Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel de Gand du 19.11.2024 - Rôle 2023/AR/659
WF 503-15-21/006929
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – amende – réponse incomplète à une demande de renseignements (VOI) – absence de régularisation spontanée – intention d’éluder l’impôt – aucune réduction ni report de l’amende
Résumé
Le litige porte sur une amende de 200 % infligée à l’assujetti, actif dans le développement de projets résidentiels, pour ne pas avoir déclaré dans ses déclarations TVA la mise en service de plusieurs résidences-services, ni acquitté la TVA y afférente. Le 3 octobre 2019, l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts (ISI) avait adressé une demande de renseignements au bailleur des résidences-services. Suite à la réponse reçue, une demande de renseignements a été envoyée à l’assujetti le 16 octobre 2019. Par erreur, l’en-tête mentionnait “demande de renseignements à des tiers”.
La réponse a été tardive et incomplète : l’assujetti a transmis les écritures comptables montrant que les biens concernés avaient été sortis du stock pour être activés comme immobilisations, mais pas l’écriture relative à la TVA due en conséquence.
Une régularisation a été envoyée, comprenant la TVA due, les intérêts, une amende de 1.000 euros pour réponse tardive et incomplète à la demande de renseignements, et une amende de 200 % au motif que les infractions avaient été commises dans l’intention d’éluder l’impôt. Selon l’administration, l’assujetti avait sciemment comptabilisé la mise en service sans TVA, sachant que la location des résidences-services à des particuliers n’ouvre pas droit à déduction.
L’assujetti a reconnu la dette de TVA (entre-temps acquittée), mais a contesté les amendes. Un procès-verbal a été dressé le 25 août concernant les amendes. Les demandes de remise ont été rejetées. L’assujetti a introduit une action devant le tribunal de première instance de Gand, qui, par jugement du 12 décembre 2022, a réduit l’amende de 200 % à 100 %.
L’assujetti a interjeté appel principal, l’administration un appel incident. L’assujetti a soutenu avoir répondu intégralement à la demande, estimant qu’elle ne portait que sur le prix de construction et les écritures d’activation, qu’il avait fournies. Il pensait qu’il s’agissait d’une demande relative à la situation fiscale d’un tiers.
La cour d’appel rejette cette interprétation : il n’est pas crédible que l’assujetti ait cru que la demande visait un tiers. La chronologie montre clairement que la demande concernait sa propre situation et impliquait aussi la communication des écritures relatives à la TVA due. La mise en service entraîne nécessairement une dette de TVA, donc une demande sur les écritures d’activation implique aussi celles relatives à la TVA.
La cour souligne que l’assujetti est actif dans le secteur de la construction depuis le 1er mars 1998 et a déjà été verbalisé pour infractions TVA. Même lorsqu’il a finalement déclaré avoir repris la TVA dans sa déclaration, il n’a pas joint les écritures correspondantes. Il est donc établi qu’aucune réponse complète n’a été donnée, justifiant l’amende de 1.000 euros.
Concernant l’amende proportionnelle de 200 %, l’assujetti invoque une régularisation spontanée. La cour rejette cet argument : la régularisation n’est pas spontanée, vu la chronologie. Le contrôle a été annoncé le 3 juillet 2019, la demande de renseignements date du 16 octobre 2019, et la déclaration TVA a été introduite le 18 octobre 2019 pour des écritures datées du 31 décembre 2018. L’argument selon lequel la régularisation découlerait de l’approbation des comptes annuels au 1er octobre 2019 est jugé non crédible. La déclaration a été faite après l’annonce du contrôle.
La cour rejette également l’argument selon lequel le retard serait dû à une négligence sans intention frauduleuse, invoquant la complexité de la législation TVA et des problèmes de communication interne. Elle rappelle l’expérience de l’assujetti et sa connaissance des conséquences de la mise en service d’un bien immobilier comme immobilisation. L’administration démontre la mauvaise foi, l’assujetti sachant que la TVA n’était pas déductible. Les manquements répétés ne peuvent être justifiés par un simple oubli.
Quant à la demande de réduction de l’amende, la cour rappelle son pouvoir d’appréciation mais estime que le premier juge a eu tort de réduire l’amende à 100 %. Pour préserver la fonction punitive et compensatoire de l’amende, le taux légal de 200 % doit être maintenu. Le fait que des intérêts soient dus pour paiement tardif n’a pas d’incidence sur la proportionnalité de la sanction. Les intérêts ne sont pas une peine. L’assujetti ne prouve pas non plus l’impact financier concret de l’amende.
Enfin, la cour rejette également la demande de sursis à l’exécution de l’amende.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het hof van beroep Gent d.d. 19.11.2024
Rolnr. 2023/AR/659
In de zaak van:
X...BV, ON X...,
met zetel te 9070 DESTELBERGEN, Molenweidestraat 24,
appellante,
hebbende als raadsman mr X..., advocaat te 2000 ANTWERPENX...
tegen
BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal BBI-Directie Gent, Afdeling Juridische Zaken, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 803,
de Adviseur van BBI-Inspectie Gent 2, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 803,
de Adviseur-Invordering-Ontvanger Team Invordering Rechtspersonen Gent, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 101,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. X... , advocaat te 9041 OOSTAKKER, X... en mr. X..., advocaat te 9041 OOSTAKKER, X...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 21 april 2023 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 12 december 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/875/A, dat op 23 maart 2023 op verzoek van de geïntimeerde aan de appellante werd betekend.
De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 22 oktober 2024, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van het ontwikkelen van residentiële bouwprojecten.
Met een brief van 3 juli 2019 die aangetekend werd verzonden heeft de taxatiedienst een fiscale controle bij de appellante aangekondigd inzake de btw-wetgeving voor de periode van 2016 tot september 2019. De voorziene datum voor de controle was 20 augustus 2019. Omdat de aangetekende zending door de appellante niet werd afgehaald en naar de taxatiedienst terugkeerde, heeft de taxatiedienst dezelfde brief op 29 juli 2019 nogmaals, maar dan met de gewone post, naar de appellante gestuurd.
Kennelijk omdat de voorgestelde datum de appellante niet paste, heeft de taxatiedienst per aangetekende zending van 21 augustus 2019 de appellante ervan ingelicht dat de btw-controle zou plaatsvinden op 12 september 2019.
