Opération intracommunautaire, poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 12 février 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Opération intracommunautaire, poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/operation-intracommunautaire-poursuite-instance-droits-cour-appel-anvers-2013-02-12-89f5

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
12 février 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

83 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 12.02.2013

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep Antwerpen, zesde kamer burgerlijke zaken

Datum van uitspraak 12 februari 2013

Rolnummer 2011/AR/2204

G. H.-G. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven onder het KBO­nummer …

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. C. P. loco Mr. V. B. C., advocaat te …, …

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 11 april 2011

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het eerste BTW-controlekantoor Turnhout met kantoren te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. B. P. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 11 april 2011 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 juli 2011;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. De feiten

1.1. De NV G. H.-G., appellante, is uit hoofde van haar economische activiteit van detailhandel in auto's en lichte vrachtwagens geregistreerd als belastingplichtige bij de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde onder het nummer BE … en als maandaangever onderworpen aan de BTW-regeling.

1.2. Na voorafgaande verwittiging, werd bij appellante op 14 mei 2008, naar aanleiding van gegevens verstrekt door de Nederlandse belastingadministratie naar aanleiding van hun onderzoek bij één van de afnemers van appellante, m.n. K. T. BV, een controle ter zake doorgevoerd teneinde de naleving en de toepassing van het BTW-Wetboek en de ter uitvoering ervan gegeven regels na te gaan tijdens de periode van 1 oktober 2003 tot 31 december 2003.

Alsdan werd door de controleambtenaar vastgesteld dat appellante het bewijs van de echtheid en de verzending van drie wagens aan de BV K. T., die onder vrijstelling van de BTW uit hoofde van intracommunautaire leveringen, op 2 oktober 2003 waren gefactureerd met drie facturen voor een totaal bedrag van … € niet kon voorleggen.

Van deze vaststellingen werd proces-verbaal opgemaakt op 10 oktober 2008.

Op grond van dit proces-verbaal werd op 25 maart 2009 door mevrouw M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 31 maart 2009 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer B. V. C., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Turnhout I, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt.

Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit dwangbevel met aangehecht eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 10 oktober 2008 werd aan appellante gezonden bij aangetekende brief van 2 april 2009. Hieruit blijkt dat volgende bedragen van appellante worden gevorderd :

- … EUR als belasting over de toegevoegde waarde;

- … EUR als geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW;

- de wettelijke interesten krachtens artikel 91, § 1, 1°, W.BTW van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2004;

- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4, van het BTW-Wetboek,

- de vervolgingskosten.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 13 juli 2009, vordert appellante te zeggen voor recht dat de uitgevoerde controles en het daaruit voortvloeiende proces-verbaal d.d. 10 oktober 2008 en het dwangbevel d.d. 25 maart 2009, nietig zijn wegens schending van artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° W.BTW en aldus de Belgische Staat te veroordelen tot teruggaaf van de door appellante "onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis" betaalde BTW, geldboetes, laattijdigheidsinteresten, moratoriuminteresten en kosten, de Belgische Staat daarenboven overeenkomstig artikel 91, § 4, van het BTW-wetboek te veroordelen tot de betaling van moratoriuminteresten op voormelde bedragen, vanaf de dag van de neerlegging van het verzoekschrift op tegenspraak; ondergeschikt, voor zover de uitgevoerde controles door de rechtbank als geldig zouden aangemerkt worden, te zeggen voor recht dat appellante terecht artikel 39bis van het BTW-wetboek heeft ingeroepen voor de door haar verrichte leveringen, en aldus het dwangbevel d.d. 25 maart 2009 uitgaande van mevrouw M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 31 maart 2009 door de heer B. V. C., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW­controlekantoor 1 te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 te vernietigen alsook de vaststellingen in het proces-verbaal d.d. 10 oktober 2008 uitgaande van de heer B. V. C., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor 1 te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 te weerleggen; de Belgische Staat vervolgens te veroordelen tot de teruggave van de op basis van voormeld dwangbevel d.d. 25 maart 2009 betaalde bedragen, te verhogen met laattijdigheidsinteresten; de Belgische Staat tevens te veroordelen tot de gerechtskosten.

