Travaux immobiliers, Procès-verbal, Motivation, taux de l'intérêt, travail immobilier · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 19 février 2014

Rechercher
Texte en néerlandais

Travaux immobiliers, Procès-verbal, Motivation, taux de l'intérêt, travail immobilierTaxe sur la valeur ajoutée - Taux – Travaux immobiliers - Procès-verbal - Motivation

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-travaux-immobiliers-proces-verbal-tribunal-gand-2014-02-19-daec

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
19 février 2014

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

134 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 19.02.2014

(AR 12/2603/A)

Taxe sur la valeur ajoutée - Taux - Travaux immobiliers - Procès-verbal - Motivation

Résumé

Il n'y a pas de doute concernant le contenu et la régularité du procès-verbal.

L'absence d'annexes au procès-verbal lors de la signification n'est pas une raison pour déclarer la nullité du procès-verbal.

La motivation reprise dans la contrainte, conjointement au contenu du procès-verbal cité ci-dessus, permet indéniablement de retrouver les éléments juridiques et factuels qui servent comme fondement de la créance.

Les travaux immobiliers exécutés ne sont pas d'une telle importance que le bâtiment original ne serait devenu que le fait accessoire ou disparaîtrait dans les travaux de transformation.

Sur base des constatations factuelles susmentionnées, le tribunal estime que les travaux immobiliers exécutés doivent être considérés comme étant une transformation et qu'ils sont dès lors soumis au taux de TVA réduit de 6%.

La contrainte doit en conséquence être annulée intégralement.

Note de l'administration

L'état belge est appelant.

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 19.02.2014

AR 12/2603/A

Texte intégral

Corps de la décision

In de zaak van:

H. M., wonende te ...

EISER, hebbende als raad mr. C.D.R. advocaat te …;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 1, Algemene administratie van de Fiscaliteit, BTW, met kantoren gevestigd te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6/107, zuiderpoort Blok B - 1ste verdieping,

VERWEERDER, voor wie optreedt mevr. K.V., fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur, en dhr. P.W., opsteller van financiën.

Vonnist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING.

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 8 januari 2014 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het verzoekschrift op tegenspraak van 17 juli 2012, de conclusies en de stavingsstukken.

II. DE VORDERING.

De eiser vraagt de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het dwangbevel te vernietigen:

- In hoofdorde wegens gebrek aan bewijs van de vordering van de verweerder door onvoldoende en gebrekkige motivering van het dwangbevel en het proces-verbaal;

- In ondergeschikte orde wegens ongegrondheid van de vordering van de verweerder;

- de verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.210,00 EUR.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL.

1. De eiser heeft zijn eengezinswoning gelegen te…, verbouwd en uitgebreid overeenkomstig de verleende stedenbouwkundige vergunning van 2 februari 2006.

Hij diende op 7 april 2009 de aangifte nummer 1063, voorgeschreven door artikel 64, § 4 W.BTW, in. Daarin werd verklaard dat de eiser de eigenaar is van het gebouwen het kadastrale inkomen hem betekend werd op 1 februari 2008.

Voorts werd het bouwplan en de facturen meegedeeld.

2. Bij nazicht van de aangifte stelde de verweerder vast dat een aantal facturen inzake werk in onroerende staat werden opgemaakt met toepassing van het verlaagd BTW-tarief (6%).

3. In het proces verbaal van 27 november 2009 werd door P.W., financieel assistent, verbonden aan het BTW-controlekantoor Gent 5 (bouwcel), volgende vaststellingen opgenomen:

- bij de verbouwing werd een deel van de oorspronkelijke structuur op het gelijkvloers afgebroken (achterbouw en garage) en vergroot met een keuken, een berging, een sas, een douchecel en een garage;

- op het gelijkvloers is de inkom, het toilet en de woonkamer overgebleven in het oude gedeelte;

- boven de nieuwe garage werd op de eerste verdieping een slaapkamer met dressing en eem badkamer bijgebouwd, terwijl in het overgebleven oude gedeelte een bureau, een slaapkamer, een toilet en een trapopening voorhanden zijn;

- op de tweede verdieping bevinden zich in het nieuwe gedeelte een slaapkamer en de stookruimte en in het oude overgebleven gedeelte een slaapkamer, een zolder en de trapopening.

Bij vergelijking van de oppervlakte tussen voor en na de werken kan een verhouding van144,94 m²nieuw tegenover128,49 m²overgebleven gedeelte worden vastgesteld.

