Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance Néerlandophone de Bruxelles dd. 24.03.2015 (2013/383/A)
Restitution de la TVA – Assujetti établi en dehors de la Communauté – Délai pour introduire une demande en restitution – Délai de prescription particulier – Principes généraux du droit
Dispositions légales
Articles 80 et 82bis du Code de la TVA
Article 9, § 2, article 13 et article 14 de l’arrêté royal n° 4 du 29 décembre 1969 relatif aux restitutions en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Résumé
Le 31 mars 2011, un assujetti établi en dehors de la Communauté a introduit auprès du bureau central pour les assujettis étrangers une demande en restitution de la TVA pour la période courant du 1er janvier au 31 décembre 2009. Cette demande a été rejetée par l’administration car elle avait été introduite tardivement. Le juge considère que la législation concernée est simple et claire. Selon les dispositions de l’article 9, § 2, de l’arrêté royal n° 4, cet assujetti aurait dû en effet faire parvenir sa demande à partir du 1er janvier 2010 mais au plus tard le 30 septembre de l’année civile qui suivait la période relative à la demande de restitution.
En présence de ces dispositions, le juge de Bruxelles se réfère aux principes généraux du droit selon lesquels quiconque (donc également la partie requérante) est réputé connaître la loi. Le délai en question est un délai de forclusion qui expire le 30 septembre 2010. La demande en restitution initiale a donc été introduite tardivement.
L’article 82bis n’est pas applicable dans le cas présent. La citation dirigée contre la décision de rejet contestée a certes été introduite dans le délai mentionné dans l’article 14 de l’arrêté royal n°14, de sorte que le délai de prescription particulier prévu par cette disposition réglementaire est d’application. Mais, selon l’article 13 de l’arrêté royal n° 14, aucune restitution ne peut être obtenue valablement si les formalités et conditions déterminées par la loi ou par cet arrêté ne sont pas observées. Dès lors que la demande en restitution n’a pas été introduite dans le délai imposé, la demande doit être rejetée.
Texte intégrale
Corps de la décision
Vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te BRUSSEL
dd. 24/03/2015
(2013/383/A)
In zake van:
P.K.I.. Vennootschap naar het recht van I., met maatschappelijke zetel te … met RBT-nummer .. en met nationaal nummer… , , KEUZE VAN WOONPLAATS DOENDE OP HETADRES VAN HAAR RAADSMAN MR.W.H., ADVOCAAT MET KANTOOR TE …,
eisende partij, /
vertegenwoordigd door mr.W.H., advocaat met kantoor te…;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, voor wie optreedt het hoofd van centraal BTW kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen - dienst terugbetalingen, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 - bus 3626;
verwerende partij, /
vertegenwoordigd door mr. F.V.D.B. loco mr.P.D.C., advocaat met kantoor te …,
In deze zaak, in beraad genomen op 6 januari 2015, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
Gelet op:
- de dagvaarding betekend op 27/12/12 bij exploot van mr. Wim Van Walleghem, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder loco mr. Patrick Jaspers, gerechtsdeurwaarder te 1000 Brussel;
- de beschikking 747 Ger. W. en de verbeterende beschikking 747 Ger. W. dd. 11/01/13 en 19/02/13;
- de conclusies, conclusies, conclusies en syntheseconclusies van verweerder neergelegd ter griffie op 29/05/13, 5/12/13, 30/04/14 en op 18/11/14;
- de conclusies, conclusies, en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 28/08/13, 3/02/14 en op 31/07/14;
- het bundel met stavingstukken van verwerende, partij neergelegd op 18/11/14;
- het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd op 24/12/14;
Gehoord de partijen ter openbare zitting van 6/01/15 waarna, de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing Is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W. N.V. S. diende op 31/03/11 voor (het niet in België gevestigde) P.K.I. bij het centraal BTW kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen een aanvraag tot teruggaaf in voor een bedrag van (17.850,00 aan BTW over diensten die eisende partij in de periode 1/01/09 - 31/12/09 had ontvangen van SIPEF (stuk 1 bundel eisende partij).
