Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel d'Anvers du 24.04.2025 - Rôle 2023/CO/596
[Défavorable à l’Etat belge]
TVA -Impôt des personnes physiques -Article 4bis du Code d'instruction criminelle -Action civile autonome -Chiffre d'affaires -Ventes au noir
Dispositions légales
Art.53, 2° en 3°, CTVA
Art.73 en art.73bis , CTVA
Art 305 – art. 310, 449 et 450, C.I.R
Résumé
Le contribuable est une personne physique exerçant une activité indépendante, exploitant un commerce de vêtements. Le ministère public mène une enquête portant notamment sur une fraude fiscale et de possibles faits de blanchiment d’argent.
Il s’agit d’un arrêt interlocutoire. Le tribunal correctionnel d’Anvers avait fait droit à l’action civile autonome dans son intégralité. Toutefois, la cour suit le raisonnement de la partie civile selon lequel tous les articles de vêtements disparus ne doivent pas nécessairement être considérés comme vendus. En conséquence, le chiffre d’affaires dissimulé est établi à un montant inférieur à celui réclamé par le ministère public et l’Administration.
Par ailleurs, l’amende administrative en matière de TVA est réduite de 200 % à 50 %. La majoration d’impôt relative à l’impôt des personnes physiques est, quant à elle, maintenue.
Il est demandé à l’Administration de calculer dans quelle mesure l’arrêt réduit sa créance en matière d’impôt des personnes physiques pour les deux exercices d’imposition concernés.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het hof van beroep Antwerpen d.d. 24.04.2025
Rolnr. 2023/CO/596
2020/PGA/2421 - 2023/VJ11/649
Het OPENBAAR MINISTERIE
en
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal -Directeur te Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met keuze van woonplaats op het kantoor van haar raadsman mr. X... tussenkomende derde partij, vertegenwoordigd door mr. X... loco mr. X... , beiden advocaat bij de balie provincie Antwerpen
Tegen:
X... ,
RRN X...
geboren te Antwerpen op X... 1983
wonende te X...
van de Belgische nationaliteit
Beklaagde, aanwezig en bijgestaan door mr. X... , advocaat bij de balie te Brussel
1. Ten laste gelegde feiten
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A.valsheid in handels- of bankgeschriften of in private geschriften, en gebruik ervan
met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in handels- of bankgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met hetzelfde oogmerk om te schaden, van de hiervoren vermelde valse akte of van het hiervoren vermelde valse stuk gebruik te hebben gemaakt, (art. 193, 196, 213 en 214 Sw)
te Antwerpen tussen 31 december 2018 en 14 maart 2020, in meerdere malen, op niet nader bepaalde data
door met betrekking tot de eenmanszaak X... /NOA (ondernemingsnummer X...) een boekhouding te voeren dewelke niet de werkelijke staat van de onderneming weergeeft en waarin niet alle activa, passiva, inkomsten en uitgaven van de onderneming opgenomen worden, teneinde aldus op bedrieglijke wijze een illegale geldstroom te kunnen creëren,
de van valsheid betichte stukken neergelegd zijnde ter griffie van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen onder het nummer AABF7969
B.valsheid in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, of in informatica
met het oogmerk om een van de in artikel 73 van het Wetboek van de BTW bedoelde misdrijven te plegen, valsheid in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, of in informatica, zoals bedoeld in artikel 210 bis § 1 van Boek II van het Strafwetboek te hebben gepleegd, of van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt.
(art. 73 en 73 bis lid 1 Wetboek van de BTW)
te Antwerpen tussen 31 december 2018 en 14 maart 2020, in meerdere malen, op niet nader bepaalde data
door met betrekking tot eenmanszaak X... /NOA (ondernemingsnummer X...) een boekhouding te voeren dewelke niet de werkelijke staat van de onderneming weergeeft en waarin niet alle activa, passiva, inkomsten en uitgaven van de onderneming opgenomen worden, ten einde aldus op bedrieglijke wijze de werkelijke omvang van de BTW-plichtige handelingen te verhelen ten aanzien van de fiscus en zo de op de inkomsten van de vennootschap verschuldigde BTW te ontduiken
de van valsheid betichte stukken neergelegd zijnde ter griffie van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, onder nummer AABF7969 der overtuigingsstukken
C.valsheid in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften
met het oogmerk om een van de in artikel 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde misdrijven te plegen, valsheid in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften te hebben gepleegd, of van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt.
(art. 449 en 450 lid 1 WIB)
te Antwerpen tussen 31 december 2018 en 14 maart 2020, in meerdere malen, op niet nader bepaalde data
door met betrekking tot eenmanszaak X... /NOA (ondernemingsnummer X… ), gericht op de uitbating van kledingwinkels, een boekhouding te voeren dewelke niet de werkelijke staat van de onderneming weergeeft en waarin niet alle activa, passiva, inkomsten en uitgaven van de onderneming opgenomen worden, ten einde aldus op bedrieglijke wijze de werkelijke inkomsten van de onderneming te verhelen voor de fiscus en zo de op deze inkomsten verschuldigde personenbelasting te kunnen ontduiken
de van valsheid betichte stukken neergelegd zijnde ter griffie van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, onder nummer AABF7969 der overtuigingsstukken
D....
E.fraude op de BTW
met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek van de BTW of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te hebben overtreden, te weten. (art. 73 lid 1 Wetboek van de BTW)
bij inbreuk op de artikelen 53, 2° en 3° en artikel 73 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden als belastingplichtige niet iedere maand, desgevallend niet om de drie maand, aangifte te hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of drie maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek en niet de verschuldigd geworden belasting te hebben voldaan binnen de termijn van indiening van de aangifte van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand desgevallend drie vorige maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid zijn verricht, d.i. binnen de daarop volgende maanden, namelijk te Antwerpen tussen 31 december 2018 en 1 januari 2021, in meerdere malen, op niet nader bepaalde data door in de periodieke aangiftes in de BTW van de eenmanszaak X... /NOA (ondernemingsnummer X…) niet alle BTW-plichtige handelingen te hebben opgenomen en aldus de op deze handelingen verschuldigde BTW niet te hebben betaald en ontdoken voor een bedrag van minstens € 39.208,72 (zie navolgend PV RH2022/011 voor de berekening van de ontdoken BTW)
F.fraude op de inkomstenbelasting
met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te hebben overtreden, te weten.(art. 449 lid 1 WIB)
Bij inbreuk op de artikelen 305 tot en met 310 en 449 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen een aangifte te hebben overgelegd, middels een formulier, dat niet ingevuld was overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, namelijk te Antwerpen tussen 31 december 2018 en 1 ianuari 2021, in meerdere malen, op niet nader bepaalde data door in de jaarlijks aangiftes in de personenbelasting voor aanslagjaar 2020 en 2021 (inkomstenjaar 2019 en 2020) van X... niet alle inkomsten van de eenmanszaak te hebben opgenomen en aldus de op deze handelingen verschuldigde personenbelastingen te hebben ontdoken voor een bedrag van minstens € 56.520,05 (zie navolgend PV RH2022M.1 voor de berekening van de ontdoken personenbelasting)
G....
H.niet-inschrijving vestigingseenheid KBO
Bij inbreuk op artikel 111.17 en 111.18, §1, 2° Wetboek Economisch Recht, strafbaar gesteld door artikelen XV.70 en XV.77, lid 1, 2° van deze wet, als ingeschreven inschrijvingsplichtige onderneming een vestigingseenheid uit te baten die niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven,
te Antwerpen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 30 maart 2020 namelijk door onder de eenmanszaak X... /NOA (X...) een vestigingseenheid te Hopland 37, 2000 Antwerpen uit te baten, zonder deze vestigingseenheid te hebben ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen
2. Bestreden beslissing
2.1. Er werd hoger beroep ingesteld op:
- 10 mei 2023 door beklaagde tegen alle beschikkingen,
- 11 mei 2023 door het Openbaar Ministerie tegen alle beschikkingen,
2.2. Er werd een verzoekschrift in de zin van art. 204 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen op:
- 10 mei 2023 door beklaagde,
- 11 mei 2023 door het Openbaar Ministerie,
2.3. tegen het vonnis, op tegenspraak gewezen op 19 april 2023 door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, AC1 kamer (1 rechter), waarbij beslist werd als volgt:
Verleent akte aan de tussenkomende derde partij de BELGISCHE STAAT, de Federale Overheidsdienst Financiën van haar tussenkomst (ART. 481S VTSv)
Op strafgebied
Spreekt X... voor de tenlasteleggingen D1, D2 en G vrij.
Veroordeelt X... voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B, C, E, F en H:
tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tot een geldboete van 4000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de gevangenisstraf voor een termijn van 5 jaar.
Legt aan beklaagde conform art. 1 van het K.B. nr. 22 dd. 24 oktober 1934 een beroepsverbod op voor een periode van 5 jaar.
