Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 29.01.2019
WF 712-15-13/05896
(Favorable à l’Etat belge)
Taxe sur la valeur ajoutée – Prescription – Interruption de la prescription – Faillite
Dispositions légales
Article 81bis, § 1er, alinéa 1° et 2°, du Code de la TVA
Article 1206 du Code civil
Article 2244 du Code civil
Résumé
1. Les faits de la cause et les antécédents de procédure
La SCRI R&R, constituée le 2 mai 2005 en tant que société coopérative à responsabilité illimitée, dont les associés sont B.H., B.R. et D.M., a, comme activité économique, l’exploitation d’un café et d’un bar.
Cette SCRI avait des dettes en matière de TVA concernant différentes années pour lesquelles l’administration avait pour chacune d’entre elles décerné et signifié une contrainte.
Dans un jugement daté du 15 janvier 2009, le tribunal de commerce de L. a déclaré la SCRI en faillite. L’administration a fait une déclaration de créance au passif de la société pour un montant provisionnel et pour un montant définitif les 26 janvier et 12 février 2010. Dans un jugement daté du 20 février 2010, le tribunal de commerce de L. a clôturé la faillite et a désigné en qualité de liquidateur l’associé à responsabilité illimitée B.H. Dans un jugement daté du 3 mai 2011, le tribunal de commerce de L. a déclaré B.H. en faillite.
Les 20 mai et 9 août 2011, l’administration a fait une déclaration et une déclaration complémentaire de créance au passif de la faillite de H.B.
Un jugement daté du 24 janvier 2012 a clôturé la faillite de H.B. Le 14 octobre 2013, une lettre recommandée a notifié les créances précitées à B.R.
Le 29 novembre 2013 des contraintes mentionnant les dettes en matière de TVA ont été signifiées à B.R. par exploit d’huissier.
B.R. s’est opposé aux contraintes signifiées. Le tribunal de première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée.
2. L’arrêt
L’appel déposé par l’appelant B.R. vise à entendre dire que les dettes litigieuses en matière de TVA sont prescrites en vertu de l’article 81 du Code de la TVA.
L’appelant allègue que les créances en matière de TVA de l’État belge à son égard seraient prescrites. Ce faisant, il se réfère à l’article 81 du Code de la TVA qui prévoit un délai de prescription de trois ans et il soutient que, puisque les créances concernent les années 2005 et 2006 et puisqu’il n’y a pas eu à ses yeux de suspension ou d’interruption correcte du délai de prescription, les créances sont prescrites.
La cour ne suit pas la position de l’appelant. Les créances en matière de TVA en cause concernent le quatrième trimestre 2005, l’année 2006, l’année 2007 et le mois de janvier 2008.
En vertu de l’article 81bis, § 1er, alinéas 1° et 2°, du Code de la TVA, tel qu’il est applicable aux faits litigieux, la prescription de l’action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales est acquise à l’expiration de la troisième année civile qui suit celle durant laquelle la cause d’exigibilité de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales est intervenue. Les modifications apportées à l’article 81bis, § 1er, alinéa 2, 1°, du Code de la TVA par l’article 191 de la loi-programme du 22 décembre 2008 ont été d’application immédiate lors de la publication de la loi-programme au Moniteur belge le 29 décembre 2008 pour toutes les actions en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales qui n’étaient pas encore prescrites à ce moment-là.
Les actions relatives aux créances en matière de TVA n’étaient pas encore prescrites le 29 décembre 2008, de telle sorte que l’article 81bis du Code de la TVA modifié par l’article 191 de la loi-programme du 22 décembre 2008 leur est applicable. En vertu de l’article 83 du Code de la TVA, les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales, sont interrompues de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil. Selon l’article 1206 du Code civil, les poursuites faites contre l’un des débiteurs solidaires interrompent la prescription à l’égard de tous.
Le dépôt de la déclaration de créances faite par le receveur a eu pour conséquence que la prescription de l’action en recouvrement a été interrompue.
