Verjaring, stuiting verjaringstermijn, faillissement, stuiting van de verjaring · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 29 januari 2019

Zoeken

Verjaring, stuiting verjaringstermijn, faillissement, stuiting van de verjaring

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-stuiting-verjaringstermijn-faillissement-hof-van-beroep-brussel-2019-01-29-644b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
29 januari 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

152 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 29.01.2019

WF 712-15-13/05896

(Gunstig voor de Belgische Staat, definitief)

Belasting over de toegevoegde waarde - verjaring - stuiting verjaringstermijn - faillissement

Wettelijke bepalingen

Art. 81 bis §1, 1° en 2° lid en art. 83, WBTW

Art. 2244 en art. 1206, B.W.

Samenvatting

1)Feiten en voorgaande procedure

De CVOA R&R werd op 2 mei 2005 opgericht met als onbeperkt hoofdelijk aansprakelijke vennoten B.H., B.R en D.M. Zij had als activiteit het houden van een café en bar.

De CVOA heeft btw-schulden m.b.t. verschillende jaren waarvoor de administratie aan haar voor elk van deze schulden in 2007 of 2008 een dwangbevel ter kennis had gebracht of betekend.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te L. van 15/1/2009 werd de CVOA in staat van faillissement verklaard. De administratie deed op 12 februari 2010 provisioneel en op 26 januari 2010 definitief aangifte van schuldvordering in het faillissement. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te L. van februari 2010 werd het faillissement gesloten verklaard en hoofdelijke aansprakelijk vennoot H.B. als vereffenaar aangesteld. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 3 mei 2011 werd H.B. failliet verklaard.

Op 20 mei 2011 en op 9 augustus deed de administratie een aangifte en een bijkomende aangifte van schuldvordering in dat faillissement.

Bij vonnis van 24 januari 2012 werd het faillissement van H.B afgesloten. Middels aangetekende schrijvens van 14 oktober 2013 werden voormelde schulden ter kennis gebracht van R.B..

Met een gerechtsdeurwaardersexploot op 29 november 2013 werd tenslotte een dwangschrift met bevel tot betalen aan belastingplichtige R.B. betekend voor de aan de orde zijnde BTW schulden.

R.B. gaat in verzet tegen de betekende dwangbevelen. De rechtbank verklaarde de vordering echter ontvankelijk maar ongegrond.

2)De procedure in hoger beroep

Het hoger beroep van appellant R.B. strekt ertoe om het vonnis van de eerste rechter te laten vernietigen en zodoende voor recht te horen zeggen dat de betwiste btw-schulden in toepassing van artikel 81 verjaard zijn.

Appellant voert aan dat de btw aanspraken van de Belgische Staat opzichtens hem verjaard zouden zijn; hij verwijst daarbij naar artikel 81 WBTW dat voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar en argumenteert dat vermits de vorderingen betrekking hebben op BTW van 2005 en 2006 en er geen deugdelijke stuitings- of schorsingsgronden van verjaring voorliggen de vorderingen verjaard zijn.

Het hof volgt de stelling van appellant niet. De aan de orde zijnde btw schulden hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2005, op 2006 en 2007 en op januari 2008.

Krachtens artikel 81bis §1, 1° en 2° lid WBTW zoals van toepassing in voorliggende zaak verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. De wijzigingen aangebracht aan art 81bis, §1, 2de lid, 1° van het btw-wetboek door artikel 191 van de Programmawet van 22 december 2008 werden onmiddellijk van toepassing bij de publicatie van de Programmawet in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2008 op alle op dat ogenblik nog niet verjaarde vorderingen tot voldoening van de BTW, interesten en administratieve geldboeten.

De vorderingen m.b.t. de aan de orde zijnde btw schulden waren op 29 december 2008 nog niet verjaard, zodat artikel 81bis van het WBTW wetboek, zoals gewijzigd door de Programmawet van 28 december 2008 erop van toepassing is. Op grond van art. 83 WBTW wordt de verjaringstermijn van de voldoening en van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1206 BW bepaalt tenslotte dat vervolging tegen één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit ten aanzien van allen.

Het indienen van de verklaring van schuldvordering door de ontvanger heeft tot gevolg dat de verjaring van de vordering tot voldoening wordt gestuit.

