Assujetti occasionnel, Acquisition intracommunautaire, Moyen de transport neuf · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 5 novembre 2019

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti occasionnel, Acquisition intracommunautaire, Moyen de transport neuf

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujetti-occasionnel-acquisition-intracommunautaire-moyen-cour-appel-anvers-2019-11-05-b66e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
5 novembre 2019

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

140 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers du 05.11.2019

WF 713-15-09/036633

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Assujetti occasionnel – Acquisition intracommunautaire – Moyen de transport neuf – Principe non bis in idem – Intention frauduleuse – Amende fiscale

Dispositions légales

Article 8bis, § 2, 1°, du Code de la TVA

Article 25bis, § 1er, du Code de la TVA

Article 25ter, §§ 2 et 3, du Code de la TVA

Article 25quater du Code de la TVA

Article 70 du Code de la TVA

Résumé

1) Les faits de la cause et la procédure devant le tribunal de première instance

Les demandeurs (un couple) avait acquis un bateau de plaisance neuf aux Pays-Bas. Ce bateau a été livré en Belgique par le vendeur le 20 juin 2004. L’administration a estimé que cette acquisition devait être qualifiée d’acquisition intracommunautaire effectuée par un assujetti occasionnel au sens des articles 25bis, § 1er, et 25ter, § 2, du Code de la TVA, qui devait être soumise à la taxe en Belgique. Les appelants n’ont pas déposé de formulaire n° 446. La contrainte, à laquelle le procès-verbal était joint, a été notifiée aux demandeurs en 2007. Par le biais d’une citation, les demandeurs ont introduit une demande en justice. Entre-temps, une enquête en matière pénale concernant la société anonyme, dont les demandeurs sont administrateurs délégués et administrateurs, avait été mise à l’instruction.

Le juge de première instance a décidé que le bateau concerné était un moyen de transport neuf visé à l’article 8bis, § 2, du Code de la TVA et que son acquisition, ayant été faite en Belgique, était soumise à la TVA en vertu de l’article 25ter, § 2, du Code de la TVA.

Les demandeurs ont interjeté appel du jugement le 28 février 2018.

2) La procédure devant la cour d’appel

Le juge d’appel décide qu’un moyen de transport, s'il s'agit d’un bateau, n’est plus considéré comme moyen de transport neuf si (1) la livraison n’est pas effectuée dans les trois mois suivant la date de sa première mise en service ou (2) s'il a navigué plus de 100 heures. Vu qu’il ne ressort pas des éléments de cette affaire que ces conditions sont réunies, il s’agit dès lors bien d’une acquisition intracommunautaire d’un moyen de transport neuf effectuée en Belgique.

Dans le cadre de la procédure pénale engagée à l’encontre de la société anonyme, la cour d’appel d’Anvers dans son arrêt du 22 juin 2013 (dont le recours en cassation a été rejeté par un arrêt de la Cour de cassation du 24 juin 2014) a jugé que le bateau n’avait effectivement pas été acquis par cette société anonyme. La société anonyme a été acquittée. Toutefois, le juge pénal n’a pas prononcé de peine à l’encontre des demandeurs, appelants.

La cour considère que le principe non bis in idem n’est pas applicable en l’espèce. Il n’est pas question des mêmes faits. Les faits matériels ne forment pas un ensemble indissociable, par leur lien dans le temps, dans l'espace et par leur objet. Les faits matériels qui ont fait l'objet du premier jugement (acquittement) ne sont pas les mêmes ou pas substantiellement les mêmes que les faits dont il est débattu dans cette instance qui concernent l’acquisition à titre privé par les appelants d’un nouveau bateau de plaisance. Du fait que les appelants ne pouvaient pas acquitter une TVA néerlandaise, ils ont demandé au fournisseur d’émettre une (fausse) facture au nom de la société anonyme afin de faire croire que c’était la société anonyme qui avait acquis le bateau au Pays-Bas.

