Corps de la décision
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend:
In de zaak 03/706/A
Rep.nr.2006/1757
de N.V. D. C. & C., (H.R. Antwerpen nr…., H.R. Brugge nr…., BTW-nr. BE …), met vennootschapszetel te ...,
eiseres
voor wie optreedt Meester V. D., advocaat met kantoor te ...,
TEGEN
1. DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN,Administratie van de Invordering, Sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor, met burelen te ...,
2. DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN,Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, Gewestelijke Directie Gent, in de persoon van de Gewestelijk Directeur, de heer A. V., met burelen te ...,
3. DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, in de persoon van de Minister van Financiën, met burelen te ...,
verweerders, hierna genoemd 'verweerder'
voor wie is opgetreden Meester F. N. loco Meester J. V.D.P., advocaat met kantoor te ...,
I. RECHTSPLEGING.
Gelet op de inleidende dagvaarding de dato 25 februari 2003.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 3 januari 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW!belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor haar beroepsactiviteit van handel in edelstenen. Haar activiteit bestond enerzijds in de levering van edelstenen aan de NV Intergem (fabrikant van juwelen) en anderzijds in de verkoop van edelstenen op de markt. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 6 januari 1999 werd door F. B., e.a. verificateur bij de administratie van de BBI te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit met betrekking tot de periode 1 januari 1998 tot 6 januari 1999. De heer B. was vergezeld van mevrouw D. T., e.a. verificateur, en de heer H. D., bestuursassistent van de opsporingsinspectie bij de administratie der douane en accijnzen.
Op 27 juli 2000 werd aan eiseres een correctieopgave verzonden.
Op 25 september 2002 werd aan eiseres bij aangetekende brief een voorafgaande kennisgeving verzonden waarbij werd medegedeeld dat de verjaringstermijn van drie jaar zou worden uitgebreid naar vijf jaar ingevolge fraude.
Op 1 oktober 2002 werd aan eiseres een notificatie voorafgaand aan een ambtelijke aanslag alsmede een proces-verbaal de dato 1 oktober 2002 aangetekend verzonden.
Bij aangetekende brief van 7 januari 2003 werd aan eiseres kennis gegeven van de definitieve ambtelijke aanslag de dato 18 december 2002.
Op 10 februari 2003 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12 februari 2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge en op 20 februari 2003 aan eiseres ter kennis gebracht.
Tegen voormelde ambtelijke aanslag en dwangbevel werd op 25 februari 2003 huidige vordering ingeleid.
2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens de gevestigde ambtelijke aanslag van 18 december 2002 en het dwangbevel met Reg. 127/19913 worden vernietigd. In subsidiaire orde vraagt eiseres dat zij zou toegelaten worden aan te tonen dat de ambtelijke aanslag overdreven is. Tenslotte vordert zij dat verweerder veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 406,44 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 349,54 EUR.
2.3.Verweerder vraagt dat het vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid.
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond.
3.2.1. verjaring van de vordering m.b.t. de periode 1 december 1998 tot 6 januari 1999.
3.2.1.1.Overeenkomstig artikel 81bis §1, eerste lid, WBTW verjaart de vordering van verweerder aangaande december 1998 op 31 december 2001 en aangaande 1999 op 31 december 2002.
Bij schrijven van 25 september 2002 deelde verweerder aan eiseres mee dat er voor het tijdperk 1 december 1998 tot 6 januari 1999 ten haren aanzien vermoedens van belastingontduiking bestonden en dat derhalve de verjaringstermijn zou worden uitgebreid naar vijf jaar (artikel 81bis §1, tweede lid en artikel 84ter WBTW).
3.2.1.2. Wanneer een naheffing door de BTW-administratie wordt vooropgesteld zonder dat er bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn, vereist het artikel 84ter WBTW een voorafgaande kennisgeving.
De stelling van eiseres dat de kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter WBTW voorafgaandelijk, en dus voor 31 december 2001 (zijnde de normale verjaringstermijn van drie jaar) diende te worden verzonden, kan de rechtbank niet bijtreden vermits de term duidelijk doelt op 'de naheffing' en de voorafgaandelijkheid van de kennisgeving trouwens zo moet worden opgevat dat de betrokken belastingplichtige nog de kans heeft om zinvol te reageren op het uitgedrukte voornemen van de administratie om de verjaringstermijn te verlengen, wat in casu het geval was.