2.2. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 11 april 2011 oordeelt vooreerst dat de termijnen van artikel 81, § 1 Wetboek BTW verjaringstermijnen zijn, die geenszins nog controle beletten ingevolge de ingekomen Nederlandse inlichtingen. De eerste rechter stelt voorts dat appellante de bewijslast draagt van de door haar aangevoerde BTW­vrijstelling en daarin faalt. Zij weet niet te zeggen hoe de wagens door de Nederlandse afnemer werden afgehaald, een document van uitslag uit magazijn ligt niet voor en appellante weet niets van documenten 705. De kwade trouw van appellante blijft echter onzeker en wordt door de belastingdienst niet positief aangetoond, zodat de opgelegde boete dient te worden herleid tot 20 % en zulks in overeenstemming met de redelijke modulering van het Koninklijk besluit nr. 41. De vordering wordt derhalve toelaatbaar en deels gegrond verklaard. Het bestreden vonnis zegt voor recht dat de fiscale navordering onwettig is in zoverre en in de mate waarin ze een boete vordert van meer dan 20 %. De Belgische Staat wordt veroordeeld tot terugbetaling aan appellante van elke uit deze onwettigheid blijkende betaalde som, meer moratoire intrest tegen de rentevoet in burgerlijke zaken krachtens artikel 91, § 4, Wetboek BTW, zulks met ingang van de datum van het gedinginleidend verzoekschrift. Elke partij wordt tot de helft van de kosten veroordeeld en de rechtsplegingvergoedingen worden daarbij gecompenseerd.

2.3. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 juli 2011.