La cour décide que l’amende fiscale de 200% est légale car elle est correctement motivée et raisonnable au vu de la nature et de la gravité de l’infraction. En effet, les appelants n’ont jamais eu l’intention de déclarer l’acquisition intracommunautaire en tant qu’assujetti occasionnel et, afin d’éluder le paiement de la taxe exigible, ils ont établi ou fait établir de fausses factures. L’intention frauduleuse dans le chef des appelants ressort à suffisance des éléments susmentionnés. Il n’est pas étable que cette amende constituerait une charge disproportionnée pour les appelants. La cour estime qu’il n’existe aucune raison de considérer cette amende comme indue, de la remettre, de la réduire et qu’il n’y a pas eu lieu d’accorder le sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken d.d. 05.11.2019

Rolnummer: 2018/AR/397

1.D. B. G., RRN …, wonende te …, …

2.V. R. D., RRN …, wonende te …, …,

eisers in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. C. M., advocaat te …, … tegen de vonnissen van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 04 november 2015 en van 08 november 2017, gekend onder rolnummer …

tegen

BELGISCHE STAAT - FOD Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, ON …, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR VAN HET TEAM INVORDERING NATUURLIJKE PERSONEN BOOM. met diensten te 2850 BOOM, J. Van Cleemputplein 7, verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. V. D. G., advocaat te …, … (ref.: …)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 4 november 2015 (tussenvonnis) en van 8 november 2017 (eindvonnis), eindvonnis betekend op verzoek van de Belgische Staat aan eisers in hoger beroep op 29 januari 2018 en waarvan voor het overige geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 28 februari 2018, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1.Voorafgaande feiten en procedure

1.1.Voorwerp van de betwisting

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel, RCIV nr. … uitgevaardigd op 26/11/2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/11/2007

1.2.Administratieve fase.

De Nederlandse BV B. Y. heeft op 20 juni 2004 een pleziervaartuig, L. G. B./type Fairline Targa 52, als nieuw vervoermiddel geleverd in België, waarbij gefactureerd werd zonder aanrekening van BTW aan een Belgische vennootschap NV K., waarvan eiser in hoger beroep bestuurder en afgevaardigd bestuurder was.

Op 06/12/2004 werd de NV K. op dagvaarding failliet verklaard.

Op 21/11/2007 werd er een proces-verbaal opgesteld door de belastingadministratie met in bijlage een kopie van het proces-verbaal van vaststellingen opgemaakt op 03/05/2006 (verkeerdelijk wordt als datum "29/08/2006" vermeld) door J. D. L. en F. D., respectievelijk inspecteur en e.a. verificateur-accountant, verbonden aan de inspectie LOD Brugge. De bevoegde ambtenaren boden zich aan op de woonplaats van eisers in hoger beroep. Eerste eiser in hoger beroep legde verklaringen af die in het proces­ verbaal d.d. 03/05/2006 werden opgetekend.

Volgens de belastingadministratie bleek uit dit proces-verbaal van vaststelling dat er inbreuken gepleegd werden op de toepassing van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen.

Uit de vaststellingen bleek, volgens de belastingadministratie dat niet de NV K. maar eisers in hoger beroep in Nederland voor de prijs van … euro een pleziervaartuig hadden aangekocht dat ze door de leverancier op 20 juni 2004 hadden laten afleveren in België (Temse).

Dit pleziervaartuig voldeed, volgens de belastingadministratie, aan de voorwaarden van art. 8 bis §2, 1° WBTW, diende als een nieuw vervoermiddel overeenkomstig artikel 8 bis §2, eerste lid, 2° te worden beschouwd en de aanschaf van dit pleziervaartuig door eisers in hoger beroep was een intracommunautaire verwerving in de zin van de artikelen 25bis §1 en 25 ter §2 WBTW, die in België aan de belasting onderworpen was omdat de intracommunautaire verwerving in België plaats had op 20 juni 2004. Eisers in hoger beroep dienden geen aangifte nr. 446 in uiterlijk op 31/07/2004 en uiterlijk op 31/07/2004 werd de BTW opeisbaar.

Op 26/11/2007 werd het dwangbevel, RCIV nr. … uitgevaardigd en op 27/11/2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Het dwangbevel werd, samen met het proces-verbaal van 21/11/2007, op 20/12/2007 betekend aan eisers in hoger beroep met bevel tot betaling.

In het dwangbevel worden volgende bedragen gevorderd van eisers in hoger beroep:

-… euro aan BTW;

-… euro aan boete;

-meer interesten op grond van art. 91 §1 WBTW en kosten.

1.3.Procedure voor de eerste rechter.

