Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 13.06.2022
WF 709-15-21/005498
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Taux réduit – Principe de la confiance légitime – Livraison de biens – Travaux immobiliers
Dispositions légales
Articles 37 et 38 du Code de la TVA
Arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970, tableau A, rubrique XXXVIII
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
L’assujettie est identifiée à la TVA depuis le 1er octobre 2007 pour les activités notamment d'ingénieur, de travaux d'installation au sein de bâtiments et d'installation de chauffage. Après avoir contrôlé les activités réalisées en 2016 par l’assujettie, l’administration a consigné les infractions relevées dans un procès-verbal daté du 13 novembre 2020. Une requête contradictoire contre ce procès-verbal a été déposée par l’assujettie au greffe du tribunal. Le litige porte sur l'application du taux réduit.
2) Le jugement en première instance
- Le principe de la confiance légitime
L’assujettie fait part qu'elle a été informée que plusieurs contrôles avaient été effectués chez ses clients lors desquels la même administration fiscale avait laissé inchangé l'application du taux de TVA de 6 % et avait ainsi confirmé ce taux. Elle a également interrogé ses clients sur le contenu des dossiers de contrôle et elle présente les réponses reçues. Il ressort de ces pièces que le taux de 6% a été accepté lors de ces contrôles. Le principe de la confiance légitime aurait été violé à cet égard ce qui rend dès lors la majoration de la taxe due nulle et non avenue.
Le principe de la confiance légitime implique que les attentes justifiées du citoyen suscitées par l'autorité doivent en principe être rencontrées afin de ne pas de tromper la confiance placée dans l'administration par les sujets de droit (voir aussi Cass. 15 février 2013, F.11.0150.N, www.cass.be). Les principes de bonne administration sont contraignants pour l'administration fiscale. Toutefois, les principes de la sécurité juridique et de la confiance légitime ne constituent toutefois pas des droits illimités.au regard des circonstances concrètes, un équilibre doit être trouvé entre les principes de la sécurité juridique et de la confiance légitime, d'une part, et le principe de légalité, d'autre part. Une violation du principe de la confiance légitime suppose que l’assujettie démontre que l'administration fiscale a créé une confiance légitime dans le chef de l’assujettie que le taux de TVA de 6% était d’application pour les factures en question. Les documents et pièces présentés ne démontrent pas que le dossier concernant les clients a été concrètement examiné par l'administration fiscale de manière à permettre de juger s'il y a eu ou non installation des biens livrés afin de déterminer s’il s’agissait de « travaux immobiliers ». L’assujettie échoue dans sa charge de la preuve.
- Rénovation et réhabilitation de logements privés
Le tribunal ne suit pas la thèse de l’assujettie selon laquelle elle effectue toujours un placement lors de la fourniture des kits d’installation électrique. Le tribunal note que les devis ne font apparemment référence qu'à la livraison des matériaux. L’assujettie ne satisfait pas à la charge de la preuve. L'attestation visée au §1er, 5° de la rubrique XXXVIII de l'AR n° 20 qui a été délivrée par les clients est en soi insuffisante et certifie seulement que le bâtiment a plus de 5 ans.
L’assujettie a acquiescé au jugement.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, fiscaal, zesde burgerlijke kamer
Vonnis (EVT) van 13/06/2022
Rol: 21/69/A
In de zaak van
BVBA R. Z., KBO 089...13, met zetel te …,
eisende partijen, hebbende als raadsman mr. V. B. D., advocaat te …;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159,
verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur;
Beslist de rechtbank als volgt :
1. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 16 mei 2022. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het neergelegd gedinginleidende verzoekschrift van 11 januari 2021 en de conclusies van partijen.
ll. DE VORDERING
Eiseres vordert in 'synthesebesluiten' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:
"Dienvolgens:
1. Het proces-verbaal opgesteld op 12 november 2020 door de heer D. D. B., Fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, verbonden aan het KMO Centrum Aalst - Controle 12, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, geheel te horen vernietigen dan wel van onwaarde te horen verklaren;
2. Te horen zeggen voor recht dat [eiseres] de middels voormeld proces verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan [eiseres] terug te betalen, meer de moratoire interesten;
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding t.b. v. 6.520,00 EUR, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.500,00 EUR en de bijzondere bijdrage t.b. v. 20,00 EUR."