In elk van die brieven werd gevraagd om de gebruikelijke stukken (historieken, facturen, verkoopaktes, dagboeken, rekeninguittreksels en alle andere beroepsmatige documenten (briefwisseling, rapporten, adviezen, waarderingsverslagen, enz.) met betrekking tot de jaren 2016 tot 2018 klaar te leggen, met de volgende toevoeging:
Gelieve tevens het volgende voor te bereiden:
Een opsomming van de op heden nog niet verkochte constructies in de 4 hoger genoemde residenties (NB. De residenties X..., X..., X...en X...) met vermelding wat de huidige bestemming is van deze constructies,
Een gedetailleerde berekening van de integrale kostprijs van de verschillende projecten. (eigen onderlijning).
Tijdens de controle op 12 september 2019 bleek dat de appellante onder andere in haar btw-aangiften de ingebruikneming van enkele panden (serviceflats in het complex X...in Gent) niet had aangegeven en de btw daarop in de gecontroleerde periode 2017-2019 niet had aangegeven.
Op 3 oktober 2019 stuurde de taxatiedienst een vraag om inlichtingen naar X...vzw, beheerder van de serviceflats, die antwoordde dat de flats verhuurd werden met vermelding van de datums van de start van de verhuring, van de naam van de huurders, de facturatiewijze, enz. De huurders bleken telkens particulieren te zijn.
De taxatiedienst heeft vervolgens op 16 oktober 2019 ook aan de appellante een vraag om inlichtingen verstuurd en wel als volgt:
Krachtens artikel 62 van het BTW-Wetboek vraag ik u mij ten laatste tegen 31 oktober 2019 een antwoord te verstrekken op de hierna geformuleerde vragen
[...tekst van art. 62, §1 WBTW...]
1. Gelieve mij een gedetailleerde en controleerbare integrale constructiekostprijs te bezorgen voor de residenties X... en X… in het bouwproject X...(fase 11)
2. Gelieve mij de boekposten te bezorgen van de ingebruikname van de assistentiewoningen in bovenvermelde residenties die nog eigendom zijn van [de appellante].
Bovenaan de tekst van de brief staat:
Betreft: vraag om inlichtingen aan derden.
Na een herinnering op 21 november 2019 volgde het antwoord van de extern accountant van de appellante per e-mail van 5 december 2019. Daarin werden de boekingen aangetoond waarmee geboekt werd dat vier onroerende goederen uit de voorraad handelsgoederen (voor verkoop bedoelde panden) werden gehaald om voortaan als bedrijfsmiddel te worden aangewend (voor verhuring).
Op 6 april 2020 heeft de taxatiedienst aan de appellante een inregelstelling verstuurd met betrekking tot de verschuldigde btw op de ingebruikneming van 3 assistentiewoningen en 1 polyvalente zaal in de Residentie. De controleagent schreef: Er wordt vastgesteld dat bij de boekposten voor de ingebruiknames geen verschuldigde BTW werd geboekt.
Er werd verduidelijkt dat krachtens artikel 12, §1, eerste lid, 3° WBTW de ingebruikname als bedrijfsmiddel van die voorraadgoederen, de btw opeisbaar maakte, meer bepaald met een maatstaf van heffing op grond van artikel 33, §1, 1° WBTW gelijk aan de kostprijs en tegen het tarief van 12% op grond van de artikelen 37 en 38 WBTW en artikel 1 KB nr. 20. De verschuldigde btw werd op 134.612,31 euro berekend.
De controleagent was van oordeel dat de niet-aangifte van de btw en de niet-betaling ervan inbreuken waren die door de appellante begaan waren met het oogmerk om de belasting te ontduiken. Hij motiveerde die stellingname als volgt:
[De appellante] is sinds 1 maart 1998 geregistreerd als BTW-belastingplichtige en actief als projectontwikkelaar. Haar voornaamste activiteit bestaat in aannemingswerk, de aankoop/oprichting van onroerende goederen, de renovatie en/of omvorming ervan, gevolgd door de verkoop ervan, Ook de verhuur van onroerend goed behoort tot de geregelde werkzaamheid van [de appellante].
Lastens [de appellante] zijn in de loop van de voorbije jaren reeds talrijke inbreuken vastgesteld op vlak van BTW-wetgeving: opmaken en boeken van onregelmatige en/of valse facturen, niet opnemen van (aankoop/verkoop)facturen in de periodieke BTW-aangifte, niet opnemen In de periodieke BTW-aangifte van verschuldigde en aftrekbare BTW voor handelingen die op grond van art. 20 KB nr. 1 met verlegging van de heffing gebeuren. Iedere keer opnieuw werd fraude bevestigd door de rechtbank, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De inbreuk die het voorwerp uitmaakt van deze inregelstelling kan in dat licht dan ook niet als een alleenstaande, toevallige Inbreuk worden beschouwd.
[De appellante] heeft bewust de boekpost van de ingebruikname zonder BTW geboekt omdat er geen aftrek is van de voorbelasting bij verhuur van de appartementen aan natuurlijke personen die ze uitsluitend voor hun privé gebruiken en dus de vrijstelling van art. 44, §3 van toepassing is.
Op grond daarvan werd een proportionele boete van 200% aangekondigd, zijnde voor 269.220,00 euro.
Op 7 mei 2020 volgde een niet-akkoord van de appellante. Zij voegde bijkomende gegevens toe, waaronder een boekpost gedateerd op 31 december 2018 met de boeking van de op de ingebruikneming verschuldigde btw en een kopie van de btw-aangifte van september 2019 ingediend op 18 oktober 2019, waarin de verschuldigde btw op de ingebruikneming was opgenomen (weliswaar berekend aan het tarief van 21%). De appellante schreef:
Het bedrag aan verschuldigde BTW werd dus wel degelijk tijdens het boekjaar 2018 in rekening gebracht en betaald, en dit dus voorde controle.
Er werd nog vermeld dat het teveel betaalde bedrag in de eerstvolgende aangifte zou worden rechtgezet.
Op 14 juli 2020 besliste de geïntimeerde om de taxatie aan te passen in die zin dat er rekening werd gehouden met de regularisatie van de verschuldigde btw op de ingebruiknemingen in de aangifte van 18 oktober 2019. Er werd interest berekend tussen het moment van verschuldigdheid van de btw en het moment van de gedane betaling.
