Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 09.02.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2004/AR/800 + 2004/AR/888
Y. V., wonende te …, …;
appelIante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 25 februari 2004;
vertegenwoordigd door Meester I. B. loco Meester V. D., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger, thans e.a. inspecteur van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 25 februari 2004 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 maart 2004 en op 24 maart 2004;
Gelet op de tussenarresten uitgesproken door dit Hof op 20 november 2007 en op 13 mei 2008;
Gehoord de heer F. C., Substituut-Procureur-generaal, in zijn mondeling advies ter terechtzitting van 14 april 2008;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies; Gelet op de herneming van de zaak;
1. Retroacten :
1.1.- In het tussenarrest uitgesproken op 20 november 2007 heeft het Hof de hogere beroepen hangend onder A.R. 2004/ AR/800 en A.R. 2004/AR/888 wegens samenhang samengevoegd. Het Hof heeft verder geoordeeld dat de opeisbaarheid van de BTW zich in de loop van het jaar 1995 heeft voorgedaan, zodat het verzet tegen het dwangbevel bij dagvaardingsexploot en niet bij verzoekschrift diende te worden ingeleid. Het op 24 januari 2001 bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld verzet tegen het op 6 oktober 2000 uitgevaardigd dwangbevel dient dan ook onontvankelijk te worden verklaard. Het op 23 januari 2001 bij dagvaardingsexploot ingesteld verzet is daarentegen wel ontvankelijk. Ten gronde stelt het Hof echter vast dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de volgende door appellante voorgelegde en door haar ter staving van de door haar aangevoerde middelen gebruikte stukken vals zijn in de zin van artikel 196 Sw. :
1. de factuur uitgereikt door de BV A. P. aan S. I. op 24 oktober 1995 voor de prijs van … HFL;
2. de verkoopfactuur uitgeschreven door S. I. op naam van appellante op 29 april 1996 voor de prijs van … LIT + … LIT BTW;
3. de handgeschreven kwitantie met als datum 29 april 1996 voor de betaling door G.-V. aan S. H. Srl van een bedrag van … LIT.
Het Hof heeft de hogere beroepen dan ook ontvankelijk verklaard, het incidenteel beroep ontvankelijk en reeds gegrond verklaard in zoverre het bestreden vonnis de vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak ontvankelijk heeft verklaard, het bestreden vonnis dienvolgens tenietgedaan in zoverre het de door appellante bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd op 24 januari 2001 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, ingestelde vordering ontvankelijk heeft verklaard, en opnieuw in die beperkte mate recht doende, heeft het Hof de vordering ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd op 24 januari 2001 ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, onontvankelijk verklaard, het bestreden vonnis verder bevestigd in zoverre het de door appellante bij dagvaardingsexploot betekend op 23 januari 2001 ingestelde vordering ontvankelijk heeft verklaard, en alvorens nader recht te doen over de gegrondheid van de hogere beroepen en van het incidenteel beroep heeft het Hof ambtshalve de mededeling van deze zaak .aan het Openbaar Ministerie overeenkomstig de bepalingen van artikel 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevolen en te dien einde de heropening van de debatten bevolen op de zitting van 8 april 2008 teneinde het Openbaar Ministerie hetzij terstond in zijn advies te horen, hetzij om de termijnen te bepalen waarbinnen het advies van het openbaar ministerie wordt uitgebracht en waarover de partijen beschikken om ter griffie een conclusie neer te leggen met betrekking tot de inhoud van dat advies.
1.2.- Ter terechtzitting van 8 april 2008 werd het Openbaar Ministerie in zijn mondeling advies gehoord. Het Openbaar Ministerie heeft hierbij besloten dat er, inderdaad, ernstige aanwijzingen bestaan dat de voormelde door appellante aangewende stukken vals zijn en dat na mededeling van deze stukken aan· het Openbaar Ministerie als naar recht zal worden gehandeld.
1.3.- Partijen hebben bij monde van hun respectieve raadslieden terstond ter terechtzitting op dit mondeling advies gerepliceerd.