Verweerster vordert in syntheseconclusies de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens:
"De vordering van eiseres af te wijzen;
Het proces-verbaal van 12 november 2020 en de schuld gekend onder het artikelnummer ... te bevestigen;
Eiseres tot de kosten te veroordelen."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige sinds 1 oktober 2007 onder het btw-nummer 891...13 voor de activiteiten van ingenieurs en aanverwante technische adviseurs, exclusief landmeters; elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen en installatie van verwarming, klimaatregeling en ventilatie.
2. Op 25 juni 2019 heeft de fiscale administratie, meer bepaald KMO Controle Aalst 12, de boekhouding opgevraagd aan de heer V. B., CFO van de bvba R. Z., eiseres, gevestigd … , om een fiscale controle met betrekking tot de toepassing van de btw reglementering uit te voeren voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017.
3. Op 10 september 2019 heeft de fiscale administratie per e-mail een aantal verkoopfacturen per steekproef en het overzicht van het personeel opgevraagd.
4. Op 26 september 2019 werden de stukken onderzocht door de fiscale administratie. Gelet op de voorgelegde documenten, de stukken vergaard door de administratie en de verklaringen van de belastingplichtige of zijn gevolmachtigde, werden inbreuken op de toepasselijke btw-regelgeving vastgesteld.
5. Deze inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave die op 22 oktober 2019 werd toegezonden aan eiseres.
De verschuldigde btw ingevolge de inbreuken op artikel 37 en 38 W.BTW, en het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (vanaf 12.02.2016} bedroeg 100.288,72 EUR en de verschuldigde verminderde proportionele boete 10.020,00 EUR.
Het toegepaste btw-tarief van 6% op grond van rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage van het KB nr. 20 werd hierbij voor de gecontroleerde periode voor het overgrote deel verworpen.
6. Op 7 november 2019 werd door de heer T. D. C., zaakvoerder van eiseres, een afstand van verjaring getekend.
7. Op 13 februari 2020 had een vergadering plaats in aanwezigheid van meester D. V. B., fiscaal raadgever, waarin geen aanvaardbare elementen werden aangebracht ter weerlegging van de correctieopgave. Tijdens deze vergadering werd een duidelijk 'niet akkoord' meegedeeld.
8. Aangezien de fiscale administratie haar standpunt inzake de vastgestelde overtredingen behield, werden de overtredingen opgenomen in een procesverbaal op 12 november 2020 dat op 13 november 2020 aan eiseres werd toegestuurd.
9. De btw-overtredingen die hierin werden opgenomen zijn dezelfde als deze die in de correctieopgave van 22 oktober 2020 werden opgenomen.
De verschuldigde btw bedraagt 100.288,72 EUR en de verschuldigde verminderde proportionele boete·10.020,00 EUR. De schuld is gekend onder het nummer ....
10. Op 11 januari 2021 legt eiseres een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank om zich te verzetten tegen deze correctieopgave.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Inzake het vertrouwensbeginsel
2.1.
Eiseres werpt op dat zij werd ingelicht van verschillende controles bij klanten waarbij dezelfde fiscale administratie de toepassing van het btw-tarief van 6% ongemoeid heeft gelaten en daardoor dit tarief heeft bevestigd.
Eiseres zegt op eigen initiatief klanten te hebben bevraagd en brengt de verkregen brieven, ontvangen van de dienst Controle BTW Eeklo, KMO Leuven Beheer en btw-Controle Hasselt 2, geanonimiseerd voor (stukken 1 a), b) en c) eisende partij).
