Verjaring van de vordering tot voldoening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie F.12.0134.F 20 juni 2014

Zoeken
Tekst in het Frans

Verjaring van de vordering tot voldoening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-vordering-voldoening-termijn-jaar-cassatie-brussel-2014-06-20-a158

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
F.12.0134.F
Datum
20 juni 2014

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

81 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 20.06.2014 (F.12.0134.F)

Belasting over de toegevoegde waarde – Verjaring van de vordering tot voldoening – Termijn van 7 jaar – Rechtsvordering die inbreuken aantoont – Bijkomende onderzoekingen - Rechtsvordering die inbreuken aantoont – Afwezigheid van de verplichting tot voorafgaande kennisgeving – Afwezigheid van discriminatie - Feitelijk vermoeden - Marginale toetsing uitgeoefend door het Hof van Cassatie

Wettelijke basis

Wetboek Btw, Artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2°, oud, Artikel 81bis, § 1, alinea 2, oud, Artikel 84ter

Burgerlijk Wetboek, Artikel 1353

Samenvatting

1. Artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2°, oud, van het Wetboek van de BTW (rechtsvordering), sluit niet uit dat bijkomende onderzoeken nodig zouden zijn om de belastbare handelingen of de onregelmatige aftrek, welke de rechtsvordering laat blijken, aan te tonen.

Het middel dat aanvoert dat de aanwezigheid van verrichte onderzoeken buiten de gewone verjaringstermijn van drie jaar voor de vordering tot voldoening een beletsel vormt dat belastbare handelingen of onregelmatige aftrekken zouden kunnen blijken uit een rechtsvordering, faalt naar recht.

2. De verplichting tot voorafgaandelijke kennisgeving opgelegd door artikel 84ter van het Wetboek van de BTW bestaat niet in hoofde van de administratie wanneer zij voornemens is de verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2), oud, van het Wetboek van de BTW toe te passen, zelfs wanneer zij met betrekking tot belastbare handelingen of onregelmatige aftrekken welke de rechtsvordering laat blijken, nog gehouden is tot bijkomende onderzoeken buiten de gewone verjaringstermijn van drie jaar voorzien in artikel 81bis, § 1, eerste alinea van dit Wetboek.

Er bestaat geen door de Grondwet verboden discriminatie, noch, enerzijds, tussen schuldenaars die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, een overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 hebben begaan en zij ten aanzien van wie een rechtsvordering het bestaan van belastbare handelingen of onregelmatige aftrekken laat blijken en die niet hebben gehandeld met een dergelijke intentie of met een dergelijk voornemen, noch, anderzijds, tussen schuldenaars die allen hebben gehandeld met dergelijk bedrieglijk opzet of met dergelijk voornemen, naargelang dat de belastbare handelingen of de onregelmatige aftrekken al dan niet blijken uit een rechtsvordering, zodra deze schuldenaars zich in verschillende omstandigheden bevinden, onderworpen zijn aan verschillende regels, welke zonder onderscheid van toepassing zijn op allen die zich in dezelfde situatie bevinden.

3. In de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek worden de vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter.

In situaties waarin het bewijs door vermoedens wettelijk toegelaten is, beoordeelt de rechter in de feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zich baseert.

Het bestaan van een verband tussen de door het hof van beroep vastgestelde feiten en de gevolgen die zij hieruit afleidt, kan niet worden uitgesloten. De betekenis die zij hieraan heeft gegeven, is haar eigen beoordeling.

Het Hof van cassatie herinnert eraan dat zij enkel controleert of de rechter niet het begrip « feitelijk vermoeden » heeft geschonden en of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen heeft afgeleid die, ten gronde, niet vatbaar zijn voor geen enkele verantwoording.