En l’état actuel, les dettes non apurées en matière de TVA
- qui ont été signifiées et notifiées à la SCRI les 19 février 2007, 8 octobre 2007, 10 avril 2008 et 15 décembre 2008,
- qui ont été définitivement mises au passif de la faillite de la SCRI le 25 janvier 2010,
- qui ont été signifiées à l’appelant le 29 novembre 2013 par le biais de lettres recommandées datées du 14 octobre 2013 notifiant une contrainte,
ne sont pas prescrites, compte tenu notamment des dispositions reprises à l’article 81bis, § 1er, alinéa 2, 1°, du Code de la TVA, de l’article 2244 du Code civil et de l’article 83 du Code de la TVA.
L’État belge prouve de manière satisfaisante que la prescription a été interrompue correctement en droit.
La cour d’appel déclare l’appel de l’assujetti non fondé.
Remarque
L’arrêt est coulé en force de chose jugée.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van Beroep te Brussel, 6Ne kamer, burgerlijke zaken d.d. 29.01.2019. Eindarrest
Rolnummer: 2015/AF/24
De heer B. R., wonende te …, …, appellant, vertegenwoordigd door Mr B. A. (…) loco Mr. D. J., advocaat te …, …,
Tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de adviseur-generaal, centrumdirecteur, KMO centrum Leuven met kantooradres te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr E. S. (…) loco Mr. D. A., advocaat te …, …,
In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :
Voorgaanden en vorderingen
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :
-het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven van 2 januari 2015,
-het verzoekschrift hoger beroep neergelegd op 2 februari 2015,
-de conclusies, tweede conclusies en syntheseconclusies van de Belgische Staat (geïntimeerde), neergelegd ter griffie op 3 juni 2015, 3 en 8 december 2015 en op 2 juni 2016,
-de stukken van geïntimeerde (het administratief dossier, hierna "A.D." genoemd) neergelegd ter griffie van het hof op 26 juli 2018.
Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift neergelegd op 7 november 2013, vorderde appellant te horen zeggen voor recht dat de vijf BTW schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en … die geïntimeerde lastens hem invordert verjaard zouden zijn.
De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen.
Bij vonnis van 2 januari 2015 verklaarde de eerste rechter de vorderingen ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellant tot de kosten van het geding.
Procedure voor het hof
Appellant stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 2 februari 2015, en vorderde de vernietiging van het vonnis van de eerste rechter en de ontvankelijk en gegrondverklaring van de eerste vordering en zodoende te horen zeggen voor recht dat de betwiste RCIV artikelnummers in toepassing van artikel 81 WBTW verjaard zijn.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, vordert de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellant tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen.
Relevante feitelijke gegevens
De cvoa R. & R. (BTW nr. …), op 2 mei 2005 opgericht met als onbeperkt hoofdelijk aansprakelijke vennoten B. H., B. R. en D. M. en met een activiteit van café en bar was gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.
Zij had/heeft volgende BTW schulden, nog te vermeerderen met interesten (art. 91, § 4, WBTW) en kosten:
RCIV n° BTW Boete (art. 70§1)Boete (art. 70§4)
406/0719 /03884 - € 1.000,00
406/1128/18080 - € 1.421,20€ 140,00 -
407 /0411/05454 - € 1.553,53€ 155,00 € 200,00
407/1023/08717 - € 1.000,00
408/0422/08910 - € 1.000,00
Voor elk van deze RCIV artikels werd in 2007 of 2008 een dwangbevel betekend middels gerechtsdeurwaardersexploot of bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan cvoa R. & R. (stukken 6, 8, 20 en 23 bundel geïntimeerde).
Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 15 januari 2009 werd de vennootschap cvoa R. & R. in staat van faillissement verklaard. Geïntimeerde deed op 12 februari 2009 en op 26 januari 2010 provisioneel en definitief een aangifte van schuldvordering in het faillissement (stuk 26 bundel geïntimeerde : kopie definitieve aangifte van schuldvordering+ bewijs aangetekende verzending).
Bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Leuven van 9 februari 2010 werd het faillissement gesloten verklaard en H. B. als vereffenaar aangesteld.
Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 3 mei 2011 werd H. B. failliet verklaard.
Op 20 mei 2011 en op 9 augustus deed geïntimeerde een aangifte en een bijkomende aangifte van schuldvordering in dat faillissement.