De helft van de totale oppervlakte na uitvoering van de werken is136,71 m²of een overschrijding van8.23 m²

De verweerder leidt hieruit af dat de werken als nieuwbouw moeten aangemerkt worden en dus het verlaagd BTW-tarief van 6 pct. niet van toepassing is.

Bijgevolg werd het verlaagd BTW-tarief van 6 pct. ten onrechte toegepast en moesten de uitgevoerde werden krachtens de artikelen 37 en 38 WBTW en van artikel 1 van het K.B. nr. 20 gefactureerd worden met toepassing van het gewone BTW-tarief van 21%.

De nog verschuldigde BTW ten belope van 15% werd gevorderd krachtens de artikelen 51, § 1, 10 en 51 bis, § 1, 30 WBTW en werd berekend als volgt:

- BTW : 12.593,59 EUR

- boete : 1.250,00 EUR

4. De verweerder verzond op 13 mei 2009 een minnelijke inregelstelling ter goedkeuring en ondertekening.

De eiser verklaarde zich via zijn gevolmachtigde niet-akkoord met de toepassing van het gewoon BTW-tarief van 21 pct.

Tussen de partijen kwam het niet tot een akkoord zodat uiteindelijk op 30 november 2009 aan de eiser een betalingsbericht werd overgemaakt.

5. Wegens de niet-betaling werd op 8 december 2009 een dwangbevel met RCIV-nr. … uitgevaardigd door de e.a. inspecteur BTW - Ontvangkantoor Gent 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 december 2009.

Het dwangbevel werd overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW bij aangetekend verzonden brief van 9 december 2009 ter kennis gebracht aan de eiser. De betekening van dit dwangbevel werd verricht door gerechtsdeurwaarder A. op 18 juni 2012.

Tegen voormelde vordering heeft de eiser op 17 juli 2012 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van deze rechtbank neergelegd.

IV. BESPREKING.

1. Nopens de ontvankelijkheid.

De verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vorderinq ontvankelijk.

2. Tengronde.

2.1. Grieven omtrent het proces-verbaal.

2.1.1.

De eiser werpt op dat het proces-verbaal dat in opdracht van de verweerder door een gerechtsdeurwaarder werd betekend niet hetzelfde is als het door de verweerder overlegde bewijsstuk nr. 1. De handtekening van de e.a. inspecteur B. Piro zou ontbreken. Er zijn volgens de eiser drie verschillende processenverbaal.

De eiser vraagt zich af welk het origineel is.

De verweerder verklaart dat slechts één origineel proces-verbaal d.d. 27.11.2009 bestaat, namelijk het gene dat bewaard wordt in het Ontvangkantoor Gent 1.

Naar de eiser werd bij brief van 27 november 2009 een kopie verstuurd, dat als eensluidend afschrift werd verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de verschillende processen verbaal waarnaar de eiser verwijst duidelijk kopieën van het door de e.a. inspecteur B. Piro ondertekende origineel zijn. Afhankelijk van de situatie werd de ene keer een kopie van het origineel voor eensluidend aan het origineel verklaard door de administratie zelf, de andere keer door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.

Er is inzake geen twijfel over de inhoud en de regelmatigheid van het kwestieuze proces-verbaal.

De grief van de eiser is ongegrond.

2.1.2.

Vervolgens werpt de eiser op dat vier bijlagen van het proces-verbaal niet werden toegevoegd.

De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal verwijst naar vier bijlagen, namelijk de berekening van de oppervlakte en drie kopieën van het bouwplan. Bij nazicht van het bewijsstuk 1 blijkt dat deze vier specifieke stukken wel degelijk als bijlage zijn gevoegd.

Het komt bovendien weinig aannemelijk voor dat de eiser deze bijlagen niet zou ontvangen hebben, gezien het proces-verbaal er uitdrukkelijk naar verwijst en de eiser in tempore non suspectu het ontbreken ervan niet gemeld heeft, noch de nazending ervan heeft gevraagd.

Ten andere voorziet geen wettelijke bepaling in de nietigheid van het procesverbaal (art. 59 WBTW) om de enkele reden dat bij de betekening geen afschriften zijn gevoegd van stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen. (bvb Cass.17 september 1989, Fisc., 28 oktober 1998, editie 681, p.12).

Deze tweede grief is evenzo ongegrond.

2.1.3.

De eiser stelt vervolgens dat het proces-verbaal en het dwangbevel gebrekkig zouden gemotiveerd zijn.

Het gebrek aan motivatie wordt door de eiser gesteund op het ontbreken van de bijlagen aan het proces-verbaal. Nu de rechtbank geoordeeld heeft dat een kopie van de bijlagen waren gevoegd aan het proces-verbaal, komt deze derde grief ongegrond voor.