Er werd verduidelijkt dat de hoger al vermelde proportionele boete zou behouden blijven maar dat daarnaast ook een niet-proportionele geldboete zou worden opgelegd wegens laattijdig en onvolledig antwoord op de gestelde vraag om inlichtingen. Omdat de rechtzetting door de appellante de werkelijk verschuldigde belasting overtrof (21% i.p.v. 12%), werd haar toegestaan het teveel aangegeven bedrag op te nemen in het rooster 62 van de btw-aangifte.
Gelet op het niet-akkoord heeft de geïntimeerde de vastgestelde overtredingen opgenomen in een proces-verbaal van 25 augustus 2020.
Wegens het onvolledig antwoord op de vraag om inlichtingen werd (met toepassing van rubriek IV van KB nr. 44 — eerste overtreding van de verplichting voorzien in artikel 62 WBTW) een niet-proportionele boete van 1.000,00 euro opgelegd.
Ook de hoger al vermelde proportionele boete van 269.220,00 euro werd opgelegd, met vermelding van de motivering voor het aannemen van het opzet om de belasting te ontduiken.
Op 9 oktober 2020 heeft de geïntimeerde een innings- en invorderingsuittreksel uitvoerbaar verklaard voor die btw-navordering onder RCIV-nr. 500/2298/54206.
Daaruit blijkt dat de appellante de volgende bedragen verschuldigd is aan de geïntimeerde: 0,00 euro aan btw (d.i. 134.612,31 euro na compensatie wegens betaling ervan),
270.220,00 euro aan administratieve geldboeten, bestaande uit respectievelijk een proportionele geldboete van 269.220,00 euro en een niet-proportionele geldboete van 1.000,00 euro, te vermeerderen met de interesten bedoeld in artikel 91, § 2bis, WBTW, te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister (9 oktober 2020), de kosten, en de reeds verlopen interest bedoeld in artikel 91, § 1, WBTW ten bedrage van 22.800,00 euro.
Op 8 januari 2021 en 27 januari 2021 diende de appellante bij de administratie twee identieke verzoekschriften in waarbij kwijtschelding werd gevraagd van zowel de proportionele als de niet-proportionele geldboete opgenomen in het proces-verbaal van 25 augustus 2020. De verschuldigdheid van de interest vanaf 21 oktober 2019 werd niet betwist.
Op 9 februari 2021 deelde de geïntimeerde aan de appellante mee dat beslist werd dat de beide geldboeten behouden bleven.
Met een verzoekschrift van 1 april 2021 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 12 december 2022 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:
- de vordering wat betreft de vernietiging van de administratieve beslissingen onontvankelijk te verklaren;
- de vordering van eiseres voor het overige ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in de volgende mate:
- de administratieve geldboete (van 200%) te herleiden tot 100%, met name tot een bedrag van 134.610,00 EUR;
- de herberekening te bevelen van het hierboven genoemde innings- en invorderingsregister 202010NL004 inzake de schuld met RCIV-nummer 500/2298/54206 van 5 oktober 2020 rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;
- voor het overige het innings- en invorderingsregister 202010NL004 inzake de schuld met RCIV-nummer 500/2298/54206 van 5 oktober 2020 te bevestigen;
- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde
sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;
- de vordering van eiseres voor het overige on gegrond te verklaren;
- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep, zoals ingesteld door concluante, middels huidig verzoekschrift, ontvankelijk,
toelaatbaar en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis van de 6de burgerlijke kamer van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, uitgesproken op 12 december 2022, in de zaak aldaar gekend onder het rolnummer 21/875/A te hervormen, en opnieuw rechtdoende, doende wat de Eerste Rechter had moeten doen:
de vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; de beslissing dd. 14 juli 2020 (referte: BEX...-inregelstelling 6/4/20) genomen door de heer X...— adviseur bij de inspectie BBI Gent 2, te vernietigen in de mate dat daarin beslist wordt om een niet-proportionele geldboete op te leggen aan concluante en in de mate dat een proportionele geldboete van 269.220,00 Euro in hoofde van concluante behouden blijft;
de beslissing dd. 9 februari 2021 (referte: WF503-15-21/006929) genomen door de heer Stijn Van Hove — adviseur-generaal bij de BBI Directie, Afdeling Juridische Zaken, Cel Geschillen BBI Gent, die betrekking heeft op het administratief beroep dat door concluante was ingediend op 27 januari 2021, te vernietigen in de mate dat een niet-proportionele geldboete van 1.000,00 Euro en een proportionele geldboete van 269.000,00 Euro lastens concluante behouden blijft;
het innings- en invorderingsregister btw met registernummer 202010NL004 en met schuldnummer 500229854206, opgemaakt op 5 oktober 2020 en uitvoerbaar verklaard op 9 oktober 2020, bijkomend te vernietigen in de mate dat deze nog niet vernietigd werd door de Eerste Rechter, met name in de mate daarin van concluante een proportionele geldboete wordt gevorderd van 134.610,00 Euro en een niet-proportionele geldboete van 1.000,00 Euro;
het proces-verbaal van 25 augustus 2020, opgesteld door de heer X… , attaché bij de FOD Financiën, AABBI, Directie Gent, Inspectie Gent 2 te vernietigen en van onwaarde te verklaren;
naar recht te oordelen dat concluante de van haar middels voornoemd innings- en invorderingsregister en proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd is, minstens de opgelegde geldboeten in verdere mate te verminderen dan de Eerste Rechter heeft gedaan, ondergeschikt uitstel te verlenen van de invordering ervan; geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling aan concluante van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald door concluante en door geïntimeerde werden aangerekend, meer moratoriuminteresten;
Verder, het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde (de fiscale administratie) ingesteld middels conclusie van 13 november 2023 af te wijzen als ongegrond;
In ieder geval geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in toepassing van het Koninklijk Besluit dd. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en dit zowel voor de procedure in eerste aanleg (9.800,00 Euro) als voor de procedure in hoger beroep (10.500,00 Euro, na indexatie per 1 november 2022).