Veroordeelt X... tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
- een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand
- een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,24 EUR
- de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 30,49 EUR
Op burgerlijk gebied
Wat betreft tussenkomende derde partij Belgische Staat, in de persoon van de Minister van Financiën, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal — Directeur van de Gewestelijke Directie BB! :
Verklaart de vordering van voormelde tussenkomende derde partij ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Veroordeelt beklaagde tot de betaling aan voormelde tussenkomende derde partij van de hierna volgende bedragen voor inkomstenjaar 2019 (aanslagjaar 2020) :
- personenbelasting : vijfenvijftig veertigduizend vijfhonderddrieëntwintig euro en cent (40523,55 EUR);
- belastingverhoging : achttienduizend driehonderddrieënzestig euro en zesenvijftig cent (18363,56 EUR);
- nalatigheidsinterest zesentachtig drieduizend vijfhonderdtweeëndertig euro en cent (3532,86 EUR)
Veroordeelt beklaagde tot de betaling aan voormelde tussenkomende derde partij van de hierna volgende bedragen voor inkomstenjaar 2020 (aanslagjaar 2021) :
- personenbelasting : vijfenzeventig achttienduizend honderdachttien euro en cent (18118,75 EUR);
- belastingverhoging : negenenzestig zevenduizend negenhonderdzestig euro en cent (7960,69 EUR);
- nalatigheidsinterest : vijfhonderdeenentwintig euro en veertig cent (521,40 EUR)
Veroordeelt beklaagde tot de betaling aan voormelde tussenkomende derde partij van de hierna volgende bedragen voor de periode 2019-2020 :
- BTW : zevenendertigduizend drieënnegentig euro en drieënzestig cent (37093,63 EUR);
- proportionele geldboete : vierenzeventigduizend honderdtachtig euro (74180,00
EUR); nalatigheidsinterest zesduizend vierhonderd euro (6400,00 EUR) definitief;
Veroordeelt beklaagde tevens tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 7.000 euro aan voormelde tussenkomende derde partij.
3. Rechtspleging voor het hof
3.1. Gelet op het (tussen)arrest van deze kamer van het Hof de dato 9 januari 2025, waarbij
beslist werd als volgt:
Verklaart het hoger beroep van beklaagde ontvankelijk.
Verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk behoudens, bij gebrek
aan hoedanigheid, in de mate dit beroep gericht is tegen de beschikkingen inzake de fiscale
burgerlijke vordering.
Vooraleer verder recht te doen.
Nodigt partijen uit om eventueel bijkomende stukken bij te brengen en standpunt in te
nemen, specifiek en louter betreffende de koppeling van bestelbons aan facturen in de voormelde tabel, evenals over de eventuele gevolgen van een koppeling op de gebeurlijk
verschuldigde belastingen, in het bijzonder de berekening van de personenbelasting Heropent de debatten op de zitting van donderdag 20 februari 2025 om 16.00 uur (10 minuten).
De rechtspleging verliep uitsluitend in het Nederlands.
3.2.
1. De zaak werd na tussenarrest behandeld op de openbare zitting van 20 februari 2025. Het hof heeft hierbij gehoord:
Het openbaar ministerie dat geen bijkomend advies of vordering formuleerde;
- De tussenkomende partij BELGISCHE STAAT, in zijn middelen ontwikkeld door zijn voormelde advocaat;
- beklaagde X... in zijn middelen van verdediging voorgedragen door hemzelf en door zijn voormelde advocaat.
2. De in de processtukken aanwezige conclusies en stukken werden regelmatig neergelegd en in het beraad betrokken. Geen enkele procespartij formuleert op dit punt enige kritiek of werpt desbetreffend een bezwaar op.
3. Het hof neemt de verzachtende omstandigheden, het gebrek aan veroordeling tot criminele straffen in hoofde van beklaagde, aan zoals voorzien in de rechtstreekse dagvaarding.
4. Beoordeling
4.0. Voorafgaand : verzoek tot het horen van de heer X... als getuige
4. Beklaagde verzoekt om de heer X… , auteur van het revisoraal verslag, te horen als getuige over zijn bevindingen. Het hof stelt vast dat beklaagde een uitgebreid verslag heeft bijgebracht waarin de bevindingen van de heer X... zijn uiteengezet, zonder dat het hof hierbij kan vaststellen dat de heer X... , die geen getuige was van de ten laste gekegde feiten, nuttige bijkomende informatie zou kunnen aanleveren. Beklaagde duidt ook niet concreet aan dat de heer X... nog bijkomende informatie zou kunnen bijbrengen. Het verzoek om de heer Frank X... als getuige te horen, wordt dan ook afgewezen.' Het verslag van de heer X... komt verder aan bod bij de beoordeling van de schuldvraag hierna.
4.1. Beoordeling van de schuld
4. Beklaagde X... wordt vervolgd voor feiten van valsheid in geschriften (tenlastelegging A), fiscale valsheid in geschrifte inzake btw (tenlastelegging B), fiscale valsheid in geschrifte inzake inkomstenbelastingen (tenlastelegging C), fraude inzake btw (tenlastelegging E), fraude inzake inkomstenbelasting (tenlastelegging F) en niet-inschrijving van een vestigingseenheid in de Kruispuntbank Ondernemingen (tenlastelegging H).
6. De aan beklaagde X... ten laste gelegde feiten hebben betrekking op de uitbating door beklaagde van de handelszaak X…, een winkel voor herenkleding te X….
De hierna vermelde onregelmatigheden werden door de verbalisanten vastgesteld:
a) betreffende de eerste twee weken na opening (van 16 februari 2019 tot 28 februari 2019) van de handelszaak X... van beklaagde werden inkomsten ten bedrage van 4.159,41 euro (inclusief BTW) niet geregistreerd in de boekhouding en evenmin in de btw-aangiftes en aangifte personenbelasting;
b) een verschil in omzet werd vastgesteld tussen het handmatig papieren dagontvangstenboek en het digitale kassasysteem, waarbij dit laatste systeem voor de maanden maart, april, mei en juni 2019 een bijkomende, hogere, omzet vermeldt van 16.687,03 euro die niet werd geregistreerd in de boekhouding en evenmin in de btw-aangiftes en aangifte personenbelasting;
c) dubbele boekingen zijn gebeurd in de kostenrekeningen van zowel de leveringsbon als de factuur van aankopen handelsgoederen bij X… waardoor 23.860,00 euro exclusief btw teveel in aftrek werd genomen als kosten aankopen handelsgoederen zowel inzake btw als personenbelasting;
d) inkomende creditnota's werden ten onrechte niet opgenomen in de boekhouding voor boekjaar 2019 voor in totaal 7.500,60 euro terwijl de aankoopfacturen waarop ze betrekking hadden, wel in de boekhouding waren opgenomen;
e) aankoopfacturen van de merken X… en X… werden deels niet opgenomen in de boekhouding van de handelszaak van beklaagde voor boekjaar 2019, waaruit wordt afgeleid dat niet geboekte verkopen plaatsvonden van producten van X... voor 4.934,80 euro inclusief btw en van het merk X... van 8.118,27 euro inclusief btw. De btw inbegrepen in deze bedragen werd ten onrechte niet opgenomen in de door beklaagde ingediende btw-aangiftes en de bedragen exclusief btw, na aftrek van de (weliswaar door beklaagde niet geboekte) aankopen, werden ten onrechte niet aangegeven als winst in de personenbelasting.
f) een deel van de handelsgoederen waarvoor de aankoop werd vermeld op facturen die werden geregistreerd in de boekhouding, werden niet geregistreerd als verkocht en werden evenmin aangetroffen in de voorraad van de handelszaak. Deze worden in het onderzoek ook als 'spoorloze artikelen' aangeduid.
Het aantal spoorloze artikelen dat niet werd geregistreerd als verkocht en ook niet werd aangetroffen bedraagt, voor de beide collecties van 2019, 1.396 spoorloze artikelen. Rekening houdend met een gemiddelde verkoopprijs per artikel zoals deze blijkt uit de geregistreerde verkopen voor de collecties 2019 van 78,78 euro inclusief btw, wordt een niet-geregistreerde omzet van 109.976,88 euro vastgesteld. Deze omzet werd niet vermeld in de btw-aangiftes en aangifte personenbelasting.
Het aantal spoorloze artikelen dat niet werd geregistreerd als verkocht en ook niet werd aangetroffen bedraagt voor de collecties van 2020, betreft 128 spoorloze artikelen. Rekening houdend met de verkooprijs die werd terugvonden op het prijskaartje voor de betreffende artikelen en/of de opgelegde winstfactor van de merkhouders van deze artikelen, wordt een niet-geregistreerde omzet van 17.700,95 euro vastgesteld. Deze omzet werd niet vermeld in de btw-aangiftes en aangifte personenbelasting.
g) Beklaagde vermeldde in zijn aangifte personenbelasting voor aanslagjaar 2021 geen belastbare winsten. Op basis van de btw-aangiften voor (kalender)jaar 2020 blijkt evenwel een omzet van 38.204,09 euro voor de handelszaak van beklaagde. Na aftrek van de aankopen handelsgoederen en diensten zoals vermeld in deze zelfde btw-aangiften wordt een bij toepassing van artikel 24 WIB 92 belastbare maar niet aangegeven winst van 13.792,42 euro vastgesteld voor aanslagjaar 2021.