3. De vorderingen in hoger beroep

3.1. In dit verzoekschrift en in de op 18 juni 2012 neergelegde conclusie stelt appellante vooreerst dat de bijzondere aanslagtermijn in de zin van artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° W.BTW niet tot gevolg heeft dat de onderzoekstermijn waarover de administratie beschikt, wordt verlengd. De controles van 14 mei 2008 en 19 september 2008 zijn zonder meer nietig. Hieruit volgt dat de daaruit voortvloeiende vaststellingen, nl. de intracommunautaire leveringen en de documentatie dienaangaande alsmede de vragen om inlichtingen en de dienvolgens verkregen informatie, nietig zijn. Gelet op de nietigheid van de controle van geïntimeerde en de daaruit voortvloeiende correctieopgave, kan er geen sprake zijn van enige belastingschuld in hoofde van appellante. Appellante voert verder aan dat het BTW-Wetboek geen enkele specifieke criteria bevat waaraan het bewijs van vervoer of verzending moet voldoen. Enkel het KB nr. 52 van 29 september 1992 geeft ter zake enkele richtlijnen doch bepaalt nergens welk bewijs effectief kan volstaan met betrekking tot het vervoer, hetgeen het rechtszekerheidsbeginsel schendt. Artikel 3 van voormeld K.B. nr. 52 bepaalt dat de Minister van Financiën "inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen" het uitreiken van andere stukken kan voorschrijven. Tot op heden heeft de Minister van Financiën evenwel nog geen regeling uitgewerkt. Vanuit commercieel oogpunt kan van handelaars niet worden verwacht dat ze van hun buitenlandse kopers die zelf voor het vervoer van de goederen instaan, de voorlegging van de vervoerdocumenten eisen. Een contante betaling houdt evenmin een indicie in dat niet effectief naar het buitenland zal vervoerd worden. Appellante heeft in casu aldus genoegzaam voldaan aan haar bewijsverplichting door een ondertekende verklaring te eisen van de koper. Er kan aan appellante immers geen onmogelijke bewijslast worden opgelegd, in die zin dat appellante eveneens zou moeten instaan voor de BTW indien later blijkt dat de koper een valse verklaring heeft gegeven en aldus mogelijks fraude heeft gepleegd. De verdeling van het risico tussen de verkoper en de fiscus moet verenigbaar zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het feit dat vroegere of latere transacties frauduleus zijn, kan het recht op aftrek van de belastingplichtigen die hiervan niet op de hoogte waren of konden zijn, niet beïnvloeden. Ook in onderhavig geval dient rekening te worden gehouden met de goede trouw van appellante en het feit dat deze heeft voldaan aan haar bewijsplicht met betrekking tot het vervoer naar een andere Lidstaat in de EU. Appellante heeft immers de nodige voorzorgen genomen met betrekking tot het BTW-identificatienummer van de koper en heeft hiertoe de centrale eenheid binnen de administratie verzocht om de geldigheid van voormeld nummer te onderzoeken. Na hiertoe een positief antwoord te hebben bekomen heeft appellante zich tevens, binnen de mogelijkheden waarover zij evenwel beschikt, verzekerd met betrekking tot het effectieve vervoer naar Nederland. Naast het voorhanden zijn van bestelbons en facturen heeft appellante een gedagtekende en ondertekende verklaring geëist van de koper waarin deze bevestigt dat hij het vervoer effectief zal vervoeren naar Nederland. Bovendien werd eveneens geëist dat de koper de nummerplaat opgeeft waarmee het voertuig zal worden vervoerd. Voorts dient vastgesteld te worden dat geen enkele bepaling voorziet in de verplichting om vervoersdocumenten op te stellen wanneer de verwerver, hier een Nederlands belastingplichtige, zelf de goederen in België komt ophalen op de exploitatiezetel van de verkoper. Een bewijs dat op 100% sluitende manier aantoont dat het vervoer heeft plaatsgevonden kan immers niet worden verlangd van de verkoper. In andere gelijkaardige gevallen van intracommunautaire leveringen van· wagens aan dezelfde koper K. T. BV heeft geïntimeerde geoordeeld dat wel was voldaan aan de bewijslast in hoofde van de verkoper. Geïntimeerde werkt duidelijk met twee maten en twee gewichten en schendt daardoor het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, minstens de beginselen van behoorlijk bestuur. In elk geval dient te worden aangenomen dat appellante te goeder trouw moet worden aangemerkt nu zij immers de nodige voorzorgen heeft genomen met betrekking tot het BTW­identificatienummer van de koper en hiertoe de centrale eenheid binnen de administratie heeft verzocht om de geldigheid van voormeld nummer te onderzoeken. Geïntimeerde toont op geen enkele wijze aan dat appellante het oogmerk had om belasting te ontduiken. Integendeel, uit het geheel van de feitelijke omstandigheden blijkt net het omgekeerde. Gelet op de afwezigheid van het oogmerk de belasting te ontduiken, de afwezigheid van de wetgever en administratie om adequate reglementering of richtlijnen uit te vaardigen met betrekking tot de bewijsproblematiek en de non-recurrentie (nl. 3 verkopen d.d. 2 oktober 2003), dient de boete eveneens verminderd te worden tot 10 % van de verschuldigde belasting, in zoverre er al sprake zou zijn van inbreuken op het BTW-wetboek en de ter uitvoering daarvan genomen koninklijke besluiten. Appellante was te goeder trouw en voormeld geval betreft het eerste in haar bijna 30-jarig bestaan als garage. Op grond van het geheel aan bewijsmiddelen dat zij had verzameld was zij te goeder trouw van oordeel dat de levering kon beschouwd worden als een intracommunautaire levering. Een boete van 200 % is volstrekt disproportioneel en dient herleid te worden tot 10 %. Zelfs indien de financiële toestand als criterium in aanmerking zou kunnen genomen worden, dan nog betekent een omzet hoegenaamd niets vermits op geen enkele wijze wordt rekening gehouden met aankopen noch kosten. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging minstens de hervorming van het bestreden vonnis en de gegrond verklaring en volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering. Appellante begroot tenslotte het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op een bedrag van … EUR.