Opmerkingen

1. De bepaling welke werd ingeschreven in artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2°, van het Wetboek van de BTW werd hernomen onder het nieuwe tweede alinea, 2°, van artikel 81bis, § 1. In het huidige artikel 81bis, § 1, tweede alinea, werden de bepalingen vermeld onder 1°, 2° en 3° verduidelijkt, omdat de verjaringstermijn van zeven jaar ook speelt, onder andere, wanneer inlichtingen ontvangen vanuit het buitenland, een rechtsvordering of bewijskrachtige gegevens aantonen dat er « handelingen ten onrechte werden vrijgesteld ». Artikel 81bis, § 1, tweede alinea, van het Wetboek van de BTW werd opgeheven en een nieuw artikel 81bis, § 1, tweede alinea (oorspronkelijk artikel 81bis, § 1, derde alinea, W. BTW) werd aangevuld met een bepaling onder 4°, zodat de verjaringstermijn van zeven jaar eveneens van toepassing zal zijn voor « overtredingen bedoeld in de artikelen 70 en 71 en begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden ». Er wordt verwezen naar de artikelen 191 tot 193 van de Programmawet van 22 december 2008 (Belgisch Staatsblad van 29 december 2008, ed. 4, blz. 68.649) en becommentarieerd door de administratieve circulaire nr. AAF/2009 – 0276 – 2 (AAF Nr. 7/2009) - Ci. RH. 81/597.982 (AOIF Nr 35/2009) van 1 juli 2009 (Fisconetplus).

2. De eerste rechter heeft de toepassing van de verjaringstermijn van 7 jaar verworpen om reden dat het proces-verbaal dat aan de basis lag van het betwiste dwangbevel geen melding maakte van het artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2°, van het Wetboek van de BTW, in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten, en geen melding maakte van de juridische stappen die het onrechtmatig karakter van de betwiste aftrekken liet blijken. Het hof van beroep verwierp deze interpretatie om reden dat de inwerkingtreding van deze bepaling geen enkele voorafgaandelijke kennisgeving noodzakelijk maakte.

De belastingplichtige heeft deze redenering bestreden omwille van de schending van de bewijskracht van het proces-verbaal welke geen melding maakte van het toegepaste wetsartikel. Het Hof van cassatie stelt, met reden, vast dat het hof van beroep geen enkele interpretatie heeft gegeven van het proces-verbaal welke onverenigbaar was met zijn bewoordingen.

Het Hof van cassatie bevestigt vervolgens dat de administratie die zich beroept op de termijn van 7 jaar, betreffende belastbare handelingen of onregelmatige aftrekken welke de rechtsvordering laat blijken, kan overgaan tot bijkomende onderzoeken bovenop de gewone termijn van drie jaar.

Het arrest van het Hof van cassatie bevestigt bovendien dat de Belgische Staat niet moet overgaan tot enige voorafgaandelijke kennisgeving, wanneer zij voornemens is beroep te doen op artikel 81bis, § 1, derde alinea, 2°, van het Wetboek van de BTW, in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten (Wetboek van de BTW, art. 81bis, § 1, tweede alinea, 2°, nieuw). Inderdaad, de vereiste van een voorafgaande kennisgeving zoals voorzien in artikel 84ter van dit Wetboek betreft uitsluitend de termijn gegrond op bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden. Het Hof verwerpt iedere discriminatie die strijdig is met de Grondwet.

Tot slot herinnert dit arrest eraan dat de interpretatie van het verband tussen de vastgestelde feiten en de hieruit voortvloeiende gevolgen tot de soevereine bevoegdheid van de feitenrechter behoort en dat het door het Hof van cassatie uitgeoefende toezicht een marginale toetsing inhoudt welke beperkt is tot het mogelijke bestaan van een dergelijk verband.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Het betreft een door het Hof van Cassatie niet gepubliceerd arrest. De tekst wordt enkel weergegeven in de taal van de uitspraak.

Arrêt de la Cour de cassation dd. 20.06.2014

F.12.0134.F

E. B., société privée à responsabilité limitée dont le siège social est établi à …, demanderesse en cassation, ayant pour conseil Maître D. L., avocat au barreau de B., dont le cabinet est établi à …, où il est fait élection de domicile,

contre

ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation, représenté, par Maître F. T'K. avocat à la Cour de cassation, dont le, cabinet est établi à …, où il est fait élection de domicile.

I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 4 avril 2012 par la cour d'appel de Bruxelles.

Le conseiller G. S. a fait rapport.

L'avocat général A. H. a conclu.