Het proces-verbaal en het dwangbevel waarnaar de eiser verwijst, zijn de documenten die door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder werden verhandeld, eensluidend verklaard en betekend. Dit zijn uiteraard andere kopieën dan deze die door de administratie zijn verhandeld en verzonden.

Bovendien overlegt de eiser het stavingsstuk nr. 6.2.1., waar op de achterzijde van het proces-verbaal de bijlage 1 gekopieerd staat. Het bestreden proces-verbaal beschrijft de vaststellingen die werden gemaakt op basis van het bouwdossier. Aan de hand van de elementen uit het bouwdossier

meent de administratie dat het verlaagd tarief ten onrechte werd toegepast.

Daarnaast wordt het onderbouwd aan de hand van een oppervlakteberekening door de administratie haar argumentatie en verwijst naar de relevante stukken. Tot slot berekent de BTW-administratie de nog verschuldigde BTW en de administratieve geldboete, telkenmale verwijzend naar de juridische grondslag.

De rechtbank leidt uit dit alles af dat de administratie de verschuldigde BTW en de boete op afdoende wijze in feite en in rechte heeft gemotiveerd. De eiser kon aan de hand van deze argumentatie een gemotiveerd bezwaar opstellen.

Een zelfde vaststelling kan de rechtbank doen voor wat betreft het dwangbevel. De in het dwangbevel opgenomen motivering, samen met de inhoud van het proces-verbaal waarnaar verwezen werd, laat onmiskenbaar toe de juridische en feitelijke elementen terug te vinden die als grondslag dienen voor de vordering.

2.1.4.

De eiser brengt aan dat het verschuldigde bedrag niet duidelijk is.

De verweerder argumenteert dat zij in toepassing van artikel 339 Programmawet van 27 december 2004 de BTW-schuld heeft gecompenseerd met het tegoed van 28.33 EUR dat de eiser had in de inkomstenbelasting.

In het exploot Betekening-Bevel van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder van 18 juni 2012 werd bevel tot betaling van het gecompenseerd bedrag betekend.

De rechtbank kan zich aansluiten bij de eiser wanneer deze stelt dat het tegoed niet kon aangewend worden, gezien de aanwending wordt beperkt tot het niet betwist gedeelte van de schuldvordering op de eiser. De betwisting omtrent de totale schuldvordering was in voorliggende zaak reeds gerezen na de ontvangst van de inregelstelling. Gezien de meningen uiteenliepen omtrent de berekening van de oppervlakten en de al dan niet correcte toepassing van het verlaagd

BTW-tarief, kan er geen niet-betwist gedeelte van de schuldvordering worden bepaald. De wettelijke compensatie werd aldus verkeerd toegepast.

De ten onrechte doorgevoerde compensatie in het gerechtsdeurwaardersexploot brengt echter niet de nietigheid van het dwangbevel of het proces-verbaal mee nu blijkt dat in deze akten de bedragen wel correct uitgedrukt staan.

De eiser kon of kan zich wel verzetten tegen deze onregelmatige compensatie in het gerechtsdeurwaardersexploot.

2.2 Met betrekking tot de toepassing van het verlaagd tarief.

2.2.1.

Het geschil heeft betrekking op de kwalificatie van de aannemingswerken die de eiser aan zijn woning heeft laten uitvoeren. Zijn deze als nieuwbouw, dan wel als omvorming of verbouwing aan te merken?

Het onderscheid heeft weerslag op het toe te passen BTW-tarief.

De eiser argumenteert dat de uitgevoerde werken te catalogeren zijn als renovatie- en verbouwingswerken en aldus het verlaagd BTW-tarief van 6% kan toegepast worden.

De verweerder stelt daarentegen dat de werken in onroerende staat moeten aangemerkt worden als nieuwbouwen het gewoon BTW-tarief van 21% van toepassing is. Volgens de verweerder is de oppervlakte van het oude gedeelte kleiner dan de helft van de woning na de uitvoering van de werken, zodat niet langer gewag kan gemaakt worden van een omvorming zoals bedoeld in rubriek

XXXI, van tabel A gevoegd aan het K.B.nr 20 van 20 juli 1970.

2.2.2.