3.2.1.3. De verjaringstermijn kan worden uitgebreid naar vijf jaar wanneer een overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 WBTW begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Er wordt aangenomen dat er "bedrieglijk opzet" bestaat, wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van "oogmerk om te schaden" wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.
Het is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.
In casu bleek uit de controle dat eiseres geen consignatienota's opmaakte bij transactie met de heer B. en geen consignatienota's bewaarde inzake andere transacties (de consignatienota's werden in strijd met artikel 60 WBTW vernietigd wanneer de goederen werden verkocht, gefactureerd of teruggenomen). Daarenboven werd naar aanleiding van de ter plaatse verrichte weging van de voorraad een aanzienlijk verschil ontdekt tussen de werkelijke inventaris en de boekhoudkundige inventaris. Op basis van deze vaststellingen kon verweerder vermoeden dat er bedrieglijk opzet in het spel was.
3.2.1.4 Gelet op het voorafgaande waren de voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn tot vijf jaar vervuld zodat er geen verjaring was van de vordering m.b.t. de periode 1 december 1998 tot 6 januari 1999.
3.2.2. toepassingsvoorwaarden van de ambtelijke aanslag
Uit het proces-verbaal de dato 1 oktober 2002 blijkt dat de aanwezige consignatienota's niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden die opgenomen zijn in artikel 7, § 1 KB nr. 1 en dat deze consignatienota's werden vernietigd wanneer de goederen werden verkocht, gefactureerd of teruggenomen, hetgeen op zijn beurt een inbreuk betekent op artikel 60 WBTW.
Verweerder heeft dan ook aangetoond dat eiseres geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door de WBTW voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken en stukken na te komen tijdens de periode waarover aan eiseres een ambtelijke aanslag werd opgelegd, zijnde van 1 januari 1998 tot 6 januari 1999.
3.2.3. schending van de controlebevoegdheid.
Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat de administratie haar controlebevoegdheid overschreden heeft. De ambtenaren hebben zich in casu beperkt tot de normale controle en onderzoek. Uit niets kan worden afgeleid dat zij zelf laden of kasten zouden opengetrokken hebben en dat zij aldus van hun bezoekrecht een huiszoekingsrecht zouden gemaakt hebben.
De bewering van eiseres dat de onderzoeksverrichtingen onrechtmatig zouden zijn, komt niet bewezen voor.
3.2.4. schending van de rechten van verdediging.
Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat er geen enkele BTW-wetsbepaling is die bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal dient te worden opgesteld of betekend. Dit betekent dat de administratie, zolang de verjaring niet is ingetreden, het proces-verbaal door de controleambtenaar kan laten opstellen om het aan te wende als bewijsmiddel van de door de verbalisant vastgestelde overtreding.
De verlopen termijn tussen de aanvang van de controle en het opstellen van het proces-verbaal is in casu verantwoordt door de gestelde onderzoeksdaden (opstellen correctieopgave en verificatie van de argumenten die eiseres aanhaalde bij haar verweer).
Uit de feitelijke omstandigheden van het onderzoek van het controledossier blijkt evenmin dat de BTW.-administratie hierdoor de belastingplichtige in de mogelijkheid tot het bieden van een tegenbewijs heeft benadeeld. De rechten van verdediging werden bijgevolg niet geschonden.
3.2.5. het vormgebrek van de ambtelijke aanslag.
In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt blijkt uit de ambtelijke aanslag van 18 december 2002 dat verweerder de argumenten van eiseres heeft ontmoet (zie stuk 13 van verweerder).
Verder werden door de Rechtbank geen proceduriële onregelmatigheden vastgesteld bij het opleggen van de ambtelijke aanslag. De artikelen 1 en 2 van het KB nr. 9 van 12 maart 1970 werden stipt nageleefd.
3.2.6 de willekeurigheid van de ambtelijke aanslag.
