Paiement de l'impôt, disposition pénale, sanction pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 23 octobre 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, sanction pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-sanction-tribunal-bruges-2002-10-23-9d98

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
23 octobre 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

95 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 23.10.2002

RésSamenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Corps de la décision

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, ZESTIENDE KAMER, zetelende in correctionele zaken, heeft het volgende vonnis uitgesproken :

IN DE ZAAK, ambtshalve vervolgd door het Openbaar Ministerie, daartoe bij toepassing van artikel 151bis Ger. W. vertegenwoordigd door de ondergetekende substituut, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden :

tegen :

V. M., L., J.-P., geboren te … op 18 januari 1958, bediende (weddentrekkende), ingeschreven te …, ….

bijgestaan door meester R. V. B., advocaat te …;

verdacht van :

A. te 8000 BRUGGE, in de periode van 20 juli 1987 tot en met 15 juli 1990,

als BTW-belastingplichtige op 12 maart 1986 geregistreerd onder het BTW-registratienummer BE …, voor de werkzaamheden van groot - en kleinhandel in verpakkingsartikelen en relatiegeschenken, uitgeoefend te …, …, als eenmanszaak met firmanaam "V." (handelsregister BRUGGE nr. …), welk BTW-nummer ambtshalve werd doorhaalt op 1 februari 1991 (zie dossierstuk 2),

bij inbreuk op de ·wet van 3 JUL 69 tot invoering van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (W.BTW) (BS 17 juli 69), met name op artikel 73 W.BTW (zoals vervangen bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981, en gewijzigd bij artikel 67 W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986) en artikel 73quinquies W.BTW (ingevoegd bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981; § 1 gewijzigd bij artikel 2 KB nr. 41, 2 april 1982, BS 7 april 1982, met ingang van 7 april 1982 en bij artikel 70, 1° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986; § 2 en § 4 opgeheven bij artikel 70, 2° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986), onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige en of als mededader, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :

1. bij inbreuk op artikel 50, § 1, 3° en 4° van het W.BTW en op de artikelen 16 en … (onleesbaar), van het KB nr. 1, D° 23 juli 1969 zoals van kracht tot 31 december 1992, te hebben nagelaten om ieder kwartaal tijdig aangifte te doen van de al dan niet belastbare handelingen die in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek en te hebben nagelaten om de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 50, § 1, 3° W.BTW als van toepassing tot en met 31 december 1992 voorgeschreven aangifte, meer bepaald :

KWARTAAL DATUM INDIENING WETTELIJKE

DATUM INDIENING

2° Kw. 1987 2 februari 1988 20 juli 1987

3° Kw. 1987 2 februari 1988 20 oktober 1987

1° Kw. 1989 17 november 1989 20 april 1989

2° Kw. 1989 17 november 1989 20 juli 1989

2. bij inbreuk op het artikel 50, § 1, 1° van het W.BTW zoals van kracht tot 31 december 1992 en het artikel 1, lid 1 en het artikel 3 van het Koninklijk Besluit nr. 10, D° 12 maart 1970 met betrekking tot de aangiften van aanvang, wijziging of stopzetting van werkzaamheid op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde (BS 18 maart 1970), te hebben nagelaten, om van de stopzetting van zijn werkzaamheid op het stuk van belasting over de toegevoegd waarde (BS 18 maart 1970), te hebben nagelaten, om van de stopzetting van zijn werkzaamheid voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, aangifte te doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, binnen de vijftien dagen na de stopzetting van zijn werkzaamheden op 25 juni 1990, derhalve uiterlijk op 15 juli 1990.

