Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.11.2022 (F.22.0006.N)
WF 702-15-14/055847
[Gunstig voor de Belgische staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – overschrijding drempel IC-verwervingen – afstand van verlopen tijd van verjaring – stuitende handeling – afstand van rechtsvordering – taken van dagelijks bestuur
Wettelijke bepalingen
Artikelen 25ter, §1, 2°, b), 81bis, §1, eerste lid en 83, §2 WBTW
Artikelen 821 en 823 Ger W
Samenvatting
1. Feiten en eerste aanleg
De belastingplichtige is een beroepsvereniging die de belangen van de Vlaamse verpleegkundigen en vroedvrouwen verdedigt, en die op grond van artikel 44, §2, 11° WBTW is vrijgesteld.
Bij een controle over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011 werd vastgesteld dat er facturaties plaatsvonden voor levering van tijdschriften door een Nederlandse leverancier zonder dat er voor deze levering in België btw werd afgedragen, ondanks het overschrijden van de aankoopdrempel van art. 25ter, §1, 2°, b) WBTW, voor verplichte IC-verwerving in België. Tijdens de controle ondertekende de algemeen coördinator van de belastingplichtige een verklaring tot afstand van verlopen tijd van verjaring. Tegen de beslissing tot naheffing van 24 december 2013 stelde de belastingplichtige een rechtsvordering die door de rechtbank van eerste aanleg ongegrond werd verklaard. Tegen dit vonnis tekende de belastingplichtige hoger beroep aan.
2. Arrest van het hof van beroep
Het hof oordeelt dat, afstand doen van verlopen termijn van verjaring inzake btw, het afstand doen van een rechtsvordering betreft, zoals bedoeld in artikel 823 Ger W. Het is niet aangetoond dat het doen van een dergelijke afstand van rechtsvordering behoort tot een taak van dagelijks bestuur.
Als gevolg daarvan, verklaart het hof, het betwiste dwangbevel nietig wat betreft de vordering voor 2009 en 2010, wegens verjaring. Er ontbreekt immers een bewezen stuitende handeling. Het bestreden arrest van 1 juni 2021 verklaart het hoger beroep deels gegrond.
Tegen dit arrest werd door de Belgische Staat cassatieberoep ingesteld.
3. Arrest van het Hof van Cassatie
De appelrechter die oordeelt dat de stuitingsdaad van de afstand van de op de verjaring verlopen termijn, zoals bepaald in artikel 83, § 2, WBTW, een afstand van een rechtsvordering betreft zoals bedoeld in artikel 821 Ger W en hieruit afleidt dat de algemeen coördinator deze handeling niet mocht stellen binnen de handelingen van het dagelijks bestuur, waardoor de btw-vordering
van de eiser is verjaard voor de jaren 2009 en 2010 bij gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.
Het Hof van Cassatie vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de belastbaarheid van de handelingen voor de jaren 2009 en 2010 in hoofde van de verweerster en uitspraak doet over de kosten, en verwijst de beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België, Arrest nr. F.22.0006.N
Arrest van 25.11.2022
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Ontvanger van het 5de BTW-Ontvangkantoor, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3103, en de adviseur-generaal-gewestelijk directeur van het centrum KMO Brussel 2, Expertise 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3408,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te …, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
N. V. V. K. V. V. E. V. vzw, met zetel te …, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 041...90,
verweerster.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 juni 2021.
Advocaat-generaal S. R. heeft op 27 oktober 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Sectievoorzitter E. D. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal S. R. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Artikel 83, § 2, Btw-wetboek bepaalt dat de afstand van de op de verjaring verlopen termijn, ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld wordt met de stuitingsdaden zoals bedoeld in de eerste paragraaf.
2. Artikel 821 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van rechtsvordering de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser afzien zowel van de rechtspleging als van het recht zelf. Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht.
3. De afstand van een verweer tegen een belastingsaanspraak, zoals de afstand van de op de verjaring verlopen termijn in de zin van artikel 83, § 2, Btw- wetboek, die geen erkenning van de rechten van de schuldeiser inhoudt, is geen afstand van rechtsvordering in de zin van voormelde wetsbepaling.
4. De appelrechter die oordeelt dat de stuitingsdaad van de afstand van de op de verjaring verlopen termijn, zoals bepaald in artikel 83, § 2, Btw-wetboek, een afstand van een rechtsvordering betreft zoals bedoeld in artikel 821 Gerechtelijk Wetboek en hieruit afleidt dat de algemeen coördinator deze handeling niet mocht stellen binnen de handelingen van het dagelijks bestuur, waardoor de btw- vordering van de eiser is verjaard voor de jaren 2009 en 2010 bij gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
Overige grieven
5. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de belastbaarheid van de handelingen voor de jaren 2009 en 2010 in hoofde van de verweerster en uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter E. D., als voorzitter, sectievoorzitter G. J., en de raadsheren F. v. V., B. W. en F. S. M., en in openbare rechtszitting van 25 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter E. D., in aanwezigheid van advocaat-generaal S. R., met bijstand van griffier V. V. R. .
25 november 2022
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Arrest van het hof van Beroep
Hof van Beroep Brussel, Eindarrest, 6Ne kamer, burgerlijke zaken
Arrest van 01.06.2021
Rol: 2016/AF/357
N. V. V. K. V. V. E. V. V.Z.W., met maatschappelijke zetel te …, ondernemingsnummer BE 041...90,
appellant,
vertegenwoordigd door Mr W. P. (…) loco Mr. V. M. J., advocaat te …,
vertegenwoordigd door Mr W. P. (…) loco Mr. V. F., advocaat te …,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, en vertegenwoordigd door de Ontvanger van het 5e BTW-Ontvangkantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3103, en door de adviseur-generaal-gewestelijk directeur van het Centrum KMO Brussel 2, Expertise 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3408,
geïntimeerde,
ter zitting vertegenwoordigd door Mevrouw X, attaché
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit.
Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 9 augustus 2016, waarvan geen betekeningsakte voorligt, en waartegen hoger beroep werd aangetekend door appellante bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 1 december 2016.
Gezien
- de besluiten van appellante neergelegd ter griffie op 25 april 2017 en 21 augustus 2017 en van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 21 februari 2017, 19 juni 2017, 20 oktober 2017;
- de stukken van appellante neergelegd ter griffie op 16 april 2021 en ter zitting van het hof en deze van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 27 november 2017.
Procedure
Appellante, die een beroepsvereniging is die de belangen behartigt van de Vlaamse verpleegkundigen en vroedvrouwen is niet als belastingplichtige geregistreerd en dit omdat zij de activiteit van een beroepsorganisatie uitoefent, vrijgesteld door het artikel 44 § 2, 11 WBTW.
Op 23 december 2013 werd door de fiscale administratie een proces-verbaal van vaststellingen opgesteld (stuk 8 administratief dossier).
Daarin werd uiteen gezet dat appellante op 14 maart 2012 op haar maatschappelijke zetel gecontroleerd werd voor de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011.
Daarbij zou zijn vastgesteld dat er een facturatie en betalingen plaatsvonden tussen de Nederlandse leverancier R. B. en appellante voor het leveren van een tijdschrift. Op grond daarvan meent de Belgische Staat dat appellante belastbare intracommunautaire verwervingen ontving waarvoor door haar ten onrechte geen BTW werd afgedragen. Op 14 maart 2012 richtte de BTW-administratie aan appellante een voorstel tot naheffing met betrekking tot de facturen van deze Nederlandse leverancier R. B. (stuk 2 administratief dossier).