3.2.6.1. De ambtelijke aanslag moet worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handeling die de schuldenaar heeft verricht gedurende het tijdvak waarop de aanslag betrekking heeft. Hij moet zo dicht mogelijk de werkelijkheid benaderen, en mag geen willekeurig karakter dragen. Hij moet gesteund zijn op een juiste interpretatie van de wet en tevens berusten op ernstige gegevens, dat wil zeggen op ter zake dienende gegevens en vermoedens.
Wanneer de belastingplichtige de hem regelmatig opgelegde aanslag betwist, moet hij bewijzen dat deze overdreven is. Het juiste bedrag van zijn omzet moet hij niet aantonen.
3.2.6.2. In casu hebben de heer D.C. en Mevr. B., bestuurders van eiseres, in aanwezigheid van de ambtenaren alle aanwezige goederen geïnventariseerd. Op het einde van de weging van de aanwezige goederen hebben zij duidelijk gezegd dat alles werd gewogen. Verder hebben zij ook een opsomming gegeven van alle goederen die eigendom waren van eiseres en die niet aanwezig waren op de maatschappelijke zetel en die dus niet in de weging vervat zaten (zie proces-verbaal van 1 oktober 2002 met zijn bijlagen).
De inventariscontrole is op een tegensprekelijke wijze gebeurd. De bestuurders van eiseres waren erbij als de goederen gewogen werden en hadden de mogelijkheid om wegingen te laten overdoen. Dit alles moet een voldoende waarborg bieden met betrekking tot de correcte inventarisatie en weging van de edelstenen en een voldoende zekerheid geven dat de vaststellingen, zoals opgenomen in het proces-verbaal, een weergave zijn van de werkelijkheid.
3.2.6.3. Uit het voorgaande blijkt dat de ambtelijke aanslag die aan eiseres werd opgelegd gesteund is op gegevens die voldoende bewijskrachtig en ernstig zijn. Hij is zeker niet willekeurig.
Eiseres heeft tot op heden het overdreven karakter van de aanslag ook niet aangetoond. De vraag van eiseres om haar thans nog die mogelijkheid te bieden, kan niet worden aanvaard nu zij meer dan zes jaar na de feiten daaromtrent nog geen enkel begin van bewijs heeft voorgelegd.
3.2.7. nopens de boete.
Een boete van 200 % op het BTW-bedrag en voor een bedrag van 133.090,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in recht en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moeten nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al da niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Uit het proces-verbaal de dato 1.10.2002 blijkt immers dat eiseres sinds jaren geen enkel stuk opmaakte voor goederen die zij "op zicht" meegaf aan de heer B., dat de aanwezige consignatienota's niet voldeden aan de wettelijke voorwaarden die opgenomen zijn in artikel 7, § 1 KB nr. 1 en dat deze consignatienota's werden vernietigd wanneer de goederen werden verkocht, gefactureerd of teruggenomen, hetgeen op zijn beurt een inbreuk betekent op artikel 60 WBTW. Deze vermeldingen in het proces-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd.
Hierdoor werd de boekhouding van eiseres niet controleerbaar en werden de transacties met de heer B. absoluut ondoorzichtig. Daarenboven komt dat eiseres reeds in het verleden opmerkingen had gekregen omtrent dezelfde lacunes bij de controle door de douanediensten. Het resultaat van dat opzettelijk verzuim is dat een aanzienlijk deel van haar omzet niet voorkomt in de boekhouding.
Door systematisch de consignatienota's die zij zond aan haar zustervennootschap te vernietigen wanneer goederen aan hen werden verkocht of gefactureerd, gaf zij bovendien de kans aan die zustervennootschap, die de geleverde edelstenen verwerkte tot juwelen, om belastingen te ontduiken.
Voormelde onregelmatigheden zijn onmiskenbaar gepleegd met het oogmerk de belasting te ontduiken of een ontduiking ervan mogelijk te maken. Zij zijn uitermate ernstig en brengen het algemeen belang ernstige schade toe.
Er moet tevens mee rekening worden gehouden dat de boete een ontradend effect moet hebben.
Rekening houdend met deze elementen en met de zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de boete van 200 % in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.