7. Voor wat betreft de niet in de boekhouding vermelde en niet aangeven verkopen voor een bedrag van 4.159,41 euro (inclusief btw), vermeld onder punt a) hierboven, tijdens de eerste 2 weken na opening, zowel inzake btw als personenbelasting, wordt vermeld in de syntheseconclusie van beklaagde X... dat alle omzet wel zou geregistreerd zijn, zij het alleen enigszins laattijdig in de btw-aangifte voor het tweede kwartaal.
Het revisoraal verslag van dhr. X... zoals bijgebracht door beklaagde, vermeldt evenwel : de "maand maart 2019 werd wegens opstartwerkzaamheden aangegeven in het 2° kwartaal van 2019". Dat de omzet van februari 2019 ook zou opgenomen zijn in de aangifte van het tweede kwartaal, wordt zelfs niet aangevoerd.
Het hof verwijst bovendien naar de vaststellingen in het navolgend proces-verbaal PV nr. AN.78.LB.046911/2020 van 28/04/2020 waar een volledig overzicht werd opgesteld van de btw-aangiftes zoals ze hadden moeten opgesteld zijn door beklaagde op basis van de stukken in zijn eigen boekhouding. Zowel voor het eerste als tweede kwartaal van 2019 werd minder aangegeven in de door beklaagde ingediende btw-aangiftes dan had moeten aangegeven worden (zie stuk 649 van het strafdossier). Het hof stelt dan ook een gebrek aan aangifte vast voor de omzet voor de eerste twee weken van de activiteit in februari 2019, dat niet spontaan alsnog werd rechtgezet door vermelding in de btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2019. Voor wat betreft de personenbelasting werd deze omzet evenmin geregistreerd in de boekhouding of opgenomen als deel van de te belasten winst in de aangifte personenbelasting.
8. Naast voormelde elementen, heeft het verweer van beklaagde betreffende de ten laste gelegde feiten betrekking op wat in voorgaand overzicht onder punt f) werd aangemerkt als de 'ontbrekende artikelen'. Daarmee wordt verwezen naar goederen vermeld op aankoopfacturen van leverancier X…waarvoor geen overeenstemmende geregistreerde verkopen worden teruggevonden en die evenmin in de voorraad aanwezig waren.
In proces-verbaal AN.78.LB044529/2020 werd het aantal artikelen berekend uit de herfst- en wintercollectie van 2019 en de lente- en zomercollectie van 2019 die op factuur werden aangekocht maar niet werden geregistreerd als verkopen noch opgeslagen als overschot na afsluiting van de seizoencollectie. Dit betroffen in het totaal 785 artikelen.
Daarnaast gebeurde een vergelijkende analyse van de leveringsbonnen in proces¬verbaal AN.78.LB.044940/2020. Daar werd vastgesteld dat bijkomend geen spoor terug te vinden was van 628 artikelen.
Op die wijze werd vastgesteld dat 1.413 artikelen zouden zijn verkocht zonder boekhoudkundige verwerking en zonder opname van de verkopen in de btw-aangiftes. Ingevolge de gedetailleerde stockopname en inbeslagname op 13 mei 2020 werden nog 17 bijkomende artikelen uit de lente- en zomercollectie van 2019 en de herfst- en wintercollectie van 2019 aangetroffen. Bijgevolg werd het totaal aantal goederen dat werd verkocht buiten de boekhouding om bepaald op 1396 'spoorloze' artikelen.
Beklaagde X... brengt een verslag bij van bedrijfsrevisor X... , die door hem werd aangesteld, en dat niet op tegensprekelijke wijze tot stand kwam. In de namens beklaagde X... neergelegde syntheseconciusie wordt voor wat betreft het verweer ten gronde grotendeels dit verslag uitgebreid geciteerd.
Het hof oordeelt dat beklaagde door middel van het verslag van bedrijfsrevisor X... met "aanvullende nota in antwoord op de vraag van het Hof van Beroep dd. 9 januari 2025" en de daarin aangehaalde stukken aannemelijk maakt dat de leveringsbonnen waarvan sprake in proces-verbaal AN.78.LB.044940/2020, (ook aangeduid als pro forma facturen of bestelbonnen) reeds waren opgenomen in de boekhouding van beklaagde door het boeken van de bijhorende (definitieve) facturen. Bijgevolg dienen de 628 artikelen, waarvan door de verbalisanten werd aangenomen dat daarvan geen spoor was terug te vinden (in de verkopen of in de voorraad), niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de niet-aangegeven verkopen, zowel inzake personenbelasting als inzake btw.
Het hof oordeelt dan ook dat het aantal goederen van de collecties van 2019 aangekocht met facturen die boekhoudkundig werden verwerkt maar die werden verkocht zonder registratie in boekhouding en btw-aangifte, in het voordeel van beklaagde dient te worden bepaald op 763 artikelen.
Het hof baseert zich hiervoor op de berekening op pagina 7 in het verslag van revisor X... . Deze besluit tot 763 ontbrekende artikelen op basis van de op factuur aangekochte aantallen goederen, verminderd met creditnota's, de verkochte goederen (in aantallen) en de goederen die nog werden aangebracht door beklaagde en die werden aangetroffen in de voorraad van de handelszaak. Aldus houdt het hof ook rekening met de argumenten van beklaagde over de nog aangetroffen goederen, waarmee door de eigen, door beklaagde aangestelde bedrijfsrevisor, rekening werd gehouden in zijn berekening van het aantal goederen, evenals met de argumenten van beklaagde over 'vals negatieve' resultaten bij opzoeking van goederen op kassatickets of eventueel in andere documenten aangezien wordt verdergegaan op de berekening van de ontbrekende artikelen door de bedrijfsrevisor waarvan de bevindingen in syntheseconclusie worden overgenomen.
9. Met de 628 artikelen die ten onrechte in aanmerking werden genomen als aangekochte goederen op basis van de leveringsbonnen, wordt aldus ook geen rekening gehouden door het hof.
Deze aanpassing tegenover de bedragen vastgesteld in de processen-verbaal, maakt de daarin opgenomen vaststellingen, waardoor het hof als strafrechter overigens niet gebonden is, echter niet willekeurig. De aanpassing is gebeurd op basis van specifieke bijkomende stukken inzake de overeenstemming tussen leveringsbonnen en facturen gevraagd aan de leverancier, waarover de verbalisanten niet of minstens niet volledig beschikten en die beklaagde overigens reeds veel vroeger eenvoudig zelf had kunnen opvragen en bijbrengen.
10. Beklaagde X... verwijst verder in de namens hem neergelegde syntheseconclusie andermaal naar de vermeldingen in het verslag van bedrijfsrevisor X... . Daarin wordt aangegeven dat de 763 ontbrekende artikelen voor de collecties van 2019 en de 128 ontbrekende artikelen voor de collecties van 2020, die in de boekhouding van de handelszaak dus niet werden geregistreerd als verkocht en evenmin in de voorraad aanwezig waren, door twee elementen kunnen worden verantwoord en verklaard.
11. Een eerste element is de bewering dat goederen werden verzonden door beklaagde waarvoor op het moment van de controle nog een verkoopfactuur diende te worden opgemaakt, bijvoorbeeld aan de klant A. Srour in Nederland, waar wel al facturatie gegevens voor zouden zijn opgevraagd.
Het hof stelt terzake vast dat deze loutere bewering dat het de bedoeling was om nog een factuur op te stellen, niet geloofwaardig is en ook specifiek voor deze klant slechts voor de eerste maal werd vermeld bij het verhoor van beklaagde op 4 mei 2020:
"Ik heb in februari ook een 15-tal artikelen van het merk X… verkocht aan een persoon in Nederland, de genaamde X… van de firma X… . Hij heeft een markthal in Beverwijk. Ik heb hiervoor ook geen verkoopfactuur opgesteld. Sorry dat ik dit niet eerder had gezegd, ik was het vergeten."
De bewering dat geen verkoopfactuur werd opgesteld omdat beklaagde dat zonder meer vergeten was, is op zich reeds ongeloofwaardig. In zijn voormeld verhoor geeft beklaagde louter aan dat hij geen verkoopfactuur heeft opgesteld, waarbij hij niet uitdrukkelijk vermeldt dat hij van plan was om een factuur op te stellen. Hij geeft louter aan dat hij de afwezigheid van een factuur vergeten te vermelden was aan de verbalisanten. Beklaagde verwijst in zijn verhoor bovendien naar slechts 15 artikelen waarvoor geen factuur werd opgesteld. Bij zijn verhoor op 19 maart 2020 gaf beklaagde aan dat hij het afgelopen jaar slechts 6 á 7 facturen had uitgeschreven voor klanten die specifiek om een factuur vroegen. Deze verklaringen en vaststellingen zijn niet van aard om de daadwerkelijke aanwezigheid van nog te factureren goederen aannemelijk te maken.