Bij dagvaarding betekend op 29/01/2009 aan de Belgische Staat en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 03/02/2009 stelden eisers in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eisers in hoger beroep vorderden:

-de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

-het proces-verbaal opgesteld op 21/11/2007 onwettig en van nul en generlei waarde te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat eisers in hoger beroep de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, het dwangbevel reg. 127/3722 voor de vordering RCIV … uitgevaardigd op 26/11/2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/11/2007 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn noch door eerste eiser in hoger beroep noch door tweede eiseres in hoger beroep;

-ondergeschikt het proces-verbaal opgesteld op 21/11/2007 onwettig en van onwaarde te verklaren in zoverre hiermee enige vordering lastens eerste eiser in hoger beroep dan wel tweede eiseres in hoger beroep wordt gevestigd en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn noch door eerste eiser in hoger beroep, noch door tweede eiseres in hoger beroep;

-meer ondergeschikt, minstens de opgelegde geldboete te vernietigen, dan wel onverschuldigd te horen verklaren, te horen kwijtschelden, minstens substantieel te horen verminderen, dan wel uitstel van de invordering ervan te horen verlenen met het oog op de economische en sociale re-integratie van eisers in hoger beroep;

-verweerder in hoger beroep te veroordelen om alle lastens eisers in hoger beroep toegerekende of door eisers in hoger beroep betaalde bedragen aan eisers in hoger beroep terug te betalen meer moratoire interesten;

-verweerder in hoger beroep te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

Bij tussenvonnis van 04/11/2015 oordeelde de eerste rechter onder meer als volgt:

“…

3. Eisers stellen dat geen intracommunautaire verwerving geschiedde.

Uit de facturatie per 20 juni 2004 aan NV K. op hetzelfde adres als eisers en dezelfde dag aanmering te Temse blijkt dat de Nederlandse werf intracommunautair leverde.

Er is aldus alvast intracommunautaire verwerving als tegenhanger.

Eisers stellen echter dat eiseres geen BTW-belastingplichtige is.

Deze opwerping geldt overigens, althans prima facie, voor ook eiser.

In dat geval zou de verwerving in België niet belastbaar zijn, bijaldien a fortiori niet in hoofde van eiser en/of eiseres.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, gezien de tussen partijen zelf overeengekomen agenda (Beschikking art. 747 §1 Ger. W.), geen gebruik maakte van zijn laatste conclusietermijn.

Er werd door verweerder dan ook niet in conclusie geantwoord op dit punt.

Het past dan ook dat partijen over dit punt concluderen en er debat over voeren."

De zaak werd naar de rol verzonden om partijen toe te laten te concluderen en ook te debatteren over de hoger gedane vraagstelling. De uitspraak over de kosten werd aangehouden.

Bij eindvonnis van 08/11/2007 oordeelde de eerste rechter als volgt:

“…

Het betrokken vaartuig vormt een nieuw vervoermiddel in de zin van art. 8bis §2 Wetboek BTW.

Het werd intracommunautair verworven.

Dit gebeurde door eisers.

Krachtens art. 25ter §2 Wetboek BTW is de verwerving dan belastbaar, gedaan door eisers als "ieder ander dan als zodanig handelende belastingplichtige(n)".

Per slotsom blijkt de rechtsvordering dan, uiteindelijk, niet gegrond.

Over het bedrag der rechtsplegingsvergoeding loopt wederzijds geen betwisting.

…”

De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eisers in hoger beroep passief ondeelbaar tot de kosten. De kosten werden in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op … euro bij wijze van rechtsplegingsvergoeding.

Tegen beide vonnissen hebben eisers in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 28/02/2018, hoger beroep ingesteld.

1.4.Procedure voor het hof van beroep.

Eisers in hoger beroep vorderen:

-het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

-dienvolgens het bestreden tussenvonnis uitgesproken op 04/11/2015 en het bestreden vonnis uitgesproken op 08/11/2017 te hervormen en dienvolgens opnieuw rechtdoende;

-het proces-verbaal opgesteld op 21/11/2007 onwettig en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van eisers in hoger beroep gevorderde bedragen door hen niet verschuldigd zijn, het dwangbevel reg. 127/3722 voor de vordering RCIV 407-1122-23733, uitgevaardigd op 26/11/2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/11/2007 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn noch door eerste eiser in hoger beroep noch door tweede eiseres in hoger beroep;