Nu de openstaande btw schulden:

- op 19/02/2007, 19/02/2007, 8/10/2007, 10/04/2008 en 15/12/2008 betekend en ter kennis werden gebracht van de CVOA.

- op 26 januari 2010 op definitieve wijze werden aangegeven in het faillissement van de CVOA.

- middels aangetekende brieven van 14 oktober 2013 houdende kennisgeving van een dwangbevel aan appellant op 29 november 2013 werden betekend,

zijn ze gelet op o.m. de bepalingen van art. 81bis, 2de lid, 1° WBTW, art. 2244 B.W. en art. 83 WBTW niet verjaard.

De Belgische Staat toont op afdoende wijze aan dat de verjaring inzake rechtsgeldig werd gestuit. Het hoger beroep van belastingplichtige werd dan ook ongegrond verklaard.

Opmerking

Het arrest is in kracht van gewijsde getreden.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van Beroep te Brussel, 6Ne kamer, burgerlijke zaken d.d. 29.01.2019. Eindarrest

Rolnummer: 2015/AF/24

De heer B. R., wonende te …, …, appellant, vertegenwoordigd door Mr B. A. (…) loco Mr. D. J., advocaat te …, …,

Tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de adviseur-generaal, centrumdirecteur, KMO centrum Leuven met kantooradres te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr E. S. (…) loco Mr. D. A., advocaat te …, …,

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

-het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven van 2 januari 2015,

-het verzoekschrift hoger beroep neergelegd op 2 februari 2015,

-de conclusies, tweede conclusies en syntheseconclusies van de Belgische Staat (geïntimeerde), neergelegd ter griffie op 3 juni 2015, 3 en 8 december 2015 en op 2 juni 2016,

-de stukken van geïntimeerde (het administratief dossier, hierna "A.D." genoemd) neergelegd ter griffie van het hof op 26 juli 2018.

Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift neergelegd op 7 november 2013, vorderde appellant te horen zeggen voor recht dat de vijf BTW schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en … die geïntimeerde lastens hem invordert verjaard zouden zijn.

De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen.

Bij vonnis van 2 januari 2015 verklaarde de eerste rechter de vorderingen ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellant tot de kosten van het geding.

Procedure voor het hof

Appellant stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 2 februari 2015, en vorderde de vernietiging van het vonnis van de eerste rechter en de ontvankelijk en gegrondverklaring van de eerste vordering en zodoende te horen zeggen voor recht dat de betwiste RCIV artikelnummers in toepassing van artikel 81 WBTW verjaard zijn.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, vordert de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellant tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen.

Relevante feitelijke gegevens

De cvoa R. & R. (BTW nr. …), op 2 mei 2005 opgericht met als onbeperkt hoofdelijk aansprakelijke vennoten B. H., B. R. en D. M. en met een activiteit van café en bar was gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Zij had/heeft volgende BTW schulden, nog te vermeerderen met interesten (art. 91, § 4, WBTW) en kosten:

RCIV n° BTW Boete (art. 70§1)Boete (art. 70§4)

406/0719 /03884 - € 1.000,00

406/1128/18080 - € 1.421,20€ 140,00 -

407 /0411/05454 - € 1.553,53€ 155,00 € 200,00

407/1023/08717 - € 1.000,00

408/0422/08910 - € 1.000,00

Voor elk van deze RCIV artikels werd in 2007 of 2008 een dwangbevel betekend middels gerechtsdeurwaardersexploot of bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan cvoa R. & R. (stukken 6, 8, 20 en 23 bundel geïntimeerde).

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 15 januari 2009 werd de vennootschap cvoa R. & R. in staat van faillissement verklaard. Geïntimeerde deed op 12 februari 2009 en op 26 januari 2010 provisioneel en definitief een aangifte van schuldvordering in het faillissement (stuk 26 bundel geïntimeerde : kopie definitieve aangifte van schuldvordering+ bewijs aangetekende verzending).

Bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Leuven van 9 februari 2010 werd het faillissement gesloten verklaard en H. B. als vereffenaar aangesteld.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 3 mei 2011 werd H. B. failliet verklaard.

Op 20 mei 2011 en op 9 augustus deed geïntimeerde een aangifte en een bijkomende aangifte van schuldvordering in dat faillissement.

Bij vonnis van 24 januari 2012 werd het faillissement van H. B. afgesloten.