12. Een tweede element dat door de verdediging van beklaagde wordt aangevoerd ter verklaring van de 'ontbrekende artikelen' is dat sommige klanten gratis kleren zouden meegekregen hebben als promomateriaal voor op sociale media, voor reclamedoeleinden.
Het hof stelt vast dat het een loutere bewering van beklaagde betreft, die geenszins aannemelijk wordt gemaakt. Enig bericht op sociale media dat door de betreffende personen die kleding zouden ontvangen hebben voor reclamedoeleinden, zou geplaatst zijn, wordt bijvoorbeeld niet bijgebracht, evenmin als enige andere stukken die dit gratis uitdelen aannemelijk zouden maken.
Beklaagde brengt enkel een korte uitwisseling van Whatsapp-berichten bij waarin sprake lijkt te zijn van één T-shirt die door hem werd "meegegeven" aan iemand die dit op zijn pagina zou delen, maar waarvan hij in de berichten eveneens lijkt te bevestigen dat deze persoon de kleding gewoon had gekocht. Enig bewijs dat daadwerkelijk door beklaagde een T-shirt werd gegeven voor promotiedoeleinden, ligt dan ook niet voor. In de uitwisseling van berichten is verder enkel nog sprake van het voornemen om een T-shirt aan iemand anders te geven.
13. Een factuur van 20 december 2019 voor de aankoop van parfum werd door de verbalisanten overigens niet in rekening gebracht omdat X... in het kader van de stockopname van 15 april 2020 spontaan verklaarde dat deze parfums niet werden verkocht en doorgaans als geschenk werden aangeboden aan de betere klant. De verbalisanten hebben dan ook daar waar dat redelijkerwijs verantwoord en enigszins geloofwaardig was, wel rekening gehouden met de verklaringen van beklaagde.
14. Het hof stelt eveneens vast dat beklaagde bij zijn verhoor op 29 april 2020 enkel vermeldde : "Ik heb een paar kledingstukken weggegeven voor marketingdoeleinden. Ik heb eens een paar t-shirts weggeven op een zaalvoetbaltornooi maar dit waren maar enkele stuks".
Bij zijn verhoor op 29 april 2020 verklaarde beklaagde X... :
"In het overschot die jullie hebben geïnventariseerd zitten ook de artikelen die nog resterend zijn uit de lente- en zomercollectie van 2019. In januari 2020 heb ik twee zakken met t-shirts, heuptasjes enzovoort opgestuurd naar familie in Marokko. Ik heb geen idee over hoeveel artikelen het gaat. Het waren twee zakken. Dit was uit liefdadigheid en is dus gratis weggegeven."
Van het beweerdelijk weggeven van deze enkele T-shirts op een zelfs niet nader omschreven zaalvoetbaltornooi of van het opsturen van goederen naar Marokko wordt geen enkel stuk bijgebracht. Deze loutere beweringen worden zoals voormeld geenszins aannemelijk gemaakt en worden door het hof niet geloofwaardig geacht.
15. Beklaagde X... voert in de namens hem neergelegde syntheseconclusie nog aan dat geen nader onderzoek á decharge zou gebeurd zijn naar de door beklaagde in de loop van het onderzoek aangegeven aanwending van artikelen voor eigen gebruik of als promomateriaal. Beklaagde geeft evenwel niet aan welk onderzoek concreet had kunnen of moeten gebeuren. Beklaagde was bij uitstek zelf het best op de hoogte van de aanwending van de goederen en de identiteit van de personen die deze goederen zouden ontvangen hebben. Hij heeft ruimschoots tijd gehad om gegevens en stukken bij te brengen en geeft bovendien niet aan waarom hij niet zelf meer concrete gegevens heeft kunnen bijbrengen die mogelijks nuttig verder hadden kunnen worden onderzocht.
16. De stelling dat het openbaar ministerie enkel á charge heeft onderzocht en niet á décharge, is onjuist en overtuigt niet, dit noch op strafgebied, noch op fiscaal gebied. Er was geen sprake van een tunnelvisie noch bij het openbaar ministerie, noch bij de speurders die de proces-verbalen opstelden.
17. De verbalisanten zijn er dan ook, anders dan beklaagde aanvoert, terecht van uitgegaan dat de ontbrekende artikelen effectief werden verkocht zonder registratie in de boekhouding en aangiftes inzake btw en personenbelasting ingediend door beklaagde.
18. Beklaagde voert nog aan dat de gehanteerde verkoopprijzen geheel willekeurig zouden berekend zijn en niet steunen op objectieve gegevens. Het hof stelt evenwel vast dat de voor de berekeningen gehanteerde verkoopprijzen telkens gebaseerd zijn op alle beschikbare objectieve gegevens, en dat op basis van deze gegevens prijzen werden bepaald die verantwoord zijn op basis van afdoende redelijke en onderbouwde gevolgtrekkingen.
De ontbrekende artikelen voor de collecties van 2019 konden, anders dan deze van de collecties van 2020 niet individueel geïdentificeerd worden. Daarom werd een gemiddelde verkoopprijs per artikel berekend op basis van de beschikbare objectieve gegevens betreffende de door beklaagde zelf geregistreerde gegevens over verkochte artikelen en toegepast op de ontbrekende (niet geregistreerde) goederen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze gemiddelde prijs geen redelijke verantwoorde begroting zou vormen van de verkoopprijs per ontbrekend artikel. Indien beklaagde deze berekening meende te kunnen maken op basis van individuele verkoopprijzen op basis van de gegevens in zijn boekhouding, heeft hij ook op dit punt ruimschoots de tijd en gelegenheid gekregen om dergelijke berekening bij te brengen.
De ontbrekende artikelen voor de collecties van 2020 konden, individueel geïdentificeerd worden zodat de verkoopprijs op basis van de geregistreerde verkopen van gelijkaardige goederen of door de leverancier opgelegde winstmarges werd bepaald.
Betreffende de verkopen van X… werd door de politiediensten de gemiddelde brutowinst berekend op basis van verkopen van dit merk in het verleden (cfr. PV AN.78.LB.046564/2020; stuk nr. 16). Voor de X… artikelen werd een vergelijkende analyse gemaakt van de aankoopprijs en de verkoopprijs zoals geregistreerd op de kassatickets in de eigen boekhouding van beklaagde. Voor beide merken werd aldus rekening houdend met alle beschikbare objectieve gegevens op een onderbouwde en redelijke verantwoorde wijze een winstmarge bepaald die werd toegepast op de niet-geboekte aankopen om de omzet te bepalen.
19. Beklaagde X... voert in de namens hem neergelegde syntheseconclusies nog aan dat dat ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met een doorgevoerde rechtzetting inzake btw.
Het hof stelt vast dat wordt verwezen naar een e-mail van 3 april 2020 van de toenmalige raadsman van beklaagde. Daarin wordt melding gemaakt van een op 20 maart 2020 ingediende verbetering van de btw-aangifte van het tweede kwartaal 2019. In het navolgende proces-verbaal RH2022/060 van 15 december 2022 werd terecht vastgesteld dat een bijkomende omzet van 16.124,92 euro werd aangegeven, waarover 21% verschuldigde btw, 3.386,23 euro werd opgenomen.
Deze rechtzetting doet geenszins afbreuk aan de vaststelling van de inbreuk voortvloeiend uit het niet opnemen in de betreffende btw-aangifte van de periode waarop de omzet betrekking had. Het vermelden van deze inbreuk ook na de rechtzetting geeft dan ook geen blijk van enige willekeur in hoofde van de verbalisanten.
De rechtzetting in kwestie gebeurde bovendien pas na een verhoor van 19 maart 2020 van beklaagde X... waarbij hij werd geconfronteerd met de vaststellingen betreffende het niet indienen van de btw-aangifte inzake het eerste kwartaal 2019, waarop de rechtzetting betrekking zou hebben. De betreffende rechtzetting is dan ook evenmin relevant voor de beoordeling van het opzet in hoofde van beklaagde ten tijde van de inbreuk. De invloed op de fiscale vordering wordt verder in dit arrest beoordeeld.
20. Het hof stelt voor het overige nog vast dat beklaagde geen specifieke betwisting ontwikkelt en geen argumenten vermeldt voor wat betreft de volgende elementen die ook hernomen worden hierna: het hierboven onder b) vermelde verschil in omzet tussen de handmatige en het digitale dagontvangstenboek voor een bedrag van 16.687,03 euro in 2019, de onder c) vermelde de dubbele aftrek van kosten (factuur en leveringsbon) voor een bedrag van 23.860,00 en het onder d) vermelde niet boekhoudkundig en fiscaal verwerken van de ontvangen creditnota's voor een bedrag van 7.500,60 euro.
· Overzicht inzake ontdoken btw
21. Aankoopfacturen van de merken X... en X... werden deels niet opgenomen in de boekhouding van de handelszaak van beklaagde voor boekjaar 2019. Niet-geregistreerde verkopen vonden plaats van producten van X... voor een bedrag van 4.934,80 euro inclusief btw en van het merk X... voor een bedrag van 8.118,27 euro inclusief btw. De btw inbegrepen in deze bedragen, namelijk 856,45 euro en 1.408,96 euro werd ontdoken.
