Poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 11 avril 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

PoursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-tribunal-anvers-2011-04-11-2689

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
11 avril 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 11.04.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op elf april tweeduizend en elf in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waar zetelden :

L. B., rechter,

N. V., griffier,

Inzake AR nr. 09/4643/A

NV G. H.-G., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester P. C. loco meester C. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-controlekantoor te Turnhout, met burelen gevestigd te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22.

verwerende partij,

verschijnende bij meester P. B. loco meester P. V. D. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier van de rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 juli 2009,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 november 2009,

- de conclusies en stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 maart 2011.


Een ter zake BTW bevoegd ambtenaar verrichtte in april en mei 2008 bij eiseres controle over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2003.

Hij stelde vast dat eiseres op eenzelfde dag drie personenwagens Mitsubishi had verkocht aan Nederlandse firma BV K. T..

Hiervoor waren op 2 oktober 2003 verkoopfacturen opgesteld onder vrijstelling van BTW met melding van intracommunautaire levering.

De klant kwam op 15 oktober 2003 de wagens afhalen en stelde toen voor elk ervan een attest op dat hij de betrokken wagen zelf transporteerde naar Nederland.

De betaling gebeurde in contanten voor de 54.545,46 Euro hoofdsom.

De controle gebeurde als gevolg van spontane inlichtingen uit Nederland door de Nederlandse belastingdienst.

Deze inlichtingen liggen niet voor in het geding, enkel de meldingsbrief ervan.

Hoger vermelde ambtenaar stelde correctieopgave op.

Deze wordt in het geding alvast niet voorgelegd.

Bij gebrek aan akkoord werd dan op 10 oktober 2008 proces-verbaal opgesteld.

Dit verwijst voor de vorderingstermijn naar art. 81bis, § 1, derde lid Wetboek BTW.

De navordering behelst BTW, een niet herleide boete gelijk aan 200 %, verder intrest vanaf 21 januari 2004.

De Ontvanger verzond op 13 oktober 2008 betalingsverzoek, zonder gevolg.

Op 25 maart 2009 vaardigde de Ontvanger dan dwangbevel uit.

Hierin worden ook nog intrest op de boete en vervolgingskosten gevorderd.

Het werd op 31 maart 2009 uitvoerbaar verklaard.

Het werd middels aangetekende brief van 2 april 1999 ter kennis gegeven.

Blijkbaar deed eiseres een afbetalingsvoorstel middels geschrift van 8 mei 2009.

Dat wordt in het geding alvast niet voorgelegd.

De Ontvanger aanvaardde het voorstel schriftelijk (stuk 1 eiseres).

Het lijkt erop dat eiseres de fiscale navordering naderhand heeft voldaan.

Ze stelt immers in hoofdorde een rechtsvordering tot vernietiging van de controles en proces-verbaal en in ondergeschikte orde tot vernietiging van het dwangbevel, telkens met vordering tot teruggaaf met intrest.

Stukken die betaling(en) en hun datum/data attesteren liggen in het geding niet voor.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde

De controle

Eisers stelt dat de controle in 2008 buiten termijn gebeurde en alzo ook de navordering.

De termijnen in de BTW zijn weliswaar geïnspireerd door deze van de inkomstenbelastingen, maar ze lopen er niet noodzakelijk mee gelijk.

De termijnen van art. 81, § 1 Wetboek BTW zijn verjaringstermijnen.

Ze beletten geenszins nog controle ingevolge de ingekomen Nederlandse inlichtingen.

De vrijstelling

Eiseres kan in open bewijsvoering aantonen dat de voorwaarden daartoe voldaan zijn.

Stellen dat nazicht van het Nederlandse BTW-nummer en de (drie afzonderlijke) attesten van de klant het bewijs van intracommunautaire levering opleveren, is verre van ernstig.

Eiseres draagt zelfstandig de bewijslast.

De wagens werden contant betaald door een klaarblijkelijk niet eerdere klant.

Reeds contante betaling diende op zich reeds achterdocht te wekken bij iemand uit het vak die behoort te weten dat hij de bewijslast draagt van vrijstelling.

Men weet niet te zeggen hoe de wagens werden afgehaald (chauffeurs, een vrachtwagen, ... ), een document van uitslag uit magazijn ligt niet voor, eiseres weet niets van documenten 705.

Dit alles toont aan dat eiseres niet ernstig is in haar beweerde bewijsvoering.

Dat zij daarbij minstens nalatig heeft gehandeld pleit in haar nadeel.

De boete

Wat voorafgaat toont nog niet aan dat eiseres werkelijk ook te kwader trouw was.

Dat blijft te dezen onzeker en werd niet positief aangetoond door de belastingdienst.

Het past daarom de boete ter herleiden naar evenredigheid en zulks in overeenstemming met te dezen de redelijke modulering van KB 41.

Hierop is intrest verschuldigd met ingang van het gedinginleidend verzoekschrift, zoals door eiseres gevorderd.

Partijen namen gelijklopend standpunt in ter zake de rechtsplegingvergoeding.

Zij wordt wettelijk berekend tegen 110 %.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de rechtsvordering toelaatbaar en als volgt gegrond,

Zegt voor recht dat de fiscale navordering onwettig is in zoverre en in de mate waarin ze een boete vordert van meer dan 20 %,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van elke uit deze onwettigheid blijkende betaalde som, meer moratoire intrest tegen de rentevoet in burgerlijke zaken krachtens artikel 91, § 4 Wetboek BTW, zulks met ingang van de datum van het gedinginleidend verzoekschrift,

Veroordeelt elke partij tot de helft van de kosten,

Compenseert daarbij de rechtsplegingvergoedingen,

Wijst eiseres af van het meer dan wel anders gevorderde.

N. V. L. B.

Textes cités

3
CTVA art. 811 occurrence
CTVA art. 81bis1 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8