Op 2 juli 2012 greep een onderhoud plaats met de raadsman van appellante en geïntimeerde (meer bepaald leden van diens diensten) waarbij de raadsman meedeelde dat geen Belgische BTW verschuldigd kon zijn op de facturen van R. B. vermits de tijdschriften niet aan appellante werden geleverd maar wel aan de leden van appellante die hiervoor lidgeld betalen.
Op 6 november 2012 ondertekende de zogenaamde "algemeen coördinator" van appellante een verklaring tot afstand van de verlopen tijd van de verjaring.
In de beslissing tot naheffing van 24 december 2013 bevestigde de Belgische Staat evenwel zijn standpunt. Volgens de fiscale administratie zou uit elementen van het dossier blijken dat appellante schuldenaar is van de Belgische BTW krachtens artikel 51 § 2, 1 en artikel 2Ster § 1 WBTW.
Immers zou appellante de aan haar leden geleverde tijdschriften intracommunautair hebben verworven en zouden deze verwervingen onderworpen zijn aan een BTW-tarief van 6 %. Ook zou bij deze intracommunautaire verwervingen de drempel van € 11.200,00 zijn overschreden, bepaald in artikel 2Ster § 1, 2, b WBTW.
Bij brief van 19 maart 2014 werd bezwaar aangetekend tegen de beslissing tot naheffing.
Op 2 april 2014 werd aan appellante een dwangbevel inzake BTW betekend waarbij in hoofdsom aan BTW een bedrag van € 35.558,50 en administratieve geldboeten van € 8.610,00 werden gevorderd.
Bij beslissing van 8 september 2014 werd het bezwaarschrift van appellante afgewezen. Daarbij stelde geïntimeerde dat de door appellante gestelde handelingen in België plaats vonden op grond van artikel 3bis, 25bis, § 1,en 25 quinquies § 2 WBTW. Tevens stelde hij dat appellante zich bevond in een situatie zoals bedoeld in punt 35 of 38 van de BTW- aanschrijving van 95/007 van 27 april 1995 en dat het zou gaan om een levering die valt onder de zogenaamde regeling van de verkopen op afstand. Dat R. E., de leverancier, zich voor BTW-doeleinden zou hebben laten identificeren in België, zou niet tot gevolg hebben dat er in werkelijkheid sprake is van een levering van de tijdschriften die in België plaats vindt. Het zou daarentegen gaan om een intracommunautaire verwerving van tijdschriften waarbij in 2009 de voornoemde drempel werd overschreden en de intracommunautaire verwerving zou in België hebben plaats gevonden. Daarbij zou appellante de macht gehad hebben al eigenaar om het tijdschrift aan haar te laten leveren om het dan onder haar leden te verdelen. Inzake de afstand van verjaring die werd ondertekend, houdt de Belgische Staat vol dat de persoon die ondertekende, bevoegd was om appellante te vertegenwoordigen, zodat van een verjaring geen sprake is.
Op 22 september 2014 werd het dwangbevel hoger bedoeld opnieuw aan appellante betekend.
Bij fiscaal verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 november 2014 tekende appellante verzet aan tegen het dwangbevel inzake BTW, uitgevaardigd op 10 maart 2014 (met refertenummer ...) door Ontvanger Adviseur a.i. X van het BTW-kantoor Brussel V, gevestigd te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/3103, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 maart 2014 door de heer Eerstaanwezend Inspecteur Dienstchef X, hiertoe gedelegeerd door de Gewestelijk Directeur van de BTW te Brussel, waarin de volgende bedragen gevorderd worden van appellant:
- € 35.558,50 aan BTW;
-€ 7.110,00 aan proportionele geldboeten;
- € 1.500,00 aan niet proportionele geldboeten;
- intresten krachtens artikel 91 § 1 WBTW, te berekenen vanaf 21 januari 2012, te vermeerderen met de reeds verlopen intresten ten bedrage van€ 7.394,40,
hetzij van in totaal€ 51.562,90.
Zij vorderde daarin haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan appellante van alle geïnde BTW, de nalatigheidsintresten en de boetes die erop betrekking hebben. Zij vorderde de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond. Appellante werd veroordeeld tot de kosten van het geding.
Het bestreden vonnis motiveerde deze beslissing door aan te nemen dat een intracommunautaire verwervingen voor de tijdschriften door R. wel degelijk bewezen is in hoofde van appellante en dat de voornoemde drempel wel degelijk overschreden blijkt. De stelling dat de vordering inzake BTW voor 2009 en 2010 verjaard zou zijn, werd afgewezen. De Heer F. die, belast met het dagelijks bestuur van appellante, de hoger genoemde "afstand van termijn van verjaring" tekende zou daartoe wel degelijk voor appellante opgetreden zijn en ervoor bevoegd geweest zijn. Inzake de opgelegde geldboeten meende het bestreden vonnis dat die op hun plaats waren.
Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.
Het dwangbevel inzake BTW is gebaseerd op het proces-verbaal inzake BTW van 23 december 2013, opgesteld door financieel deskundige (van geïntimeerde) X, waarin de bovenstaande positie van de Belgische Staat wordt uiteen gezet en vol gehouden wordt dat appellante tussen 2009 en 2011 intracommunautaire verwerving deed van door de hoger genoemde onderneming R. geleverde tijdschriften voor een totaal bedrag van € 592.641,60, met de hoger genoemde verschuldigdheid inzake BTW en toebehoren en boeten tot gevolg.
In rechte
Standpunt van partijen
Standpunt van appellante
In hoger beroep vordert appellante dat haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.
Zij herneemt haar vordering zoals gesteld in eerste aanleg en vordert, in hoofdorde, de vernietiging van het dwangbevel en vast te stellen dat de vordering van de Belgische Staat verjaard is, en in ondergeschikte orde, vast te stellen dat geen intracommunautaire verwervingen hebben plaats gevonden. In uiterst ondergeschikte orde vordert zij de administratieve boetes kwijt te schelden en de inmiddels gestelde tegenvordering en het incidenteel beroep van de Belgische Staat waarin deze in ondergeschikte orde verzoekt om toepassing van artikel 25quinquies WBTW, af te wijzen. Zij vordert dat de Belgische Staat zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding van beide aanleggen.
Zij vordert daartoe de volgende middelen aan
- de vordering is verjaard in zoverre zij 2009 en 2010 betreft (op grond van de termijn bedoeld in artikel 81bis § 1 lid 1 WBTW) vermits de verklaring van afstand van verjaring ondertekend op 6 november 2012 door Mr. F., de algemeen coördinator van appellante, is ondertekend door een persoon die niet bevoegd was om appellante daarin te vertegenwoordigen en haar in rechte te verbinden;
- krachtens artikel 13 VZW-wet is de raad van bestuur bevoegd om appellante als VZW te vertegenwoordigen, doch niet deze persoon;
- het ondertekenen van een dergelijke afstand is geen daad van dagelijks bestuur; krachtens artikel 14 van de statuten van appellante was deze persoon, Mr. F., ook niet bevoegd om appellante daarbij te vertegenwoordigen;
- in ondergeschikte orde voert appellante aan dat voor de leveringen van de tijdschriften in haren hoofde geen intracommunautaire verwervingen bewezen zijn; het gaat om telkens een zogenaamde "verkoop op afstand" waarbij de plaats van levering België is en de leverancier met toepassing van de Belgische BTW moet factureren, doch enkel indien de zogenaamde "verkoopdrempel" van € 35.000,00 wordt overschreden; verkopen op afstand mogen niet, zoals de Belgische Staat ten onrechte doet, mee in rekening gebracht worden voor de aankoopdrempel geldend voor appellante bedoeld in artikel 25ter WBTW;
- de in Nederland gevestigde onderneming R. opteerde er zelf voor de plaats van de leveringen in België te situeren overeenkomstig artikel 15 § 4 lid 3 WBTW en beschikte in België over een aansprakelijk vertegenwoordiger;
- dat R. op de facturen haar in Nederland toegekend BTW-nr. vermeldde, betekent niet dat is bewezen dat zij haar leveringen in Nederland situeerde;
- vermits het om een principiële betwisting gaat, zijn er geen redenen voorhanden die de oplegging van BTW-boeten wettigen; appellante verzoekt om kwijtschelding daarvan.