22. De niet aangegeven omzet voor de collecties 2020 voortkomend uit ontbrekende artikelen werd vastgesteld op 17.700,95 euro, waarvan 3.072,07 euro niet aangegeven, ontdoken btw. Voor de collecties van 2019 werd door het hof een niet-aangegeven omzet vastgesteld van 60.109,14 euro inclusief btw, waarvan 10.432,16 euro niet aangegeven, ontdoken btw.
23. Een bedrag van 14.784,34 euro aan btw werd ontdoken, door middel van de niet-aangifte van omzet van februari 2019, de omzet die niet in het handgeschreven dagontvangstenboek maar wel in het digitale dagontvangstenboek was vermeld en niet werd aangegeven in de btw-aangifte, de dubbele boekingen met dubbele aftrek btw zowel facturen als leveringsbonnen voor dezelfde leveringen, en het niet opnemen van creditnota's in de btw-aangiften. Dit bedrag werd zoals voormeld bepaald door het opstellen van een simulatie door de verbalisanten van de correcte btw-aangiftes die beklaagde had moeten indienen en deze te vergelijken met de werkelijk ingediende btw-aangiftes.
De btw-fraude onder tenlastelegging E wordt bewezen verklaard in de mate dat het betrekking heeft op een bedrag van € 30.553,98 euro aan btw.
· Overzicht ontdoken personenbelasting 2019 (aanslagiaar 2020)
24. De hierna vermelde bedragen waarop belasting werd ontdoken hebben telkens betrekking op winst belastbaar conform art. 24, 1° WIB92 of bedragen die daar ten onrechte als kost van in mindering werden gebracht.
25. De eerste twee weken na opening van de handelszaak (van 16 februari 2019 tot 28 februari 2019) werd een bedrag van 4.159,41 euro (inclusief btw), zijnde 3.437,53 euro exclusief btw niet opgenomen in de aangifte personenbelasting voor aanslagjaar 2020. De personenbelasting op winst ten bedrage van 3.437,53 euro werd ontdoken.
26. Door de verbalisanten werd een verschil in omzet geregistreerd tussen het papieren dagontvangstenboek en het digitale kassasysteem. De boekhouding en aangiftes werden gebaseerd op het papieren dagontvangstenboek met de lagere omzet. Een bedrag aan niet-aangegeven omzet van 16.687,03 euro werd vastgesteld. De personenbelasting op winst ten bedrage van 16.687,03 euro werd ontdoken.
27. De verbalisanten stelden vast dat in de kostenrekeningen van de eenmanszaak van beklaagde zowel de leveringsbon als de factuur van aankopen van handelsgoederen bij leverancier X… werden geboekt (dubbele boekingen) waardoor ten onrechte 23.860,00 euro in aftrek werd genomen en de personenbelasting op dat bedrag werd ontdoken.
28. De verbalisanten stelden vast dat vijf inkomende creditnota's niet werden opgenomen in de boekhouding van de handelszaak van beklaagde voor boekjaar 2019. Daardoor werd een bedrag van 7.500,60 euro ten onrechte in aftrek genomen en werd de personenbelasting op dat bedrag ontdoken.
29. De verbalisanten stelden vast dat aankopen werden gedaan in 2019 van kledingmerken X... en X... waarvan de aankoopfacturen en de omzet van de verkoop niet werden opgenomen in de boekhouding van de handelszaak van beklaagde voor inkomstenjaar 2019.
De belastbare winst werd zoals voormeld vastgesteld door de toepassing van een correct bepaalde winstmarge om de omzet te bepalen en de bedragen inclusief btw van de aankoopfacturen volledig in mindering te brengen, waarbij de aldus bekomen winstmarge nog de btw in mindering werd gebracht. Aldus wordt gekomen tot een netto belastbare winst van 3.013,67 euro voor het merk X... en van 2.509,75 euro voor het merk X... .
Voor wat betreft de ontbrekende artikelen van de collecties van 2019 werd vastgesteld dat een bedrag van 60.109,14 euro inclusief btw aan niet-aangegeven omzet werd gerealiseerd, waarvan 10.432,16 euro btw, waardoor 49.676,98 euro aan winst ten onrechte niet werd aangegeven door beklaagde. Het hof onderschrijft de door de verbalisanten gehanteerde verdeling over de aanslagjaren 2020 en 2021 op basis van de verhouding van de geregistreerde verkopen voor dezelfde periode. Van de 3070 correct in de boekhouding geregistreerde relevante verkopen van producten, werden 2470 artikelen in 2019 verkocht en 600 artikelen in 2020.
Voor inkomstenjaar 2019 staat aldus vast dat betreffende de ontbrekende artikelen, door beklaagde de belasting werd ontdoken over een winst van 39.968,12 euro (49.676,98 euro x 2470/3070).
Het hof stelt vast dat in totaal de personenbelasting werd ontdoken door beklaagde voor aanslagjaar 2020 (inkomstenjaar 2019) over winsten ten bedrage van 96.976,70 euro (3.437,53 + 16.687,03 + 23.860,00 + 7.500,60 + 3.013,67+2.509,75 +39.968,12 euro).
30. Code 1600 in de aangifte personenbelasting van beklaagde wijzigt voor aanslagjaar 2020 bijgevolg van 137.499,17 euro naar 234.475,87 euro.
· Overzicht ontdoken personenbelasting 2020 (aanslagiaar 2021)
31. Beklaagde diende geen aangifte personenbelasting in voor aanslagjaar 2021. Op basis van de btw-aangiften van beklaagde staat vast dat de handelszaak een omzet van 38.204,09 euro realiseerde. Het hof aanvaardt, net als de verbalisanten (en de tussenkomende partij), in het voordeel van beklaagde dat de in de btw-aangiftes vermelde aankopen handelsgoederen voor 14.728,95 euro en aankopen diensten en diverse goederen voor 9.682,72 euro, als kosten in mindering worden gebracht op basis van de vermelding van deze bedragen in de btw-aangiftes.
Bijgevolg wordt op basis van de eigen btw-aangiftes van beklaagde een bedrag van 13.792,42 euro ten onrechte niet aangeven winst vastgesteld.
32. Voor de reeds inzake aanslagjaar 2020 vermelde ontbrekende artikelen van de collecties van 2019 werd 9.708,86 euro (49.676,98 euro x 600/3070) van de zwarte omzet belastbaar als winst, gerealiseerd in inkomstenjaar 2020 (aanslagjaar 2021) en niet aangegeven door beklaagde in zijn aangifte personenbelasting.
33. Voor de collecties van 2020 werden 128 ontbrekende artikelen vastgesteld waarvoor een totale verkoopprijs van 17.700,95 euro inclusief btw werd vastgesteld, wat resulteert in de vaststelling van een niet-aangegeven omzet van 14.628,88 euro (exclusief btw) als winst waarover beklaagde de personenbelasting heeft ontdoken. Alle artikelen van de collectie 2020 werden ook in dat inkomstenjaar verkocht.
34. Het hof stelt vast dat in totaal de personenbelasting werd ontdoken door beklaagde voor aanslagjaar 2021 (inkomstenjaar 2020) over winsten ten bedrage van 38.130,16 euro (13.792,42 + 9.708,86 + 14.628,88 euro).
35. Code 1600 in de aangifte personenbelasting van beklaagde wijzigt voor aanslagjaar 2021 bijgevolg van 0 euro naar 38.130,16 euro.
36. Het ten laste gelegde feit F wordt bewezen verklaard in de mate dat het betrekking heeft op verschuldigde personenbelastingen over belastbare winst voor een bedrag van 135.106,86 euro. Het bedrag van 135.106,86 euro is de optelsom van 96.976,70 euro (aanslagjaar 2020) en 38.130,16 euro (aanslagjaar 2021).
37. Uit de vaststellingen van de verbalisanten zoals vermeld in het navolgend proces¬verbaal nr. AN.78.LB.085565/2021 en de processen-verbaal en stukken waarnaar in dit navolgend proces-verbaal dat een synthese van het onderzoek vermeldt, wordt verwezen en verder aangevuld met het navolgend proces-verbaal RH2022/011 van 16/02/2022, navolgend proces-verbaal RH2022/060 van 15/12/2022 en navolgend proces-verbaal nr.: AN.78.LB.027710/2023 - GF d.d. 08/03/2023, staan de voormelde inbreuken vast gepleegd door beklaagde op de wetgeving inzake btw en personenbelasting met de ontduiking van voormeld bedragen, waarbij eveneens blijkt dat beklaagde de boekhouding van zijn eenmanszaak vervalst heeft, mede met het oog op het plegen van deze inbreuken.
· Overzicht tenlasteleggingen - conclusie
38. Beklaagde X... werd meermaals verhoord. Bij zijn verhoor op 4 mei 2020 legde beklaagde verklaringen af waarin hij minstens deels toegaf dat hij bewust in zijn boekhouding geen correcte en volledige registratie verrichtte van de werkelijke transacties. Hij verklaarde onder meer het volgende:
"Ik heb na het vorige verhoor telefonisch contact opgenomen met uw collega X….