-ondergeschikt het proces-verbaal opgesteld op 21/11/2007 onwettig te verklaren en van onwaarde te verklaren in zoverre hiermee enige vordering lastens eerste eiser in hoger beroep dan wel tweede eiseres in hoger beroep gevestigd werd en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn noch door eerste eiser in hoger beroep, noch door tweede eiseres in hoger beroep;

-meer ondergeschikt, minstens de opgelegde geldboete te vernietigen, dan wel onverschuldigd te horen verklaren, te horen kwijtschelden, minstens substantieel te horen verminderen, dan wel uitstel van de invordering ervan te horen verlenen met het oog op de economische en sociale re-integratie van eisers in hoger beroep;

-verweerder in hoger beroep te veroordelen om alle aan eisers in hoger beroep toegerekende of door eisers in hoger beroep betaalde bedragen aan eisers in hoger beroep terug te betalen meer moratoire interesten;

-in elk geval verweerder in hoger beroep te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, begroot op … euro RPV eerste aanleg en … euro RPV voor beroep.

Ter zitting van 14/10/2019 vorderen eisers in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds, zijnde … euro ten laste van de Belgische Staat te leggen.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eisers in hoger beroep solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op … euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

2.Beoordeling.

2.1. Motivering eerste rechter

Eisers in hoger beroep stellen dat het bestreden vonnis moet worden hervormd omdat er geen passage zou zijn die antwoordt op de aanvoering dat er geen overtuigend bewijs zou zijn dat het pleziervaartuig zou zijn aangekocht door mevrouw V. R..

Daar de motiveringsplicht van de vonnissen en arresten aan een vormvereiste beantwoordt, is een vonnis of arrest gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen aangeeft, of ze nu fout of onwettig zijn, die hem ertoe hebben gebracht uitspraak te doen zoals hij het heeft gedaan. (Art. 149 Gw).

De rechter hoeft ook niet in detail te treden, noch elke aanvoering uitdrukkelijk te beantwoorden. De rechter beantwoordt een loutere bewering door ze tegen te spreken. De rechter hoeft niet meer te antwoorden op aanvoeringen die omwille van zijn beslissing over het geschilpunt zelf niet meer ter zake dienend zijn en een impliciet antwoord volstaat voor zover zeker is dat de rechter aldus heeft geantwoord. Evenmin moet de rechter antwoorden op een beschouwing waaruit geen enkel juridisch gevolg wordt afgeleid en derhalve noch een eis, noch een verweer, noch een exceptie vormt (DE MAESENEIRE G., "Motivering rechterlijke beslissing", NJW, 2007, 195).

De rechter voldoet immers aan de motiveringsplicht wanneer hij tegenover een middel van een partij een tegengestelde beoordeling van de feitelijke gegevens van een zaak stelt zonder dat hij daarenboven hoeft te antwoorden op alle argumenten die eisers in hoger beroep tot staving van hun verweer aanvoeren en die geen afzonderlijke middelen zijn.

Geen gebrek aan antwoord kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de feitenrechter de stelling van één partij aanneemt en de stelling van de andere verwerpt. Het gaat er in artikel 149 G.W. niet om of de motivering omstandig of juist is.

Uit samenlezing van beide vonnissen blijkt dat de eerste rechter oordeelde dat de vennootschap (NV K.) het vaartuig nooit effectief had verworven, dat het in 2004 betaald werd via persoonlijke kredieten op naam van eiser en eiseres in hoger beroep, dat de facturatie gebeurde op hetzelfde adres als eisers in hoger beroep en dat de intracommunautaire verwerving van het vaartuig gebeurde door eisers in hoger beroep.

Naar het oordeel van het hof is de motivering duidelijk en geenszins dubbelzinnig. Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek van het eerste vonnis.

Het hof merkt bovendien op dat het een eigen oordeel vormt en zijn beslissing hierna sowieso op eigen motieven steunt.

2.1Bewiislast van de administratie

Volgens eisers in hoger beroep slaagt de belastingadministratie niet in haar bewijslast ten aanzien van mevrouw D. V. R. en zij stellen dat duidelijk is dat er nimmer een werkelijke intracommunautaire verwerving in België heeft plaatsgevonden door eisers in hoger beroep. Zij stellen dat er geen sprake is van een nieuw vervoermiddel.