(zie dossierstukken 2 en 17)

B. te 8020 OOSTKA.MP-RUDDERVOORDE, in de periode van 3 juli 1992 tot en met 30 juni 1994,

als uitbater van de Taverne "M.", aan de … te …, in de periode van 3 juli 1992 tot en met 30 juni 1994 (aangifte van stopzetting werkzaamheden D° 20 december 1995, met terugwerkende kracht), welke uitbating hij zou inbrengen in een evenwel nooit regelmatig opgerichte vennootschap L., CVOHA, met toekomstige zetel te …, …,

(zie dossierstukken 5-6, 152, 172-173, 179)

bij inbreuk op de wet van 3 JUL 69 tot invoering van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (W.BTW) (BS 17 JUL 69), met name op artikel 73 W.BTW (zoals vervangen bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981, en gewijzigd bij artikel 67 W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986) en artikel 73quinquies W.BTW (ingevoegd bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981; § 1 gewijzigd bij artikel 2 KB nr. 41, 2 april 1982, BS 7 april 1982, met ingang van 7 april 1982 en bij artikel 70, 1° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986; § 2 en § 4 opgeheven bij artikel 70, 2° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986), onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige en/of als mededader, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :

1. bij inbreuk op het artikel 50, § 1, 1° van het W.BTW zoals van kracht tot 31 december 1992 en het artikel 1, lid 1 en het artikel 4 van het Koninklijk Besluit nr. 10 d.d. 12 maart 1970 met betrekking tot de aangiften van aanvang, wijziging of stopzetting van werkzaamheid op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde (BS 18 maart 1970), te hebben nagelaten, vooraleer een werkzaamheid aan te vangen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, daarvan aangifte te doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert,

alsook

bij inbreuk op het artikel 53, lid 1, 1° W.BTW zoals van kracht met ingang van 1 januari 1993 (artikel 58 W. 28 december 1992, BS 31 december 1992) en artikel 1, leden 1 en 2 en artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BS 31 december 1992), te hebben nagelaten, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, daarvan aangifte te doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd;

2. bij inbreuk op artikel 11 van het Koninklijk Besluit nummer 1 van 23 juli 1969 (BS 30 juli 1969) zoals van kracht tot 31 december 1992,

alsook

op artikel 14 van het Koninklijk Besluit nummer 1 van 29 december 1992 (BS 31 december 1992, vierde uitgave) zoals van kracht met ingang van 1 januari 1993,

te hebben nagelaten om de voorgeschreven boekhouding te voeren;

3. bij inbreuk op artikel 52, § 1, 3° en 4° van het W.BTW en op de artikelen 16 en 17 van het KB nr. 1 D° 23 juli 1969 zoals van kracht tot 31 december 1992, te hebben nagelaten om iedere maand aangifte te doen van de al dan niet belastbare handelingen die in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek en te hebben nagelaten om de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 50, § 1, 3° W.BTW als van toepassing tot en met 31 december 1992 voorgeschreven aangifte,

alsook

bij inbreuk op artikel 53, eerste lid, 3° en 4° en artikel 53octies, § 1, 3° lid W.BTW zoals van kracht met ingang van 1 januari 1993 (artikel 58 W. 28 december 1992, BS 31 december 1992) te hebben nagelaten iedere maand aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt, in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, eerste lid, 3° als van toepassing met ingang van 1 januari 1993 voorgeschreven aangifte;

C. te … (…), in de periode van 20 juli 1994 tot en met 20 oktober 1996,

voor de periode van 1 mei 1994 tot en met 30 september 1996, met betrekking tot de werkzaamheden van groothandel in papierwaren en artikelen, boeken, tijdschriften en kantoorbenodigdheden, tweedehands materialen en stocks, huishoudelijke artikelen, verbandstoffen, ijzerwerk, geschenkartikelen, fantasie artikelen, marokijnwaren, doe-het-zelf-materialen, knutselmaterialen, verlichtingsartikelen en elektrische apparaten,

zowel in eigen naam als BTW-belastingplichtige, op verklaring van 9 januari 1996 pas opnieuw geregistreerd met terugwerkende kracht op 1 oktober 1995 (zie dossierstuk 2) onder zijn vroeger doorgehaald BTW-registratienummer BR. …),

evenals respectievelijk,

evenwel zonder enig BTW-registratienummer, onder de naam van de tot en met 17 juli 1996 NIET - bestaande vennootschap E. T. B. BVBA ("BTW-nummer & handelsregister in aanvraag"), welke vennootschap pas bij beslissing van de algemene vergadering (akte van notaris A. L., met standplaats te …), op 18 juli 1996 door de wijziging van de maatschappelijke benaming, van het maatschappelijk doel en van het adres van de firma "D. A." BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, HR. BRUGGE …, BTW-nummer … werd omgevormd in "E.T.B." BVBA met maatschappelijke zetel te … (…), … (gelijkvloers plus eerste verdieping), met als doel hoger vermelde werkzaamheden,