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante in hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het vonnis dd. 12 december 2022 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, AR-nr. 21/875/A, te bevestigen, behoudens in de mate dat de eerste rechter de vordering van appellante in hoofdberoep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard;
Het bestreden vonnis aldus uitsluitend te hervormen in de mate waarin de eerste rechter heeft beslist de proportionele boete van 200% van het bedrag van de verschuldigde btw te verminderen tot 100%.
Derhalve:
de beslissing van dhr. X… , Adviseur bij de BBI-Inspectie Gent 2, van 14 juli 2020 waarbij het administratief verzoekschrift van appellante ingevolge de inregelstelling dd. 6 april 2020 werd afgewezen, waarbij een niet-proportionele geldboete werd aangekondigd en werd beslist de proportionele geldboete van 269.220,00 euro vermeld in de inregelstelling te behouden, te bevestigen;
het uittreksel uit het innings- en invorderingsregister 202010NL004 (schuld RCIV-nr. 500/2298/54206) van 9 oktober 2020 en het proces-verbaal van 25 augustus 2020 te bevestigen en voor recht te zeggen dat de daarin gevorderde bedragen aan boeten en intresten verschuldigd zijn door appellante;
de daarin gevorderde geldboeten ten bedrage van 270.220,00 euro te bevestigen als zijnde terecht gevorderd en geen uitstel te willen verlenen van de invordering ervan;
de beslissing dd. 9 februari 2021 van dhr. X… , Adviseur-generaal van de BBI-Directie Gent, m.b.t. de administratieve beroepen door appellante ingediend resp. op 8 en 27 januari 2021, te bevestigen zodat de niet-proportionele geldboete van 1.000,00 euro en de proportionele geldboete van 269.220,00 euro lastens appellante behouden blijven;
Appellante tot slot te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg ten bedrage van 9.800,00 euro, de rolrechten verschuldigd door appellante voor de inleiding van het geschil en de rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep te belope van 9.800 euro (K.B. dd. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W.)
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. In zoverre het principaal hoger beroep gericht is tegen het onontvankelijk verklaren van de vordering tot nietigverklaring van de beslissingen
De appellante vordert, zoals voor de eerste rechter, de vernietiging van de beslissing van 14 juli 2020 (waarmee werd beslist over de aanspraken van de geïntimeerde op de betwiste boetes en de argumenten van de appellante weerlegd werden) en van de beslissing van 9 februari 2021 (waarmee de verzoeken om de betwiste boetes kwijt te schelden), terwijl die vorderingen in het bestreden vonnis als onontvankelijk werden afgewezen.
De appellante ontwikkelt geen enkele grief tegen dat onderdeel van het bestreden vonnis. De appellante weerlegt op geen enkele manier de stelling van de eerste rechter dat zij haar belang om die vorderingen te stellen niet aantoont.
Die vordering blijft ongegrond.
4.2. Over de niet-proportionele boete van 1.000100 euro - de vraag of de appellante in gebreke was om de gegevens met betrekking tot de (jaattiidige) boekingvan de betreffende btw-schuld voor te leggen — al dan niet inbreuk op artikel 62 WBTW
De appellante stelt dat de geïntimeerde ten onrechte heeft aangenomen dat zij een onvolledig antwoord heeft gegeven op de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019. Volgens de appellante werd daarin slechts gevraagd naar de constructieprijs voor de residenties X... en X...in het bouwproject X...(fase II) en de boekposten van de ingebruiknemingen van de assistentiewoningen in deze residenties die nog eigendom waren van de appellante. Zij stelt dat zij volledig aan die vraag heeft voldaan door de diverse boekposten te bezorgen waaruit de activering van de betreffende assistentiewoningen blijkt. Waar de boeking van de btw-verrichtingen in dat verband in een afzonderlijke boekpost werden geboekt, kon volgens de appellante uit de gestelde vraag om inlichtingen niet worden afgeleid dat ook de boekposten inzake de btw werden opgevraagd. Er zou de appellante geen onvolledig antwoord kunnen worden verweten.
De geïntimeerde en de eerste rechter zouden er ten onrechte vanuit gaan dat de appellante gecontroleerd werd met betrekking tot een mogelijke niet-aangifte van btw ingevolge ingebruiknemingen. De appellante wijst er in dat verband op dat op de vraag om inlichtingen duidelijk staat dat het gaat om een 'vraag om inlichtingen aan derden'. Op basis daarvan zou de appellante er vanuit gegaan zijn dat de vraag om inlichtingen niet over haar fiscale toestand ging maar deze van een "derde". Het zou niet logisch zijn dat de appellante ook de boekposten inzake de (laattijdige)boeking van de btw moest meedelen "om te vermijden dat zij alsnog belastingen verschuldigd zou zijn".
Er zou hoe dan ook geen schending zijn van artikel 62 WBTW omdat dit artikel de geïntimeerde enkel zou toelaten inlichtingen te vragen, maar niet om boeken en bescheiden op te sturen.
Beoordeling
De appellante kan in haar stelling nochtans niet gevolgd worden.
Artikel 62 WBTW schrijft voor dat eenieder gehouden is, op verzoek van de ambtenaren belast met de btw, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, om de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
Vooreerst stelt de appellante ten onrechte dat de controleagent in zijn vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019 gevraagd heeft aan de appellante om stukken over te maken. Enerzijds werd gevraagd om de gedetailleerde en integrale constructieprijs te bezorgen; dat veronderstelt een berekening te maken; dat er een bestaande stuk zou geweest zijn waarin zo'n berekening vervat zit, is niet aannemelijk; dat is geen vraag om stukken op te sturen. Anderzijds werd gevraagd om de boekposten van de ingebruiknames te bezorgen. Zoals uit het antwoord van de accountant van de appellante blijkt, is dat een vraag om de gegevens van boekingen (debet en credit op de betreffende rekeningen van de jaarrekening) mee te delen; ook dat veronderstelt niet dat stukken worden opgestuurd.
Terecht verwijst de geïntimeerde op de chronologie van de feiten waaruit blijkt dat de appellante zeer goed moet beseft hebben dat de vraag om inlichtingen — spijts de andersluidende vermelding — op haar eigen toestand betrekking had (en niet op die van een 'derde') en inhield dat ook de btw-boekingen moesten worden meegedeeld om aan de vraag te voldoen.