Standpunt van de Belgische Staat
De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk te verklaren doch ongegrond en het bestreden vonnis te bevestigen. In ondergeschikte orde en bij wege van incidenteel beroep vordert hij de verschuldigdheid van de BTW vast te stellen op grond van artikel 25quinquies § 5 WBTW en het daarin geformuleerde wettelijk vermoeden. Hij vordert appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Hij voert daartoe de volgende middelen aan
- de vordering is niet verjaard (voor de jaren 2009 en 2010) : er is beroep gedaan op de zevenjarige verjaringstermijn van artikel 81bis § 1 lid 2, 3 WBTW gezien de bewijskrachtige gegevens omtrent de verschuldigdheid van BTW waarvan geïntimeerde kennis heeft gekregen via consultatie van het Europees Controlesysteem VIES over de kwestieuze intracommunautaire leveringen door R.;
- dat het proces-verbaal (hoger bedoeld) het daarover niet heeft, doet daaraan geen afbreuk; dit geldt ook op grond van de leer van het arrest van het Hof van Cassatie van 20 juni 2014;
- de verjaring is gestuit door de dubbele betekening van het dwangbevel, namelijk op 10 maart 2014 en 22 september 2014 en de discussie over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Mr. F. voor de ondertekende "afstand van verjaring" heeft geen belang meer;
- in zoverre de verjaringstermijn van drie jaar (artikel 81bis § 1 lid 1 WBTW) van toepassing zou zijn, is die verklaring wel degelijk geldig en aan appellante toerekenbaar en tegenstelbaar en dat hij geen vertegenwoordigingsbevoegheid voor appellante zou hebben gehad, wordt tegen gesproken door andere stukken zoals een overeenkomst met R. die hij tekende (meer bepaald een bijlage daarbij op 15 november 2010 door hem ondertekend);
- zijn tussenkomst is toerekenbaar aan appellante omdat het gaat om een dringende tussenkomst voor haar om de betekening van een dwangbevel af te wenden;
- in hoofde van appellante zijn de weerhouden intracommunautaire verwervingen bewezen op grond van artikel 25bis § 1 WBTW, artikel 3bis WBTW, artikel 25ter § 1 lid 1 WBTW en artikel 25quinquies § 2 WBTW; zij is door haar verschuldigd op grond van hetgeen bepaald in artikel 51 § 1, 2 WBTW; de levering vindt telkens plaats in België en al van bij de eerste levering in 2009 is het drempelbedrag van € 11.200,00 overschreden; door het meedelen van haar registratienummer aan de Nederlandse leverancier heeft appellante zelf ervoor geopteerd om conform artikel 25ter § 1, lid 3 WBTW de intracommunautaire verwervingen hier in België aan belasting te onderwerpen;
- appellante bewijst niet dat het gaat om "verkopen op afstand" bedoeld in artikel 15 § 4
WBTW;
- de administratieve geldboeten zijn terecht opgelegd, voor een vastgesteld inbreuk, en kunnen niet verminderd of kwijt gescholden worden.
Beoordeling
De al dan niet verjaring van de vordering van de Belgische Staat
De vordering inzake BTW zoals gesteld lastens appellante in deze zaak heeft betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011.
Zij werd voor de eerste keer als dusdanig meegedeeld als volgens de Belgische Staat verschuldigd door en aan appellante bij toezending van de correctieopgave op 14 maart 2012.
Bij mailbericht van 23 oktober 2012, nog eens herhaald op 13 november 2012, verzocht de dienstdoende ambtenaar van de Belgische Staat om terugzending, na ondertekening, van het document betreffende de zogenaamde "afstand van de gelopen termijn van de verjaring" (stuk 6 van geïntimeerde) voor de gevorderde BTW, boeten en toebehoren. Dit document is uiteindelijk aan geïntimeerde terug gezonden ondertekend door de heer M. F., waarbij hij de hoedanigheid vermeldde "algemeen coördinator" onder de plaats op het formulier waard de hoedanigheid van de ondertekenaar moet vermeld worden, hetgeen vooraf gegaan wordt door, tussen haakjes gesteld "zaakvoerder-gedelegeerd bestuurder- gevolmachtigd boekhouder" (stuk 6 van geïntimeerde).
De ontvangst van dat origineel document door de diensten van geïntimeerde werd gemeld per email bericht van 19 november 2012 aan appellante (stuk 7 van geïntimeerde).
Op 24 december 2013 richt de Belgische Staat aan appellante een beslissing tot naheffing, waarbij gesteld wordt dat die gebaseerd is op de vaststellingen gedaan tijdens de controle op 14 maart 2012 opgenomen in het proces-verbaal inzake BTW op 23 december 2013. Het proces-verbaal zelf vermeldt dat uit de tijdens die controle verstrekte elementen zou zijn gebleken dat de gevorderde bedragen inzake BTW en boeten verschuldigd zijn.
Appellante haalt thans aan dat de invordering van de gevorderde bedragen verjaard is voor de bedragen betreffende de jaren 2009 en 2010 en dit omdat, enerzijds, de verjaringstermijn van artikel 81bis § 1 lid 1 WBTW van toepassing is (zijnde bij het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die BTW, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan), en, anderzijds, omdat de verklaring van de afstand van de verjaring hiervoor bedoeld, ondertekend werd door een persoon die daartoe niet bevoegd was om appellante daarbij te verbinden, zijnde de voormelde persoon van de "algemeen coördinator" die geen orgaan van de VZW is of was, die appellante is. Het dwangbevel als verjaringsstuitende daad (betekend op 2 april 2014) zou te laat komen om de verjaring van de vordering voor die jaren 2009 en 2010 nog te stuiten.
Vooreerst stelt de Belgische Staat dat deze discussie in ieder geval zonder belang is omdat voor de verjaring van de vordering voor de jaren 2009 en 2010 de verjaringstermijn van artikel 81bis § 1, lid 2, 3 WBTW van toepassing is en dat de navordering van BTW, intresten en administratieve geldboeten zijn oorzaak vindt in de vondst van bewijskrachtige gegevens waarvan aan de BTW-administratie zoals bedoeld in die bepaling kennis is gegeven.
Aldus zou het dwangbevel in ieder geval binnen de daarin bedoelde termijn van zeven jaar uitgevaardigd zijn en betekend zijn aan appellante zodat van een verjaring van de vorderingen van de Belgische Staat geen sprake is.