Bij beslissing dd. 10/05/11 van het hoofd van het centraal BTW kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen werd de aanvraag verworpen omwille van een laattijdige indiening van het teruggaafverzoek.
Op 27/12/12 stelde eiseres een vordering in rechte in (betekening van een dagvaarding) tegen voormelde beslissing.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering strekt ertoe te horen zeggen voor recht dat eiseres tijdig en regelmatig een/de aanvraag tot teruggaaf van een bedrag van (17.850,00 heeft ingediend en geldig een vordering in rechte t.a.v. verweerder heeft geformuleerd.
Verder beoogt de vordering de veroordeling van verweerder tot het betalen aan eisende partij van een bedrag van €17.850,OO meer interesten vanaf 1/04/11.
Tot slot beoogt zij de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding (kosten dagvaarding + rechtsplegingsvergoeding) .
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
Verweerder -zo dient de rechtbank uit de syntheseconclusies van eisende partij af te leiden- werpt de onontvankelijkheid van de vordering op voor wat betreft de B.T.W. die betrekking heeft op de periode 1/01/09 t.e.m. 26/12/09. Enkel de (teruggaaf van) B.T.W. die betrekking heeft op de periode 27/12/09 t.e.m. 31/12/09 is nog niet verjaard. Dit werd blijkbaar in de eerste conclusies opgeworpen; in de syntheseconclusies van verweerder valt voorts niet veel (meer) te distilleren
dienaangaande.
Voorts stelt verweerder dat de aanvraag tot teruggaaf laattijdig is.
Eisende partij stelt dat er geen verjaring voorhanden is. Verder stelt zij dat de aanvraag tot teruggaaf tijdig gedaan werd, zodat er een positief gevolg aan dient te worden gegeven.
BEOORDELING
Art. 14 van het K.B. nr. 4 bepaalt:
"De vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van de belasting, van de Interesten en van de administratieve geldboeten, moet worden ingesteld vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op, naargelang het geval, dit van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen ofwel dit van de betaling van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie."
Inzake kwam de betwiste beslissing tussen op 10/05/11 en werd de vordering in rechte ingesteld middels exploot van gerechtsdeurwaarder betekend op 27/12/12 Inzake betreft een aanvraag tot teruggaaf uitgaande van een belastingplichtige die buiten de gemeenschap is gevestigd.
De wetgeving dienaangaande is eenvoudig en helder.
Art. 80 W.B.T.W. bepaalt:
"De Koning bepaalt de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht.
Hij stelt de minima vast die bereikt moeten zijn opdat op het verzoek om teruggaaf kan worden ingegaan. Wanneer het gaat om teruggaven aan iedere andere persoon dan een belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, stelt Hij deze minima vast overeenkomstig de
bepalingen van artikel 17 van de richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008.
Hij kan bepalen dat geen teruggaaf plaatsvindt als de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter, als degene die een intracommunautaire verwerving van een goed heeft verricht of als degene op wiens naam de wegens invoer verschuldigde belasting werd voldaan, een belastingplichtige Is die periodieke aangiften indient en de belasting volledig in aftrek mag brengen. "
M.a.w. (ook) de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf van Belgische B.T.W. onderworpen is waarvoor de rechthebbenden gevestigd zijn buiten de gemeenschap worden
door de Koning bepaald (zie in dit verband ook art. 3 punt 1 richtlijn 86/560/EEG, ook 'de dertiende BTW richtlijn' genoemd).
Art. 9§2 KB nr. 4 dd. 29/12/69 (K.B. nr. 4 dd. 29/12/69 gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 mei 1984, 30 december 1986, 19 april 1991, 29 december 1992, 14 april 1993, 20 juli 2000, 16 juni 2003, 15 juli 2003, 20 februari 2004 en 9 december 2009), bepaalt:
'1§ 2. Wanneer de rechthebbende op teruggaaf een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige is die in België niet voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet in België is gevestigd en er geen belastbare handelingen verricht andere dan de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen als bedoeld in artikel 8bis, § 2, van het Wetboek, moet hij een aanvraag tot teruggaaf indienen bij het hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen. De aanvraag moet bij die ambtenaar toekomen, in drie exemplaren, uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft. Op de aanvraag tot teruggaaf wordt niet ingegaan indien zij betrekking heeft op een bedrag van minder dan 25 euro. "
Bij K.B. dd. 22 maart 2010 werd art. 9§2 van voormeld KB nr.