Zoals in het feitenrelaas weergegeven, werd de appellante al met een aangetekende zending van 3 juli 2019 er van ingelicht dat een btw-controle zou plaatsvinden op 20 augustus 2019. De appellante werd (o.a.) gevraagd om het volgende voor te bereiden:
- Een opsomming van de op heden nog niet verkochte constructies in de 4 hoger genoemde residenties (NB. De residenties X..., X..., X...en X...) met vermelding wat de huidige bestemming is van deze constructies,
- Een gedetailleerde berekening van de integrale kostprijs van de verschillende projecten.
De brief moest weliswaar nogmaals niet-aangetekend op 29 juli 2019 verstuurd worden en uiteindelijk werd een nieuwe datum voorgesteld op 21 augustus 2019, met opnieuw dezelfde vraag tot voorbereiding, zodat de appellante toen wel degelijk ingelicht werd over het voorwerp van de controle inzake de btw over 2016 tot 2018.
De vraag betrof dus onder andere de bestemming van die onroerende goederen.
De vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019 volgde na de aangekondigde controle bij de appellante op 12 september 2019. Zoals vermeld werd toen gevraagd om de 'boekposten van de ingebruiknemingen van de assistentiewoningen' te melden.
De appellante antwoordde met de melding dat de niet-verkochte panden in gebruik genomen werden op 1 januari 2018. Die boekposten worden op pagina 2 van het proces-verbaal van 25 augustus 2020 weergegeven en hebben enkel betrekking op de correctieboekingen ingevolge de ingebruikneming van de 3 appartementen en de polyvalente zaal (met name debitering van de rekeningen "gebouwen" en creditering van de rekening "voorraadwijzigingen").
Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de ingebruikneming van de appartementen en zaal noodzakelijkerwijze de verschuldigdheid van de btw met zich meebrengt. Daar waar de controleagent vroeg om de 'boekposten van de ingebruiknemingen' te bezorgen, was die vraag (minstens ook) bedoeld om na te gaan of en hoe de btw geboekt was die door die ingebruiknemingen in hoofde van de appellante opeisbaar was geworden (zonder dat er een recht op aftrek tegenover stond).
Daarbij kan de appellante bezwaarlijk in de overtuiging geweest zijn dat de vraag om inlichtingen tot doel had de btw-toestand van een derde na te gaan, ook al staat vermeld dat het om een 'vraag om inlichtingen aan derden' zou gaan. Het gaat duidelijk om een materiële vergissing: zoals de geïntimeerde aantoont, is de controleagent duidelijk vertrokken van de vraag om inlichtingen die hij eerder aan X...bezorgd had en waarop hij 2 dagen eerder antwoord had ontvangen. Voor de appellante moet duidelijk zijn geweest dat de betreffende vragen een voortzetting inhielden van het op 12 september 2019 bij haar gestarte onderzoek. Al in de aankondigingen van de controle stond dat de gedetailleerde constructieprijs moest worden meegedeeld; die vraag werd herhaald in de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019; het ging dus om hetzelfde voortgezette onderzoek. Waar in de uitnodiging de vraag nog algemeen was naar de bestemming van de niet-verkochte constructies, was in de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019 al bekend dat er sprake was van ingebruikname (minstens door het antwoord dat op 14 oktober 2019 door X...was gegeven), waardoor de vraag nu gesteld kon worden, hoe de appellante die 'bestemming' door de appellante was geboekt. Ook daaruit bleek duidelijk dat het een voortzetting van hetzelfde onderzoek betrof.
De appellante heeft geweten of had moeten weten dat de geïntimeerde met de vraag om de 'boekposten van de ingebruiknames van de assistentiewoningen' te bezorgen in het bijzonder de vraag stelde of en hoe de btw die door die ingebruiknames verschuldigd was geworden, geboekt was en niet alleen de boekingen die de omzetting van handelsgoederen naar investeringsgoederen op de balans uitdrukten.
Daarbij is het wel degelijk relevant dat de appellante al sinds 1 maart 1998 actief was in de bouwsector en dus wist of moest weten dat die ingebruiknames relevant waren voor de btw. De activiteit van appellante bestaat o.a. in aanneming, kopen en verkopen van onroerend goed, al dan niet na renovatie ervan en is als zodanig vertrouwd met de verhuur van vastgoed.
Evenzeer is het pertinent dat de geïntimeerde inroept dat de appellante daarvoor al herhaaldelijk geverbaliseerd werd voor btw-inbreuken en administratieve sancties werd opgelegd, zodat mag verwacht worden dat ze gevoelig was voor de gevolgen van onvoldoende informatieverstrekking.
Niet zonder reden wijst de geïntimeerde er ook op dat de contactgegevens van de controleagent telkens vermeld werden met de melding dat hij steeds beschikbaar was om informatie te verstrekken. Indien het voor de appellante niet duidelijk zou geweest zijn wat er precies gevraagd werd, kon zij met die controleagent contact opnemen.
De appellante heeft niettemin nagelaten om de boekingen van de btw mee te delen — waarbij onwillekeurig zal meegespeeld hebben dat de boekingen te laat werden uitgevoerd waardoor de kennisgeving over die laattijdige boekingen aanleiding kon geven tot administratieve sancties.
Overigens is het duidelijk dat de controleagent daardoor in de overtuiging was dat de betreffende btw-schuld op geen enkele manier geboekt was door de appellante, nu hij in zijn inregelstelling van 6 april 2020 die verschuldigde btw aanmerkte als nog niet betaald en niet-aangegeven, terwijl de appellante de btw al in de aangifte van 18 oktober 2019 (en dus (vlak) na de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019) had opgenomen. In reactie op de inregelstelling heeft de appellante wel ingeroepen dat ze de btw al had opgenomen in haar aangifte van september 2019, maar zelfs toen vermeldde ze nog steeds niet hoe de correctieboekingen volgens haar waren gebeurd (met name dat die correctieboekingen niet op 31 december 2018 werden uitgevoerd, maar op het ogenblik van de goedkeuring van de jaarrekening boekjaar 2018 op 1 oktober 2019, dit steeds in de stelling van de appellante).
De appellante heeft in die omstandigheden de laattijdige opname van de verschuldigde btw in de aangifte van september 2019 niet vermeld in haar antwoord van 5 december 2019 en dus geen volledig antwoord gegeven op de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019.
Art. 70 §4 WBTW luidt als volgt:
De niet in de §§1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, worden bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.. (...].
