Assujetti, Assujetti exempté, Acquisition intracommunautaire, Vente à distance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 9 août 2016

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti, Assujetti exempté, Acquisition intracommunautaire, Vente à distance

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-exempte-acquisition-intracommunautaire-vente-tribunal-bruxelles-2016-08-09-5bc6

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
9 août 2016

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

163 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles dd. 09.08.2016 (AR 2014/5634/A)

WF 702-15-12/055847

(Favorable à l’administration)

Taxe sur la valeur ajoutée – Assujetti – Assujetti exempté – Acquisition intracommunautaire – Vente à distance – Lieu de la livraison – Dépassement du seuil – Redevable de la taxe – Renonciation au temps couru de la prescription – Compétence pour engager la partie requérante – Amendes fiscales

Législation

Article 3bis du Code de la TVA

Article 25bis du Code de la TVA

Article 25ter du Code de la TVA

Article 25quinquies du Code de la TVA

Article 15, § 4, (ancien) du Code de la TVA

Article 44, § 2, du Code de la TVA

Article 51, § 1, 2°, du Code de la TVA

Article 70, § 1, du Code de la TVA

Synthèse

La partie requérante est une organisation professionnelle constituée sous la forme d’une ASBL et dont le siège social est établi en Belgique. Entre 2009 et 2011, une société néerlandaise a distribué des publications directement aux membres de l’association qui résident en Belgique. Aucune TVA n’a été facturée par le fournisseur néerlandais des publications, les factures mentionnant « report de la perception de la TVA » et le numéro de TVA de l’ASBL. L’organisation professionnelle estime que la localisation de la livraison est située en Belgique parce que le fournisseur néerlandais aurait opté pour le régime des ventes à distance (article 15, § 4, ancien, du code de la TVA), de sorte qu’elle ne serait redevable d’aucune TVA consécutive à une acquisition intracommunautaire.

Une livraison ne peut tomber sous le régime des ventes à distance que si l’acheteur est un particulier ou un assujetti ou une personne morale non assujettie qui n’est pas tenue de soumettre ses acquisitions intracommunautaires à la TVA en Belgique.

Il ressort des pièces du dossier que l’organisation professionnelle exemptée en vertu de l’article 44, § 2, du Code de la TVA avait déjà, lors d’une première livraison, dépassé le seuil d’achats intracommunautaires de 11.200 € (article 25ter, § 1er, 2° du Code de la TVA). De plus, le fournisseur néerlandais a repris les ventes dans sa déclaration comme opérations intracommunautaires exemptées et ces livraisons litigieuses de revues ont également été enregistrées dans le système VIES.

La thèse de la requérante n’est dès lors pas fondée.

L’organisation professionnelle invoque également que l’action serait prescrite car la renonciation au temps couru de la prescription par son coordinateur général ne serait pas valable. Le coordinateur général qui, selon les statuts de l’ASBL, est responsable de la gestion journalière, n’aurait pas la compétence pour engager la personne morale. Le juge considère qu’en l’espèce la signification d’une contrainte interrompant la prescription et en particulier les frais qui y sont liés, évite de la sorte la signature d’une renonciation au temps couru de la prescription, qui est un acte de gestion journalière. Une telle renonciation ne contient pas de reconnaissance de dette. De plus, il ressort à suffisance des différentes pièces déposées par l’administration que ce même coordinateur pouvait signer d’importants contrats pour le compte de l’ASBL.

En ce qui concerne l’amende, le tribunal est tenu et limité par les prérogatives que l’administration détient et il ne peut décider de réduire ou de remettre les amendes infligées pour des raisons de pure opportunité et d’équité. Le tribunal peut toutefois vérifier si l’amende est légale et ne viole pas les principes de bonne administration dont notamment le principe de proportionnalité. Le montant des amendes n’est pas si élevé et le litige ne porte pas sur une contestation de principe contrairement à ce que soutient la demanderesse.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank te Brussel

dd. 09.08.2016

(AR 2014/5634/A)

In zake van:

Het N. V. V. K. V. V., v.z.w. met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer ….

Vertegenwoordigd door Mr. P. W. loco Mr. J. V. M., advocaat met / kantoor te …, … die samen optreedt met Mr. F. V., advocaat met kantoor te …, ….

EISENDE PARTIJ.

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

De F.O.D. Financiën -Administratie van de ondernemings-en inkomensfiscaliteit, sector der B.T.W., vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van het Centrum K.M.O. Brussel 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50/b3408.

Vertegenwoordigde door de heer U. V. D., ambtenaar - adviseur.

VERWERENDE PARTIJ.