Tijdens dat gesprek ben ik teruggekomen op het handgeschreven dagontvangstenboek. Ik heb toegegeven aan jullie diensten dat ik in de opstartperiode van mijn handelszaak X... de cijfers in het handgeschreven dagontvangstenboek heb vervalst. Ik had bang dat ik niet ging rondkomen. Op basis van deze cijfers werd de eerste btw-aangifte door mijn boekhouder ingediend. Dit verklaart het verschil tussen de cijfers in het handgeschreven dagontvangstenboek en de cijfers in het geregistreerde kassasysteem voor die periode. Ik erken hier fout in te zijn geweest en ik wil mijn verantwoordelijkheid opnemen om dit recht te zetten. Ook als ik andere fouten zou hebben gemaakt, wil ik ook mijn verantwoordelijkheid opnemen."
39. Toen beklaagde werd gevraagd naar de discrepanties voor de artikelen van de merken X… en X... tussen de aankoopfacturatie en de registratie van verkopen via het kassasysteem, verklaarde beklaagde:
"Zoals gezegd kan ik dit niet verklaren. Ik weet niet waar het is misgelopen. Ik hoop dat u gelooft dat ik zelf ben verschoten van het aantal spoorloze artikelen. Ik wens toe te voegen dat ik voor de lente- en zomercollectie van 2019 ondanks eerdere verklaringen wél een outletverkoop heb laten doen bij een winkel op de Turnhoutsebaan. Dit was via een vriend van mij, X… . Dit was rond de periode begin december 2019. Deze outlet was geen succes, hij heeft in het totaal voor ongeveer 2000,00 euro verkocht. Dit was een tegenvaller. Ik ben de overige stuks gaan terughalen en deze kan u terugvinden in de overschotten die jullie hebben geïnventariseerd op 15.04.2020. Ik heb geen verkoopfactuur opgesteld van de verkoop van deze artikelen aan X…. Het ging slecht met zijn vennootschap X… , hij heeft de winkel nadien gestopt en ik wou hem niet verder in de problemen brengen door hem met nog extra schulden te beladen. Ik spreek hier over ongeveer 30 á 40 artikelen3 en "Als laatste wens ik toe te geven dat ik niet alle verkochte artikelen heb geregistreerd in mijn kassasysteem en deze dus in het zwart heb verkocht, maar ik verschiet wel van de omvang. Ik wist niet dat het er zoveel waren. Ik wens mijn verantwoordelijkheid hiervoor te nemen. Ik heb in het begin defensief liggen antwoorden, maar wens schoon schip te maken."
40. Beklaagde heeft met het oogmerk om de fraude inzake btw en personenbelasting te plegen, evenals om een valse geldstroom te creëren, een valse boekhouding gevoerd die aldus de werkelijke staat van de onderneming niet weergaf en waarin niet alle activa, passiva, inkomsten en uitgaven van de onderneming werden opgenomen.
41. In het door beklaagde in syntheseconclusie hernomen revisoraal verslag, wordt aangehaald dat de boekhouding van beklaagde geen fouten van die grootorde zou bevatten om van een onvolkomen of ongeloofwaardige boekhouding of van kwaad opzet te kunnen spreken.
Het hof oordeelt evenwel dat de omvang en aard van de fouten aantonen dat bedrieglijk opzet voorlag in hoofde van beklaagde.
Zo werden in de boekhouding van de handelszaak van beklaagde onder meer aankoopfacturen en bijhorende omzet van bepaalde leveranciers niet geboekt, werden creditnota's niet geboekt maar wel de facturen waarop deze betrekking hadden, werd een naar het oordeel van het hof toch zeer aanzienlijk deel van de omzet niet geboekt (zie de 'ontbrekende artikelen'), werden leveringsbons als kosten geboekt naast de facturen voor dezelfde aankopen, werd het ontvangstdagboek bewust digitaal en op papier met vermelding van een verschillende omzet bijgehouden en werd de omzet van de eerste weken gewoon niet in de boekhouding opgenomen.
Het geheel van deze fouten bewijst het in hoofde van beklaagde bewust en systematisch karakter van de onregelmatigheden en kan allerminst aan onwetendheid of vergissingen van de boekhouder worden toegeschreven.
De voormelde verklaringen van beklaagde bij zijn verhoor, in het bijzonder het verhoor van 4 mei 2020, bevestigen dat hij minstens deels toegaf dat hij bewust in zijn boekhouding geen correcte en volledige registratie heeft verricht van de werkelijke transacties.
42. Het hof stipt nog aan de boekhouding van de eenmanszaak van beklaagde zich opdringt aan het openbaar vertrouwen aangezien deze het bewijs kan opleveren van handelingen of juridische feiten, in voorliggend geval minstens ten aanzien van de overheid, ongeacht of de boekhouding uitgebreider was dan wat wettelijk vereist was (vergelijk bijv. Cass. 19 april 1909, Pas. 1909, I, 204). Het openbaar vertrouwen in een boekhouding strekt zich uit tot alle onderdelen daarvan, waarbij beklaagde zelf heeft gekozen om zijn boekhouding te voeren en organiseren.
43. Dat beklaagde X... niet louter nalatig was maar met bedrieglijk opzet handelde, blijkt dan ook uit de aard en hoeveelheid van de onregelmatigheden en inbreuken die hiervoor werden opgesomd en die een impact hadden op de aangegeven belasting, telkens in het voordeel van beklaagde inzake btw en personenbelasting, waaruit een systematische fraude met doordacht karakter blijkt, die eveneens gericht was op ontduiken van btw en personenbelasting.
44. Beklaagde heeft met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zoals voormeld de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB92) of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden. Het bedrieglijk opzet bestond erin personenbelasting te ontduiken, verschuldigd op zijn deels niet-aangegeven beroepsinkomen en deels door onterechte aftrek van kosten.
45. Beklaagde heeft eveneens, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het Wetboek van de Btw of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreden zoals voormeld. Het bedrieglijk opzet bestond erin de verschuldigde btw niet te betalen en niet door te storten, door omzet niet te vermelden in de btw-aangiftes en deels door onterecht uitoefenen van het recht op btw-aftrek.
Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf onder de tenlasteleggingen A, B, C, E (zoals beperkt bewezen verklaard) en F (zoals beperkt bewezen verklaard) zijn verenigd in hoofde van beklaagde. Zijn schuld aan deze misdrijven is bewezen.
46. Onder tenlastelegging H wordt beklaagde nog vervolgd voor de niet-inschrijving van een vestigingseenheid in de Kruispuntbank Ondernemingen (KBO). Beklaagde X... heeft omtrent deze tenlastelegging in conclusies aangegeven dat de niet-registratie van de vestiging een administratieve tekortkoming was en dat nadat verbalisanten hem daarop hadden gewezen, beklaagde de registratie heeft rechtgezet.
Op basis van de vaststellingen van de verbalisanten staat vast dat beklaagde een vestigingseenheid te Hopland 37, 2000 Antwerpen uitbaatte van zijn eenmanszaak X... /NOA (X…) zonder te voldoen aan de verplichting om deze vestigingseenheid in te schrijven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen.
Beklaagde wordt dan ook schuldig verklaard aan het hem ten laste gelegde feit H.
47. De argumenten in conclusies doen niets af aan hoger vermelde beoordeling.
4.2.2.2. Beoordeling van de strafmaat
48. De straf moet worden bepaald gelet op de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden en de persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit zijn strafrechtelijk verleden, gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover door het hof gekend. Niettemin dient de straftoemeting niet enkel de vergeldingsbehoefte te dienen, doch moet deze ook oog hebben voor de speciale preventie. De sanctionering moet dan ook van aard zijn de beklaagde ervan te weerhouden zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig te maken.
49.Beklaagde X... werd veelvuldig veroordeeld door de politierechtbank en werd één maal correctioneel veroordeeld, bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen van 8 oktober 2012 voor een inbreuk inzake maatschappelijke zekerheid der arbeiders tot een geldboete van 500 euro meer opdeciemen, met uitstel, en heeft dus een ongunstig strafrechtelijk verleden.
50.De in hoofde van de beklaagde bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet, zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65, eerste lid Sw. slechts één straf moet worden opgelegd, de zwaarste.
51. De bewezen verklaarde feiten getuigen van totaal gebrek aan normbesef, een gebrek aan respect voor de geldende regelgeving en een frauduleuze ingesteldheid met een streven naar oneerlijk winstbejag ten nadele van de eerlijke belastingbetaler en van een criminele ingesteldheid met een gebrek aan respect voor belangen van de burgers om de verschuldigde belastingen betaald te zien en zijn van aard om de normale concurrentieverhoudingen te verstoren.
52. Beklaagde X... verzoekt om een werkstraf opgelegd te krijgen. Het opleggen van een werkstraf, zou, mede gelet op de ernst en aard van de feiten en de persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafdossier, een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden en zou beklaagde onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen.
Beklaagde blijft trouwens in gebreke om afdoende elementen aan te reiken welke het hof kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van de hierna vermelde bestraffing zijn toekomst / reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst en aard van de gepleegde feiten, zou hypothekeren.
