Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 29.06.2026 (2024/3899/A)
Résumé
Non fourni
Texte intégrale
Uniquement disponible dans la langue du jugement
Corps de la décision
NEDERLANDSTALIGE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL
7de kamer
Vonnis
29.06.2026
In de zaak van:
De cie1, met zetel te ... ..., ..., met ondernemingsnummer ..., gerechtelijk ontbonden bij vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 29 mei 2026,
eiseres,
vertegenwoordigd door de vereffenaar mr. Anthony Van Der Hauwaert, advocaat met
kantoor te 1082 Sint-Agatha-Berchem, Keizer Karellaan 586/9
(avanderhauwaert@be.racine.eu).
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO ..., in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Bijzondere Belastinginspectie, 5e Directie — Inspectie Gent, Gaston Crommenlaan 6/805, 9050 Gent,
verweerder,
vertegenwoordigd door mevrouw C.D. (...),
adviseur, en de heer F.D.N. (...), attaché.
In deze zaak, schriftelijk in beraad genomen conform artikel 755 en 769, lid 3
van het Gerechtelijk Wetboek, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 24 december 2024,
de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 28 februari 2025,
de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 23 april 2026,
de stukken van verweerder
De raadslieden van de partijen vragen de schriftelijke behandeling van de zaak. Op 15 juni 2026 is hen een ontvangstbewijs bezorgd. Conform artikel 769, derde lid van het Gerechtelijk wetboek zijn de debatten van rechtswege gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
Onderhavige betwisting heeft betrekking op btw-schulden voor de periode 2021-2023.
De cie1, eiseres, is geregistreerd onder het btw-nummer ... en heeft als hoofdactiviteit de algemene reiniging van gebouwen.
Nadat verweerder aan aantal vragen om inlichtingen heeft verstuurd naar eiseres stelt hij op 19 september 2024 een proces-verbaal van regularisatie (btw) op voor de periode 2021-2023, dat met een aangetekende brief van diezelfde datum wordt bezorgd aan eiseres. In het proces-verbaal wordt onder meer het volgende overwogen:
2.1.2 INBREUK OP DE VERLEGGINGSHEFFING VAN DE BTW
In principe is op basis van artikel 51, § 1, 1° van het Btw-Wetboek de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die de dienst verricht. Evenwel wordt op basis van artikel 51, §4 van het Btw-Wetboek en artikel 20 van het K.B. nr. 1 de medecontractant aangeduid als schuldenaar van de btw indien aan vier noodzakelijke voorwaarden is voldaan
de dienstverrichter is een In België gevestigde belastingplichtige;
· de medecontractant Is een in België gevestigde belastingplichtige die periodieke btw-aangiften indient;
- het gaat om een werk in onroerende staat of een daarmee gelijkgestelde handeling;
de verstrekte diensten moeten door de medecontractant geheel of gedeeltelijk worden gebruikt in
het kader van de economische activiteit
Indien aan deze voorwaarden cumulatief is voldaan rekent de dienstverrichter geen btw aan. De uitgereikte facturen worden in dat geval opgenomen in zijn vak 45 van de periodiek In te dienen btw-aangifte(n),
De belastingplichtige heeft over de periode van 01/04/2021 tot en met 30/09/2022 de volgende bedragen opgenomen in het vak 45 van zijn periodieke btw-aangiften:
Periode vak 45
2, - 4, kwartaal 2021 865.853,02
V - 3' kwartaal 2022 1,355.070,46
TOTAAL 2.220.923,48 EUR
Zoals uiteengezet onder punt 1.2 heeft de Administratie meermaals getracht om de verkoopfacturen aangaande het 2° kwartaal 2021 t.e.m. 3' kwartaal 2022 te bekomen van de belastingplichtige:
Er werd een vraag om inlichtingen verzonden op 20 februari 2024, gevolgd door meerdere herinneringen;
- Er werd een aangekondigd bezoek ter plaatse op de zetel uitgevoerd op 23 april 2024, alwaar geen
vertegenwoordiger aanwezig was:
- Er werd een vraag ivm inlichtingen verzonden op 24 april 2024, gevolgd door meerdere herinneringen.
Ondanks al deze verschillende pogingen werden de uitgaande facturen met betrekking tat deze handelingen niet voorgelegd. Verder kon er tevens geen enkel ander stuk met betrekking tot deze handelingen worden voorgelegd.
Door het niet voorleggen van de betrokken facturen door de belastingplichtige werd niet aangetoond dat de in de boekhouding met verlegging opgenomen bedragen:
handelingen betreffen die effectief gefactureerd werden aan een btw-belastingplichtige (medecontractant) die onderworpen is aan de periodieke aangifteplicht zoals bedoeld in artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr, 1;
handelingen betreffen zoals opgenomen in artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1.