In deze zaak, in beraad genomen op 3/05/2016, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partijen en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 4/11/14;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §1 van het gerechtelijk wetboek van 5/12/14;

• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 10/03/15, 30/09/15 en op 30/03/16;

• de eerste conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij zoals neergelegd ter griffie op 30/06/15 en op 28/12/15;

• de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 10/03/15 en op 30/03/16;

• de stukken voor eisende partij neergelegd ter griffie op 8/04/16;

Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3/05/16, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

De betwisting heeft betrekking op het hierna volgende BTW-dwangbevel.

Eisende partij is een beroepsvereniging.

In de periode 2009-2011 kocht eisende partij bij het Nederlandse bedrijf B. R. B.V. tijdschriften aan.

Het Nederlandse bedrijf, dat de tijdschriften rechtsreeks naar de leden van eisende partij verzond, factureerde deze aankoop (aan eisende partij) zonder B.T.W. aan te rekenen. Op de factuur/facturen werd vermeld: 'BTW verlegd: BE…'.

Na controle (14/03/12) werd eisende partij een voorstel tot naheffing gedaan waarin in toepassing van art. 51 §1, 2° W.B.T.W. (de) verschuldigde belasting wordt geëist over de verrichte belastbare intracommunautaire verwervingen van goederen.

Na een aantal contracten over en weer blijft eisende partij bij haar standpunt dat er volgens haar geen B.T.W. verschuldigd is. De naheffing B.T.W. werd niet betaald.

Op 23 december 2013 wordt uiteindelijk een proces-verbaal opgesteld. Samen met een beslissing tot naheffing wordt dit proces-verbaal per aangetekend schrijven aan eisende partij overgemaakt. Vervolgens werd op 10/03/14 een dwangbevel nr. … uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11/03/14, op naam van eerste eisende partij dat op 2/04/14 werd betekend aan eisende partij.

Volgens dit dwangbevel zou eerste eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder:

B.T.W. : € …

Geldboete (proportioneel) : € …

(niet-proportioneel) : € …

Interesten : p.m. (art.91 §1 W.B.T.W.)

D.m.v. verzoekschrift neergelegd op 4/11/14 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering strekt ertoe het dwangbevel dd. 10/03/14 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld, niet verschuldigd zijn.

Tot slot beoogt de vordering de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.I. Ontvankelijkheid

De vordering van eisende partij werd ingesteld bij verzoekschrift (art. 1385 decies en undecies Ger. W.) neergelegd ter griffie op 4/11/14.

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij niet.

Nu er ook geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.

3.II. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat:

- er geen intracommunautaire verwerving in hoofde van haar voorhanden is, zodat ze niet gehouden is tot betaling van B.T.W. Het is B. R. BV die nagelaten heeft Belgische B.T.W. te factureren.

De plaats van de levering van goederen situeert zich in België, er kan dan ook geen sprake zijn van een belastbare intracommunautaire verwerving.

Inzake opteerde de buitenlandse leverancier België als plaats van levering aan te duiden zodat we ons in de door art. 15 §4 W.B.T.W. voorziene situatie bevinden ten gevolge waarvan art. 25ter §1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.

- In ondergeschikte orde voert eisende partij dat er verjaring voorhanden zou zijn.

- Uiterst ondergeschikt verzoekt eisende partij om kwijtschelding van boeten.

M.b. t. het argument dat er geen B. T. W. verschuldigd zou zijn door eisende partij

Eisende partij voert vooreerst aan dat er geen B.T.W. verschuldigd zou zijn door haar omdat de plaats van levering van de tijdschriften (door het Nederlandse B. b.v.) België is, waardoor er geen sprake is van een intracommunautaire verwerving in hoofde van eisende partij. Het is B. b.v. dat heeft nagelaten B.T.W. te factureren.

Daarbij verwijst ze naar Art. 15 §4 W.B.T.W. en art. 25ter §1 W.B.TW. Het spreekt voor zich dat, nog steeds aldus eisende partij, de levering van de goederen zich in België situeert.

Ook wanneer een buitenlands leverancier ervoor opteert om België als plaats van levering aan te duiden, situeert de plaats van levering zich in België : een leverancier die daarvoor opteert bevindt zich de facto in een door art. 15 §4 W.B.T.W. voorziene situatie ten gevolge waarvan art. 25ter §1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.

De plaats van de levering van goederen situeert zich in België, er kan dan ook geen sprake zijn van een belastbare intracommunautaire verwerving.

Inzake opteerde de buitenlandse leverancier België als plaats van levering aan te duiden zodat we ons in de door art. 15 §4 W.B.T.W. voorziene situatie bevinden ten gevolge waarvan art. 25ter §1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.