Het stelsel van scheiding van goederen sluit de gezamenlijke verwerving van een goed door beide echtgenoten niet uit. In een stelsel van scheiding van goederen bestaan er slechts twee vermogens: de eigen vermogens van de echtgenoten. In dit stelsel bestaat er géén gemeenschappelijk vermogen.

Het ontbreken van een gemeenschappelijk vermogen betekent echter niet dat de echtgenoten niets samen kunnen bezitten. De goederen die ze samen bezitten, zijn dan niet "gemeenschappelijk", maar in "onverdeeldheid".

Te dezen blijkt duidelijk dat de echtgenoten samen het vaartuig hebben verworven door een gezamenlijke aankoop. Zo blijkt weliswaar dat de koopovereenkomst met B. Y. d.d. 12/09/2002 betreffende de aankoop van de Fairline Targa 52, (nieuw modeljaar 2003) met inruil van de Princess 455/470, eigendom van het echtpaar D. B.-V. R. en bijbetaling van … euro exclusief BTW, ondertekend werd door eerste eiser in hoger beroep en dat eerste eiser in hoger beroep het aanspreekpunt was in de faxberichten uitgaande van B. Y., doch tevens blijkt dat de facturatie van het vaartuig gebeurde op hetzelfde adres als dat van eisers in hoger beroep; dat de boot gefactureerd werd aan eiseres in hoger beroep op 15/12/2002 (hetgeen op zich niet betwist wordt en blijkt uit de eigen verklaring zoals weergegeven in het proces-verbaal d.d. 03/05/2006, alsook uit de gegevens van het strafonderzoek zoals weergegeven in het definitief arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 20/06/2013); dat de kredietnota d.d. 01/10/2002 met betrekking tot de aankoop door BV B. Y. van de inruiljacht Princess 455/470 werd opgesteld op naam van eiseres in hoger beroep; dat het saldo in 2004 betaald werd via persoonlijke kredieten op naam van zowel eiser in hoger beroep als eiseres in hoger beroep ten belope van … en … euro (hetgeen op zich niet betwist wordt door eisers in hoger beroep en ook blijkt uit de overwegingen van het definitief arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 20/06/2013 gewezen in de strafzaak lastens eisers in hoger beroep); dat het antwoord op de faxen uitgaande van B. Y. gebeurde door eisers in hoger beroep samen (zie de briefwisseling d.d. 03/06/2004 met betrekking tot de oplevering uitdrukkelijk ondertekend op naam van G. en D. en opgesteld in de "wij" vorm).

Het betreft bijgevolg een goed dat eisers in hoger beroep samen in onverdeeldheid bezaten. Dit geldt des te meer aangezien voor roerende goederen er een algemeen vermoeden van onverdeeldheid geldt. Eiser in hoger beroep blijft in gebreke om het bewijs te leveren van het exclusief eigendomsrecht van het pleziervaartuig (Art. 1468, lid 2 B.W.)

Aan BTW zijn onderworpen de intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel in België van een nieuw vervoermiddel. Deze verwerving is steeds belastbaar ongeacht de hoedanigheid van de verwerver.

Niet betwist wordt dat het hier een schip betreft met een lengte van meer dan 7,5 meter, zodat het overeenkomstig artikel 8 bis §2 WBTW als vervoermiddel wordt beschouwd.

Tevens wordt niet betwist dat zij dit vervoermiddel in Nederland hebben gekocht als particulier onder bezwarende titel.

In tegenstelling tot de bewering van eisers in hoger beroep blijkt uit de objectieve gegevens van onderhavig dossier dat het vaartuig niet in Nederland, maar in België werd in ontvangst genomen. Uit de stukken voorgelegd door de belastingadministratie blijkt dat het vaartuig effectief werd afgeleverd in Temse op 20 juni 2004 (zie diverse verklaringen d.d. 20 juni 2004 en verklaring Havenmeester van de Temse Yachthaven, stukken 23 en 24 van de belastingadministratie). Op 20 juni 2004 werd het vaartuig vanuit Nederland naar België vervoerd en opgeleverd. De sleutels werden op 20 juni 2004 overhandigd, de opleverings- en garantiedocumenten werden ondertekend en door een medewerker van BV B. Y. werd technische uitleg verstrekt (stukken 23 en 24 administratief dossier). Terecht stelt de belastingadministratie dat eisers in hoger beroep pas op 20 juni 2004 de macht verkregen om als eigenaar over het goed te beschikken.