3.2. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 22 juni 2012 resp. 30 november 2012 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis, doch stelt tevens incidenteel beroep in de mate dat het bestreden vonnis heeft geoordeeld om de wettelijk opgelegde boete van 200 % te herleiden tot 20 %. Appellante wist of moest weten, dat zij, door zich onzorgvuldig te gedragen, m.n. door het niet vernietigen of niet achterhouden van het vignet 705, de mogelijkheid heeft gecreëerd tot het plegen van ernstige fiscale fraude die schade heeft toegebracht aan de staatskas en aan het belang van iedere burger dat de belastingen in het algemeen belang op correcte wijze moeten worden geheven. Daar de boete bovendien een ontradend effect moet hebben voor de belastingplichtige meent de administratie dat gezien de ernst van de gepleegde feiten door appellante, actief in de autosector, er geen vermindering kan worden toegestaan. De boete ten bedrage van … € is evenredig met de inbreuk en met het doel van een administratieve boete, en kan bijgevolg niet als buitensporig zwaar worden beschouwd voor appellante, in die mate dat de boete een aanslag zou plegen op haar financiële toestand, wanneer men kan vaststellen dat appellante tijdens het jaar 2003, jaar van de gepleegde feiten, een omzet had van … €. Ten gronde stelt geïntimeerde nog dat de onderzoekstermijn inzake BTW slechts beperkt wordt door de bewaringstermijn voor boeken en stukken bepaald overeenkomstig artikel 60 van het BTW-Wetboek. De ambtenaren bevoegd voor de controle naar de toepassing van de BTW-wetgeving, kunnen bijgevolg steeds een inzage- en controlerecht uitoefenen, zelfs met betrekking tot periodes waarvoor de verjaring reeds is ingetreden. Het BTW-Wetboek voorziet immers niet in het bestaan van onderzoekstermijnen. Het is dus zo dat inzake BTW, onverminderd de eventuele beperking van het navorderingsrecht door de instelling van de uitdovende verjaring, vervat in artikel 81 en 81bis van het BTW-Wetboek, geen enkele wettelijke tijdsbeperking bestaat voor de uitoefening van het controlerecht. Gelet op het feit dat het BTW-Wetboek niet voorziet in een onderzoekstermijn, is het nazicht dat bij appellante werd uitgevoerd naar aanleiding van de ontvangen inlichtingen uit het buitenland niet nietig. Bovendien is, gelet op het feit dat in casu de verjaringstermijn van zeven jaar van toepassing is, de navordering die door de administratie werd ingesteld niet verjaard en volledig rechtsgeldig. Geïntimeerde is van oordeel dat het arrest van het Hof van Cassatie van 27 april 2012 niet van toepassing is. Het Hof van Cassatie heeft hierbij immers geoordeeld dat, met betrekking dat de verjaring bedoeld in artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, W.BTW, enerzijds de administratie kennis moet gekregen hebben van de gegevens binnen de verjaringstermijn van drie of vijf jaar en anderzijds dat er nog bijkomend onderzoek mag gebeuren. De administratie beroept zich in casu echter op artikel 81bis, § 1, derde lid, 1°, BTW-Wetboek. Mocht het Hof toch van oordeel zijn dat de principes van voormeld arrest van het Hof van Cassatie ook in casu dienen toegepast te worden, dan nog stelt geïntimeerde, in ondergeschikte orde, dat de administratie in casu de inlichtingen met betrekking tot de belastbare handelingen voor de periode 1 oktober 2003 tot 31 december 2003, op 8 november 2004 uit Nederland heeft ontvangen, hetzij binnen de periode van de verjaringstermijn van 3 jaar en dat de door de administratie uitgevoerde onderzoekdaden, en de ingevolge hiervan gestelde vordering, zich beperkt hebben tot de aldus bekomen inlichtingen. Het behoort voor het overige aan appellante om het bewijs te leveren dat aan de voorwaarden bepaald in artikel 39bis, 1° voldaan is. Er werd bovendien vastgesteld dat het vignet 705, dat in principe op grond van artikel 4bis van het koninklijk besluit nr. 48 (van toepassing tot 9 september 2005) onbruikbaar moest worden gemaakt en door de verkoper moest gekleefd worden op het door hem te bewaren dubbel van de verkoopfactuur, niet meer kon worden voorgelegd. Het vignet 705 is een document dat men nodig heeft om een voertuig in België te kunnen inschrijven en dat wanneer de wagen intracommunautair wordt geleverd onbruikbaar dient te worden gemaakt door de BTW-belastingplichtige (in casu appellante) en door haar worden bewaard. Door het niet vernietigen en het niet bewaren van het vignet 705 heeft appellante de mogelijkheid om het voertuig in België in te schrijven niet uitgesloten. Geïntimeerde stelt vast dat de door appellante voorgelegde documenten niet sluitend zijn. Geïntimeerde besluit derhalve tot het ongegrond verklaren van het hoofdberoep, het gegrond verklaren van het incidenteel beroep en dienvolgens de hervorming van het bestreden vonnis in de mate dat werd beslist dat de administratieve boete werd verminderd van 200 % naar 20 %, te zeggen voor recht dat de sommen opgenomen in het dwangbevel, uitgevaardigd op 25 maart 2009 en betekend op 2 april 2009 verschuldigd zijn. Geïntimeerde begroot tenslotte het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