Verweerder stelt dat eisende partij ten onrechte verwijst naar art. 15 §4 W.B.T.W. omdat eisende partij een belastingplichtige is/zou zijn waarop de afwijking van art. 25ter §1, tweede lid W.B.T.W. niet toepasselijk zou zijn wegens de overschrijding van de drempel van € ….

Het is onjuist dat R. B. b.v. er voor gekozen heeft dat de plaats van levering België is.

Beoordeling

Uit het dossier blijkt dat wel degelijk een intracommunautaire levering (art. 25bis §1) door R. B. B.V. aan eisende partij heeft plaatsgevonden en dat deze laatste de afnemer is van de goederen.

Lichamelijk roerende goederen (tijdschriften) werden over de grens Nederland/België vervoerd door of voor rekening van de verkoper met als bestemming de afnemer.

Bovendien is er een overdracht van het recht om juridisch over het goed te beschikken, voorhanden (vandaar de opdracht de tijdschriften rechtstreeks aan de leden in België toe te sturen).

Op basis van art. 25bis §1 W.B.T.W. is de levering een intracommunautaire verwerving in hoofde van eisende partij die op basis van art. 25quinquies §2 W.B.T.W. in België plaatsvindt (art. 25quinquies §2 W.B.T.W. bepaalt dat als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer).

Op basis van art. 3bis W.B.T.W. en art. 25ter §1, 1°lid W.B.T.W. dient deze verwerving in België aan de B.T.W. onderworpen te worden.

De belasting is tenslotte in toepassing van art. 51 §1, 2° W.B.T.W. door eisende partij verschuldigd ('degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht').

Artikel 15 §4 W.B.T.W. is niet van toepassing inzake.

Artikel 15 §4 W.B.T.W. bepaalt dat "de plaats van een levering van goederen geacht wordt zich in België te bevinden, wanneer ze door of voor rekening van de leverancier naar België wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere Lid-Staat en indien de levering van de goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de afwijking van artikel 25ter, §1, tweede lid toepasselijk is, of voor enige andere belastingplichtige. (...). Het vorige lid is echter niet van toepassing op de leveringen van goederen ten belope van een bedrag dat niet hoger mag zijn dan … euro."

Uit artikel 15, §4, eerste lid W.B.T.W. volgt dat een levering slechts onder toepassing valt van de regeling van de verkopen op afstand indien de koper ofwel een particulier is, ofwel een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de afwijking van artikel 25ter, §1, tweede lid, 2° WBTW van toepassing is. Hiermee worden de personen bedoeld die er niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan de BTW te onderwerpen. Het gaat meer bepaald om de volgende vier categorieën van personen:

- de belastingplichtigen die genieten van de bijzondere landbouwregeling van artikel 57 W.B.T.W. Het gaat om landbouwondernemingen die producten van hun bedrijf leveren of landbouwdiensten verrichten. De belasting geheven op deze leveringen of diensten wordt hen bij wijze van forfaitaire compensatie terugbetaald;

- de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56, §2 W.B.T.W. Een belastingplichtige wordt als een kleine onderneming beschouwd indien de jaaromzet gerealiseerd tijdens het voorgaande kalenderjaar niet meer bedraagt dan … euro (artikel 1 KB nr. 19);

- de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 44 W.B.T.W. Dit zijn de belastingplichtigen zonder recht op aftrek van de B.T.W. zoals advocaten, tandartsen, scholen en ziekenhuizen;

- niet-belastingplichtige rechtspersonen zoals de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten.

Voor een particulier is zijn hoedanigheid als particulier voldoende om onder de regeling van de verkoop op afstand te kunnen vallen indien aan alle toepassingsvoorwaarden is voldaan.

Voor de leden van de vier hogervermelde categorieën geldt echter nog een bijkomende voorwaarde: zij kunnen slechts worden onderworpen aan de regeling van de verkoop op afstand indien zij noch tijdens het lopende kalenderjaar, noch in de loop van het voorafgaande kalenderjaar intracommunautaire verwervingen hebben verricht voor een bedrag dat hoger is dan … euro (artikel 25ter, §1, tweede lid, 2°). Dit noemt men de aankoopdrempel.

Eens deze aankoopdrempel is overschreden, vallen de leden van deze categorieën onder de regeling van de intracommunautaire verwervingen, waardoor de regeling van de verkoop op afstand wordt uitgesloten.

Om na te gaan of eisende partij de aankoopdrempel heeft overschreden, moet rekening worden gehouden met alle aankopen, exclusief B.T.W., verricht in de andere Lid-Staten, die in België aanleiding geven tot een intracommunautaire verwerving.