Na onderzoek van het geheel der voorgelegde stukken en gegevens heeft het hof niet kunnen vaststellen en aannemen dat de vorderingen van de BTW-administratie in deze zaak, een andere oorzaak hebben dan zijnde gestoeld op de gegevens aangetroffen bij de controle bij appellant gedaan op 14 maart 2012, zoals ook in deze zaak is weergegeven in het proces- verbaal inzake BTW dat nadien is opgesteld en dat duidelijk melding maakt van gegevens aangetroffen bij die controle. Ook geen ander stuk of gegeven voorgelegd door geïntimeerde toont aan dat "bewijskrachtige gegevens" als bedoeld in artikel 81bis § 1, lid 2, 3 WBTW, zijnde die waarvan geïntimeerde "kennis heeft gekregen" (en dit voor de bewuste controle of erna) concreet de aanleiding waren voor een specifieke controle bij appellante of voor de eigenlijke navordering zoals gedaan in het dwangbevel of dat andere dergelijke "bewijskrachtige gegevens" onafhankelijk verkregen van die controle ter plaatse bij appellante, de oorzaak vormden voor de vorderingen hier gesteld.
De Belgische Staat verwijst naar zijn stuk 15, zijnde gegevens volgens hem verkregen uit een informatiesysteem genaamd "VIES", om aan te tonen dat die gegevens de oorzaak vormen voor de navordering. Het betreft twee stukken waarin sprake is van een Nederlandse betrokken leverancier. Als datum van de "aanvraag" vermeldden beide stukken de datum "23/03/2016". Deze stukken tonen niet aan dat geïntimeerde er in het bezit van kwam of dat hij de gegevens geconsulteerd heeft voor de controle op 14 maart 2021. Zij tonen niet aan dat zij als "bewijskrachtig gegeven" bedoeld in de voormelde bepaling de aanleiding zijn geweest voor die controle en zij laten op zich niet toe enige berekening van volgens de Belgische Staat door appellante verschuldigde BTW voor uit Nederland verkregen goederen voor 2009 en 2010 vast te stellen. De vermelding van de datum "23/03/2016" doet eerder vermoeden dat het gaat om een consultatie van de databank VIES op dat ogenblik, di lang na de uitvaardiging van het hier aan de orde zijnde dwangbevel.
De Belgische Staat toont dus niet ten genoegen van recht aan dat de navordering gebaseerd was op "bewijskrachtige gegevens" als bedoeld in artikel 81bis § 1, lid 2, 3 WBTW en met toepassing van de daarin bedoelde verjaringstermijn van zeven jaar voor zijn hier gestelde vordering.
Dat de BTW-administratie buiten de eigenlijke verjaringstermijn van drie jaar, en door een beroep te doen op die van zeven jaar, alsdan alsnog onderzoeksdaden zou kunnen stellen, doet geen afbreuk aan het gegeven dat blijkt dat hier die zevenjarige termijn niet van toepassing kan zijn omdat de navordering van de Belgische Staat niet op dergelijke voornoemde "bewijskrachtige gegevens" gebaseerd is.
Derhalve stelt zich wel degelijk de vraag of de heer F. op het ogenblik van de ondertekening van de voornoemde "afstand van de gelopen termijn van de verjaring" daartoe bevoegd was en of hij bevoegd was appellante in die zin te verbinden.
Overeenkomstig artikel 13 van de VZW-wet is de Raad van Bestuur van de VZW het orgaan dat een VZW vertegenwoordigt bij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. Artikel 21 § 2 van de statuten van appellante zelf (stuk 3 van appellante) stelt dat dit orgaan ook voor appellante deze vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft.
Het doen van afstand van de gelopen termijn van een verjaring inzake BTW betreft een dergelijke handeling.
Krachtens artikel 22, in het bijzonder§ 3 van de statuten van appellante vergt het gehouden zijn van de VZW wegens de handtekening van de "Algemeen Coördinator" het bewijs dat gehandeld is binnen de grenzen van de begroting en conform de beslissingen en visie van de Raad van Bestuur van appellante.
Dit bewijs ligt niet voor. Er is geen bewijs dat voorafgaand aan de ondertekening van de voormelde verklaring door de heer F. de vorderingen opgenomen waren in de begroting van appellante (of dat daarmee in die begroting rekening is gehouden) of dat een beslissing van de Raad van Bestuur van appellante om hem daartoe bevoegd te maken genomen was of dat deze daarover zijn visie gegeven had. Een algemene dergelijke "visie" is niet bewezen. Een speciale volmacht aan de algemeen coördinator tot het ondertekenen van voormelde verklaring van afstand gegeven door de Raad van Bestuur van appellante is niet bewezen.
Aldus voert appellante terecht aan dat deze persoon haar voor die afstand niet kon verbinden.
De vraag stelt zich nog of het ondertekenen van een dergelijke verklaring een daad van "dagelijks bestuur" is als bedoeld in artikel 14 van de statuten van appellante, waarvoor deze persoon Mr. F. wel bevoegd was gezien zijn niet betwiste hoedanigheid van "algemeen coördinator".
Het doen van afstand van een gelopen termijn van de verjaring inzake BTW betreft het doen van afstand van een rechtsvordering zoals bedoeld in artikel 823 Ger.W.. Het is niet aangetoond dat het doen van een dergelijke afstand van rechtsvordering behoort tot een taak van dagelijks bestuur in appellante, als zijnde een taak van dagdagelijks of gering belang.
Het gaat ook niet om een dringende taak in hoofde van deze persoon "F." vermits vanuit het standpunt van appellante alleszins geen dringende noodzaak voorlag een onheil af te wenden bestaande in de vordering van geïntimeerde, die uiteindelijk door de betekening van het dwangbevel toch werkelijkheid geworden is en die als dusdanig niet door de ondertekening van het voormelde stuk inzake de afstand van verjaring definitief afwendbaar was als vordering ten laste van appellante.
Terecht werpt appellante op dat de voormelde ondertekening van de bedoelde "afstand" alleen hoogdringend beschouwd kon worden in hoofde van geïntimeerde (wegens het lopen van de verjaringstermijn), maar niet in de schoot van appellante zelf.
Dat appellante voor contracten die deze algemeen coördinator afsloot voor haar niet zou hebben ingeroepen dat zij aan haar niet tegenstelbaar zijn, betekent niet dat bewezen is dat aan deze persoon F. voor het ondertekenen van de "afstand" voormeld daartoe een vertegenwoordigingsbevoegdheid is gegeven. Het hof is niet geroepen noch bevoegd om te oordelen over enige overeenkomst die geacht is gesloten te zijn geweest door appellante door toedoen van deze persoon, noch over de totstandkoming ervan. Aldus bewijst het tot stand komen van dergelijke contracten in hoofde van appellante geen vertegenwoordigingsbevoegdheid voor deze persoon F. bij het ondertekenen van de afstand van de gelopen termijn van de verjaring hier bedoeld.
Tot slot is gegeven dat de bewuste verklaring geïntimeerde bereikte via toezending door een advocaat, niet van aard om aan de bewuste "verklaring" meer waarde te geven of om er enige vertegenwoordigingsbevoegdheid voor appellante in te lezen.
En evenzeer moet worden opgemerkt dat gezien de vooraf geschreven tekst op de verklaring van afstand van verjaring zelf, waarin melding moet gemaakt worden, zo men niet de BTW- plichtige zelf is als natuurlijke persoon die ondertekent, van de concrete hoedanigheid waarin men tekent, en waarbij sprake is van mogelijke "organen" van een rechtspersoon die voor de rechtspersoon tekent, dit op zich al duidelijk maakt dat door de BTW-administratie bij ontvangst zal moeten worden nagegaan (in een houding van waakzaamheid) of diegene die tekent wel degelijk een vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft voor de BTW-plichtige rechtspersoon die afstand van de gelopen termijn van de verjaring doet.
Dit blijkt in deze zaak niet te zijn gebeurd.