4. Beoordeling

Krachtens het artikel 81 van het BTW-wetboek, begint de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Anders dan inzake directe belastingen maakt het BTW-wetboek geen onderscheid tussen aanslagtermijnen (voor de vestiging van de belasting) en verjaringstermijnen (voor de inning van de betaling van de belasting). Inzake BTW bestaan alleen verjaringstermijnen (zowel voor de vordering tot voldoening van de BTW als voor de vordering tot teruggaaf).

Anders dan inzake directe belastingen, waar de aanslagtermijnen vervaltermijnen zijn, kunnen de verjaringstermijnen die inzake BTW voor het instellen van de vordering tot voldoening van de belasting gelden, worden gestuit en geschorst.

Tot vóór de wetswijziging doorgevoerd door de Programmawet van 22 december 2008 en in werking getreden op 29 december 2008 waren er in de BTW-wetgeving drie soorten verjaringstermijnen.

Het ten deze nog toepasselijk oud artikel 81bis, § 1, derde lid, van het BTW-wetboek stipuleert dat, in afwijking van het eerste en tweede lid van dat artikel, er verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :

• een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de regels daartoe bepaald in het Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;

• een rechtsvordering aantoont dat, in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;

• bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

Die verjaringstermijn is duidelijk geïnspireerd door de uitzonderlijke aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 4°, WIB 92. Anders dan inzake inkomstenbelastingen is niet vereist dat de belastbare inkomsten die de bewijskrachtige gegevens uitwijzen, niet zijn aangegeven in de loop van één van de vijf jaren vóór het jaar waarvan de administratie kennis krijgt van de gegevens. Inzake BTW geldt evenmin de regel dat de navordering moet zijn doorgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden vanaf de datum waarop de administratie kennis krijgt van de bewijskrachtige gegevens.

Zoals inzake inkomstenbelastingen moet worden aangenomen dat de zevenjarige verjaringstermijn inzake BTW een uitzonderingsregel is die strikt moet worden geïnterpreteerd.

Het toepasselijk (oud) artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW gaat er aldus van uit dat de administratie van de aldaar bedoelde inlichting, onderzoek, controle, rechtsvordering of bewijskrachtige gegevens kennis gekregen heeft binnen de verjaringstermijn van drie of vijf jaar die verlengd wordt als dergelijke inlichting, onderzoek, controle, rechtsvordering of gegevens kenbaar worden; het sluit daarentegen niet uit dat die gegevens, inlichting, onderzoek, controle, rechtsvordering, bijkomend onderzoek vereisen met het oog op de vaststelling van de belastbare handelingen of van de onrechtmatige aftrekken die ten gevolge van die inlichting, onderzoek, controle, rechtsvordering, gegevens aan het licht komen (vgl. Cass. (1e k.) AR F.11.0069.F, 27 april 2012 (Etat belge/Général Construction Liège), FJF 2012, afl. 9, 1050, noot, Pas. 2012, afl. 4, 948, gedeeltelijk andersluidende conclusie advocaat-generaal A. HENKES).

