastingadministratie 14 juni 2024, werd aan eiseres meegedeeld dat haar btw-nummer werd geschrapt (stuk 6 AD). De belastingadministratie activeerde het btw-nummer opnieuw op 24 juli 2024 nadat eiseres hiervoor een kortgeding had aangespannen bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen haar vordering hiertoe ontvankelijk en gegrond werd verklaard (stukken 7 en 8 AD).

Op 1 augustus 2024 werd het bezwaar van eiseres middels administratieve beslissing volledig afgewezen (stuk 10 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23 augustus 2024 stelde eiseres een vordering in rechte in.

2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank:

- haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Dienvolgens het bestreden proces-verbaal geheel te horen vernietigen, dan wel van onwaarde te horen verklaren;

- de betwiste btw-vordering geheel te horen vernietigen;

- te horen zeggen voor recht dat eiseres de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan eiseres terug te betalen, meer de moratoire interesten;

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding ten bedrage van 11.010,37 euro, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 1022 Ger. W. van 10.988,37 euro, eventueel geïndexeerd, en de kosten van neerlegging van het verzoekschrift ten bedrage van 22 euro.

De belastingadministratie verzoekt de rechtbank het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiseres tot de kosten te veroordelen.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

4. Beoordeling

De betwiste naheffing

De belastingadministratie heeft in de boekhouding van eiseres tien facturen weerhouden die zij onderwerpt aan een naheffing van btw.

Enerzijds gaat het om vier verkoopfacturen aan de Spaanse onderneming cie2 voor een totaalbedrag van 516.889,11 euro (stuk 14 AD). Op deze facturen werd geen btw aangerekend met vermelding dat het ging om intracommunautaire leveringen. De belastingadministratie komt tot het besluit dat eiseres zich ten onrechte op de vrijstelling uit artikel 39 WBTW beriep en ging over tot naheffing van 21% btw (zie infra 4.1.).

Anderzijds gaat het om zes aankoopfacturen aan de Nederlandse onderneming cie3 voor een totaalbedrag van 563.927,50 euro (stuk 15 AD). Aangezien de belastingadministratie maar een deel van deze bedragen terugvond in een btw-aangifte van eiseres, ging zij over tot naheffing van 21% btw op het saldo (zie infra 4.2.).

De belastingadministratie legde voor beide inbreuken ook een btw-boete op van 200%. Eiseres betwist deze (zie infra 4.3.).

4.1. Betreffende de vriestelling op intracommunautaire leveringen (artikel 39bis, 1°, b) WBTW)

Volgende vier verkoopfacturen werden aangetroffen in de boekhouding van eiseres en onderworpen aan een naheffing:

Nr.DatumKlantOmschrijvingBedrag
001/003/2301/11/2023cie2Smartphones109,535,10 EUR
001/008/2318/11/2023cie2Smartphones179.458,01 EUR
001/013/2325/11/2023cie2Smartphones120.400,00 EUR
001/014/230/4/12/2023cie2Smartphones107.496,00 EUR
TOTAAL516.889,11 EUR

Eiseres argumenteert dat zij mobiele telefoons heeft verkocht aan de Spaanse vennootschap cie2. Eiseres deelt mee dat zij een eenmalige ontmoeting had met de bestuurder van de Spaanse vennootschap in Spanje en toen een vergunning te zien kreeg om te handelen in mobiele telefoons. Daarnaast kreeg zij het nummer van de vennootschap meegedeeld, "...".

Overeenkomstig het toepasselijke artikel 39bis, 1°, b) WBTW zijn van de belasting vrijgesteld:

"de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de in 56bis, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, wanneer:

b) deze leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat, en die:

- in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd;

- dit btw-identificatienummer heeft meegedeeld aan zijn leverancier;"

Voor de vrijstelling op grond van art. 39bis, 1°, b) WBTW is het niet voldoende dat de goederen naar het buitenland overgebracht worden, maar is ook vereist dat de levering gebeurde voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die daar gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen. Het is met het oog op het controleren van deze laatste voorwaarde dat de identificatie van de effectieve bestemmeling essentieel is.