De bedragen van de niet-proportionele fiscale geldboeten voor de overtredingen beoogd in het eerste lid van artikel 70, § 4 van het WBTW zijn opgenomen in de bijlage van het K.B. nr. 44. In afdeling 4 van deze bijlage, rubriek IV "Verplichtingen bedoeld in de artikelen 61, 62, 62b1s en 63 van het Wetboek" wordt voor een eerste overtreding van het niet naleven van deze verplichtingen een niet-proportionele geldboete van 1.000 euro voorzien.
De boete van 1.000,00 euro is vastgesteld conform de schaal gevoegd bij het K.B. nr. 44.
Ze werd terecht opgelegd.
Om aan de boete haar volwaardig effect (om te vergoeden voor de verstoring van de administratieve werking van de geïntimeerde, te straffen en ontradend te werken) te geven, moet ze integraal behouden worden; er is geen reden tot vermindering.
4.3. Over de proportionele boete
4.3.1. Het middel dat strekt tot volledige kwijtschelding, gesteund op het spontaan karakter van de rechtzetting in de aangifte
Anders dan wat de appellante wil doen aannemen, is er hoegenaamd geen sprake van een spontane regularisatie. Deze stellingname is niet te rijmen met de chronologie.
3 juli 2019: aankondiging fiscale controle over 2016 tot 2018 waarin uitdrukkelijk gevraagd wordt de controle voor te bereiden met betrekking tot de nog niet verkochte constructies en de bestemming die ze hebben gekregen;
- 29 juli 2019: herinnering met in bijlage de brief van 3 juli 2019;
- daaropvolgend: vraag van de appellante om andere dan de voorgestelde datum te nemen voor de controle;
- 21 augustus 2019: hernieuwde aankondiging met nieuwe datum: zelfde mededeling;
- 12 september 2019: start controle ter plaatse;
- 3 oktober 2019: vraag om inlichtingen verstuurd naar de beheerder van de assistentiewoningen, de VZW X..., die antwoordde dat de assistentiewoningen werden verhuurd aan natuurlijke personen, niet-belastingplichtigen, respectievelijk vanaf 1 augustus 2017, 13 januari 2018 en 2 januari 2019;
- 16 oktober 2019: vraag om inlichtingen aan de appellante, specifiek met betrekking tot de ingebruiknemingen van die assistentiewoningen.
- 18 oktober 2019: btw-aangifte voor de maand september waarin de appellante de regularisatie doet voor de btw — weliswaar aan 21% - wegens de herbestemming van de onroerende goederen waarvoor boekingen zijn gedaan op datum van 31 december 2018.
Het is die laatste transactie waarvan de appellante inroept dat ze spontaan zou zijn gedaan. Zij stelt dat dit niet gebeurde als gevolg van de fiscale controle maar naar aanleiding van de goedkeuring van de jaarrekening met balans op 31 december 2018 door haar algemene vergadering op 1 oktober 2019 (haar stuk 6): dat zou het moment zijn waarop zou zijn vastgesteld dat de boekingen — die volgens haar wel degelijk al op 31 december 2018 plaatsvonden — per vergissing niet gepaard gingen met de nodige btw-boekingen en aangifte en betaling van de verschuldigde btw. Dat is evenwel volkomen ongeloofwaardig. Om de stelling van de appellante ook maar enigszins in overweging te kunnen nemen, zou het hof al moeten veronderstellen dat de appellante — die al voorof minstens op 21 augustus 2019 wist dat de geïntimeerde een fiscale controle zou doen met vraag naar de bestemming van de niet-verkochte onroerende goederen — niet bewust was van het feit dat de bestemmingswijziging van de niet-verkochte panden naar verhuurde investeringsgoederen, de btw opeisbaar maakte.
Dat kan evenwel niet worden aangenomen. Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de appellante al jaren actief is in de vastgoedsector en als zodanig vertrouwd is met de btw-reglementering in dat verband. Met andere woorden: er moet verondersteld worden dat de appellante al voor 21 augustus 2019 wist dat bij haar een controle zou plaatsvinden waarin zou worden nagegaan of de btw-schuld die voortvloeide uit de ingebruiknemingen (die zij uiteraard kende) was geboekt, aangegeven en betaald.
Waar de controle, na uitstel op verzoek van de appellante, al op 12 september 2019 startte en de appellante gevraagd was die controle voor te bereiden wat betreft de bestemming van de niet-verkochte panden, moet de appellante ten laatste op die dag zeker gezien hebben dat de betreffende btw-schuld niet geboekt was, niet was aangegeven en niet betaald.
De aangifte op 18 oktober 2019 is onbetwistbaar pas gebeurd nadat de appellante door de fiscale controle in dat verband gealarmeerd was. Dat ze op 18 oktober 2019 nog geen kennis zou gehad hebben van de vraag om inlichtingen van 16 oktober 2019, is tegen die achtergrond een vraag waarop het antwoord niet beslissend en dus niet belangrijk is.
De (volledige) kwijtschelding die de appellante met dit middel beoogt is gesteund op artikel 3 van KB nr . 41 waarvan de tekst als volgt luidt:
Volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voorenige tussenkomst van een fiscale administratie.
Die bepaling geeft aan dat een spontane rechtzetting die voor de kwijtschelding relevant is, uitsluitend rechtzettingen zijn die in de tijd voorafgaan aan elke tussenkomst van de administratie en dus voorafgaan aan elke controle. Zelfs wanneer de belastingplichtige al (werkelijk) van plan zou geweest zijn om de rechtzetting voordien te doen (wat hier hoegenaamd niet het geval blijkt te zijn), valt hij niet onder die wetsbepaling.
Er is geen sprake van een spontane rechtzetting; dit middel is ongegrond.
4.3.2. Over de vraag tot vermindering van de boete gesteund op het gebrek aan oogmerk om de belasting te ontduiken
De appellante betwist dat zij handelde met enig oogmerk om de belasting te ontduiken. De laattijdige aangifte en betaling van de btw over de ingebruiknemingen zou geenszins het gevolg zijn van enig kwaad opzet, maar zou voortkomen uit een onachtzaamheid. Die onachtzaamheid is volgens haar enerzijds ingegeven door de complexiteit van de btw-regelgeving met betrekking tot de ingebruiknemingen en anderzijds door een gebrekkige interne communicatie en doorstroom van documenten bij de appellante. Zij betwist niet dat zij in fout was met de laattijdige betaling van de verschuldigde btw en betwist dan ook niet dat zij nalatigheidsinteresten verschuldigd is over de btw.