4 als volgt gewijzigd:
Artikel 1. In artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 mei 1984, 30 december 1986, 19 april 1991, 29 december 1992, 14 april 1993, 20 juli
2000, 16 juni 2003, 15 juli 2003, 20 februari 2004 en 9 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2 worden de woorden « vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan » vervangen door de woorden « uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek
betrekking heeft»;
b) in paragraaf 3 worden de woorden « vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan » vervangen door de woorden « uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek
betrekking heeft».
Art. 2. In artikel 7, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, ingevoegd bij het koninklijk besluit· van 9 december 2009, worden de woorden « vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan» vervangen door de woorden « uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft ».
Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2010.
Art. 4. De Minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Met ingang van 1/01/2010 dienen buiten de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen die teruggaaf van B.T.W. vragen (in België) dit te doen uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het tijdvak waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft.
Gelet op al deze bepalingen dient vastgesteld dat eisende partij, die geacht wordt de wet te kennen (het algemeen rechtsbeginsel "nemo censetur ignorare legem" (iedereen wordt verondersteld de wet te kennen) behoort tot ons positief recht (Van Hoecke, M., "De algemene rechtsbeginselen als rechtsbron: een inleiding", in Algemene rechtsbeginselen, Van Hoecke, M. (red.), Antwerpen, Kluwer, 1991, 3-28) haar aanvraag tot teruggaaf laattijdig deed inzake.
De termijn in kwestie is een vervaltermijn en hij verliep op 30/09/2010. De oorspronkelijke aanvraag tot teruggaaf dd. 31/03/11 werd zodoende laattijdig gedaan.
Art. 82bis W.B.T.W. is in voorliggend geval niet van toepassing.
De dagvaarding daarentegen (betekend op 27/12/12) werd wel ingesteld binnen de termijn van art. 14 van K.B. nr. 4. Verweerder neemt geen standpunt in wat dit betreft.
Daardoor trad de bijzondere verjaringstermijn van art. 14 K.B. nr. 4 in werking trad.
Art. 13 K.B. nr. 4 bepaalt evenwel:
"De teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, kan niet geldig worden verkregen wanneer de formaliteiten en voorwaarden bepaald bij dit besluit, niet worden nageleefd.
Door of vanwege de Minister van Financiën kunnen, in de door of namens hem te bepalen gevallen, de rechthebbenden echter geheel of gedeeltelijk van dat verval worden ontheven.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 70, 73 en 91 van het Wetboek, moet hij die onrechtmatig teruggaaf heeft verkregen, het bedrag ervan aan de Staat terugstorten."
De teruggaaf kan niet geldig worden verkregen indien de voorwaarden bepaald in de wet en het K.B. niet werden nageleefd. De te vervullen formaliteiten en de wijze van uitoefening van teruggaaf zijn voorgeschreven op straffe van verval (vgl. Antwerpen 29 april 1985, F.J.F., n° 86/92).
Nu inzake de voorgeschreven (art. 9§2 K.B. nr. 4) aanvraag tot teruggaaf niet binnen de opgelegde termijn werd ingediend dient de vordering afgewezen te worden.
De vordering van eisende partij dient bijgevolg afgewezen te
worden.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Aangezien de vordering van eisende partij wordt afgewezen worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.
Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen €10.000,01 en €20.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op €1.210,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Wijst de vordering van eisende partij af,
Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gedingkosten, begroot op €1.210,00 rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verwerende partij.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 maart 2015,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer M. L.: rechter
Mevrouw T. C.: afgevaardigd griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.