Dit is waar dit geschilpunt om draait.

De belastingadministratie merkt terecht op dat het beschikken over een geldig btw-nummer van de afnemer thans een materiële voorwaarde is voor de vrijstelling op intracommunautaire leveringen.

Het nummer dat eiseres vermeldt, "..." is geen geldig (intracommunautair) btw-nummer. De belastingadministratie merkt terecht op dat het niet onredelijk of onmogelijk is om van eiseres te verwachten dat zij de geldigheid van het aan haar verstrekte nummer nagaat.

De Spaanse vennootschap bestond dus wel en kon mogelijks handel drijven binnen Spanje, maar had geen intracommunautair btw-nummer (zie stukken 17 en 18 AD).

De leveringen werden dan ook niet verricht voor een in een andere lidstaat dan België als zodanig handelende belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die ertoe is gehouden of ervoor heeft geopteerd zijn intracommunautaire verwervingen in die lidstaat te onderwerpen aan de btw.

Eiseres toont bijgevolg niet aan dat zij voor de betwiste leveringen toepassing kunnen maken van de vrijstelling van artikel 39bis, 1°, b) WBTW.

Dat eiseres te goeder trouw zou zijn, is niet alleen onjuist (zie infra onder 4.3.), maar tevens irrelevant in casu aangezien eenvoudigweg niet voldaan is aan een de vrijstellingsvoorwaarde ex artikel 39bis, 10, b) WBTW.

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

4.2. Betreffende de niet-aangegeven intracommunautaire verwervingen (artikelen 25ter en 25quinquies WBTW)

Volgende zes aankoopfacturen werden aangetroffen in de boekhouding van eiseres en onderworpen aan een naheffing:

DatumLeverancierOmschrijvingBedrag
20/10/2023cie3Smartphones100.185,00 EUR
01/11/2023cie3Smartphones103.301,00 EUR
10/11/2023cie3Smartphones60.280,00 EUR
23/11/2023cie3Smartphones100.379,00 EUR
24/11/2023cie3Smartphones99.537,50 EUR
01/12/2023cie3Smartphones100.245,00 EUR
TOTAAL563.927,50 EUR

Artikel 25ter van het toepasselijke WBTW bepaalt onder meer:

"Aan de belasting zijn onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel door een belastingplichtige die als zodanig optreedt, of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een belastingplichtige is die als zodanig optreedt, op wie de vrijstelling van de belasting ten aanzien van de door hem verrichte leveringen van goederen niet toepasselijk is en die niet onder het bepaalde van de artikelen 14, § 3, 14bis en 15, § 1, valt."

De belastingadministratie merkt op dat eiseres slechts een bedrag van 364.256,68 euro had opgegeven aan intracommunautaire verwervingen. Het saldo werd onderworpen aan een naheffing van 21% btw.

Eiseres argumenteert dat het zou gaan om een loutere materiële vergissing die ondertussen werd rechtgezet waardoor er geen inbreuk zou gepleegd zijn ten aanzien van de aangifteverplichting.

De belastingadministratie werpt terecht op dat de niet-aangifte van een gedeelte van de intracommunautaire verwervingen op datum van het proces-verbaal een vaststaand feit betrof.

Dit punt stond evenmin ter betwisting tijdens de administratieve fase.

Het indienen van een bijkomende aangifte op 20 augustus 2024, zijnde zes maanden na het proces-verbaal, vijf maanden na het administratief bezwaar en één dag voor het inleiden van de gerechtelijke procedure, betreft allesbehalve een spontane rechtzetting en kan de inbreuk op de artikelen 25ter en 25quinquies WBTW niet opheffen.

De vordering van eiseres is op dit punt ook ongegrond.

4.3. Betreffende de opgelegde geldboete

Aan eiseres werd op grond van artikel 70, §1 en 1bis WBTW een proportionele geldboete opgelegd van 300.900,00 euro, zijnde 200% van de ontdoken btw.

Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie.

Uit het dossier blijkt volgens de rechtbank wel degelijk dat de vastgestelde inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Eiseres laat overigens na inhoudelijk te antwoorden op de vele verontrustende elementen die door de belastingadministratie op dit punt worden opgeworpen (syntheseconclusie belastingadministratie, pagina 17 e.v.).

In een korte periode van drie maanden werd er voor meer dan 500.000,00 euro intracommunautair gefactureerd aan een Spaanse onderneming die niet over een geldig intracommunautair btw-nummer beschikte. Bovendien werden in diezelfde periode intracommunautaire verwervingen voor een totaalbedrag van bijna 200.000,00 euro niet aangegeven. Eiseres pleegde hierdoor een ernstige inbreuk op haar fiscale verplichtingen, zowel qua aard, zwaarwichtigheid als omvang. Er werden evenmin aan- of verkoopdagboeken neergelegd.

De bestuurder van eiseres, de heer W.N., verklaarde volgens het proces-verbaal van 20 augustus 2025 overigens onder meer zelf (stuk 27 AD):

- De heer W.N. deelde mee dat hij eigenlijk misbruikt werd door een organisatie die zich bezig houdt met witwassen en hawala-bankieren. Het is een uitgebreid crimineel witwasnetwerk. De hoofdpersoon achter deze criminele witwasorganisatie zou de genaamde N.M.M.' uit Pakistan zijn. Hij zou over een Duits visum beschikken en heel regelmatig in Antwerpen komen. Wanneer hij in Antwerpen is, zou hij soms verblijven in het huis van H.Z., die de heer W.N. omschreef als een tussenpersoon ("middle man'). De heer N.M.M. had vroeger samen met de heer H.Z. een Belgische onderneming, namelijk cie4 (...)3.

Gelet op de modus operandi, de aard en de ernst van het geheel van alle met hetzelfde doel gepleegde inbreuken, kan enkel geconcludeerd worden dat er sprake is van frauduleus handelen van eiseres.

Eiseres heeft dus wel degelijk met betrekking tot al de vastgestelde inbreuken doelbewust fraude gepleegd.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals de administratieve geldboetes van 200% opgelegd op grond van artikel 70, §1-2 WBTW, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (zie ook Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, www.juportal.be).

De fiscale rechter kan een btw-geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak (Cass. 12 februari 2026, F.24.0026.N).

Aan eiseres werden proportionele geldboetes van 200% van de ontdoken btw opgelegd. De kwade trouw van de eiseres staat vast (zie hierboven). De rechtbank ziet geen enkele reden om de geldboetes in welke mate dan ook te verminderen of uitstel toe te kennen, mocht de wetgever in deze maatregel voorzien hebben.

Om aan de geldboetes hun waarde als straf te geven, kan immers geen vermindering worden toegestaan. Door dat te doen zouden de geldboetes hun doel niet dienen, namelijk in compensatie voor de begane inbreuken zowel te straffen, (mede maatschappelijk) te vergoeden en voldoende af te schrikken om herhaling te vermijden. Eiseres heeft zich ingelaten met een fraudestructuur met de bedoeling Belgische belasting te ontduiken. Alleen een wettelijke sanctie aan 200% kan het gewenste doel bereiken. Deze sanctie is geenszins onevenredig met de begane inbreuken en is als sanctie die zich in een evenredige verhouding bevindt ten aanzien van de aard en de ernst van de door de appellante begane inbreuken, niet in strijd met artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM.

De vordering van eiseres is ook op dit punt ongegrond.

5. Kosten van het geding

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.

De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft ten laste van eiseres.

Er zijn tot slot geen rolrechten verschuldigd in fiscale zaken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Verklaart aldus de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiseres definitief verworven voor het fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op dertig maart tweeduizend zesentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

(…)

Textes cités

6
CTVA art. 39bis5 occurrences
CTVA art. 25ter2 occurrences
CTVA art. 101 occurrence
CTVA art. 391 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8