Dat de toepasselijke btw-regelgeving complex is, blijkt volgens haar ook uit het feit dat ze bij de rechtzetting van de ingebruiknemingen aanvankelijk zelfs te veel btw heeft aangegeven
en doorgestort, met name aan het tarief van 21% in plaats van 12%. Daaruit zou ook duidelijk de afwezigheid van kwade trouw blijken. Het gegeven dat ze al sinds 1998 geregistreerd is als btw-plichtige en actief is als projectontwikkelaar, zou niet bewijzen dat zij zou hebben gehandeld met het oogmerk de belasting te ontduiken. Ook het feit dat de geïntimeerde de voorbije jaren al talrijke inbreuken door de appellante heeft vastgesteld op het vlak van de btw-wetgeving zou geenszins aantonen dat de voorliggende overtreding zou zijn begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken. De geïntimeerde moet volgens de appellante specifiek per overtreding bewijzen dat er sprake is van het oogmerk om de belasting te ontduiken.
Beoordeling
Ook hier kan de appellante nochtans niet gevolgd worden.
De appellante verschuilt zich ten onrechte achter de beweerde complexiteit van de btw-reglementering. Het is wel degelijk pertinent dat de appellante als sinds maart 1998 actief is als projectontwikkelaar: in 2018 had zij al jaren ervaring met de gevolgen van ingebruiknemingen van vastgoed dat ze eerst in voorraad had. Ze moet geweten hebben dat die (her)bestemming de btw opeisbaar maakte. Of ze werkelijk niet wist welk tarief toepasselijk was kan in het midden worden gelaten; het feit dat ze - gealarmeerd door de btw-controle en zich dus goed bewust van de dreigende sanctie — een verkeerd btw-tarief toepaste en teveel btw aangaf, weerlegt niet dat ze steeds moet geweten hebben dat ze btw verschuldigd was.
Daar waar de appellante de betreffende panden uit de voorraad heeft geboekt en ze tot investeringsgoederen heeft gekwalificeerd en er huurinkomsten voor ontving, heeft ze — eind 2018, begin 2019 — nagelaten om de btw-schuld te boeken, aan te geven en te betalen. Dat dit een inbreuk is, wordt door de appellante als zodanig niet betwist.
Iedereen kan een vergetelheid begaan. Dat is bij uitstek een geval van goede trouw. Daar staat het geval tegenover waarbij de belastingplichtige bewust nalaat zijn verplichtingen na te komen en dus te kwader trouw is. Het betreft een vraag naar de bedoeling en ingesteldheid van de belastingplichtige.
De geïntimeerde toont op overtuigende wijze de kwade trouw van de appellante aan.
Behalve dat de appellante de btw-regels goed moet gekend hebben, moet zij evenzeer goed geweten hebben dat het feit dat de betrokken panden verhuurd werden aan particulieren (dus zonder mogelijkheid om tussen contractanten voor onderwerping aan de btw te opteren) tot gevolg had dat de btw die daaraan verbonden was niet voor aftrek in aanmerking kwam, waardoor de verschuldigde btw uit hoofde van de bestemmingswijziging een netto schuld was.
Waar de geïntimeerde inroept dat ze bij de appellante in de jaren voordien herhaaldelijk inbreuken tegen de btw-reglementering heeft vastgesteld, wordt dat door de appellante als zodanig niet betwist. Dat is wel degelijk relevant voor de beoordeling naar de werkelijke ingesteldheid en bedoeling van de appellante. Het herhaaldelijk niet in orde zijn met de btw-regels, kan niet (blijven) worden uitgelegd als het gevolg van een vergetelheid: eenmaal op de hoogte van de onregelmatigheid van de boekhouding en/of aangifte, moet van de belastingplichtige verwacht worden dat hij alert(er) is om zich aan de voorschriften te conformeren; zoals kennelijk het geval zal geweest zijn bij de voorgaanden van de appellante, zullen de inbreuken overigens gepaard gegaan zijn met administratieve sancties; deze hebben (mede) de bedoeling om herhaling van inbreuken te vermijden.
Daarbij moet met betrekking tot de btw in het bijzonder in rekening worden gebracht dat de belastingplichtige zelf, spontaan aangifte en betaling moet doen van de verschuldigde btw. Zelfs al gaat het hier in wezen om btw die door de appellante verschuldigd is wegens een interne transactie binnen haar onderneming (omzetting van voorraadgoederen naar investeringsgoederen) toch was de appellante hier in de positie waar zij de btw geacht werd te hebben ontvangen namens de Schatkist en deze dus niet langer als behorend tot haar eigen patrimonium mocht beschouwen: ze was die btw zonder meer verschuldigd aan de Schatkist (zijnde een gemeenschap van alle belastingbetalers).
Wie, ondanks de herhaalde confrontatie met btw-inbreuken, het niet nauw blijft nemen met zijn verplichtingen, geeft blijk van een misprijzen voor de belangen van de Schatkist en als zo danig van een gebrek aan goede trouw.
Hoewel de inbreuk toen al gemaakt was, is het ook typerend voor de attitude van de appellante dat zij, toen haar gevraagd werd alle boekingen met betrekking tot de herbestemming van de betrokken panden ter kennis te brengen, geen melding maakte van haar regularisatieboekingen (zie hoofdstuk 4.2. hierboven). Onwillekeurig kan men zich hier niet van de indruk ontdoen dat de appellante zelfs toen nog de ingesteldheid had waarmee ze de taxatiedienst kon in de waan laten dat ze aan al haar verplichtingen had voldaan. Dat is niet wat men redelijkerwijze verwacht van een bonafide belastingplichtige.
Het was tegen dergelijke achtergrond dat de appellante de btw-schuld niet geboekt, niet aangegeven en niet betaald heeft. Dat laat geen andere conclusie toe dan dat de appellante de inbreuken bewust heeft gemaakt en te kwader trouw was.