Terecht roept appellante aldus in dat de verjaring van hetgeen gevorderd wordt in zoverre gebaseerd op beweerd belastbare BTW-handelingen voor de jaren 2009 en 2010 in hoofde van appellante op grond van artikel 81bis § 1, lid 1 WBTW een feit is. Dit onderdeel van de vordering van geïntimeerde blijkt verjaard gezien een gebrek aan bewijs van een tijdige stuiting van de verjaring binnen de daarin bedoelde verjaringstermijn van drie jaar.
Het al dan niet bewijs van de belastbaarheid van de handelingen voor het jaar 2011 in hoofde van appellante
De Belgische Staat houdt vol dat voor 2011 sprake is van intracommunautaire verwervingen door appellante voor een maatstaf van heffing van in totaal € 150.000,00 (zijnde drie maal een levering van tijdschriften van € 50.000,00 door de Nederlandse uitgever R. aan appellante, waarbij appellante stelt dat het gaat om tijdschriften die zij leverde aan haar eigen leden, verplegers en vroedvrouwen). Het gaat blijkbaar om een professioneel vaktijdschrift betreffende het beroep van de verpleging of "nursing".
De Belgische Staat voert aan dat :
op de facturen van de Nederlandse leverancier R. B. BV opgemaakt met in de hoofding dienst Nederlands BTW-nummer geen BTW (Nederlandse noch Belgische) vermeld is en dat meermaals het ondernemingsnummer van appellante wordt vermeld;
dat geen verklaring van overschrijding van de drempel bedoeld in artikel 53bis § 1 WBTW door appellante is ingediend (zijnde € 11.200,00) en geen keuzeverklaring om haar intracommunautaire verwervingen van goederen overeenkomstig artikel 25ter § 1, 2, alinea 2 WBTW in België te belasten.
Belgische Staat houdt dus vol dat de leveringen van voormelde tijdschriften aan appellante wegens overschrijding van de voormelde drempel door appellante in 2011, een in hoofde van appellante belastbare intracommunautaire verwerving als bedoeld in artikel 25ter § 1, 2, alinea 2 WBTW is (of beter, wegens overschrijding van die drempel, als bedoeld in artikel 25bis § 1 WBTW).
Appellante daarentegen voert aan dat geen belastbare intracommunautaire verwervingen in haren hoofde bestaan wegens:
- hetgeen bepaald in artikel 15 § 4 lid 3 WBTW, reden waarom de Nederlandse leverancier (die daarvoor de optie uitoefende) dus de Belgische BTW had moeten aanrekenen;
- dat het gaat om een "verkoop op afstand" waarbij de verkoopdrempel geldig is zodat de Nederlandse leverancier had moeten factureren met Belgische BTW;
- dat appellante geen afnemer van de tijdschriften is omdat ze rechtstreeks naar de leden worden gestuurd door de uitgever.
Appellante voert aan dat de leverancier van de tijdschriften een verkoop op afstand realiseerde in de zin van (oud) artikel 15 § 4 WBTW en dat de ganse verrichting alleen als zodanig gekwalificeerd kan worden, zodat deze leverancier belastbaar is met de BTW op de maatstaf van heffing, bij uitsluiting van appellante.
In concreto stelt zij dat de Nederlandse leverancier de optie heeft uitgeoefend bedoeld in de laatste alinea van de laatst genoemde bepaling van het WBTW (zoals van toepassing in 2011) en ervoor heeft gekozen dat de plaats van de levering van de tijdschriften België was.
Evenwel blijkt uit het geheel van aan het hof voorgelegde gegevens en stukken niet dat de Nederlandse leverancier R. die optie uitoefende.
Het gegeven op zich dat zij in België beschikte over een aansprakelijke vertegenwoordiger toont dit niet aan.
De 3 facturen voor 2011 vermelden trouwens het identificatienummer (ondernemingsnummer) van appellante met de melding "BTW verlegd". Hoewel dit mogelijk een terminologie is die niet onmiddellijk strookt met de kwalificatie van een door appellante te verrichten intracommunautaire verwerving met BTW, duidt dit alleszins aan dat de Nederlandse leverancier niet van mening was dat hij een "verkoop op afstand" deed als bedoeld in het toen geldende artikel 15 § 4 WBTW waarvoor hijzelf (of hij via zijn aansprakelijk vertegenwoordiger) de Belgische BTW moest aanrekenen. De Belgische Staat wijst er wat dat betreft terecht op dat de Nederlandse leverancier blijkbaar de geleverde goederen opname in het zogenaamd "VIES"-systeem (cfr. hoger) als vrijgestelde intracommunautaire leveringen in haren hoofde. Het feit dat de Nederlandse leverancier betaling vroeg op een bankrekeningnummer gehouden bij een bank in Turnhout doet aan het voorgaande geen afbreuk.
Vermits voor 2011 niet is bewezen dat de Nederlandse leverancier gebruik maakte van de optie bedoeld in artikel 15 § 4 WBTW komt het verder overbodig voor nog de argumenten van partijen te behandelen nopens de vraag of de zogenaamde aankoop- en verkoopdrempels respectievelijk in hoofde van beiden overschreven werden of niet.
Het gegeven dat de bewuste regeling "verkoop op afstand" blijkbaar vanaf 2012 wel door de Nederlandse leverancier werd toegepast, verhelpt niet dat niet is bewezen dat zij in 2011 geacht moet worden te zijn toegepast.
Appellante voert dan nog aan dat zij niet de afnemer van de tijdschriften kan zijn zoals bedoeld in artikel 25bis § 1 WBTW omdat de tijdschriften rechtstreeks geleverd zijn aan de leden van appellante en zij dus niet de juridische macht heeft gehad om als eigenaar over de aan haar leden geleverde tijdschriften te beschikken zoals bedoeld in de laatst genoemde bepaling van het WBTW.
Met deze stelling kan niet ingestemd worden. Het feit alleen dat appellante de juridische macht had om ondanks een verwerving van de tijdschriften door haarzelf, ze te doen leveren aan haar leden, toont de voormelde juridische beschikkingsmacht als eigenaar over de tijdschriften wel degelijk aan (cfr. eveneens artikel 10 § 1, lid 1 WBTW). De grens van € 11.200,00 (zijnde de aankoopdrempel voornoemd) blijkt dan ook wel degelijk te zijn overschreden en dit alleen al gezien de omvang van de maatstaf van heffing in 2011 zelf (zijnde de totaliteit van de prijs van de geleverde tijdschriften).
De vordering in het dwangbevel in zoverre zij betrekking heeft op de BTW (en toebehoren) voor in 2011 door appellante gedane intracommunautaire verwervingen blijkt derhalve wel degelijk gegrond.
Aangaande de gevorderde administratieve boeten
Het hof kan verder met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde BTW boeten, die, hoewel administratiefrechtelijk opgelegd, van strafrechtelijke aard zijn (cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest E. v. Nederland, 8 juli 1976, Pub/. Eur. Court H.R. Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest L. o v. Slovakije, 2 september 1998, Reports 1998 VI). De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete inzake BTW zonder dat hij deze om redenen van opportuniteit of billijkheid kan kwijtschelden (Cass. 5 februari 1999; Cass. 24 januari 2002; Cass. 21 januari 2005; www.juridat.be; G.H. 24 februari 1999).
In het dwangbevel worden proportionele geldboeten gevorderd, die in ieder geval te beperken zijn voor die betreffende de BTW voor 2011, en die al verminderd werden volgens een tarief van 20 % (en niet 200 %), en een niet proportionele geldboete ten bedrage van (voor 2011) € 500,00 wegens de afwezigheid van de indiening van een verklaring van overschrijding van de hoger bedoelde aankoopdrempel (art. 53bis WBTW en K.B. BTW nr. 10).