Tevens heeft eiseres haar klanten bevraagd over de controledossiers en brengt de ontvangen reacties bij (stuk 3 eisende partij). Uit deze stukken blijkt alvast dat het tarief van 6% gangbaar werd aanvaard bij deze controles.
Eiseres besluit dat verweerster het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden zodat de navordering nietig is.
2.2.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Volgens het vertrouwensbeginsel moet elke burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden (zie ook Cass. 15 februari 2013, F.11.0150.N, www.cass.be). De beginselen van behoorlijk bestuur zijn bindend voor de belastingadministratie.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn evenwel geen onbeperkte rechten. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, enerzijds, en het legaliteitsbeginsel, anderzijds. De toepassing van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel kan in de regel geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De verwachtingen van de burger mogen niet gegrond zijn op een onwettige praktijk.
De vraag stelt zich aldus of eiseres er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze op kon vertrouwen dat de positie die de administratie had ingenomen met betrekking tot het btw-tarief blijvend kon worden gehonoreerd, met andere woorden dat deze positie niet duidelijk en manifest in strijd was met de betreffende wettelijke bepalingen.
2.3.
De rechtbank stelt vast, aan de hand van het administratief dossier, dat:
- Eiseres geen enkel concreet stuk voorlegt waaruit de gemaakte beweringen zou blijken;·
- De stukken die eiseres bijbrengt (stukken la), b) en c)) zijn brieven die werden ontvangen van de administratie naar aanleiding van het toezicht op het bouwdossier.
2.4.
Een schending van het vertrouwensbeginsel veronderstelt dat eiseres zou aantonen dat er door toedoen van de fiscale administratie in hoofde van eiseres een rechtmatig vertrouwen was gewekt dat voor de betreffende facturatie het btw-tarief 6% wordt toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet bijbrengt en dat zij het standpunt van verweerster niet weerlegt. Het blijft bij loutere beweringen. De voorgelegde stukken tonen niet aan dat het dossier van de betreffende klanten concreet werd onderzocht door de fiscale administratie, op een wijze die toelaat te oordelen of er al dan niet sprake was van plaatsing van de geleverde goederen op een manier dat het om 'werken in onroerende staat' gaat. Dat de fiscale administratie in die dossiers, na onderzoek, zou geoordeeld hebben dat voor de facturatie door eiseres de omstandigheden vervuld waren om het btw-tarief van 6% toe te passen, bewijst eiseres niet.
2.5.
De rechtbank besluit dat eiseres faalt in haar bewijslast. Het vertrouwensbeginsel, noch het rechtszekerheidsbeginsel, werd geschonden.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake het btw-tarief
2.6.
Eiseres argumenteert dat zij meer doet dan het louter leveren van materialen voor elektriciteitswerken en ventilatie en bijgevolg voor deze activiteiten onderhevig is aan het tarief van 6%. In de praktijk gingen de in het proces verbaal opgenomen leveringen wel degelijk gepaard met de plaatsing van de materialen door eiseres, minstens voor de cruciale delen voor de goede werking van de installaties. Daarnaast werd steeds bijstand geleverd wanneer nodig.
Verder stelt eiseres dat de klanten geen boodschap hadden aan de loutere levering van elektriciteits- en/of ventilatiemateriaal. Het essentiële aspect van de levering van deze materialen bestond in de bijkomende begeleiding en installatie van alle essentiële componenten van de installaties. Standaardvermeldingen op facturen of in de algemene voorwaarden doen aan het voormelde geen afbreuk. Eiseres brengt elektriciteitsschema's bij die gehanteerd werden in het kader van deze facturatie en waarbij de klant eveneens de nodige hulp verzocht bij de installatie van de essentiële componenten van de installaties (stuk 2 eisende partij). Hierdoor overtreft het dienstenaspect wel degelijk het leveringsaspect. Zonder de individuele begeleiding en de installatie door eiseres van de essentiële componenten van de installaties zou niet tot verkoop en levering van enig roerend goed zijn overgegaan.