De regeling inzake verlegging van de verschuldigde btw naar de medecontractant kon dus niet worden toegepast en de BTW diende aldus geheven te worden.
2.1.3 VERSCHULDIGDE BTW
Op grond van de artikelen 37 en 38, §1 van het Btw-Wetboek en artikel 1 van Koninklijk Besluit nr. 20 is het tarief van 21% van toepassing op deze leveringen,
Op grond van artikel 51, §1, 1° van het Btw-Wetboek is de belastingplichtige schuldenaar van deze btw, voor een bedrag van €466.393,93 (= 2.220,923,48 x 21%).
3.2.2 000MERK DE BELASTING TE ONTDUIKEN OF DE ONTOUIKING ERVAN MOGELIJK TE MAKEN
Bij toepassing van artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk Besluit nr. 41, van 30 januari 1967, tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, Is de schaal voorde vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Dik blijkt onder meer uit volgende elementen:
0e cie1 heeft de btw-aangiften voor de jaren 2021 en 2022 steeds laattijdig ingediend;
De vraag om inlichtingen van 20 februari 2024 en de meerderere herinneringen werden niet volledig beantwoord, aangezien de aan- en verkoopfacturen voor de periode le kwartaal 2021 t.e.m, 3e kwartaal 2022 niet werden voorgelegd;
Ondanks de aankondiging was er geen vertegenwoordiger aanwezig op de controle ter plaatse van 23 april 2024, waardoor de ontbrekende boekhoudstukken bijgevolg niet werden voorgelegd;
De vraag om inlichtingen van 24 april 2024 en de meerderere herinneringen werden niet volledig beantwoord, aangezien enkel de facturen van het 1° kwartaal 2021 werden voorgelegd;
Ondanks al deze verschillende pogingen werden tot op heden de aan- en verkoopfacturen aangaande het 2° kwartaal 2021 tern, 3' kwartaal 2022 niet voorgelegd, hetgeen wijst op een duidelijk gebrek aan medewerking van de belastingplichtige;
Er werd in de periode van 01/04/2021 tot en met 30/09/2022 In het vak 45 van de periodieke btw-aangiften voor een totaalbedrag van 2,220.923,46 EUR opgenomen zonder dat er enig document of geschrift ter staving tegenover staat. De regeling inzake verlegging van de verschuldigde btw naar de medecontractant werd aldus ten onrechte toegepast.
Er is sprake van 466.393,93 euro nagevorderde btw, een proportionele geldboete (200 %) van 932.780,00 euro en nalatigheidsintrest vanaf 21 januari 2024.
Op 22 september 2024 stuurt verweerder voor de voormelde navordering van btw een innings- en invorderingsbericht naar eiseres.
Op 24 december 2024 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
Met een vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 29 mei 2026 is eiseres gerechtelijk ontbonden en wordt mr. Anthony Van Der Hauwaert aangesteld als vereffenaar.
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar verzoekschrift:
"Het verzoek ontvankelijk en gegrond verklaren;
Alvorens recht te doen, de fiscale administratie op te dragen het administratieve dossier over te leggen;
Wat de grond van de zaak betreft, de annulering en/of ontheffing te verklaren van de btw opgetekend onder artikel ... evenals de evenredige boetes en, voor zover nodig, de annulering van het proces-verbaal betekend op 19.09.2024.
· De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding zoals voorzien."
Verweerder vraagt in wezen de vordering van eiseres af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond.
IV. BEOORDELING
Voorlegging administratief dossier
Eiseres vraagt verweerder, alvorens recht te doen, het bevel te geven het administratief dossier over te leggen.
Verweerder legt het administratief dossier met betrekking tot de navordering van de btw voor zodat er geen reden is hiertoe een bevel op te leggen. Ontvankelijkheid
Er is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid. Ten gronde
Eiseres voert geen middelen aan tegen de navordering van de btw, in het bijzonder tegen de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 19 september 2024. Evenmin legt eiseres (nieuwe) stukken voor die afbreuk doen aan de vaststellingen gedaan in dit proces-verbaal.
De rechtbank ziet ambtshalve geen redenen tot (gedeeltelijke) vernietiging van het voormelde proces-verbaal van regularisatie en/of ook geen andere reden die zou kunnen leiden tot een ontheffing of kwijtschelding van de nagevorderde btw en aanhorigheden.
De vordering is ongegrond.
V. KOSTEN
Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald. Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat zodat hij geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van art. 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15/02/2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
VI. BESLISSING De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op 0,00 euro.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 29 juni 2026,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. van DIEVOET: rechter,
Mevrouw E. AKSU: griffier.
E. AKSU F. van DIEVOET
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.