Bij vonnis van 24 januari 2012 werd het faillissement van H. B. afgesloten.
Middels aangetekende schrijvens van 14 oktober 2013 werden voormelde schulden ter kennis gebracht van R. B. (stukken 29 t.e.m. 33 bundel geïntimeerde).
Met een gerechtsdeurwaardersexploot werd tenslotte een dwangschrift met bevel tot betalen aan appellant R. B. betekend op 29 november 2013 voor de aan de orde zijnde BTW schulden (de schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en …).
In rechte
Standpunt appellant
Appellant voert (ter ondersteuning van zijn vordering) aan dat :
- de BTW aanspraken van de Belgische Staat opzichtens hem verjaard zouden zijn; hij verwijst daarbij naar artikel 81 WBTW dat voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar, en argumenteert dat vermits de vorderingen betrekking hebben op BTW van 2005 en 2006 en er geen deugdelijke stuitings- of schorsingsgronden van de verjaring voorliggen de vorderingen verjaard zijn.
Standpunt van geïntimeerde
De Belgische Staat meent dat zijn aanspraken nog niet verjaard zijn.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.
Gegrondheid
1. De aan de orde zijnde BTW schulden hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2005, op 2006 en op 2007 en op januari 2008.
2. Krachtens artikel 81bis §1, 1° en 2° lid WBTW zoals van toepassing in voorliggende zaak verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.
Artikel 81bis, §1, 2de lid, 1° van het btw-wetboek (vervangen bij artikel 191 van de programmawet van 22 december 2008) bepaalt:
“§1 Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
(…)”
De wijzigingen aan de verjaringsregels door de Programmawet van 22 december 2008 werden onmiddellijk van toepassing bij de publicatie van de Programmawet in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2008 op alle op dat ogenblik nog niet verjaarde vorderingen tot voldoening van de BTW, interesten en administratieve geldboeten (HEYRMAN, K., "Verjaring", in BTW-Handboek, VANDENBERGH, H. (ed.)., Editie 2014, nr. 2912).
De vorderingen met betrekking tot de aan de orde zijnde BTW-schulden waren op 29 december 2008 nog niet verjaard, zodat artikel 81bis van het BTW-wetboek, zoals gewijzigd door de Programmawet van 28 december 2008 erop van toepassing is.
3. Artikel 83 WBTW, versie zoals van toepassing inzake, bepaalt:
§1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 2. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in § 1, eerste lid, van dit artikel, bedoelde stuiting."
De verjaringstermijn tot voldoening is vatbaar voor stuiting in de gevallen bedoeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (dagvaarding, bevel tot betaling of een beslag betekend aan diegene die men wil verhinderen van te verjaren), alsook in geval van verzaking aan de verlopen tijd der verjaring of van de kennisgeving van een dwangbevel.
Artikel 1206 BW bepaalt tenslotte dat vervolging tegen één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit ten aanzien van allen.
4. De verjaringstermijn van de vordering tot voldoening van de BTW gaat in op de dag dat de vordering tot voldoening ontstaat (vgl. art. 81 WBTW).
Dit is de datum waarop de indieningstermijn van de aangifte waarin de BTW diende te worden opgenomen verstrijkt, of, indien er geen aangifte diende te worden ingediend, de dag waarop de BTW verschuldigd is.