(zie dossierstukken 30-31, 55-57, 67-68, 92-94, 112-114),

bij inbreuk op de wet van 3 JUL 69 tot invoering van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (W.BTW) (BS 17 JUL 69), met name op artikel 73 W.BTW (zoals vervangen bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981, en gewijzigd bij artikel 67 W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986) en artikel 73quinquies W.BTW (ingevoegd bij artikel 9 W. 10 februari 1981, BS 14 februari 1981, met ingang van 14 februari 1981; § 1 gewijzigd bij artikel 2 KB nr. 41, 2 april 1982, BS 7 april 1982, met ingang van 7 april 1982 en bij artikel 70, 1° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986; § 2 en§ 4 opgeheven bij artikel 70, 2° W. 4 augustus 1986, BS 20 augustus 1986, met ingang van 20 augustus 1986), onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige en/of als mededader, de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, meer bepaald door :

1. bij inbreuk op het artikel 53, lid 1, 1° W.BTW zoals van kracht met ingang van 1 januari 1993 (artikel 58 W. 28 december 1992, BS 31 december 1992) en artikel 1, leden 1 en 2 en artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BS 31 december 1992), te hebben nagelaten, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, daarvan aangifte te doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats ,vaar hij is gevestigd;

2. bij inbreuk op artikel 53, eerste lid, 3° en 4° en artikel 53octies § 1, 3° lid W.BTW zoals van kracht met ingang van 1 januari 1993 (artikel 58 W. 28 december 1992, BS 31 december 1992) te hebben nagelaten iedere maand aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt, in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij artikel 53, eerste lid, 3° als van toepassing met ingang van 1 januari 1993 voorgeschreven aangifte; voor de belasting over de toegevoegde waarde (20,5 %) op een omzet in het totaal ten bedrage van 4.667.173 BEF, waardoor in zijn hoofde een BTW-schuld is ontstaan ten bedrage van 3.480.192 BEF (belasting, boeten, intresten en kosten samen, begroot per 21 juni 2001);

(zie onder meer stukken 3 - 5, 113 en 172 van het dossier)

alle betichtingen de uiting zijnde van éénzelfde strafbare gedraging


Gelet op de dagvaarding aan de gedaagde betekend.

Gezien de stukken van de bundel.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.

Gehoord de gedaagde in zijn antwoorden en verdediging bijgestaan door zijn raadsman.

De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.

Op strafgebied :

De beklaagde blijkt schuldig te zijn aan elk van de hem ten laste gelegde feiten. Hij heeft in de betrokken periode van juli 1987 tot oktober 1996 de betreffende financiële en administratieve verplichtingen tegenover de Belastingadministratie genegeerd of veronachtzaamd. Uit de feitelijke toedracht, zoals blijkt uit de stukken van het dossier, blijkt dat de beklaagde zich telkens bewust moest zijn van de onregelmatigheid en van het wederrechtelijk karakter van zijn handelswijze.

Hij heeft de feiten slechts kunnen plegen met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Alle feiten vloeien voort uit eenzelfde nalatige attitude en een eenheid van opzet, met name om handel te drijven en in het algemeen economisch actief te zijn zonder de financiële en administratieve verplichtingen na te komen. De feiten zijn dan ook als één geheel te beschouwen. De verjaring voor de oudste feiten is dan ook nog niet ingetreden. Tegelijk komen de feiten samen in aanmerking voor één enkele bestraffing.