Middels aangetekende schrijvens van 14 oktober 2013 werden voormelde schulden ter kennis gebracht van R. B. (stukken 29 t.e.m. 33 bundel geïntimeerde).

Met een gerechtsdeurwaardersexploot werd tenslotte een dwangschrift met bevel tot betalen aan appellant R. B. betekend op 29 november 2013 voor de aan de orde zijnde BTW schulden (de schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en …).

In rechte

Standpunt appellant

Appellant voert (ter ondersteuning van zijn vordering) aan dat :

- de BTW aanspraken van de Belgische Staat opzichtens hem verjaard zouden zijn; hij verwijst daarbij naar artikel 81 WBTW dat voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar, en argumenteert dat vermits de vorderingen betrekking hebben op BTW van 2005 en 2006 en er geen deugdelijke stuitings- of schorsingsgronden van de verjaring voorliggen de vorderingen verjaard zijn.

Standpunt van geïntimeerde

De Belgische Staat meent dat zijn aanspraken nog niet verjaard zijn.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.

Gegrondheid

1. De aan de orde zijnde BTW schulden hebben betrekking op het vierde kwartaal van 2005, op 2006 en op 2007 en op januari 2008.

2. Krachtens artikel 81bis §1, 1° en 2° lid WBTW zoals van toepassing in voorliggende zaak verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 81bis, §1, 2de lid, 1° van het btw-wetboek (vervangen bij artikel 191 van de programmawet van 22 december 2008) bepaalt:

“§1 Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

(…)”

De wijzigingen aan de verjaringsregels door de Programmawet van 22 december 2008 werden onmiddellijk van toepassing bij de publicatie van de Programmawet in het Belgisch Staatsblad op 29 december 2008 op alle op dat ogenblik nog niet verjaarde vorderingen tot voldoening van de BTW, interesten en administratieve geldboeten (HEYRMAN, K., "Verjaring", in BTW-Handboek, VANDENBERGH, H. (ed.)., Editie 2014, nr. 2912).

De vorderingen met betrekking tot de aan de orde zijnde BTW-schulden waren op 29 december 2008 nog niet verjaard, zodat artikel 81bis van het BTW-wetboek, zoals gewijzigd door de Programmawet van 28 december 2008 erop van toepassing is.

3. Artikel 83 WBTW, versie zoals van toepassing inzake, bepaalt:

§1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring.

De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in § 1, eerste lid, van dit artikel, bedoelde stuiting."

De verjaringstermijn tot voldoening is vatbaar voor stuiting in de gevallen bedoeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (dagvaarding, bevel tot betaling of een beslag betekend aan diegene die men wil verhinderen van te verjaren), alsook in geval van verzaking aan de verlopen tijd der verjaring of van de kennisgeving van een dwangbevel.

Artikel 1206 BW bepaalt tenslotte dat vervolging tegen één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit ten aanzien van allen.

4. De verjaringstermijn van de vordering tot voldoening van de BTW gaat in op de dag dat de vordering tot voldoening ontstaat (vgl. art. 81 WBTW).

Dit is de datum waarop de indieningstermijn van de aangifte waarin de BTW diende te worden opgenomen verstrijkt, of, indien er geen aangifte diende te worden ingediend, de dag waarop de BTW verschuldigd is.

