Moyens de preuve et mesures de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 13 janvier 2015

Rechercher
Texte en néerlandais

Moyens de preuve et mesures de contrôle

https://juriel.be/fr/jurisprudence/moyens-preuve-mesures-controle-presentation-cour-appel-gand-2015-01-13-36d3

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
13 janvier 2015

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 9 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance de Gand09.04.2013
  2. Décision affichéeCour d'appel de Gand13.01.2015

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

196 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 13.01.2015

WF 503-15-11/083874

[Favorable à l’administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Moyens de preuve et mesures de contrôle – Présentation des livres et des documents – Visite fiscale – Libre accès aux locaux professionnels – Autorisation du juge de police

Dispositions légales

Code de la TVA : Articles : 60, 61, 63 et 90

Code judiciaire : Articles 1025 à 1034

Résumé

Le requérant est enregistré en tant qu’assujetti à la TVA pour l’exploitation d’un commerce d’ameublement de maisons. En 2009, une communication anonyme a été adressée à l’administration l’informant que l’assujetti serait actif en tant que vendeur professionnel de timbres-poste et de carte sur des sites de ventes aux enchères sur internet. Ces ventes n’étaient pas mentionnées dans ses déclarations-TVA.

Plusieurs contrôles non annoncés ont été effectués mais l’administration a toujours trouvé porte close. Le 8 août 2010, le juge de police a délivré une autorisation de « visite dans les maisons, les fonds et propriétés de personnes privées ».

1) L’enquête a démarré lors de la visite domiciliaire fiscale de l’habitation de l’assujetti consécutive à l’autorisation du juge de police.

L’assujetti invoque à tort que l’autorisation accordée par le juge de police a été délivrée de manière illégale. La loi n’exige pas que semblable autorisation doive être demandée par un avocat.

A défaut des dispositions visées à l’article 63, dernière phrase du paragraphe 3, du Code de la TVA, ce sont les règles du droit commun relatives à l’introduction et à l’instruction de la demande sur requête unilatérale, prévues aux articles 1025 à 1034 du Code judiciaire qui sont applicables.

L’article 1026, 5°, du Code judiciaire prescrit que la requête contient à peine de nullité la signature de l'avocat de la partie (requérante), sauf lorsque la loi en dispose autrement.

Comme l’administration le fait remarquer à juste titre, il y a en effet ici en l’espèce une disposition légale spécifique qui s’écarte de la règle commune. En effet, l’article 90 du code de la TVA stipule : « Dans les contestations relatives à l'application d'une loi d'impôt, la comparution en personne au nom de l'Etat peut être assurée par tout fonctionnaire d'une administration fiscale ».

La requête unilatérale afin d’obtenir une autorisation du juge de police est un litige qui concerne l’application d’une loi fiscale.

2) L’assujetti invoque à tort une atteinte à son droit à la protection de la vie privée. En effet, s’il s’avère, comme en l’espèce, que les données que l’assujetti a stockées sur son ordinateur sont soumises au droit de contrôle accordé à l’administration en vertu des articles 60, 61 et 63 du Code de la TVA, il ne peut pas soutenir que cet ordinateur n’est pas utilisé exclusivement pour les besoins de son activité économique et qu’il contient des données à caractère privé. Si on acceptait ce raisonnement, toute enquête fiscale deviendrait totalement inopérante.

La cour déclare l’appel recevable mais non fondé et elle confirme le jugement attaqué.

Remarque

Suite au défaut de réaction de l’assujetti, le délai pour introduire un pourvoi devant la Cour de cassation est écoulé.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 13.01.2015

2013/AR/1370

V. L. W., wonende te …, … appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. T., advocaat te …, …

tegen

DE BELGISCHE STAAT. ln de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12 en FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de BBI Gent 5, met kantoren gevestigd te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 801 en het Ontvangkantoor BTW Gent 1, met kantoren gevestigd te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/107, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. F. C. loco mr. D. C., advocaat te …, …

wijst het hof het volgend arrest:

1.De procedure

Bij verzoekschrift van 15 mei 2013 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 9 april 2013 werd uitgesproken. in het bestreden vonnis werd ais volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt:

- aan de zijde van de verweerder: de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding: … EUR.