5. De vorderingen tot voldoening van de aan de orde zijnde BTW schulden zijn ontstaan op de volgende data
RCIV n ° 406/0719/03884
Bijzondere Rekening voor de periode 31 januari 2006 - 30 april 2006,
opgemaakt op 17 juli 2006
Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 8 februari 2007
Dwangbevel (datum betekening) : 19 februari 2007
RCIV n° 406/1128/18080
Proces Verbaal van 27 november 2006
Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 8 februari 2007
Dwangbevel (datum betekening): 19 februari 2007
RCIV n° 407 /0411/05454
Bijzondere Rekening voor de periode 31 oktober 2006 - 31 januari 2007,
opgemaakt op 2 april 2007
Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 27 september 2007
Dwangbevel (datum betekening) : 8 oktober 2007
RCIV n °407/1023/08717
Bijzondere Rekening voor de periode 30 april 2007 - 31 juli 2007,
opgemaakt op 22 oktober 2007
Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 9 april 2008
Dwangbevel (datum betekening) : 10 april 2008
RCIV n° 408/0422/08910
Bijzondere Rekening voor de periode 31 oktober 2007 - 31 januari 2008,
opgemaakt op 21 april 2008
Dwangbevel {datum uitvoerbaarverklaring) : 12 december 2008
Dwangbevel {datum betekening) : 15 december 2008
6. Door de betekening/kennisgeving van de dwangbevelen op:
RCIV n° Data betekening/kennisgeving dwangbevelen
406/0719/03884 19 februari 2007
406/1128/18080 19 februari 2007
407 /0411/05454 08 oktober 2007
407/1023/08717 10 april 2008
408/0422/08910 15 december 2008
werd de verjaring telkens op die respectievelijke data van betekening/kennisgeving van de dwangbevelen gestuit en begon op die data in toepassing van artikel 83 WBTW een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar te lopen.
7. Het indienen van de verklaring van schuldvordering door de ontvanger heeft tot gevolg dat de verjaring van de vordering tot voldoening (vgl. art. 81 en art. 81bis WBTW) wordt gestuit (vgl. RUYSSCHAERT, S. “De Gevolgen van faillissement en het Gerechtelijk akkoord inzake BTW”, blz. 42).
Door de indiening door de Belgische Staat van een definitieve aangifte van schuldvordering in het faillissement van cvoa R. & R. (op 12 februari 2009 werd een voorlopige schuldvordering ingediend en op 26 januari 2010 werd een definitieve schuldvordering ingediend) werd inzake de nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar -die al naargelang het geval in 2007 of 2008 begon te lopen- op 26 januari 2010 gestuit, ook tegen appellant R. B. (vgl. Cassatie 19 januari 2009 : " het indienen door een schuldeiser van zijn schuldvordering in het faillissement van een hoofdelijke schuldenaar de verjaring stuit ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars, maar van dan af enkel de verjaring schorst tot de sluiting van het faillissement ten aanzien van de failliet verklaarde hoofdelijke schuldenaar").
Vanaf deze stuiting op 26 januari 2010 begon (weer) een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen (vgl. art. 83 W.BTW) en niet van drie jaar zoals appellant ten onrechte voorhoudt.
8. Door de kennisgeving van de dwangbevelen middels aangetekende schrijvens van 14 oktober 2013 aan appellant R. B. en betekening middels gerechtsdeurwaardersexploot van een dwangschrift met bevel tot betalen aan appellant R. B. op 29 november 2013 werd de verjaring inzake opnieuw rechtsgeldig gestuit wat betreft de aan de orde zijnde BTW schulden (de schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en …).
9. Nu de schulden van de bovenvermelde openstaande RCIV artikelnummers
-op 19/02/2007, 19/02/2007, 08/10/2007, 10/04/2008 en 15/12/2008 betekend of ter kennis werden gebracht van cvoa R. & R.;
-op 26 januari 2010 op definitieve wijze werden aangegeven in het faillissement van cvoa R. & R. en
-middels aangetekende brieven van 14 oktober 2013 houdende kennisgeving van een dwangbevel aan appellant R. B. werden ter kennis gebracht en bij gerechtsdeurwaardersexploot (houdende de betekening van een dwangschrift met bevel tot betalen) aan appellant R. B. op 29 november 2013 betekend,
zijn ze gelet op o.m. de bepalingen van art. 81bis, §1, 2de lid, 1° WBTW, art. 2244 B.W. en art. 83 WBTW niet verjaard.
De Belgische Staat toont op afdoende wijze aan dat de verjaring inzake rechtsgeldig werd gestuit.
10. Het hoger beroep is ongegrond.
Aangaande de kosten
Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te begroten op € … , zijnde het basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.
Gezien het voorgaande, behoort het de kosten van het hoger beroep ten laste te leggen van appellant, begroot op de voormelde rechtsplegingvergoeding (€ …) voor de procedure in graad van beroep.
Dispositif
OM DEZE REDENEN, HET HOF,
HET HOF,
Rechtdoende na tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellant tot betaling van de kosten van het hoger beroep, in hoofde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.
Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.