5. De vorderingen tot voldoening van de aan de orde zijnde BTW schulden zijn ontstaan op de volgende data

RCIV n ° 406/0719/03884

Bijzondere Rekening voor de periode 31 januari 2006 - 30 april 2006,

opgemaakt op 17 juli 2006

Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 8 februari 2007

Dwangbevel (datum betekening) : 19 februari 2007

RCIV n° 406/1128/18080

Proces Verbaal van 27 november 2006

Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 8 februari 2007

Dwangbevel (datum betekening): 19 februari 2007

RCIV n° 407 /0411/05454

Bijzondere Rekening voor de periode 31 oktober 2006 - 31 januari 2007,

opgemaakt op 2 april 2007

Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 27 september 2007

Dwangbevel (datum betekening) : 8 oktober 2007

RCIV n °407/1023/08717

Bijzondere Rekening voor de periode 30 april 2007 - 31 juli 2007,

opgemaakt op 22 oktober 2007

Dwangbevel (datum uitvoerbaarverklaring) : 9 april 2008

Dwangbevel (datum betekening) : 10 april 2008

RCIV n° 408/0422/08910

Bijzondere Rekening voor de periode 31 oktober 2007 - 31 januari 2008,

opgemaakt op 21 april 2008

Dwangbevel {datum uitvoerbaarverklaring) : 12 december 2008

Dwangbevel {datum betekening) : 15 december 2008

6. Door de betekening/kennisgeving van de dwangbevelen op:

RCIV n° Data betekening/kennisgeving dwangbevelen

406/0719/03884 19 februari 2007

406/1128/18080 19 februari 2007

407 /0411/05454 08 oktober 2007

407/1023/08717 10 april 2008

408/0422/08910 15 december 2008

werd de verjaring telkens op die respectievelijke data van betekening/kennisgeving van de dwangbevelen gestuit en begon op die data in toepassing van artikel 83 WBTW een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar te lopen.

7. Het indienen van de verklaring van schuldvordering door de ontvanger heeft tot gevolg dat de verjaring van de vordering tot voldoening (vgl. art. 81 en art. 81bis WBTW) wordt gestuit (vgl. RUYSSCHAERT, S. “De Gevolgen van faillissement en het Gerechtelijk akkoord inzake BTW”, blz. 42).

Door de indiening door de Belgische Staat van een definitieve aangifte van schuldvordering in het faillissement van cvoa R. & R. (op 12 februari 2009 werd een voorlopige schuldvordering ingediend en op 26 januari 2010 werd een definitieve schuldvordering ingediend) werd inzake de nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar -die al naargelang het geval in 2007 of 2008 begon te lopen- op 26 januari 2010 gestuit, ook tegen appellant R. B. (vgl. Cassatie 19 januari 2009 : " het indienen door een schuldeiser van zijn schuldvordering in het faillissement van een hoofdelijke schuldenaar de verjaring stuit ten aanzien van alle hoofdelijke schuldenaars, maar van dan af enkel de verjaring schorst tot de sluiting van het faillissement ten aanzien van de failliet verklaarde hoofdelijke schuldenaar").

Vanaf deze stuiting op 26 januari 2010 begon (weer) een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen (vgl. art. 83 W.BTW) en niet van drie jaar zoals appellant ten onrechte voorhoudt.

8. Door de kennisgeving van de dwangbevelen middels aangetekende schrijvens van 14 oktober 2013 aan appellant R. B. en betekening middels gerechtsdeurwaardersexploot van een dwangschrift met bevel tot betalen aan appellant R. B. op 29 november 2013 werd de verjaring inzake opnieuw rechtsgeldig gestuit wat betreft de aan de orde zijnde BTW schulden (de schulden gekend onder de RCIV artikelnummers …, …, …, … en …).

9. Nu de schulden van de bovenvermelde openstaande RCIV artikelnummers

-op 19/02/2007, 19/02/2007, 08/10/2007, 10/04/2008 en 15/12/2008 betekend of ter kennis werden gebracht van cvoa R. & R.;

-op 26 januari 2010 op definitieve wijze werden aangegeven in het faillissement van cvoa R. & R. en

-middels aangetekende brieven van 14 oktober 2013 houdende kennisgeving van een dwangbevel aan appellant R. B. werden ter kennis gebracht en bij gerechtsdeurwaardersexploot (houdende de betekening van een dwangschrift met bevel tot betalen) aan appellant R. B. op 29 november 2013 betekend,

zijn ze gelet op o.m. de bepalingen van art. 81bis, §1, 2de lid, 1° WBTW, art. 2244 B.W. en art. 83 WBTW niet verjaard.

De Belgische Staat toont op afdoende wijze aan dat de verjaring inzake rechtsgeldig werd gestuit.

10. Het hoger beroep is ongegrond.

Aangaande de kosten

Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te begroten op € … , zijnde het basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Gezien het voorgaande, behoort het de kosten van het hoger beroep ten laste te leggen van appellant, begroot op de voormelde rechtsplegingvergoeding (€ …) voor de procedure in graad van beroep.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

HET HOF,

Rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt appellant tot betaling van de kosten van het hoger beroep, in hoofde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 837 voorkomens
WBTW art. 814 voorkomens
WBTW art. 81bis3 voorkomens
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8