Corps de la décision
Arrêt de la Cour de Cassation
dd. 19.12.2013
Arrest
Nr. F.12.0092.N
E S,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. J. V., advocaat bij het Hof van Cassatie, met
kantoor …, waar de eiser woonplaats
kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met
kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur
van het eerste btw-ontvangkantoor te …
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. W. v. E., advocaat bij het Hof van Cassatie,
met kantoor te …, waar de verweerder
woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van
13 december 2011.
Advocaat-generaal D. T. heeft op 25 juni 2013 een schriftelijke conclusie
neergelegd.
Raadsheer G. J. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal D. T. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De eiser voerde in appelconclusie aan dat hij geen btw verschuldigd was op
omzet die nooit is tot stand gekomen en terecht enkel de netto-omzet, dit is de gehele
omzet min de onmiddellijk of binnen het kwartaal opgestelde creditnota's
had aangegeven.
2. De appelrechters oordelen dat de overtreding van de eiser bestaat uit het niet
aangeven in de periodieke btw-aangiften van alle door hem uitgereikte facturen in
de betreffende kwartalen en de eiser daarover geen betwisting voert.
De appelrechters geven hiermee een uitleg aan de appelconclusie van de eiser die
met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen mitsdien de bewijskracht
ervan niet.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
3. Met de redenen die het arrest vermeldt, verwerpen en beantwoorden de appelrechters
het in het onderdeel weergegeven verweer.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
4. Krachtens artikel 51, § 1, 3°, Btw-wetboek is de belasting verschuldigd door
eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over
de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch
een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip
van het uitreiken van de factuur.
Krachtens artikel 75 Btw-wetboek kan de belasting slechts worden teruggegeven
in de gevallen waarin dit wetboek voorziet.
Krachtens artikel 77, § 1, 4° en 5°, Btw-wetboek wordt, onverminderd de toepassing
van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting
die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire
verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven,
wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of de uitvoering
van de dienst verbroken is of wanneer de overeenkomst minnelijk of door
een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden
is.
5. Hieruit volgt dat de belasting verschuldigd is van zodra de factuur uitgereikt
is en de beëindiging van de overeenkomst waarop de factuur steunt tot teruggave
van de belasting kan leiden.
Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
Derde onderdeel
6. Het onderdeel is geheel afgeleid uit het in het tweede onderdeel tevergeefs
aangevoerde schending van de artikelen 51, § 1, 3°, 75 en 77, § 1, 4° en 5°, btw-wetboek
en is mitsdien niet ontvankelijk.
Dispositif
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 200,99 euro en voor de verweerder op 370,61
euro.