II. Les moyens de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente deux moyens.

III. La décision de la Cour

Sur le premier moyen :

Quant à la première branche :

D'une part, en considérant «qu'il a été fait une correcte application des règles légales de prolongation du délai [de prescription] sur la base de l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 2°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée», l'arrêt, qui énonce qu'«il n'y a pas eu mention expresse dans le procès-verbal» visé au moyen, en cette branche, «de l'article de loi appliqué», ne donne pas de ce procès-verbal une interprétation inconciliable avec ses termes, partant, ne viole pas la foi due à l'acte qui le contient.

D'autre part, il ne ressort d'aucune de ses énonciations que l'arrêt fonde cette considération sur les conclusions du défendeur visées au moyen, en cette branche.

La violation prétendue de l'article 81bis, § 1er, alinéas 2 et 3, 2°, et 84ter du Code de la taxe sur la valeur ajoutée est pour le surplus tout entière déduite des griefs de violation de la foi due aux actes vainement allégués.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

Quant à la deuxième branche :

En vertu de l'article 81bis, § 1er, alinéas 1er et 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, dans sa rédaction applicable aux faits, la prescription de l'action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fiscales est acquise à l'expiration de la troisième ou, en cas d'infraction aux articles 69 et 70 commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, de la cinquième année civile qui suit celle durant laquelle la cause d'exigibilité de ces taxes, intérêts et amendes fiscales est intervenue.

L'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 2°, du même code, dans cette même rédaction, dispose que, par dérogation aux alinéas 1er et 2, cette prescription est en outre acquise à l'expiration de la septième année civile qui suit celle durant laquelle la cause d'exigibilité est intervenue lorsqu'une action judiciaire fait apparaître que des opérations imposables n'ont pas été déclarées ou que des déductions de la taxe ont été opérées en Belgique en violation des dispositions légales et réglementaires qui leur sont applicables.

Cette disposition légale n'exclut pas que des investigations complémentaires soient nécessaires pour établir les opérations imposables ou les déductions illégales que l'action judiciaire fait apparaître.

Le moyen, qui, en cette branche, soutient que l’existence d'investigations effectuées en dehors du délai ordinaire de prescription de l'action en recouvrement de la taxe, des intérêts de retard et des amendes fiscales exclut que les opérations imposables ou les déductions illégales soient apparues d'une action judiciaire, manque en droit.

Quant à la troisième branche :

Aux termes de l’article 84ter du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, dans sa rédaction applicable aux faits, lorsqu'elle se propose d'appliquer le délai de prescription prévu à l'article 81bis, § 1er, alinéa 2, l'administration qui a la taxe sur la valeur ajoutée dans ses attributions est tenue, à peine de nullité du redressement, de notifier au préalable, par écrit et de manière précise, à la personne concernée, les indices de fraude fiscale qui existent, à son endroit, pour la période en cause.

Il suit de ces termes qu'aucune obligation de notification préalable n'existe pour l'administration lorsqu'elle se propose d'appliquer le délai de prescription prévu à l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 2°, du même code, lors même qu'elle serait encore amenée à procéder, s'agissant des opérations imposables ou des déductions illégales que l'action judiciaire fait apparaître, à des investigations complémentaires en dehors du délai de prescription prévu à l'article 81bis, alinéa 1er.

Le moyen fait valoir que, dans l'interprétation précisée en réponse à la deuxième branche du moyen, l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 2°, en permettant que des investigations complémentaires soient effectuées sans notification préalable à la personne concernée, crée une double discrimination prohibée par la Constitution, d'une part, entre les redevables qui, dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, ont commis une infraction visée aux articles 69 et 70 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et ceux à l'égard desquels une action judiciaire fait apparaître les opérations imposables ou les déductions illégales et qui n'ont pas agi dans une telle intention ou avec un tel dessein, d'autre part, entre des redevables qui ont tous agi avec cette intention ou dans ce dessein suivant que les opérations imposables ou les déductions apparaissent ou non d'une action judiciaire.

Le moyen ne dénonce pas une distinction entre des redevables qui, se trouvant dans la même situation, sont soumis à des règles différentes mais prétend opposer des redevables qui, se trouvant dans des situations différentes, sont soumis à des règles différentes qui s'appliquent sans distinction à tous ceux qui se trouvent dans la même situation.

La question préjudicielle proposée par la demanderesse ne doit partant pas être posée à la Cour constitutionnelle.