Uit de stukken blijkt dat wat eisende partij betreft, de drempel van € … reeds bij de eerste levering werd overschreden.

Eisende partij is m.a.w. een belastingplichtige op wie de afwijking van art. 25ter §1, tweede lid

niet toepasselijk is.

Verder blijkt dat R. B. b.v. haar facturen opmaakte met vermelding van haar Nederlands B.T.W. nummer maar geen B.T.W. aanrekende. Hieruit moet met verweerder geconcludeerd worden dat dit aangeeft dat deze factuur/facturen aangeeft/aangeven een intracommunautaire levering als voorwerp te hebben. Dit wordt nog versterkt door de vermelding 'B.T.W. verlegd' op meerdere facturen én door het feit dat R. B. b.v. de leveringen in kwestie (bovendien) opnam in de door haar ingediende opgave van de door haar vrijgestelde intracommunautaire handelingen.

Bovendien nam R. B. B.V. de leveringen op in de door haar ingediende opgave van de door haar verrichte vrijgestelde intracommunautaire handelingen: uit de gegevens van het VIES -systeem blijkt duidelijk dat de betwiste leveringen van tijdschriften door R. B. B.V. het Europese verificatiesysteem VIES werden opgenomen als vrijgestelde intracommunautaire leveringen.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. het argument dat er verjaring voorhanden zou zijn

Eisende partij voert aan dat de vordering tot voldoening van de B.T.W. voor wat betreft de jaren 2009 en 2010, verjaard zou zijn.

De door de heer M. F. ondertekende verklaring tot afstand van verjaring, verhindert niet dat de verjaringstermijn is verstreken. De heer M. F. is immers niet bevoegd om eisende partij in rechte te verbinden.

Verweerder stelt dat de verklaring tot afstand van verjaring geldig is.

Beoordeling

Om daadwerkelijk zijn rechten te kunnen uitoefenen en zijn verplichtingen te kunnen naleven, moet een rechtspersoon beroep doen op natuurlijke personen die zijn rechten uitoefenen en zijn verplichtingen uitvoeren.

Die natuurlijke personen zijn de zogenoemde organen van de rechtspersoon wanneer ze binnen hun functie optreden. Als zij handelen in naam van de rechtspersoon worden die handelingen in beginsel automatisch toegerekend aan de betrokken rechtspersoon. Het is alsof de rechtspersoon zelf optreedt.

(vgl. art. 703 Ger. W. : op grond van artikel 703 Ger. W. treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen).

Art. 22 van de statuten van eisende partij bepaalt dat ze ten opzichte van derden slechts gehouden kan zijn door de handtekening van de algemeen coördinator voor zover die handelt binnen de grenzen van de begroting en conform de beslissingen en visie van de raad van bestuur.

Art. 14 van de statuten van eisende partij bepaalt dat het dagelijks bestuur wordt waargenomen door een algemeen coördinator.

Om te bepalen of een 'dagelijks bestuurder', zoals de algemeen coördinator inzake er een is (in een v.z.w.), al dan niet de verklaring in kwestie kon ondertekenen, dient nagegaan te worden of dit binnen diens bevoegdheden valt.

Inzake is er evenwel zelfs nog geen sprake van een geschil.

De wetgever heeft de notie 'dagelijks bestuur' wel in de wet ingeschreven, maar heeft tot op heden nagelaten om dit begrip ook effectief te definiëren.

Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat 'dagelijks bestuur' herhaaldelijk omschreven wordt als omvattende de handelingen "die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vennootschap (inzake de vzw), of de behoeften die om reden zowel van het minder belang dat ze vertonen, als van de noodzakelijkheid een spoedige oplossing te treffen, de tussenkomst van de raad van bestuur niet rechtvaardigen".

Op basis van deze rechtspraak kunnen aldus twee categorieën van handelingen worden onderscheiden:

• handelingen die het dagelijks reilen en zeilen van de vennootschap betreffen en in die zin courant zijn, en;

• handelingen die eerder uitzonderlijk zijn, maar omwille van hun gering belang alsook het feit dat een spoedige beslissing noodzakelijk is, eveneens onder dagelijks bestuur vallen.

Volgens de meest recente rechtspraak van het Hof van Cassatie (cassatie 26/02/09), strikt te interpreteren, zou de raad van bestuur zich moeten bezig houden met 'onbenulligheden' die niet dringend zijn.

Quid nu m.b.t. een verklaring van afstand van verjaring.

Dit is volgens de rechtbank een handeling die eerder met het dagelijks reilen en zeilen te maken heeft.