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

-Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 9 april 2013 te hervormen:

-Huidig verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren evenals het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd door Mevrouw B. P., Wnd. E.a Inspecteur, Ontvangkantoor BTW Gent 1 d.d. 20 september 2011, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Mevrouw B. V., E.a. Inspecteur a.i. d.d. 19 september 2011 en van het proces-verbaal d.d. 15 september 2011 inzake belasting over de toegevoegde waarde, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

-De stuiting van de tenuitvoerlegging van hetzelfde dwangbevel RCIV. nr. … te horen bevelen overeenkomstig artikel 89, lid 2 WBTW;

-Dienvolgens het bestreden dwangbevel RCIV. nr. … uitgevaardigd door Mevrouw B. P., Wnd. E.a Inspecteur, Ontvangkantoor BTW Gent 1 d.d. 20 september . 2011 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Mevrouw B. V., E.a. Inspecteur a.i. d.d. 19 september 2011 te vernietigen en concluant te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde belasting over de toegevoegde waarde, interesten, boeten en kosten;

-Geïntimeerde te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan thans vernietiging wordt gevorderd;

-ln voorkomend geval onderstaande prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:

"Schenden de artikelen 322, §1 en 323 WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen, in de mate dat de fiscale Administratie, wanneer zij op grond van de artikelen 322, §1 of 323 WIB92 een vraag om inlichtingen stelt aan een derde andere dan een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling, met. het oog op het bepalen van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige, er niet toe verplicht is deze vraag om inlichtingen eerst aan de belastingplichtige te stellen, terwijl de fiscale Administratie, wanneer zij op grond van artikel 322, §2 WIB92 een vraag om inlichtingen stelt aan een derde die wel een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling is, er wel toe gehouden is deze vraag om inlichtingen eerst aan de belastingplichtige te stellen, hoewel deze bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling op grond van artikel 322, §2 WIB92 uitdrukkelijk als een derde in de zin van artikel 322, §1 WIB92 wordt beschouwd."

-ln ondergeschikte orde, de opgelegde geldboete kwijt te schelden, dan wel minstens te verminderen;

-Geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding begroot overeenkomstig het basistarief van het KB 26/10/207 (B.S. 9/11/07) begroot op … EUR, onder voorbehoud van indexatie.

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift van 13 mei 2013 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,

Dienvolgens het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 9 april 2013 te bevestigen in al zijn onderdelen, het dwangbevel van 19 september 2011 (RCIVnr. …) annex proces-verbaal van 15 september 2011 te bevestigen en appellant te veroordelen tot betaling van de daarin gevorderde BTW, boeten, interesten en kosten,

Tot slot de uitspraak m.b.t. de rechtsplegingsvergoeding op te schorten tot er een uitspraak is van het Grondwettelijk Hof in de hangende prejudiciële vragen gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarlen en gekend onder de nummers …, …, … en … en daarna de zaak terug vast te stellen voor Uw Hof om uitspraak te doen over de vordering aangaande de rechtsplegingsvergoeding;

ln ondergeschikte orde, indien Uw Hof toch zou beslissen over de rechtsplegingsvergoeding, appellant te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding door geïntimeerde begroot op … euro, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep., zijnde het basistarief zoals vastgesteld in K.B. van 26 oktober 2007 zoals later geïndexeerd.

2.De feitelijke gegevens

De appellant is sinds 1978 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van detailhandel in huismeubilair in gespecialiseerde winkels onder het btw-nummer BE….

Hij was ook loontrekkende en ging op 60 jaar op vervroegd pensioen op grond waarvan hij in 2011 een beperkt pensioen genoot.

Op 18 augustus 2009 werd op de directie Gent van de geïntimeerde een anoniem bericht ontvangen waarin de aandacht gevestigd werd op het feit dat de appellant ais professioneel verkoper actief zou zijn op veilingsites voor de verkoop van postzegels en - kaarten.

Tijdens de daarop volgende fiscale controle werd vastgesteld dat de appellant inderdaad goederen, ln het bljzonder ansichtkaarten, verkoopt op de velllngsite www.delcampe.net, gebruik makend van verschillende pseudoniemen ("Gentenaar", "Gentenaar 2", "Gwendolineke", "Bs 1952", "Annavi", "Arenagent" en "Gre1991").

Op 21 juni 2009 werd door Het Nieuwsblad zelfs een interview met de appellant gebracht, waarvan een uittreksel op de website van 'delcampe' werd gepost (stuk 12 geïnt.).