De opgelegde BTW boeten, in de mate zoals nog invorderbaar gezien de gedeeltelijke vernietiging van het dwangbevel, blijven strafrechtelijk van aard, zelfs indien zij eerder beperkt zijn.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals in concreto opgelegd, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de boete kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be).
In het thans voorliggende geval komt alleen de door de Belgische Staat gevorderde BTW boete, in de mate dat het gaat om de niet-proportionele geldboete wegens het niet indienen van de voornoemde bedoelde verklaring inzake overschrijding van de aankoopdrempel in 2011, voor als een sanctionering die is aangepast aan de aard en de ernst van de door appellante in de bewuste aangiftetijdvakken inzake BTW begane overtredingen van de BTW reglementering. Slechts in die mate is de totaliteit van de in het dwangbevel opgelegde geldboeten voor 2011 aangepast aan de aard en de ernst van de door appellante begane overtredingen en slechts in die mate zijn de BTW-boeten invorderbaar.
Immers betreft huidig geding grotendeels een principiële rechtsvraag zodat in de andere mate de aan appellante opgelegde bestraffing disproportioneel zou zijn.
Daaruit volgt dat, enkel in de hiervoor bedoelde mate en beperkt tot de niet-proportionele geldboete voor 2011 de in het dwangbevel gevorderde geldboeten invorderbaar zijn.
Deze aldus bepaalde niet proportionele BTW-boete alleen leidt tot een sanctionering aangepast aan de aard en de ernst van de begane overtredingen. Zij leidt tevens tot een sanctionering evenredig met de omvang van de inbreuken.
Slechts in die mate kunnen de opgelegde BTW-boeten, zoals gevorderd in het dwangbevel, ingevorderd worden.
Aangaande de kosten van het geding
Gelet op het voorgaande, moet appellante veroordeeld worden tot 1/3 van de kosten van de procedure in beide aanleggen en geïntimeerde tot 2/3 van deze kosten, begroot aan de zijde van appellante op € 2.750,00 rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op € 3.000,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op € 0,00 aan de zijde van de Belgische Staat die in beide aanleggen vertegenwoordigd werd door één van zijn ambtenaren.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond,
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens in zoverre het de vordering van appellante ontvankelijk verklaarde,
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel slechts invorderbaar is lastens appellante in zoverre het betrekking heeft op de BTW gevorderd voor 2011 en op de daarop betrekking hebbende toebehoren, intresten, nalatigheidsintresten, moratoire intresten, de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen, en in zoverre voor 2011 een niet proportionele geldboete is opgelegd,
Verklaart het bestreden dwangbevel voor het overige nietig wegens onder meer verjaring van de vordering inzake BTW, intresten en administratieve boeten voor 2009 en 2010 zoals gevorderd, en gelet op de hoger staande redengeving inzake disproportionaliteit van overige administratieve boeten in zoverre gevorderd voor 2011,
Veroordeelt appellante tot 1/3 van de kosten van de procedure in beide aanleggen en geïntimeerde tot 2/3 van deze kosten, begroot aan de zijde van appellante op € 2.750,00 rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op € 3.000,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op € 0,00 aan de zijde van de Belgische Staat appellante.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 1 juni 2021
Vonnis van de rechtbank van eerst aanleg
Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, burgerlijke rechtbank, 35ste kamer burgerlijke zaken
Eindvonnis van 9 augustus 2016
Rol: A.R.2014/5634/A
In zake van:
Het N. V. V. K. V. V. v.z.w. met
Maatschappelijke zetel te … en met ondernemingsnummer 041...90.
Vertegenwoordigd door Mr. P. W. loco Mr. J. V. M., advocaat met kantoor te … die samen optreedt met Mr. F. V., advocaat met kantoor te … .
EISENDE PARTIJ.
De BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
De F.O.D. Financiën - Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector der B.T.W.• vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van het Centrum K.M.O. Brussel 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50/b3408.
Vertegenwoordigde door de heer X, ambtenaar- adviseur.
VERWERENDE PARTIJ.
In deze zaak, in beraad genomen op 3/05/2016, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
Gelet op:
• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partijen en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 4/11/14;
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §1 van het gerechtelijk wetboek van 5/12/14;
• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op 10/03/15, 30/09/15 en op 30/03/16;
• de eerste conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij zoals neergelegd ter griffie op 30/06/15 en op 28/12/15;
• de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 10/03/15 en op 30/03/16;
• de stukken voor eisende partij neergelegd ter griffie op 8/04/16;
Partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 3/05/16, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
De betwisting heeft betrekking op het hierna volgende BTW-dwangbevel.
Eisende partij is een beroepsvereniging.
In de periode 2009-2011 kocht eisende partij bij het Nederlandse bedrijf B. R. B.V. tijdschriften aan.
Het Nederlandse bedrijf, dat de tijdschriften rechtsreeks naar de leden van eisende partij verzond, factureerde deze aankoop (aan eisende partij) zonder B.T.W. aan te rekenen. Op de factuur/facturen werd vermeld: 'BTW verlegd: BE410...90'.
Na controle (14/03/12) werd eisende partij een voorstel tot naheffing gedaan waarin in toepassing van art. 51§1,2° W.B.T.W. (de) verschuldigde belasting wordt geëist over de verrichte belastbare intracommunautaire verwervingen van goederen.
Na een aantal contracten over en weer blijft eisende partij bij haar standpunt dat er volgens haar geen B.T.W. verschuldigd is. De naheffing B.T.W. werd niet betaald.
Op 23 december 2013 wordt uiteindelijk een proces-verbaal opgesteld. Samen met een beslissing tot naheffing wordt dit proces-verbaal per aangetekend schrijven aan eisende partij overgemaakt.
Vervolgens werd op 10/03/14 een dwangbevel nr. ... uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11/03/14, op naam van eerste eisende partij dat op 2/04/14 werd betekend aan eisende partij.
Volgens dit dwangbevel zou eerste eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder:
B.T.W. : € 35 558,50
Geldboete (proportioneel) : € 7 110,00
(niet-proportioneel) : €1 500,00
Interesten: p.m. (art.91§1 W.B.T.W.)
D.m.v. verzoekschrift neergelegd op 4/11/14 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering strekt ertoe het dwangbevel dd. 10/03/14 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld, niet verschuldigd zijn.
Tot slot beoogt de vordering de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding. Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.I. Ontvankelijkheid
De vordering van eisende partij werd ingesteld bij verzoekschrift (art. 1385 decies en undecies Ger. W.) neergelegd ter griffie op 4/11/14.
Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij niet.
Nu er ook geen ambtshalve gronden van niet- ontvankelijkheid voorhanden zijn, dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.
3.II. Gegrondheid
Eisende partij voert aan dat :
- er geen intracommunautaire verwerving in hoofde van haar voorhanden is, zodat ze niet gehouden is tot betaling van B.T.W. Het is B. R. BV die nagelaten heeft Belgische B.T.W. te factureren.
De plaats van de levering van goederen situeert zich in België, er kan dan ook geen sprake zijn van een belastbare intracommunautaire verwerving.
Inzake opteerde de buitenlandse leverancier België als plaats van levering aan te duiden zodat we ons in de door art. 15§4 W.B.T.W. voorziene situatie bevinden ten gevolge waarvan art. 25ter§1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.
- In ondergeschikte orde voert eisende partij dat er verjaring voorhanden zou zijn.