2.7.
Artikel 37 W.BTW voorziet dat de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de tarieven van de btw bepaalt. Het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, voert deze wetsbepaling uit.
Artikel 1 van het lKB nr. 20 bepaalt: "Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 pct.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van : a) 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft."
Rubriek XXXVIII "Renovatie en herstel van privéwoningen" van de TABEL A "Goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 pct.", zoals van toepassing voor de wijziging bij KB van 26 januari 2016, bepaalt als volgt:
"§1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1 ° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2 ° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3 ° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of artikel 22bis van het Wetboek;
4 ° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker(.. .);
5 ° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
§ 3. Worden beoogd:
1 ° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;
2 ° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;
3 ° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2 ° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:(...)
c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen (...)"
2.8.
De rechtbank volgt niet de zienswijze van eiseres dat zij bij de levering van de elektro-zelfbouwpakketten steeds een plaatsing doet.
Zo heeft verweerster immers vastgesteld dat zowel uit de boekhouding als de offertes blijkt dat er enkel materialen geleverd worden en dat er geen sprake is van "werk in onroerende staat". Er is sprake van "begeleiding". Begeleiding en opleiding kunnen onmogelijk beschouwd worden als werk in onroerende staat (stuk 5 verwerende partij).
De rechtbank merkt op dat in deze offertes blijkbaar enkel sprake is van levering materialen. Er worden duidelijk concurrerende prijzen gegeven. De klant wordt gevraagd om stukprijzen bij de concurrentie op te vragen. De aangekochte materialen kunnen worden teruggebracht (voor zover ze nog in de originele verpakking zitten) en worden bijbesteld. Over plaatsing wordt nergens melding gemaakt.
2.9.
De rechtbank is van oordeel dat verweerster dan ook terecht heeft beslist dat eiseres faalt in haar bewijslast dat ze voor de betreffende klanten tot plaatsing op de werf overging.
Dat betekent dat eiseres zich terecht niet kan beroepen op het btw-tarief van 6%, noch op grond van §1 van rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, noch op grond van §3 van rubriek "XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen" van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20.
Het attest bedoeld in § 1, 5° van rubriek XXXVIII van KB nr. 20 dat werd afgeleverd door de klanten is op zich onvoldoende om het verlaagde tarief te verantwoorden. In het attest verklaren klanten enkel dat de woning ouder is dan vijf jaar en hoofdzakelijk voor bewoning wordt gebruikt. Niets meer én niets minder.
Verweerster heeft dan ook de artikelen 37 en 38 W.BTW niet geschonden, zoals eiseres ten onrechte voorhoudt.
2.10.
De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen en overwegingen, dat de grief van eiseres om het btw-tarief van 6% toe te passen ongegrond is.
Inzake de proportionele geldboete
2.11.
Eiseres werpt op dat de oplegging van de geldboete niet mogelijk is omdat het geschil van principiële aard is.
2.12.
Overeenkomstig artikel 70 §1 WBTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 §1bis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.
Overeenkomstig artikel 84 WBTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat verweerster een proportionele geldboete heeft opgelegd van 10% overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, 1 van de bijlage van het KB nr. 41 van 30 januari 1987.
Verweerster heeft deze geldboete terecht opgelegd omdat het voorliggende geschil geenszins louter van principiële aard is. Het voorliggende geschil betreft een bewijskwestie. De opgelegde geldboete werd door verweerster in feite en in rechte verantwoord.
De grief van eiseres is ongegrond.
Besluit
2.14.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres ongegrond zodat het proces-verbaal van 12 november 2020 wordt bevestigd, evenals de schuld gekend onder artikelnummer ... .
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van eiseres is ongegrond.
V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2. Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;
- de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 13 juni 2022
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.