1.4.- Bij tussenarrest uitgesproken op 13 mei 2008 heeft het Hof, het tussenarrest van 20 november 2007 verder uitwerkend, en alvorens nader recht te doen over de gegrondheid van de hogere beroepen en van het incidenteel beroep, bevolen dat appellante binnen de termijn van één maand na uitspraak van dit arrest volgende stukken in origineel, hetzij een door een notaris voor eensluidend verklaard afschrift ervan, ter griffie in het dossier van de rechtspleging, tegen ontvangstbewijs, zal neerleggen :
1. de factuur uitgereikt door de BV A. P. aan S. I. op 24 oktober 1995 voor de prijs van … HFL;
2. de verkoopfactuur uitgeschreven door S. I. op naam van appellante op 29 april 1996 voor de prijs van … LI + … LIT BTW;
3. de handgeschreven kwitantie met als datum 29 april 1996 voor de betaling door G.-V. aan S. l. Srl van een bedrag van … LIT;
de griffier bevolen om deze stukken terstond na neerlegging ervan aan het ambt van de heer Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen te doen toekomen, opdat verder als naar recht door zijn ambt zal worden gehandeld, vastgesteld dat de zaak, gelet op het voorgaande, niet in staat van wijzen is, de zaak dienvolgens naar de bijzondere rol verzonden, en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
1.5.- Appellante heeft gewone fotokopijen van de voormelde stukken ter griffie van dit Hof bij aangetekende brief van 11 juni 2008, ter griffie ontvangen op 12 juni 2008, neergelegd.
Het Parket van de Procureur des Konings heeft bij brief van 5 februari 2009 het volgende medegedeeld aan de raadsman van geïntimeerde :
"(...)
Rekening houdende met de elementen die mij ter kennis werden gebracht heb ik besloten het dossier te seponeren. De reden van deze beslissing is: redelijke termijn vervolging overschreden. (...)".
Partijen hebben hierna geen conclusies meer neergelegd.
2. Beoordeling :
2.1. Over de perken van het debat na de heropening van de debatten :
________________________________________________
Uit de processtukken blijkt dat :
- de tussenarresten van 20 november 2007 resp. van 13 mei 2008 werden gewezen door "R. T., voorzitter, D. W. en S. B., raadsheren";
- blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2009 de zaak werd hernomen voor de gewijzigde samenstelling van de zesde kamer en de zaak in beraad werd genomen door "D. W., M. D. en S. B., raadsheren".
Het debat kan derhalve niet worden beperkt tot het advies van het Openbaar Ministerie en het Hof dient te antwoorden op alle door partijen voor de voormelde arresten in conclusies aangevoerde middelen (vgl. Cass. AR C.08.0250.N, 19 november 2009, niet gepubl.; Cass., 12 december 2008, RABG 2009, 755; Cass. AR C.99.0332.N, 31 januari 2002, Arr. Cass. 2002, 307, Pas. 2002, 291).
2.2. Over de belastbaarheid·van de intracommunautaire verwerving :
________________________________________________
2.2.1.- Naar luid van artikel 25bis, § 1, W.BTW wordt onder intracommunautaire verwerving·van een goed verstaan het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk roerend goed dat door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer, is verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat dan die waaruit het goed is verzonden of vervoerd.
Overeenkomstig artikel 25ter, § 2, W.BTW zijn aan de belasting onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel van de in artikel 8bis, § 2, bedoelde nieuwe vervoermiddelen door ieder ander dan een als zodanig handelend belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.
Krachtens artikel 8bis, § 1, W.BTW wordt als belastingplichtige aangemerkt eenieder die toevallig onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel levert onder de voorwaarden van artikel 39bis.
Krachtens artikel 8bis, § 2, worden voor de toepassing van dit artikel :
1° als vervoermiddel beschouwd: voor het personen- of goederenvervoer bestemde schepen met een lengte van meer dan 7,5 meter, luchtvaartuigen met een totaal opstijggewicht van meer dan 1.550 kg en landvoertuigen die zijn uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 48 cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt, met uitzondering van schepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a en b, en luchtvaartuigen, die niet zijn bestemd om door de Staat te worden gebruikt, bedoeld in artikel 42, § 2, 1°;
2° als nieuwe vervoermiddelen aangemerkt de vervoermiddelen bedoeld in 1° wanneer, indien het landvoertuigen betreft, hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 6 000 kilometer hebben afgelegd.
Overeenkomstig artikel 25ter, § 3, van het BTW-Wetboek wordt ieder vervoermiddel dat in België het voorwerp uitmaakt van een intracommunautaire verwerving of van een bij artikel 25quater daarmee gelijkgestelde handeling, behoudens tegenbewijs, geacht nieuw te zijn in de zin van artikel 8bis, § 2, 2°.