49. De hierna bepaalde gevangenisstraf is gepast rekening houdende met de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoon van de beklaagde, zijn sociale en financiële situatie voor zover gekend, evenals zijn ongunstig strafrechtelijk verleden.
Beklaagde werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99 bis van het strafwetboek. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken hoofdgevangenisstraf voor een termijn van 3 jaar. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten de beklaagde aanzetten tot gedragsverbetering.
Het is aangewezen om aan beklaagde, gelet op de aard en de ernst van de feiten en ter bescherming van het regulier economisch verkeer, het verbod op te leggen om, persoonlijk of door een tussenpersoon, de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 § 6, eerste lid, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen, dit gedurende 5 jaar (cf. artikel 1 K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934).
De duur van het voormelde verbod is passend gelet op de hierboven omschreven elementen van de straftoemeting, is verantwoord om beklaagde in die mate de toegang tot de voormelde functies beletten en is noodzakelijk om beklaagde het inzicht bij te brengen dat de fiscale en economische regelgeving op rigoureuze wijze dient te worden nageleefd.
53. Gelet op de aard van de feiten, gepleegd omwille van financieel gewin, en de persoon van de beklaagde, wordt tevens een effectieve geldboete opgelegd. Het hof legt een boete op van 500,00 euro te vermeerderen met opdeciemen tot 4.000,00 euro. Mede gelet op de belastingverhogingen voor de personenbelasting en proportionele geldboete inzake btw is deze geldboete afdoende punitief om de repressieve en preventieve doeleinden van de straftoemeting te realiseren. Op deze wijze houdt het hof rekening met het geheel van de opgelegde straffen. Het hof verleent voor deze geldboete geen uitstel, gezien de bewezen verklaarde feiten gepleegd werden uit winstoogmerk en het verlenen van uitstel voor de geldboete beklaagde onvoldoende zou wijzen op de ernst van de feiten.
54. Het openbaar ministerie vordert de facultatieve verbeurdverklaring van de voordelen voortkomende uit de ten laste gekegde feiten E en F, met inbegrip van de opbrengst van door Finshop verkochte goederen.
Het hof verklaart de vermogensvoordelen voortvloeiende uit het misdrijf van tenlastelegging E en F zoals heromschreven en bewezen verklaard, evenwel niet verbeurd. De tussenkomende partij stelt immers eveneens een autonome fiscale vordering voor deze zelfde ontdoken personenbelasting en btw. Om geen onredelijk zware bestraffing op te leggen worden deze vermogensvoordelen niet tegelijk ook nog strafrechtelijk verbeurd verklaard.
55. Overeenkomstig artikel 463 Wetboek van Strafvordering wordt de doorhaling bevolen van de valse boekhouding vermeld onder de hierboven bewezen verklaarde feiten onder tenlastelegging A en neergelegd onder referte AABF7969.
4.2. Kosten en bijdragen
50. De bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders moet worden opgelegd bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf. De huidige veroordeling door het hof komt in de plaats van deze door de eerste rechter. Beklaagde dient thans verplicht te worden tot betaling van een bijdrage van 200,00 euro.
51. De forfaitaire vergoeding in de beheerskosten van de rechtsbedeling veroorzaakt door het misdrijf waaraan beklaagde schuldig is bevonden, is slechts eenmaal op te leggen in dezelfde zaak, namelijk bij de beslissing waarbij het aan een beklaagde ten laste gelegde feit bewezen worden verklaard. Aan beklaagde wordt een vergoeding van 61,01 euro op gelegd.
52. De bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet worden opgelegd bij iedere veroordeling van een beklaagde door een strafgerecht. De huidige veroordeling door het hof komt in de plaats van deze door de eerste rechter.
4.3. Beoordeling van de zelfstandige fiscale vordering van tussenkomende partij
- Fiscale vordering
53. De vordering van de Belgische Staat als tussenkomende partij wordt aan het hof voorgelegd bij toepassing van artikel 4 bis VT Sv. dat onder meer bepaalt:
"In geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29bis van het Wetboek van strafvordering neemt de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren.
Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak."
56. De tussenkomende partij vordert de hierna vermelde belastingen, belastingverhogingen en proportionele geldboetes en interesten:
· wat betreft de niet aangegeven personenbelasting voor inkomstenjaar 2019, aanslagjaar 2020 een uitvoerbare titel tot betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen en bijkomende kosten in verband met de in de vordering genoemde feiten, die als volgt worden opgesplitst :
- Personenbelasting: 40.523,55 euro
- Belastingverhoging: 18.363,56 euro Nalatigheidsinterest: vanaf 1 juli 2021
· wat betreft de niet aangegeven personenbelasting voor inkomstenjaar 2020, aanslagjaar 2021 een uitvoerbare titel tot betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen en bijkomende kosten in verband met de in de vordering genoemde feiten, die als volgt worden opgesplitst :
- Personenbelasting: 18.118,75 euro
- Belastingverhoging: 7.960,69 euro
- Nalatigheidsinterest: vanaf 1 juli 2022
· wat betreft de BTW voor de periode 2019-2020 een uitvoerbare titel tot betaling van de belastingen, toeslagen, verhogingen en bijkomende kosten in verband met de in de vordering genoemde feiten, verwijzende naar de motivering en berekening als vermeld in punt 111.2 en die als volgt worden opgesplitst :
BTW: 37.093,63 EUR
- Proportionele geldboete: 74.180,00 EUR
- nalatigheidsinterest, vanaf 20 april 2021 voor wat betreft de btw en vanaf de opname in het invorderingsregister voor wat betreft de proportionele geldboete.
- Verweer van beklaagde specifiek betreffende de fiscale vordering
62. Beklaagde voert in de namens hem neergelegde syntheseconclusie specifiek verweer inzake de fiscale vordering betreffende de personenbelasting. Hij voert aan dat de zwarte omzet werd toegewezen aan inkomstenjaren 2019 en 2020 op een willekeurige wijze.
De verbalisanten hebben de omzet uit ontbrekende artikelen van de collecties van 2019 over de inkomstenjaren 2019 en 2020 verdeeld in verhouding met de in de boekhouding van beklaagde geregistreerde omzet. Er kan inderdaad redelijkerwijze vanuit worden gegaan dat beklaagde over beide jaren een zelfde handelwijze inzake zwarte omzet heeft toegepast, en dus in beide jaren verhoudingsgewijs een even groot deel van de verkoop niet registreerde. In bijlage 1 van het proces-verbaal AN.78.LB.037001/2020 werd uiteengezet dat 2470 geregistreerde verkopen gebeurden in de relevante maanden van 2019 en 600 in de relevante maanden van 2020.
De verdeling tussen de beide inkomstenjaren, die overigens een beperkte impact heeft op de verschuldigde personenbelasting, is door de tussenkomende partij gebeurd op een correcte en afdoende onderbouwde wijze, rekening houdend met alle objectieve elementen.
Proportionele geldboete en interesten
63. Beklaagde voert aan dat de gevorderde boete van 200% inzake btw en de belastingverhoging van 50% inzake inkomstenbelastingen fiscale sancties met een strafrechtelijk karakter zijn in de zin van artikel 6 EVRM. De cumulatie van een strafrechtelijke veroordeling met de toepassing van een belastingverhoging van 50% (inzake directe belastingen) en een boete van 200% (inzake btw), zou leiden tot een 'disproportionele sanctionering, waarbij beklaagde verwijst naar artikel 6 EVRM.
64. Het hof stelt vast dat de tabellen A tot J van de bijlage bij het KB nr. 41 opgenomen schaal niet van toepassing zijn aangezien beklaagde overtredingen heeft begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek te toetsen dan wel zelf op te leggen, moet evenwel de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen. Dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, is afhankelijk van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend (vergelijk bijv. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N).
65. De tussenkomende partij vordert een administratieve sanctie in de vorm van een belastingverhoging van 50% inzake de personenbelasting en vordert inzake btw een proportionele boete van 200%. De beide sancties kunnen overeenkomstig de Belgische wettelijke bepalingen terzake naast elkaar worden opgelegd, naast de strafrechtelijke sancties, maar daarbij moet toch rekening worden gehouden met het feit dat in wezen voor dezelfde (onderliggende) feiten sancties worden opgelegd.
Het hof toetst bij toepassing van artikel 6.1 EVRM de door de tussenkomende partij gevorderde proportionele boete inzake van 200% aan het evenredigheidsbeginsel, en oordeelt dat in casu deze boete dient te worden gematigd, gezien het geheel van de opgelegde sancties.
Een proportionele geldboete van 50% inzake btw en een belastingverhoging van 50% inzake personenbelasting zijn noodzakelijk en passend, rekening houdend met de zwaarte van de inbreuken, de hoogte van alle in onderhavig arrest aan beklaagde opgelegde sancties, en de weerslag van (het geheel van) de in onderhavig arrest tegelijk opgelegde sancties voor beklaagde.