En appliquant l'article 81bis, § 1er, alinéa 3, 2°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, l'arrêt ne viole aucune des dispositions constitutionnelles et légales visées au moyen, en cette branche.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

Sur le second moyen :

Quant à la première branche :

L'arrêt ne considère pas les déclarations et aveux du sieur R. comme des faits connus de nature à fonder des présomptions de l'homme mais les tient pour de simples affirmations qui, considérées ensemble avec les autres éléments qu'il relève, emportent à ses yeux la preuve du caractère fictif des opérations litigieuses.

Le moyen, en cette branche, manque en fait.

Quant à la deuxième branche :

Aux termes de l'article 1353 du Code civil, les présomptions qui ne sont pas établies par la loi sont abandonnées à la lumière et à la prudence du magistrat.

Dans les cas où la preuve par présomptions est légalement admise, le juge apprécie en fait la valeur probante des présomptions sur lesquelles il se fonde.

La Cour se borne à contrôler si le juge n'a pas violé la notion de présomptions de l'homme et s'il n'a pas déduit des faits qu'il a constatés des conséquences qui ne sont susceptibles, sur leur fondement, d'aucune justification.

L'existence d'un lien entre les faits constatés par la cour d'appel et les conséquences qu'elle en a déduites ne peut être exclue; le sens qu'elle lui a donné relève de son appréciation.

Pour le surplus, il ressort des pièces auxquelles la Cour peut avoir égard que, par les motifs que critique le moyen, en cette branche, l'arrêt contredit l'interprétation que la demanderesse donnait des pièces qu'elle avait elle-même déposées.

En fondant sa décision sur ces motifs, l'arrêt ne modifie pas la cause de la demande, n'élève pas de contestation dont les conclusions des parties excluaient l'existence et ne méconnaît pas le droit de défense de la demanderesse.

La violation prétendue de l'article 45, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée est enfin tout entière déduite des autres illégalités vainement dénoncées par le moyen, en cette branche.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

Quant à la troisième branche :

En énonçant qu' «à tort [...], la [demanderesse] indique à la page 22 de ses conclusions que la société B.B. B. C. ne serait pas visée dans les préventions visées au jugement correctionnel de …, alors qu'elle est bien visée aux préventions IV et V comme la société S.», l'arrêt se limite à répondre aux conclusions de la demanderesse et le fait comme il eût dû le faire s'il avait interprété ce passage desdites conclusions sans commettre la violation alléguée de la foi due à cet acte.

Dénué d'intérêt, le moyen, en cette branche, est irrecevable.

Quant à la quatrième branche :

Il ne ressort pas des pièces auxquelles la Cour peut avoir égard que l'arrêt, qui apprécie exclusivement des éléments de fait soumis à son appréciation, élève quelque contestation dont les conclusions des parties excluaient l'existence ou méconnaisse le droit de défense de la demanderesse.

En opposant ces appréciations à celles de la demanderesse, il répond aux conclusions de celle-ci reproduites au moyen, en cette branche, sans être tenu de répondre distinctement à chacun des arguments qu'elle avançait et qui ne constituaient pas des moyens distincts.

Pour le surplus, sous le couvert de la violation de la foi due aux actes, le moyen, en cette branche, revient à contester l'appréciation portée par la cour d'appel sur les pièces qui lui étaient soumises.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

La Cour

Rejette le pourvoi ;

Condamne la demanderesse aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de deux cents-euros nonante-neuf centimes envers la partie demanderesse et à la somme de quatre cents euros vingt-trois centimes envers la partie défenderesse.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section C. S., les conseillers M. R., G. S., M.-C. E. et S. G., et prononcé en audience publique du vingt juin deux mille quatorze par le président de section C. S., en présence de l'avocat général A. H., avec l'assistance du greffier P. D. W..

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 81bis9 voorkomens
WBTW art. 84ter4 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 691 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Rechtspraak

4

België

4

Hof van beroep te Brussel2013/AF/21928.01.2016

Verjaring van de vordering tot voldoening van de btw

Hof van beroep te Bergen2014/RG/89511.01.2016

Belastingplicht

Bekijk alle 4

Administratieve doctrine

2

Bekijk de 6 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8