Van die verkopen werd niets teruggevonden in zijn periodieke btw-aangiften.

Uit een proces-verbaal van 28 juli 2010 van de BBI Gent blijkt dat twee van haar controleagenten daags voordien een onaangekondigd bezoek hebben gebracht aan de appellant, maar dat bij het aanbellen na het melden via de parlofoon dat de controleagenten van de belastingen waren, geen gevolg werd gegeven aan de vraag om open te doen. Ook herhaalde pogingen leverden geen resultaat op.

Op 4 augustus 2010 heeft directeur E. van de BBI Gent de Politierechtbank van Gent verzocht om een machtiging te verlenen 'tot visitatie in de huizen, erven en panden van particulieren', meer bepaald op het privéadres van de appellant. Bij beschikking van 8 augustus 2010 heeft de politierechter van Gent die machtiging verleend aan vier met naam genoemde controleagenten, dit binnen de perken van hun wettelijke bevoegdheid, om er opsporingen en huiszoekingen te verrichten tussen vijf uur ‘s ochtends en negen uur 's avonds vanaf 23 augustus 2010 tot en met 27 augustus 2010.

Op 25 augustus 2010 hebben de betreffende controleagenten van de BBI zich bij de appellant thuis begeven en hem aan een fiscale controle onderworpen. De appellant werd gewezen op de artikelen 60, 61, 62 en 63 WBTW en hem op grond van die bepalingen gevraagd alle dossiers en informatiedragers voor te leggen en ter inzage te geven en - zoals de controleagenten in hun proces-verbaal van die datum stellen - om in ons bijzijn en op zijn uitrusting kopij te maken van alle door ons gewenste software en bestanden die op de bedrijfscomputers werden aangetroffen.

Het proces-verbaal gaat als volgt verder:

Aan de geverbaliseerde werd gevraagd of hij zich wil laten bijstaan door zijn raadsman of zijn informaticaspecialist.

De volgende lijnen van de vooraf gedrukte tekst werden geschrapt:

Teneinde de hierboven vermelde kopijen te maken werd aan de belastingplichtige de keuze gelaten om:

-De nodige informaticabewerkingen zelf te verrichten of te laten verrichten door zijn aangestelde(n).

-De ondergetekende ambtenaren te verzoeken zelf de nodige informaticaverrichtingen uit te voeren.

Bij wijze van uitleg bij de schrapping werd door een verbalisant met de hand toegevoegd: zie huisvisitatie machtiging.

Daarna volgt de zin:

Geverbaliseerde tekent voor akkoord alvorens tot inzage en/of kopiename wordt overgegaan.

Bij de handtekening van de appellant is de vooraf gedrukte zin verzoekt de bevoegde ambtenaren om zelf de nodige informatieverrichtingen te stellen geschrapt.

Uit het aangehecht proces-verbaal blijkt verder dat zowel de desktop van de appellant als de laptop van diens zoon werden aangetroffen en van die twee computers zowel de emailbestanden als het bestand “mijn documenten” werden gekopieerd op een externe harde schijf. Daarnaast werd genoteerd dat nog rekeninguittreksels van ING en van Deutsche Bank die in een plastieken zak staken werden meegenomen, dit alles met de toestemming van de appellant en gevolgd door zijn handtekening “voor akkoord”.

Tijdens het onderzoek heeft de appellant voorgehouden dat de ansichtkaarten die hij online verhandelde afkomstig waren van een zeer uitgebreide verzameling die hij van zijn moeder gekregen had. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft de appellant een eigenhandig geschreven tekst voorgelegd waarop in het bijzijn van twee getuigen, weliswaar verwanten van de appellant, bevestigd werd dat de appellant de verzameling kreeg op voorwaarde dat hij enkele zorg- en onderhoudsplichten jegens zijn moeder zou vervullen.

De moeder van de appellant was inmiddels, eind 2007, overleden.

In een proces-verbaal van vaststellingen en verklaringen van 22 maart 2011 is een relaas weergegeven van een onderhoud die twee controleagenten van de BBI te Gent met de appellant de dag voordien hebben gehad. Daarin is onder andere vastgesteld dat de overeenkomst niet geregistreerd werd, dat die overeenkomst niet besproken werd met de andere erfgenamen (de kinderen van de zuster van de appellant) en dat geen schenkingsrechten, noch erfenisrechten op de vermeende ontvangen goederen werden betaald door de appellant.