Op grond van artikel 51, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek is de belasting verschuldigd door .degene die in België een communautaire verwerving van goederen verricht.
Naar luid van artikel 25quinquies, § 5, van het BTW-Wetboek wordt de intracommunautaire verwerving van een goed, behoudens tegenbewijs, geacht in België plaats te vinden wanneer de afnemer zijn intracommunautaire verwerving onder een ter uitvoering van artikel 50, § 1, toegekend BTW-identificatienummer heeft verricht of wanneer hij, op het tijdstip van de verwerving, in België een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.
2.2.2.- Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat het voertuig FERRARI, type 456GT, met als chassisnummer …, voor het eerst in gebruik werd genomen op 24 oktober 1995.
Het wordt niet betwist dat appellante op voormelde datum getrouwd was met de heer G. G., dat zij zelf geen BTW-belastingplichtige was en dat zij in België woonachtig was.
Er kan voorts enkel .rekening worden gehouden met (boekhoudkundige) stukken die naar hun echtheid en regelmatigheid positief en objectief controleerbaar zijn.
Door het Hof dient alsdan te worden vastgesteld dat :
1. de wagen in Nederland bij de BV A. P. werd aangekocht;
2. uit het onderzoek verricht door de Nederlandse belastingdienst blijkt dat deze verkoop bij de BV A. P. is geboekt blijkens een factuur van 24 oktober 1995 met nummer … op naam van "De heer G. G., …, … Italië" voor een bedrag van … H.F1., dat deze verkoop werd betaald bij bankoverschrijving op naam van de heer G. G., en dat de levering van de wagen op de intracommunautaire opgave van het vierde kwartaal 1995 van de BV A. P. als een levering aan een Italiaanse particulier werd aangeduid;
3. het adres van de heer G. G. op voormelde factuur niet overeenstemt met dit op datum van voormelde factuur op het door appellante voorgelegde bewijs van inschrijving te …, zijnde …;
4. uit het onderzoek uitgevoerd door de Italiaanse belastingdienst blijkt dat in de boekhouding van S. I. geen enkel document met betrekking tot de aankoop van een wagen Ferrari 456 GT kon worden teruggevonden;
5. in een brief van 7 januari 1999 door de BVBA I. namens appellante wordt verklaard dat de heer G. G. de wagen uiteindelijk heeft gekocht van S. I. om hem aan appellante cadeau te geven.
Uit de voormelde consideransen en vaststellingen dient te worden besloten dat het Hof geen rekening kan houden met de door appellante voorgelegde fotokopij van een factuur, die door de BV A. P. aan S. I. op 24 oktober 1995 met betrekking tot de verkoop van dezelfde wagen zou zijn uitgeschreven, nu deze factuur niet voorkomt noch in de boekhouding van de BV A. P. noch deze van S. I. en geen spoor kan worden teruggevonden van enige boeking van een contante betaling, die bovendien wordt tegengesproken door het door de BV A. P. aan de Nederlandse belastingdienst voorgelegde afschrift van de bankoverschrijving op naam van de heer G. G. als betaling van de aankoop van dezelfde wagen.
Hieruit volgt dat geen enkel bewijs voorligt dat de Italiaanse vennootschap ooit de eigendom van de wagen Ferrari 456GT zou hebben verworven of kunnen verworven hebben en bijgevolg ook niet op 29 april 1996 zou kunnen hebben doorverkocht aan de heer G. G..
2.2.3.- Nu blijkt dat de wagen door de heer G. G. als geschenk voor appellante werd aangekocht, dient uit artikel 25quinquies, § 5, W.BTW te worden afgeleid dat moet worden aangenomen dat de intracommunautaire verwerving van de wagen Ferrari 456GT in België heeft plaatsgevonden, gezien appellante haar woonplaats op datum van 24 oktober 1995 in België had.
Hieruit volgt dat op grond van artikel 25ter, § 2, W.BTW op voormelde datum van verwerving appellante BTW-plichtig was uit hoofde van de verwerving van het kwestieus voertuig.
2.2.4.- Ten overvloede dient te worden aangenomen dat, zelfs indien men er zou van uitgaan dat de levering van de wagen niet zou samenvallen met de eerste ingebruikname op 24 oktober 1995, het alsdan, om aan de belastbaarheid van de intracommunautaire verwerving van het voertuig te ontsnappen, aan appellante krachtens de bepalingen van artikel 25ter, § 3, resp. artikel 8bis, § 2, W.BTW zou behoren het tegenbewijs te leveren, i.e. dat het voertuig niet nieuw was op het ogenblik van de levering ervan door de heer G. G., hetzij dat de wagen meer dan zes maanden oud was te rekenen vanaf de datum van eerste ingebruikneming hetzij reeds meer dan 6.000 km had afgelegd op dat ogenblik.