In casu werd de structuur van de bestaande woning niet gewijzigd. Op de gelijkvloers werd: de oude garage afgebroken en vervangen door een ruimere met inbegrip van berging en douchecel, de keuken versmald. De overige ruimtes ondergingen geen wijzigingen. De draagmuren bleven dezelfde zodat de essentie van het oud gebouw quasi wordt gehandhaafd. Op de eerste verdieping

werd naast de bestaande slaapkamer, wc, bureau en trap een slaapkamer met dressing en badkamer toegevoegd. Op de tweede verdieping werd naast een slaapkamer en zolder, een nieuwe slaapkamer en stookruimte toegevoegd. Deze uitbreidingen zijn niet alleen dienstig voor de bestaande woning, maar werden ook in functie van de bestaande woning opgetrokken, zodat de bestaande woning de hoofdzaak is gebleven. De uitbreidingswerken zijn ondergeschikt aan . de bestaande woning en vonden plaats in functie van de omvorming ervan.

2.2.3.

De aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 (punt 30.) wordt onder "omvorming" verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.

Vergroting van de ruimte, toevoeging van nieuwe vertrekken en uitbreiding van bestaande vertrekken sluiten aldus de kwalificatie van werken in onroerende staat als omvorming niet uit.

Evenmin zijn het uitvoeren van afbraakwerken uitgesloten van het voordeel van het verlaagd tarief wanneer deze noodzakelijk voorafgaan aan de omvorming of de verbetering en meer algemeen aan werken die het verlaagd tarief kunnen genieten. (aanschrijving punt 35.)

Er is ook sprake van een verbouwing wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

2.2.4.

De administratie hecht bij de definiëring van "verbouwing" een groot belang aan het oppervlaktecriterium, meer bepaald dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol moet zijn ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Dit is volgens de administratie het geval wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na uitvoering van de werken.

De verweerder berekent de oppervlakte van het oud gedeelte op 128,49m² en het nieuwe op144,94 m². De som van beide komt op273,43 m². Uitgaande van de helft van het totaal (136,71 m²) zou betekenen dat het oude gedeelte8,23 m²minder dan de helft is.

Daarentegen berekent de eiser het oud gedeelte op164,10 m²en bevestigt dat het nieuw gedeelte144,94 m²bedraagt. De som van het oud en nieuw gedeelte bedraagt alsdan309,04 m². De helft daarvan komt op154,52 m², zodat het oud gedeelte meer dan de helft bedraagt.

Het verschil in de berekening van de oppervlakte tussen de partijen is te vinden dat de verweerder bij de berekening van het oud gedeelte geen rekening gehouden heeft met de afgebroken achterbouw.

De rechtbank kan de berekeningswijze van de "oude" toestand door de verweerder niet bijtreden, gezien hier enkel wordt uitgegaan van het behouden gedeelte van de "oude" toestand, waarbij de totale oppervlakte van de "oude" toestand buiten beschouwing wordt gelaten.

2.2.5.

De werken zijn niet dermate ingrijpend zodat het oorspronkelijke gebouw nog slechts de bijzaak is geworden of verdwijnt in de wijzigingswerken. De uitbreiding van de bestaande ruimte en de toevoeging van de nieuwe vertrekken blijven ondergeschikt aan het resterend deel van de vroegere privéwoning en staan volledig in functie van de huidige woning.

Op grond van voormelde feitelijke vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat de uitgevoerde werken in onroerende staat als een omvorming of verbouwing moet aangemerkt worden en aldus aan het verlaagd BTW-tarief van 6% onderworpen is.

Het dwangbevel moet aldus integraal vernietigd worden.

3. De rechtsplegingsvergoeding.

De kosten omvatten in de voorliggende zaak enkel de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

De eiser begroot de rechtsplegingsvergoeding op 1.210,00 EUR, terwijl de verweerder deze niet begroot.

Het waarde van het geschil situeert zich in de schijf 10.000,01 EUR tot 20.000,00 EUR zodat overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het geïndexeerd basisbedrag van 1.210,00 EUR.

De verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK.

Rechtdoende op tegenspraak.

Met inachtneming van de artikelen 2, 34, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond.

Vernietigt het dwangbevel met RCIV-nummer … uitgevaardigd op 8 december 2009 en zegt voor recht dat de bedragen die erin gevorderd worden niet verschuldigd zijn.

Beveelt de terugbetaling van de bedragen die reeds op grond van het dwangbevel betaald of geïnd zijn, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten.

Veroordeelt de verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, begroot als volgt:

- aan de kant van de eiser: 1.210,00 EUR rechtsplegingsvergoeding

- aan de kant van de verweerder: 0,00 EUR.

Aldus behandeld en gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag negentien februari tweeduizend veertien, waar aanwezig waren:

de heer C.S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw M.C., griffier.

Textes cités

7
AR no 20 art. 11 occurrence
CTVA art. 371 occurrence
CTVA art. 381 occurrence
CTVA art. 511 occurrence
CTVA art. 51bis1 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8