- Vordering inzake btw, proportionele geldboete en interesten
66. Uit de voormelde motivering op strafrechtelijk vlak volgt dat vaststaat dat beklaagde een bedrag van 30.553,98 euro aan btw heeft ontdoken.
Beklaagde heeft bij wijze van (de weliswaar niet spontane) rechtzetting een nieuwe aangifte ingediend voor het tweede kwartaal van 2019 waaruit een verschuldigd bedrag van 2.115,09 euro bleek zodat de tussenkomende partij terecht haar vordering van het btw-bedrag heeft verminderd met 2.115,09 euro. Uit geen enkel stuk blijkt overigens dat de btw ten bedrage onterecht vermelde teruggave van 1.271,14 euro in de oorspronkelijke aangifte voor het tweede kwartaal van 2019 effectief zou zijn voldaan of terugbetaald. Beklaagde voert ook niet specifiek aan dat dit bedrag nog bijkomend zou moeten worden in mindering gebracht.
Voor wat betreft de door de tussenkomende partij gevorderde bedragen aan btw en de daarmee samenhangende proportionele boete, wordt gelet op voorgaande motivering, vastgesteld dat beklaagde tot betaling van een bedrag aan ontdoken btw van 28.438,89 euro (30.553,98 euro - 2.115,09 euro) dient te worden veroordeeld, evenals tot een proportionele geldboete van 50%, begroot op 14.210,00 euro (14.219,45 euro, afgerond op het lagere tiental, overeenkomstig artikel 4 §1 KB Nr. 41).
67. De tussenkomende partij vordert over de verschuldigde btw interesten bij toepassing van artikel 91, §1 Btw-wetboek vanaf 20 april 2021— de datum waarop eerste kwartaalaangifte inzake btw moet worden ingediend (en het verschuldigde bedrag moet worden voldaan). Deze interesten worden berekend op 28.430,00 euro (de btw afgerond op het lager tiental). Dit beginpunt van de interesten is in elk geval in het voordeel van beklaagde en wordt door het hof toegepast.
Voor de proportionele geldboete ten bedrage van 14.210,00 euro worden interesten gevorderd vanaf de opname in het invorderingsregister bij toepassing van artikel 91 §2bis Btw-wetboek. De voormelde interesten zijn verschuldigd overeenkomstig de relevante bepalingen en worden toegekend zoals gevorderd.
68. De argumenten in conclusies doen niets af aan hoger vermelde beoordeling.
- Vordering inzake personenbelasting (inclusief belastingverhoging en interesten
57. Code 1600 in de aangifte personenbelasting van beklaagde wijzigt voor aanslagjaar 2020 van 137.499,17 euro naar 234.475,87 euro.
Code 1600 in de aangifte personenbelasting van beklaagde wijzigt voor aanslagjaar 2021 bijgevolg van 0 euro naar 38.130,16 euro.
58. Tussenkomende partij heeft op de zitting van 20 februari 2025 aangegeven een heropening van de debatten te wensen indien de ontdoken bedragen inzake personenbelasting zouden worden gewijzigd tegenover deze vermeld in de omschrijving van de tenlastelegging F om een aangepaste berekening te maken. Door de heropening worden de rechten van beide partijen ten volle gewaarborgd.
Het hof zal de debatten heropenen, teneinde de tussenkomende partij toe te laten voor beide aanslagjaren te komen tot een nieuwe berekening in de personenbelasting, ten gevolge van de voormelde wijzigingen aan code 1600 voor aanslagjaren 2020 en 2021, inclusief belastingverhoging van 50% en aanvullende gemeentebelasting en teneinde beklaagde toe te laten standpunt in te nemen over de eventueel aldus aangepaste vordering van de tussenkomende partij.
5. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:
11, 12, 13, 14, 24, 31 tot 37, 40 en 41 van de wet van 15 juni 1935,
162, 185, 190, 190ter, 194, 195, 199, 200, 202, 203, 203bis, 204, 210, 211, 463 van
het Wetboek van Strafvordering,
4bis Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering,
1, 2, 3, 7, 25, 38, 40, 44, 45, 65, 66, 79, 80, 193, 196, 197, 213, 214 van het
Strafwetboek,
53,2° en 3°, 73 en 73bis lid 1 van het Wetboek BTW,
305 t/m 310, 449 en 450 lid 1 W.I.B.,
111.17 en 111.18, §1, 2°, XV.70 en XV.77, lid 1, 2° van het Wetboek Economisch Recht,
1 van het KB nr.22 van 24 oktober 1934,
1 en 8 van de wet van 29 juni 1964,
1382, 1383(oud) Burgerlijk Wetboek,
4 van de wet van 17 april 1878,
1 van de wet van 5 maart 1952,
36 van de wet van 7 februari 2003,
28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985,
58 van het K.B. van 18 december 1986,
91 van het K.B. van 28 december 1950,
6 van het K.B. van 26 april 2017,
4 §3, 5 en 10 van de wet van 19 maart 2017,
6. Beslissing
Het hof,
Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hoger beroepen en de grieven, op tegenspraak.
Opnieuw recht doende binnen de begrensde omvang van de hoger beroepen zoals bepaald onder randnummer 4.2.1. van het tussenarrest van 9 januari 2025.
Het tussenarrest van 9 januari 2025 verder uitwerkend.
6.1. Op strafrechtelijk gebied
Verklaart beklaagde X... schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten A, B, C, E (zoals beperkt bewezen verklaard) F (zoals beperkt bewezen verklaard) en H.
Veroordeelt beklaagde X... hoofdens de bewezen verklaarde en vermengde feiten A, B, C, E (zoals beperkt bewezen verklaard) F (zoals beperkt bewezen verklaard)en H tot een hoofdgevangenisstraf van 6 MAANDEN en tot een geldboete van 4000,00 EURO, zijnde 500,00 EURO vermeerderd met 70 opdeciemen of, bij gebrek aan betaling binnen de in artikel 40 van het Strafwetboek bepaalde termijn, tot een vervangende gevangenisstraf van 2 MAANDEN.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde hoofdgevangenisstraf, dit voor een periode van 3 jaar.
Legt aan beklaagde X... overeenkomstig art.1 van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 het verbod op om persoonlijk of door een tussenpersoon de functie van bestuurder, commissaris of zaakvoerder in een vennootschap op aandelen, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een coöperatieve vennootschap, enige functie waarbij macht wordt verleend om een van die vennootschappen te verbinden, de functie van persoon belast met het bestuur van een vestiging in België, bedoeld in artikel 198 §6 eerste lid van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, of het beroep van effectenmakelaar of correspondent-effectenmakelaar uit te oefenen voor een periode van 5 JAAR.
Beveelt de doorhaling van de valse boekhouding vermeld onder de hierboven bewezen verklaarde feiten onder tenlastelegging A en neergelegd onder referte AABF7969.
Verplicht beklaagde tot betaling van een vergoeding van 61,01 euro.
Verplicht beklaagde tot het betalen van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 25 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op 200 euro.
Veroordeelt beklaagde tot betaling van een bijdrage van 26,00 euro aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Laat de kosten van het uittreksel van de akte van het hoger beroep van het openbaar ministerie ten laste van de Belgische Staat.
Veroordeelt beklaagde tot de overige kosten van de strafvordering in beide aanleggen, begroot in eerste aanleg op 30,49 euro en in hoger beroep op 112,36 euro, met de vaststelling dat deze kosten werden veroorzaakt door de thans aangehouden misdrijven.
6.2. Betreffende de fiscale vordering van de tussenkomende partij
Verklaart de vordering van de tussenkomende partij toelaatbaar en ontvankelijk.
Heropent ambtshalve de debatten teneinde de partijen standpunt te laten innemen over de eventuele nieuwe berekening van de personenbelasting voor aanslagjaren 2020 en 2021, ten gevolge van de voormelde wijzigingen aan code 1600, inclusief belastingverhoging van 50% en aanvullende gemeentebelasting en teneinde beklaagde toe te laten standpunt in te nemen over de eventueel aangepaste vordering van de tussenkomende partij.
Heropent de debatten op de zitting van het hof van vrijdag 20 juni 2025 om 14.00 uur, pleitduur: 30 minuten.
Verklaart de vordering van de tussenkomende partij wat betreft de btw reeds als volgt gegrond:
Btw : 28.438,89 euro
- Proportionele geldboete : 14.210,00 euro
- Interesten op de btw ten belope van 28.430,00 euro, vanaf 20 april 2021 Interesten op de proportionele geldboete ten belope van 14.210,00 euro, vanaf opname in het invorderingsregister.
Zegt voor recht dat beklaagde de voormelde bedragen verschuldigd is aan de tussenkomende partij, Belgische Staat (FOD Financiën) en dat onderhavig arrest hiervoor geldt als uitvoerbare titel tot betaling van de hiervoor bepaalde belastingen, proportionele geldboete en interesten.
Houdt de uitspraak over de kosten van de fiscale vordering van tussenkomende partij aan.
De rechtspleging verliep uitsluitend in het Nederlands.
Dit arrest is gewezen te Antwerpen door het hof van beroep, kamer C6, samengesteld uit :
X…
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.