De datum van aanvraag om inschrijving van het voertuig in België noch de datum van het inschrijvingsbewijs kunnen als bewijs van datum van levering gelden, nu deze levering door de heer G. G. aan appellante ook eerder had kunnen gebeuren.
Het bewijs van de levering kan noch mag worden afgeleid uit de door appellante voorgelegde factuur gedateerd op 29 april 1996 met nummer … van S. I. op naam van appellante voor de prijs van … LIT + … LIT BTW en de handgeschreven kwitantie met als datum 29 april 1996 voor de betaling door G.-V. aan S. I. Srl van een bedrag van … LIT. In de boekhouding van S. I. kon immers geen spoor worden teruggevonden van de aankoop van de wagen door S. I., zodat ook meer dan ernstige twijfel mag bestaan nopens de echtheid en/of regelmatigheid van de door appellante voorgelegde stukken. Ze zijn alleszins niet objectief controleerbaar.
Appellante moet derhalve worden geacht de intracommunautaire verwerving van een nieuw voertuig in België te hebben gedaan en uit dien hoofde de BTW hierop in België verschuldigd te zijn.
De BTW-plicht in hoofde van appellante vloeit voort uit de vaststaande vervulling van de voorwaarden gesteld in de artikelen 25bis, 25ter, §§ 2 en 3, en 8bis W.BTW en dus niet uit enig door de BTW-administratie te leveren bewijs, zodat er ook geen sprake kan zijn van een bewijslevering door opeenstapeling van vermoedens. Het behoorde daarentegen aan appellante om het tegenbewijs te leveren van het wettelijk vermoeden dat het door haar verworven voertuig nieuw was in de zin van artikel 8bis W.BTW en daarin faalt zij.
2.3. Omtrent de administratieve geldboete :
______________________________
Naar luid van artikel 70, § 1, W.BTW § 1 wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen 51, §§ 1, 2 en 4, 51bis, 52, 53, 53ter, 53nonies, [54, 55 en 58,] of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting.
Een administratieve sanctie inzake belasting kan een strafsanctie zijn in de zin van de artikelen 6 EVRM en 14 NBPR, in welk geval de rechter bij de toetsing ervan, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen of van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (Cass., AR C.00.0234.N, C.00.0442.N, 24 januari 2002, A.F.T. 2002 (weergave JAECQUES, D.), afl. 4, 201, F.J.F. 2002, afl. 4, 264, Juristenkrant 2002 (weergave WESTEN, B.), afl. 47, 5, Pas. 2002, afl. 1, 226, R.C.J.B. 2002, afl. 4, 573, noot NUDELHOLC, S., KIRKPATRlCK, J.,
"Le contrôle judiciaire des amendes fiscales et le principe de proportionnalité", R.C.J.B. 2002, afl. 4, 594-652, R.W. 2002-03, afl. 26, 1017, noot, T.F.R. 2002, afl. 226, 765).
Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft moet nagegaan worden of ze 1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt 3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is, 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan (Cass., 25 mei 1999, Arr. Cass., 1999,307). Na afweging van al deze elementen blijkt in dit geval dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, gezien de zwaarte van het aan geldboete opgelegd bedrag.
Het Hof oordeelt evenwel dat de opgelegde straf niet onevenredig is met de inbreuk. Het gebruik van uiterst bedenkelijke en onbetrouwbare stukken, die in flagrante strijd zijn met regelmatige boekhoudkundige documenten, met als enig oogmerk aan de betaling van verschuldigde BTW te trachten te ontsnappen, verantwoordt ten zeerste het repressief karakter van de opgelegde administratieve boete.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artike124 van de wet van 15 juni 1935;
Recht doende op tegenspraak, en na herneming van de zaak,
De tussenarresten van 20 november 2007 en 13 mei 2008 verder uitwerkend;
Verklaart het hoger beroep ongegrond;
Wijst appellante ervan af en veroordeelt haar tot de kosten in hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van NEGEN FEBRUARI TWEEDUIZENDENTIEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. D. en
S. B., Raadsheren
A. V. L., Griffier.
A.V. L. S. B.
M. D. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.