- Uiterst ondergeschikt verzoekt eisende partij om kwijtschelding van boeten.
M.b.t. het argument dat er geen B. T.W. verschuldigd zou zijn door eisende partij
Eisende partij voert vooreerst aan dat er geen B.T.W. verschuldigd zou zijn door haar omdat de plaats van levering van de tijdschriften (door het N. B. b.v.) België is, waardoor er geen sprake is van een intracommunautaire verwerving in hoofde van eisende partij. Het is B. b.v. dat heeft nagelaten B.T.W. te factureren.
Daarbij verwijst ze naar Art. 15§4 W.B.T.W. en art. 25ter§1 W.B.TW. Het spreekt voor zich dat, nog steeds aldus eisende partij, de levering van de goederen zich in België situeert.
Ook wanneer een buitenlands leverancier ervoor opteert om België als plaats van levering aan te duiden, situeert de plaats van levering zich in België : een leverancier die daarvoor opteert bevindt zich de facto in een door art. 15§4 W.B.T.W. voorziene situatie ten gevolge waarvan art. 25ter§1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.
De plaats van de levering van goederen situeert zich in België, er kan dan ook geen sprake zijn van een belastbare intracommunautaire verwerving.
Inzake opteerde de buitenlandse leverancier België als plaats van levering aan te duiden zodat we ons in de door art. 15§4 W.B.T.W. voorziene situatie bevinden ten gevolge waarvan art. 25ter§1 W.B.T.W. geen toepassing kan vinden opzichtens de afnemer.
Verweerder stelt dat eisende partij ten onrechte verwijst naar art. 15§4 W.B.T.W. omdat eisende partij een belastingplichtige is/zou zijn waarop de afwijking van art. 25ter§1, tweede lid W.B.T.W. niet toepasselijk zou zijn wegens de overschrijding van de drempel van € 11.200,00.
Het is onjuist dat R. B. b.v. er voor gekozen heeft dat de plaats van levering België is.
Beoordeling
Uit het dossier blijkt dat wel degelijk een intracommunautaire levering (art. 25bis§1) door R. B. B.V. aan eisende partij heeft plaatsgevonden en dat deze laatste de afnemer is van de goederen.
Lichamelijk roerende goederen (tijdschriften) werden over de grens Nederland/België vervoerd door of voor rekening van de verkoper met als bestemming de afnemer.
Bovendien is er een overdracht van het recht om juridisch over het goed te beschikken, voorhanden (vandaar de opdracht de tijdschriften rechtstreeks aan de leden in België toe te sturen).
Op basis van art. 25bis§1 W .B.T.W .is de levering een intracommunautaire verwerving in hoofde van eisende partij die op basis van art. 25quinquies§2 W.B.T.W. in België plaatsvindt (art. 25quinquies§2 W.B.T.W. bepaalt dat als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer).
Op basis van art. 3bis W.B.T.W. en art. 25ter§1,1° lid W.B.T.W. dient deze verwerving in België aan de B.T.W. onderworpen te worden.
De belasting is tenslotte in toepassing van art. 51§1,2° W.B.T.W. door eisende partij verschuldigd ('degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht').
Artikel 15§4 W.B.T.W. is niet van toepassing inzake.
Artikel 15 §4 W.B.T.W. bepaalt dat "de plaats van een levering van goederen geacht wordt zich in België te bevinden, wanneer ze door of voor rekening van de leverancier naar België wordt verzonden of vervoerd vanuit een andere Lid-Staat en indien de levering van de goederen wordt verricht voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de afwijking van artikel 25ter, §1, tweede lid toepasselijk is, of voor enige andere belastingplichtige. (...) Het vorige lid is echter niet van toepassing op de leveringen van goederen ten belope van een bedrag dat niet hoger mag zijn dan 35.000 euro."
Uit artikel 15, §4, eerste lid W.B.T.W. volgt dat een levering slechts onder toepassing valt van de regeling van de verkopen op afstand indien de koper ofwel een particulier is, ofwel een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de afwijking van artikel 25ter, §1, tweede lid, 2° WBTW van toepassing is. Hiermee worden de personen bedoeld die er niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen aan de BTW te onderwerpen. Het gaat meer bepaald om de volgende vier categorieën van personen
- de belastingplichtigen die genieten van de bijzondere landbouwregeling van artikel 57 W.B.T.W. Het gaat om landbouwondernemingen die producten van hun bedrijf leveren of landbouwdiensten verrichten. De belasting geheven op deze leveringen of diensten wordt hen bij wijze van forfaitaire compensatie terugbetaald;
- de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56, §2 W.B.T.W. Een belastingplichtige wordt als een kleine onderneming beschouwd indien de jaaromzet gerealiseerd tijdens het voorgaande kalenderjaar niet meer bedraagt dan 5.580 euro (artikel 1 KB nr. 19); de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 44 W.B.T.W. Dit zijn de belastingplichtigen zonder recht op aftrek van de B.T.W. zoals advocaten, tandartsen, scholen en ziekenhuizen;
- niet-belastingplichtige rechtspersonen zoals de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten.
Voor een particulier is zijn hoedanigheid als particulier voldoende om onder de regeling van de verkoop op afstand te kunnen vallen indien aan alle toepassingsvoorwaarden is voldaan.
Voor de leden van de vier hogervermelde categorieën geldt echter nog een bijkomende voorwaarde: zij kunnen slechts worden onderworpen aan de regeling van de verkoop op afstand indien zij noch tijdens het lopende kalenderjaar, noch in de loop van het voorafgaande kalenderjaar intracommunautaire verwervingen hebben verricht voor een bedrag dat hoger is dan 11.200,00 euro (artikel 25ter, §1, tweede lid, 2°). Dit noemt men de aankoopdrempel.
Eens deze aankoopdrempel is overschreden, vallen de leden van deze categorieën onder de regeling van de intracommunautaire verwervingen, waardoor de regeling van de verkoop op afstand wordt uitgesloten.
Om na te gaan of eisende partij de aankoopdrempel heeft overschreden, moet rekening worden gehouden met alle aankopen, exclusief B.T.W., verricht in de andere Lid-Staten, die in België aanleiding geven tot een intracommunautaire verwerving.
Uit de stukken blijkt dat wat eisende partij betreft, de drempel van € 11.200,00 reeds bij de eerste levering werd overschreden.
Eisende partij is m.a.w. een belastingplichtige op wie de afwijking van art. 25ter§1, tweede lid niet toepasselijk is.
Verder blijkt dat R. B. b.v. haar facturen opmaakte met vermelding van haar Nederlands B.T.W. nummer maar geen B.T.W. aanrekende. Hieruit moet met verweerder geconcludeerd worden dat dit aangeeft dat deze factuur/facturen aangeeft/aangeven een intracommunautaire levering als voorwerp te hebben. Dit wordt nog versterkt door de vermelding 'B.T.W. verlegd' op meerdere facturen én door het feit dat R. B. b.v. de leveringen in kwestie (bovendien) opnam in de door haar ingediende opgave van de door haar vrijgestelde intracommunautaire handelingen.
Bovendien nam R. B. B.V. de leveringen op in de door haar ingediende opgave van de door haar verrichte vrijgestelde intracommunautaire handelingen : uit de gegevens van het VIES - systeem blijkt duidelijk dat de betwiste leveringen van tijdschriften door R. B. B.V. het Europese verificatiesysteem VIES werden opgenomen als vrijgestelde intracommunautaire leveringen.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
M.b.t. het argument dat er verjaring voorhanden zou zijn
Eisende partij voert aan dat de vordering tot voldoening van de B.T.W. voor wat betreft de jaren 2009 en 2010, verjaard zou zijn.