Door eerste eiser in hoger beroep werd op 20 juni 2004 een verklaring ondertekend dat het pleziervaartuig bestemd is voor gebruik buiten Nederland doch binnen de Europese Unie en dat het vaartuig na overbrenging naar de Lidstaat van aankomst voor een periode van ten minste drie maanden niet naar Nederland zal terugkeren behoudens met bescheiden te staven onvoorziene terugkeer naar Nederland uitsluitend voor noodzakelijke reparaties, daaronder begrepen het vervoer rechtstreeks naar en van de plaats van reparatie (stuk 23 administratief dossier).

Het louter gegeven dat het pleziervaartuig nadien terug gebracht werd naar Nederland voor het uitvoeren van herstellingen doet dan ook geen afbreuk aan de intracommunautaire verwerving in België.

Dat het vaartuig voor de aflevering in Temse veelvuldig zou gebruikt zijn in de Nederlandse wateren betreft een loutere bewering die niet ondersteund wordt door enig objectief gegeven en zelfs uitdrukkelijk wordt tegengesproken door B. Y. (zie verslag derdenonderzoek d.d. 27/06/2006, stuk 16 administratief dossier).

Het betrof te dezen dan ook een intracommunautaire verwerving in België van een vervoermiddel.

Krachtens artikel 25ter §3 WBTW wordt behoudens tegenbewijs ieder vervoermiddel dat in België het voorwerp uitmaakt van een intracommunautaire verwerving of van een bij artikel 25quater WBTW daarmee gelijkgestelde handeling, geacht nieuw te zijn in de zin van artikel 8 bis §2, 2° WBTW.

Een vervoermiddel, te dezen een boot, wordt in het kader van de regeling voor intracommunautaire verwervingen niet meer als nieuw aangemerkt, indien

(1)de levering meer dan drie maanden na het eerste gebruik plaatsvindt

(2)hiermee meer dan 100 uur is gevaren (zie art. 8 bis §2 2° WBTW).

Aangezien niet blijkt dat deze voorwaarden in casu waren vervuld, gaat het wel degelijk om de intracommunautaire verwerving in België van een “nieuw" vervoermiddel.

Eisers in hoger beroep hebben als particulier in Nederland op 12/09/2002 een nieuw vaartuig Fairline Targa 52, (nieuw modeljaar 2003) gekocht voor de prijs van … euro dat ze door de leverancier op 20 juni 2004 hebben laten afleveren in België (Temse) en verrichtten dan ook op 20 juni 2004 een intracommunautaire verwerving in België van een nieuw vervoermiddel.

Eisers in hoger beroep dienden als particulieren de verschuldigde BTW hierop te voldoen op basis van een bijzondere aangifte nr. 446. Deze bijzondere aangifte moest uiterlijk op 31 juli 2004 worden ingediend op een douanekantoor naar keuze en de Belgische BTW van 21 % werd uiterlijk op 31 juli 2004 opeisbaar. Eisers in hoger beroep deden echter geen aangifte van deze intracommunautaire verwerving als particulier en de hierop verschuldigde Belgische BTW werd door hen niet voldaan. De verschuldigde BTW voor een bedrag van … euro wordt dan ook terecht nagevorderd door verweerder in hoger beroep.

Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 20/06/2013 (cassatieberoep verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie van 24 juni 2014) gewezen in de strafzaak lastens eisers in hoger beroep doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen. Daarin werd enkel geoordeeld dat de boot door NV K. nooit effectief verworven werd zodat er geen sprake was van een intracommunautaire verwerving (lees door NV K.) en de NV K. deze factuur niet moest opnemen in haar maandelijkse BTW-aangifte. Eisers in hoger beroep werden bijgevolg vrijgesproken voor de feiten voorzien onder tenlastelegging E, zijnde als belastingplichtige in het kader van hun economische activiteit niet iedere maand een BTW­ aangifte (art. 53 §1, 2° a en art. 73 WBTW) ingediend te hebben namelijk door aan de belastingdiensten geen melding te maken van de intracommunautaire verwerving van het motorvaartuig Fairline Targa in hoofde van NV K., zoals opgenomen in de factuur d.d. 20 juni 2004 voor een bedrag van … euro, een motorvaartuig dat werd afgeleverd te Temse op 20 juni 2004.