Daarnaast is dit meestal dringend.

Indien dergelijke verklaring geen dagdagelijks iets is, maar wel uitzonderlijk en dringend, dan valt ze ook onder dagelijks bestuur.

De betekening van een verjaringsstuitend dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder (en dan vooral de daaraan verbonden kostprijs) vermijden door het ondertekenen van een verklaring van afstand van verjaring, is een handeling van dagelijks bestuur, van deugdelijk dagelijks bestuur. De ondertekening van dergelijke verklaring houdt geen schulderkentenis in zodat men steeds binnen de grenzen van de begroting blijft.

De heer M. F., algemeen coördinator van eisende partij ondertekende zodoende rechtsgeldig een verklaring tot afstand van de gelopen verjaring.

Ten overvloede kan nog gewezen worden op het stuk 14 (bundel verweerder) waaruit blijkt dat diezelfde heer M. F. (blijkbaar) zelfs contracten (houdende het aangaan/verlengen van abonnementen ter waard van € …) mocht ondertekenen voor de vzw.

Het argument van eisende partij kan zodoende geenszins worden gevolgd.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. de boeten

Eisende partij voert aan dat gezien het inzake een principiële betwisting betreft, de opgelegde boeten dienen te worden kwijtgescholden.

Verweerder stelt dat de rechter zich niet kan uitspreken over de opportuniteit van de opgelegde boeten.

Beoordeling

De opgelegde geldboetes bestaan enerzijds uit een proportionele geldboete (200%, verminderd tot 20% of € …) en anderzijds verscheidene niet proportionele boetes (voor € …) (3 x …).

Wat betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel, kunnen de volgende algemene uitgangspunten in herinnering gebracht worden.

Er moet aangenomen worden dat de rechtbank bij de beoordeling van een boete op basis van artikel 70 W.B.T.W. een even ruime controle moet kunnen uitoefenen zoals deze bestaat in hoofde van de administratie.

Artikelen 70, §1 en volgende W.B.T.W. moeten op deze wijze geïnterpreteerd worden dat de rechter met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen over de kwijtschelding of vermindering van een administratieve geldboete. Hierbij moet de rechtbank kunnen nagaan of alle wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder de evenredigheid, werden nageleefd bij het opleggen van de boete (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 79/2008, 15/05/2008, overweging B.8). In een andere interpretatie is deze bepaling immers niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 gec. G.W. en artikel 6 Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (zie overweging B6.2 van datzelfde arrest).

De omvang van de toetsingsbevoegdheid van de hoven en rechtbanken moet dus even ver gaan als de wettelijke mogelijkheden die de administratie of de minister hebben om een administratieve boete kwijt te schelden, met name ook op grond van artikel 9 van het regentsbesluit van 18/03/1831.

Doordat de rechtbank gebonden en beperkt is tot de mogelijkheden die de administratie heeft om de opgelegde boete kwijt te schelden of te verminderen, kan deze niet om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de boete verminderen of kwijtschelden (vgl. o.m. Cass. 16/02/2007, rolnummers C.04.0390.N, F.06.0032.N en F.05.0015.N; Cass. 12/12/2008, F.J.F. 2009, 615 en Cass. 13/02/2009, F.J.F. 2009, 906; voor een bespreking zie D. NORE en F. SMET,

“Hof van Cassatie verduidelijkt evenredigheidstoetsing", Fiscoloog 2009, afl. 1156, 4-6 en F. SMET, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel" - noot onder Cass. 13/02/2009, T.F.R. 2009, 903-909).

Er kan wel nagegaan worden of deze boete wettig is en in overeenstemming met de beginselen behoorlijk bestuur (met name proportioneel en evenredig, vgl. Brussel 21/01/2009, Fisc.Koer. 2009, p. 363 (weergave); zie F. SMETS, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?", T.F.R. 2009, 903-909).

De boetes zijn helemaal niet zo omvangrijk, en de betwisting is niet van principiële aard.

Dit middel van eisende partij is niet gegrond.

De vordering van eisende partij is ongegrond.

4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOE-DINGEN

Aangezien de vordering van eisende partij ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.

Nu verweerder niet door een advocaat wordt/werd vertegenwoordigd heeft hij evenwel geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond,

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet verder te begroten.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone / gewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 9 augustus 2016

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. L. rechter

Mevrouw C. V. griffier.

C.V. M. L.

Textes cités

8
CTVA art. 25ter3 occurrences
CTVA art. 442 occurrences
AR no 19 art. 11 occurrence
CTVA art. 25bis1 occurrence
CTVA art. 3bis1 occurrence
CTVA art. 511 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8