De feiten zijn op zich ernstig. Daar komt bij dat de beklaagde, hoewel hij door de Administratie al herhaaldelijk op de onregelmatigheid van zijn handelen was gewezen en zich overigens al geconfronteerd zag met aanzienlijke administratieve vorderingen, met inbegrip van belangrijke administratieve boetes, gedurende meer dan negen jaar zijn laakbaar gedrag handhaafde. De rechtbank tilt zwaar aan dergelijke feiten. Dergelijke acties verstoren het economisch raderwerk dat één van de peilers is van een vlotte moderne westerse maatschappij. In wezen beogen de feiten geld­ gewin zonder - eerbare - tegenprestatie op de rug van de belastingbetaler.

Aan de andere kant blijkt dat de beklaagde ondertussen tot inzicht is gekomen. Hij zou met de BTW-administratie een minnelijke afbetalingsakkoord gesloten hebben. Hij beschikt momenteel over een werkloosheidsvergoeding. Ondertussen volgt hij een cursus 'computer' die hem moet toelaten gemakkelijker een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. De beklaagde die blijkens de verklaringen van gerechtsdeurwaarder B., geruime tijd in de marginaliteit geleefd heeft, doet kennelijk een inspanning om opnieuw (of misschien voor het eerst) een behoorlijke plaats in de maatschappij te verwerven. Hij is nog geen 45 jaar oud.

Voor de oudste feiten kan de beklaagde ook gevolgd worden in zijn stelling dat de redelijke termijn voor de strafvervolging overschreden is (zie artikel 21ter V.T. SV). Gelet op de eenheid van opzet en de bestraffing met één straf, is deze vaststelling op zich nochtans minder relevant. Toch doet dit in zekere mate het gewicht van de feiten afnemen met het oog op de strafmaat. De rechtbank stelt immers hoe dan ook vast dat eerst in 1998 door de BTW-administratie bij het Openbaar Ministerie klacht werd neergelegd voor feiten waarvan de vroegste al dateerden van 1987. Gelet op de mislukking van de poging om de beklaagde via administratieve weg te treffen en tot de orde te roepen (en aldus tot correctie van zijn handelswijze over te gaan), is het wel begrijpelijk dat niet ogenblikkelijk wordt klacht neergelegd om tot een correctionele vervolging over te gaan. De mislukking van die administratieve aanpak hield bovendien verband met het feit dat beklaagde zelf weinig of geen respons gaf en uiteindelijk onvermogend was en niet op zijn officiële adressen verbleef.

Een gedeelte van de vertraging van de weg tot strafvervolging is dus ongetwijfeld toe te schrijven aan de beklaagde zelf.

Na de klachtneerlegging op 7 oktober 1998 heeft het onderzoek tussen januari 1999 en mei, zelfs juni 2001 (meer dan twee jaar) volledig stil gelegen. Aan deze vertraging heeft nochtans de beklaagde geen enkele schuld. Er blijkt dat in de periode bekend was waar hij verbleef en hij had al die tijd kunnen ondervraagd worden. Het heeft evenwel tot 27 augustus 2001 geduurd alvorens hem voor het eerst in dit strafdossier een verklaring werd afgenomen. Om de gegevens in te winnen die de materialiteit van de ten laste gelegde feiten bewijzen, was een snelle afhandeling van het dossier, gebaseerd op de gestoffeerde klacht door de BTW-administratie, zeker mogelijk. De vertraging houdt duidelijk verband met de overbelasting van de gerechtelijke politionele diensten, waarin de beklaagde geen schuld heeft.

Al deze overwegingen bij elkaar genomen, brengt de rechtbank er toe om de beklaagde tot een effectieve maar - in verhouding tot de ernst van de feiten - matige geldboete te veroordelen.

- met betrekking tot de toepassing van de Wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro :

De rechtbank stelt vast dat in casu de feiten werden gepleegd vóór 1 januari 2002.

De toepassing van de wet van 26 juni 2000 (BS 29 juli 2000) brengt met ingang van 1 januari 2002 een geringe verhoging van de geldboeten met zich mee. Nu de door de beklaagde gepleegde feiten dateren van voor de inwerkingtreding van deze wet mag deze verhoging van de geldboeten, bij toepassing van artikel 2, 2° lid Swb. dat de niet-retroactiviteit van de strengere strafwet voorziet, niet op deze feiten worden toegepast.