In tegenstelling tot hetgeen eisers in hoger beroep voorhouden blijkt uit geen enkel gegeven dat de Nederlandse belastingdienst de aankoop van het nieuw vaartuig beschouwd zou hebben als een binnenlandse levering. Deze aanvoering overstijgt de loutere bewering niet.

Deze grief van eisers in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.2Wettigheid van de geldboete

Er werd door de belastingadministratie een boete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting. In casu werd de schaal voor de vermindering van de proportionele geldboeten niet toegepast omdat de administratie van mening was dat uit de aard van de overtredingen duidelijk bleek dat zij werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken. Volgens de administratie blijkt duidelijk de intentie om frauduleus de belasting niet te betalen.

Vooreerst is het hof van oordeel dat er te dezen geen sprake is van een non bis in idem. Het verbod krachtens artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem dat niemand voor een tweede keer mag berecht of gestraft worden voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken, veronderstelt onder meer dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon die voor dezelfde feiten voor een tweede maal berecht of bestraft wordt. Te dezen is er geen sprake van dezelfde feiten. De materiële feiten vormen te dezen geen onlosmakelijk geheel door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp.

In het strafdossier werden eisers in hoger beroep onder tenlastelegging E vervolgd om als belastingplichtige in het kader van hun economische activiteit niet iedere maand een BTW­ aangifte (art. 53 §1, 2° a en art. 73 WBTW) te hebben ingediend, namelijk door aan de belastingdiensten geen melding te hebben gemaakt van de intracommunautaire verwerving van het motorvaartuig Fairline Targa in hoofde van NV K., zoals opgenomen in de factuur d.d. 20 juni 2004 voor een bedrag van … euro, een motorvaartuig dat werd afgeleverd te Temse op 20 juni 2004.

Om reden dat eisers in hoger beroep de Nederlandse BTW niet konden betalen lieten zij door BV B. Y. een (valse) factuur opstellen gericht aan de NV K. waardoor zij lieten uitschijnen dat de NV K. het vaartuig in Nederland had aangekocht. Zij lieten het vaartuig effectief intracommunautair afleveren in Temse (België) teneinde de intracommunautaire levering geloofwaardig te maken. De strafrechter oordeelde dat er geen sprake was van een intracommunautaire verwerving van deze boot (door K.) en NV K. moest deze factuur niet opnemen in de maandelijkse BTW-aangifte overeenkomstig artikel 53 §1, 2° a en art. 73 WBTW. Bijgevolg werden eisers in hoger beroep bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 20 juni 2013 vrijgesproken voor de feiten voorzien onder tenlastelegging E.

De voormelde materiële feiten die het voorwerp uitmaakten van de eerste veroordeling (vrijspraak) zijn niet dezelfde of niet substantieel dezelfde als onderhavige feiten, die betrekking hebben op de privé-aankoop door eisers in hoger beroep van het nieuw vervoermiddel Fairline Targa, dat door hun als particulier intracommunautair verworven werd in België op 20 juni 2004. Eisers in hoger beroep dienden als particulieren de verschuldigde BTW hierop te voldoen op basis van een bijzondere aangifte nr. 446. Deze aangifte moest uiterlijk op 31 juli 2004 worden ingediend op een douanekantoor naar keuze en de Belgische BTW van 21 % werd uiterlijk op 31 juli 2004 opeisbaar. Zij deden als particulier geen aangifte van deze intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel in België en de hierop verschuldigde Belgische BTW werd door hen niet voldaan. Deze feiten, voorwerp van onderhavige procedure, waren niet begrepen in de feiten die tot de vrijspraak van eisers in hoger beroep in de strafzaak hebben geleid.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 WBTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of tegen wettelijke regels in, een geldboete kan kwijtschelden of verminderen.

Dispositif

4.Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eisers in hoger beroep, ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eisers in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds van … euro ten laste van eisers in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 05 november 2019 door

Ondertekeningen

Textes cités

7
CTVA art. 8bis8 occurrences
CTVA art. 25ter7 occurrences
CTVA art. 25bis4 occurrences
CTVA art. 25quater3 occurrences
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 733 occurrences
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8