De door de heer M. F. ondertekende verklaring tot afstand van verjaring, verhindert niet dat de verjaringstermijn is verstreken. De heer M. F. is immers niet bevoegd om eisende partij in rechte te verbinden.
Verweerder stelt dat de verklaring tot afstand van verjaring geldig is.
Beoordeling
Om daadwerkelijk zijn rechten te kunnen uitoefenen en zijn verplichtingen te kunnen naleven, moet een rechtspersoon beroep doen op natuurlijke personen die zijn rechten uitoefenen en zijn verplichtingen uitvoeren.
Die natuurlijke personen zijn de zogenoemde organen van de rechtspersoon wanneer ze binnen hun functie optreden. Als zij handelen in naam van de rechtspersoon worden die handelingen in beginsel automatisch toegerekend aan de betrokken rechtspersoon. Het is alsof de rechtspersoon zelf optreedt.
(vgl. art. 703 Ger. W. : op grond van artikel 703 Ger. W. treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen).
Art. 22 van de statuten van eisende partij bepaalt dat ze ten opzichte van derden slechts gehouden kan zijn door de handtekening van de algemeen coördinator voor zover die handelt binnen de grenzen van de begroting en conform de beslissingen en visie van de raad van bestuur.
Art. 14 van de statuten van eisende partij bepaalt dat het dagelijks bestuur wordt waargenomen door een algemeen coördinator.
Om te bepalen of een 'dagelijks bestuurder', zoals de algemeen coördinator inzake er een is (in een v.z.w.), al dan niet de verklaring in kwestie kon ondertekenen, dient nagegaan te worden of dit binnen diens bevoegdheden valt.
Inzake is er evenwel zelfs nog geen sprake van een geschil.
De wetgever heeft de notie 'dagelijks bestuur' wel in de wet ingeschreven, maar heeft tot op heden nagelaten om dit begrip ook effectief te definiëren.
Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat 'dagelijks bestuur' herhaaldelijk omschreven wordt als omvattende de handelingen "die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vennootschap (inzake de vzw), of de behoeften die om reden zowel van het minder belang dat ze vertonen, als van de noodzakelijkheid een spoedige oplossing te treffen, de tussenkomst van de raad van bestuur niet rechtvaardigen".
Op basis van deze rechtspraak kunnen aldus twee categorieën van handelingen worden onderscheiden:
• handelingen die het dagelijks reilen en zeilen van de vennootschap betreffen en in die zin courant zijn, en;
• handelingen die eerder uitzonderlijk zijn, maar omwille van hun gering belang alsook het feit dat een spoedige beslissing noodzakelijk is, eveneens onder dagelijks bestuur vallen.
Volgens de meest recente rechtspraak van het Hof van Cassatie (cassatie 26/02/09), strikt te interpreteren, zou de raad van bestuur zich moeten bezig houden met 'onbenulligheden' die niet dringend zijn.
Quid nu m.b.t. een verklaring van afstand van verjaring.
Dit is volgens de rechtbank een handeling die eerder met het dagelijks reilen en zeilen te maken heeft.
Daarnaast is dit meestal dringend.
Indien dergelijke verklaring geen dagdagelijks iets is, maar wel uitzonderlijk en dringend, dan valt ze ook onder dagelijks bestuur.
De betekening van een verjaringsstuitend dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder (en dan vooral de daaraan verbonden kostprijs) vermijden door het ondertekenen van een verklaring van afstand van verjaring, is een handeling van dagelijks bestuur, van deugdelijk dagelijks bestuur. De ondertekening van dergelijke verklaring houdt geen schulderkentenis in zodat men steeds binnen de grenzen van de begroting blijft.
De heer M. F., algemeen coördinator van eisende partij ondertekende zodoende rechtsgeldig een verklaring tot afstand van de gelopen verjaring.
Ten overvloede kan nog gewezen worden op het stuk 14 (bundel verweerder) waaruit blijkt dat diezelfde heer M. F. {blijkbaar) zelfs contracten (houdende het aangaan/verlengen van abonnementen ter waard van € 20.000,00) mocht ondertekenen voor de vzw.
Het argument van eisende partij kan zodoende geenszins worden gevolgd.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
M.b.t. de boeten
Eisende partij voert aan dat gezien het inzake een principiële betwisting betreft, de opgelegde boeten dienen te worden kwijtgescholden.
Verweerder stelt dat de rechter zich niet kan uitspreken over de opportuniteit van de opgelegde boeten.
Beoordeling
De opgelegde geldboetes bestaan enerzijds uit een proportionele geldboete {200%, verminderd tot 20% of€ 7.100,00) en anderzijds verscheidene niet proportionele boetes (voor€ 1.500,00) (3 X 500,00).
Wat betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel, kunnen de volgende algemene uitgangspunten in herinnering gebracht worden.
Er moet aangenomen worden dat de rechtbank bij de beoordeling van een boete op basis van artikel 70 W.B.T.W. een even ruime controle moet kunnen uitoefenen zoals deze bestaat in hoofde van de administratie.
Artikelen 70, §1 en volgende W.B.T.W. moeten op deze wijze geïnterpreteerd worden dat de rechter met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen over de kwijtschelding of vermindering van een administratieve geldboete. Hierbij moet de rechtbank kunnen nagaan of alle wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder de evenredigheid, werden nageleefd bij het opleggen van de boete (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 79/2008, 15/05/2008, overweging B.8). In een andere interpretatie is deze bepaling immers niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 gec. G.W. en artikel 6 Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (zie overweging B6.2 van datzelfde arrest).
De omvang van de toetsingsbevoegdheid van de hoven en rechtbanken moet dus even ver gaan als de wettelijke mogelijkheden die de administratie of de minister hebben om een administratieve boete kwijt te schelden, met name ook op grond van artikel 9 van het regentsbesluit van 18/03/1831.
Doordat de rechtbank gebonden en beperkt is tot de mogelijkheden die de administratie heeft om de opgelegde boete kwijt te schelden of te verminderen, kan deze niet om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de boete verminderen of kwijtschelden (vgl. o.m. Cass. 16/02/2007, rolnummers C.04.0390.N, F.06.0032.N en F.05.0015.N; Cass. 12/12/2008, F.J.F. 2009, 615 en Cass. 13/02/2009, F.J.F. 2009, 906; voor een bespreking zie D. NORE en F. SMET, '”Hof van Cassatie verduidelijkt evenredigheidstoetsing", Fiscoloog 2009, afl. 1156, 4-6 en F. SMET, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel" - noot onder Cass. 13/02/2009, T.F.R. 2009, 903-909).
Er kan wel nagegaan worden of deze boete wettig is en in overeenstemming met de beginselen behoorlijk bestuur (met name proportioneel en evenredig, vgl. Brussel 21/01/2009, Fisc.Koer. 2009, p. 363 (weergave); zie F. SMETS, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?", T.F.R. 2009, 903-909).
De boetes zijn helemaal niet zo omvangrijk, en de betwisting is niet van principiële aard.
Dit middel van eisende partij is niet gegrond.
De vordering van eisende partij is ongegrond.
4. WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
Aangezien de vordering van eisende partij ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.
Nu verweerder niet door een advocaat wordt/werd vertegenwoordigd heeft hij evenwel geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszáken,
Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond,
Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet verder te begroten.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 3Sste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 9 augustus 2016.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
14Rechtspraak
1België
1Hof van beroep2024/AR/118427.01.2026