Het bedrag van de uit te spreken geldboete, verplicht uit te drukken in euro (EUR), dient dan ook berekend te worden op basis van de geldboete zoals bepaald in "frank" ten tijde van de feiten, gedeeld door 40,3399.

In casu wordt de uit te spreken geldboete berekend als volgt : 50.000 ("frank'') gedeeld door 40,3399 = 1.239,47 EUR.

De toepassing van artikel 2, 2° lid Swb. geldt niet :

- voor de op te leggen bijdrage tot financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, zoals bepaald bij artikel 29 van de Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gewijzigd bij artikel 3 van de programmawet van 24 december 1993; deze bijdrage is immers geen straf (cfr. Cass., 30 juni 1993, Pas., 1993, I, 635);

- voor de vergoeding opgelegd in uitvoering van artikel 71 van de Wet van 28 juli 1992 en het KB van 29 juli 1992 tot wijziging van het KB van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, gewijzigd bij KB van 23 december 1993 en door artikel 1 van het KB van 11 december 2001 (BS 22 december 2001); deze vergoeding is evenmin een straf (cfr. Cass., 9 november 1994, J.T., 1995, 214);

- voor de berekening van de gerechtskosten die onmiddellijk in euro kunnen worden uitgedrukt.

Dispositif

OM DEZE REDENEN :

Gelet op de hiernavolgende artikelen, door de Voorzitter aangeduid :

artikelen 2, 65, 100 van het strafwetboek;

artikelen 11, 12, 14, 31, 36, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935;

artikelen 162, 182, 184, 189, 190, 194, 195 van het wetboek van strafvordering.

alsmede alle overige in de dagvaarding vermelde en hiervoor aangehaalde en bewezen wetsartikelen.

DE RECHTBANK,

Rechtdoende OP TEGENSPRAAK;

Verklaart de feiten sub A1, A2, B1 tot en met B3, C1 en C2 bewezen en veroordeelt de gedaagde uit dien hoofde, voor al deze feiten samen, tot :

een geldboete van : 50.000 / 40,3399 EUR.

= DUIZEND TWEEHONDERD NEGEN EN DERTIG EURO en ZEVEN EN VEERTIG CENT (1.239,47 EUR).

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden.

Verwijst deze veroordeelde tevens tot het betalen van een vergoeding van 25 EURO, zoals bepaald bij artikel 1 van het KB d.d. 29 juli 1992, in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992, zoals gewijzigd door artikel 1 KB d.d. 23 december 1993 en zoals gewijzigd bij artikel 1 van het KB van 11.12.2001.

Verplicht deze veroordeelde om boven de correctionele hoofdstraf een bedrag van TIEN EURO + 40 decimes = 50 EURO te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. (artikelen 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985, in werking getreden door het KB van 18 december 1986, BS 20 februari 1987, gewijzigd door de artikelen 1, 2° en 3 van de wet van 24 december 1993 en zoals gewijzigd bij de art. 2, 4 al. 1 en 9 van de wet van 26 juni 2000).

Verwijst deze veroordeelde tevens tot de kosten van het geding, in totaal begroot op twaalf euro en zestien cent.

Alles wat voorafgaat werd overeenkomstig de bepalingen van de wet op het gebruik der talen in het Nederlands behandeld.

Aldus gevonnist en uitgesproken op de openbare terechtzitting van drie en twintig oktober tweeduizend en twee.

waar zetelden :

D. V., alleenrechtsprekend rechter;

C. B., substituut procureur des Konings;

G. D., adjunct-griffier;

G. D. D. V.

Voor eensluidend afschrift afgeleverd aan het Openbaar Ministerie voor bestuurlijke inlichtingen

De griffier - hoofd van dienst,

A. M.

Textes cités

7
AR no 41 art. 23 occurrences
AR no 10 art. 52 occurrences
CTVA art. 152 occurrences
CTVA art. 25ter2 occurrences
AR no 10 art. 31 occurrence
AR no 1 art. 161 occurrence
AR no 1 art. 171 occurrence

Décisions similaires

8