Artikel 84ter W.BTW, zoals ten deze van toepassing, bepaalt dat indien de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, toe te passen, zij, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode. In casu heeft de administratie geen dergelijke kennisgeving aan appellante gericht, zodat (oud) artikel 81bis, § 1, derde lid, W.BTW niet kan worden toegepast in zoverre zij de gegevens waarop zij haar heffing baseert niet binnen de normale termijn van drie jaar heeft ontvangen.

Uit de bepalingen van artikel 81bis, § 1, eerste lid, W.BTW volgt dat de vordering tot voldoening van de belasting in beginsel op 1 januari 2007 verjaard was voor de facturen die op 2 oktober 2003 zijn opgemaakt.

Ter staving van de toepassing van de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar legt geïntimeerde een brief voor uitgaande van de Nederlandse belastingdienst - CLO NEDERLAND FIOD-ECD/Haarlem Internationaal van 8 november 2004, waarin het volgende wordt medegedeeld aan de Belgische Centrale Administratie van de BTW :

"[...]

Betreft : Inlichtingenuitwisseling inzake

King Trade BV (NL)

Diverse Belgische ondernemingen (BE)

Geachte heer D. B.,

Onder verwijzing naar de Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003, vraag ik uw aandacht voor de bijlagen 1 en 2 bij deze brief, waarmee ik u spontaan informatie verstrek.

De informatie betreft de rapportage naar aanleiding van een bij K. T. BV ingesteld onderzoek alsmede kopieën van de in de rapportage.

Wellicht is deze informatie nuttig voor uw belastingheffing.

De inlichtingen zijn gebonden aan de in voornoemde Verordening voorgeschreven geheimhouding en mogen slechts worden aangewend voor de in die Verordening genoemde fiscale doeleinden.

Ik zou het op prijs stellen te zijner tijd door u te worden geïnformeerd over het resultaat dat met deze inlichtingen werd bereikt.

Met de meeste hoogachting,

namens de Staatssecretaris van Financiën, Belastingdienst/FIOD-ECD Haarlem Internationaal,

J.B.J. T.".

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat de in de voormelde brief vermelde bijlagen door geïntimeerde niet worden overgelegd en dat de enkele inhoud van de brief aan de Belgische BTW-administratie geen enkel gegeven of inlichting met betrekking tot de drie facturen van 2 oktober 2003 van appellante bevat c.q. deze inhoud ten aanzien van deze facturen geen bewijs inhoudt dat een door de Nederlandse belastingadministratie verstrekte inlichting, verricht onderzoek of uitgevoerde controle aantoont dat in hoofde van appellante belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er door appellante onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast.

Voor deze facturen was de vordering tot voldoening van de BTW derhalve reeds definitief verjaard op het ogenblik van de uitvaardiging van het dwangbevel op 25 maart 2009.

Dit dwangbevel is derhalve nietig en de oorspronkelijke vordering dient zoals hierna bepaald te worden toegewezen. Het incidenteel beroep is dienvolgens ongegrond.

Dispositif

5. Beslissing

Het Hof beslist bij arrest op tegenspraak,

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Het Hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Het Hof verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het Hof hervormt het bestreden vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van de NV G. H.-G. zoals hierna bepaald gegrond.

Het Hof doet het dwangbevel d.d. 25 maart 2009 uitgaande van mevrouw M. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 31 maart 2009 door de heer B. V. C., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW­controlekantoor 1 te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22 teniet.

Het Hof veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de teruggave van de op basis van voormeld dwangbevel d.d. 25 maart 2009 betaalde bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten en kosten.

Het Hof veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de gedingkosten van beide aanleggen, vereffend aan de zijde van appellante op … EUR voor rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en … EUR voor rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep.

Het Hof wijst het anders of meergevorderde als ongegrond af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 12 februari 2013 door :

D. W., Raadsheer wd. voorzitter

S. B., Raadsheer

M. G., Raadsheer

L. K., Griffier.

L. K. M. G. S. B. D. W.

Textes cités

5
CTVA art. 813 occurrences
CTVA art. 81bis3 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
CTVA art. 39bis1 occurrence
CTVA art. 601 occurrence

Décisions similaires

8