Op grond van artikel 70 §1, 1ste lid is een boete verschuldigd gelijk aan 200% van de niet-aangegeven btw, zoals door de geïntimeerde ingevorderd. Artikel 1, 2de lid van KB nr. 41 van 30 januari 1997 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw, stelt dat de tabellen die in dat KB staan (met verminderde proportionele boeten) niet van toepassing zijn op de inbreuken begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Gelet op het oogmerk om de belasting te ontduiken in hoofde van de appellante is ook dit middel ongegrond.
4.3.3. Over het middel dat strekt tot vermindering van de boete op grond van het EVRM en het BUPO-verdrag
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, WBTW te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen (waaronder art. 6 EVRM en art. 14 BUPO-verdrag) en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen. (vgl. o.a. Cass. 24 maart 2023, rolnr. 21.0056.N, via www.juportal.be).
Deze toetsing veronderstelt dat de rechter nagaat of de opgelegde sanctie in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de begane inbreuk en dit in hoofde van de schuldenaar gelet op de weerslag die de sanctie op hem (en eventueel op de van hem afhankelijke belanghebbenden (zoals bijv. familie of personeelsleden)) kan hebben.
Gelet op de verhouding (200%) en de omvang (270.220,00 euro) staat buiten kijf dat de opgelegde boete, hoewel ze een administratieve sanctie is, een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM.
In uitoefening van dit toetsingsrecht komt het hof tot de vaststelling dat de eerste rechter ten onrechte tot vermindering van de boete (naar 100%) heeft besloten.
Om er van verzekerd te zijn dat de belastingverhoging haar functie van `straf (zijnde een nadeel dat de belastingplichtige voldoende 'voelt') zowel als boetedoening ten aanzien van de gemeenschap van alle (goed menende) belastingplichtigen als als afschrikking om herhaling te vermijden, en compensatie voor het verstoren van de administratieve werking van de diensten van de geïntimeerde, moet hier het wettelijk en reglementair voorzien tarief (zie hoger) van 200% behouden blijven.
De appellante beroept er zich ten onrechte op dat ze zelf tot rechtzetting is overgegaan. Zoals hoger vermeld, is er geen sprake van spontane rechtzetting. Met niets wordt aangetoond of zelfs aannemelijk gemaakt (gelet op de attitude van de appellante die herhaaldelijk inbreuken op de btw-reglementering beging) dat de appellante zonder de fiscale controle tot rechtzetting zou overgaan.
Evenzeer ten onrechte beroept de appellante zich op goede trouw. Dat is hoger al vastgesteld.
Dat er interest verschuldigd is wegens de laattijdige betaling en door de appellante niet betwist wordt, blijft zonder invloed voor de vraag of de sanctie in redelijker proportie is. De interest is geen straf, ook niet gedeeltelijk. Het tarief van 9,6% per jaar maakt de interest niet tot een sanctie (Cals. 24 maart 2023, rolnr. F.21.0073.N, via www.juportal.be, o.a. randnr. 6, waar het Hof van Cassatie overweegt:
De interest inzake btw heeft enerzijds een vergoedende functie en moet anderzijds de belastingplichtige ertoe aanzetten de verschuldigde btw tijdig aan de Schatkist over te maken, waarbij dient te worden voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent door de verschuldigde btw niet door te storten. Zij strekt er niet toe te straffen en herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen.
Dat de interest inzake btw hoger ligt dan de wettelijke rentevoet, doet daaraan geen afbreuk gelet op de bedoeling om ook ontradend te werken en te voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent.
en onder randnummer 10:
Een interestvoet inzake btw van 0,8 pct. per maand, zoals bepaald in artikel 91, § 1, Btw-wetboek, is niet onevenredig tot het door de wetgever nagestreefde doel zoals blijkt uit randnummer 6.).
Daar waar de appellante, daarin (deels) gevolgd door de eerste rechter, er zich op beroept dat de boete redelijk moet blijven en een boete van 200% voor haar een buitensporige last zou zijn en een onredelijke aanslag op haar financiële toestand tot gevolg zou hebben, kan het hof slechts vaststellen dat de appellante op geen enkele manier bewijselementen voorlegt die het hof toelaten de concrete financiële impact van de betreffende boete voor de appellante te beoordelen. Dat ze buitensporig financieel nadeel zou teweegbrengen is in die omstandigheden niet aangetoond. Evenmin is bewezen dat een lagere boete het gewenste effect zou bereiken.
Het bedrag van de geldboete blijkt dus niet onevenredig te zijn met de ernst en de aard van de overtredingen.
Er is geen reden om de boete te verminderen. Het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde is dan ook gegrond, terwijl het middel van de appellante in dat verband ongegrond is.
4.3.4. De vraag tot uitstel
Gelet op het voorgaande is alleen een effectieve boete dienstig en performant.
Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 13/2013 van 21 februari 2013 weliswaar geoordeeld dat, in indien de probatiewet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, het aan de wetgever toekomt om in verband met de fiscale administratieve sancties met strafrechtelijk
karakter te bepalen onder welke voorwaarden een uitstel of eventueel een probatie-uitstel kan worden verleend en de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken, vast te stellen. In die mate werd een ongrondwettigheid vastgesteld. Evenwel heeft het Grondwettelijk Hof er aan toegevoegd dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid niet tot gevolg heeft dat die bepaling (artikel 70 §2 WBTW), in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtredingen en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
Vermits alleen een effectieve boete zoals opgelegd door de geïntimeerde dienstig en performant is, zou de appellante, zelfs indien de wetgever een systeem van uitstel zou hebben ingevoerd, in het concrete geval niet in aanmerking gekomen zijn om uitstel te genieten voor de opgelegde boeten. De appellante kan zich dus niet met gevolg beroepen op de betreffende ongrondwettigheid.
Ook dit middel is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft
De vordering is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (12 december 2022 voor de eerste aanleg en vandaag voor het hoger beroep). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding telkens gelijk aan 10.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellante is voor de procedures van de beide instanties aan de geïntimeerde telkens een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 10.500,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
· het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn beide ontvankelijk;
· het principaal hoger beroep is ongegrond;
· het incidenteel hoger beroep is gegrond;
· het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
· het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellante volledig ongegrond;
· het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
· bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR
· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
· rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 10.500,00 EUR
· rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 10.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 19 november 2024.
Aanwezig:
X…
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.