Nadat de appellant gewezen was op het feit dat hij gerechtvaardigd was voor de inkomstenbelastingen zijn beroepskosten te bewijzen, heeft hij geantwoord dat hij dat niet van plan was omdat hij anders als handelaar in die goederen zou worden beschouwd, wat hij niet toegaf te zijn.

Inzake directe belastingen heeft de BBI Gent op 15 juni 2011 aan D. i. sprl, vennootschap met zetel in … (…) een vraag om inlichtingen gestuurd. Daarin werd gevraagd om voor de periode van 2003 tot 2010 mee te delen wat het omzetcijfer (aankoop en verkoop) was van haar leden-gebruikers met de hoger genoemde pseudoniemen. Ook werd gevraagd of het klopt dat die pseudoniemen uitgingen van de appellant, zo niet meer te delen wat de identiteit van die gebruikers was. Ook werd gevraagd sinds wanneer de gebruikers actief waren en per periode de omzet mee te delen. Bovendien vroeg de BBI om mee te delen of de appellant, zijn zoon en zijn dochter nog andere pseudoniemen gebruikten en om in dat geval ook de vorige vragen voor dat gebruik te beantwoorden.

D. international sprl heeft per verrichting die door de appellant onder zijn eigen pseudoniemen werden gedaan in de relevante jaren een overzicht gegeven.

De controleagenten hebben op 15 september 2011 aan de appellant laten weten dat de verjaringstermijn overeenkomstig artikel 81bis, § 2, 4de lid WBTW werd uitgebreid tot zeven jaar.

Vervolgens werd diezelfde dag een proces-verbaal opgesteld waarin werd geoordeeld dat de appellant voor de hoger vermelde verkoop online als belastingplichtige beschouwd werd en dat, aan de hand van de diverse pseudoniemen een omzet werd gerealiseerd waarop hij aan de Schatkist een bedrag verschuldigd is van … euro aan BTW. Bovendien werd hem een boete van 200 % opgelegd wegens fraude, vastgesteld op … euro.

Op 19 september 2011 werd in dezelfde zin een dwangbevel uitgevaardigd dat bij aangetekende brief van 20 september 2011 ter kennis werd gebracht van de appellant.

Met een verzoekschrift van 23·november 2011 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 9 april 2013, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellant als ongegrond afgewezen. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3.De grieven en argumenten van de appellant

Volgens de appellant is het bewijs dat de geïntimeerde vergaard heeft via de fiscale huisvisitatie overeenkomstig artikel 63 WBTW op onrechtmatige wijze verkregen.

De fiscale administratie zou volgens hem ten onrechte nagelaten hebben de andere bewijsmiddelen uit te putten alvorens over te gaan tot de fiscale huisvisitatie. Bovendien zou er geen sprake zijn van fraude vermits hij nooit de intentie zou hebben gehad om belasting te ontduiken.

De appellant roept ook in dat de geïntimeerde zijn fiscale onderzoeksbevoegdheden onrechtmatig heeft aangewend. De controleagenten zouden op grond van de wet, in het bijzonder artikel 63 WBTW, niet het uitgebreide, actieve zoekrecht hebben dat ze hebben uitgeoefend. Volgens de . appellant is ook de machtiging van de Politierechter niet rechtsgeldig verlopen. Onder andere zou de aanvraag niet door een advocaat zijn gebeurd, waarbij in het bijzonder niet zou zijn aangetoond dat het schriftelijk verzoek door een advocaat was ondertekend, hoewel dat door artikel 1026, 5° Ger.W. zou zijn voorgeschreven. Daarnaast zou de motivering van de politierechter niet toelaten om het onderzoek zoals dat door de controleagenten gevoerd te verantwoorden. De machtiging zou hoe dan ook niet toelaten de door artikel 63 WBTW verstrekte waarborgen van bijstand van de belastingplichtige opzij te schuiven.

De appellant roept ook in dat de huisvisitatie gebeurde met schending van het recht op eerbiediging van het privéleven; dat ze gebeurde met machtiging van de politierechter zou daartoe niet voldoende zijn. De appellant benadrukt dat de onderzochte computer zich niet in een bedrijfsruimte bevond, maar in een privévertrek. Artikel 63 WBTW zou hier, in het bijzonder ten aanzien van particulieren, garanties bieden door de controleagenten niet zouden zijn geëerbiedigd door de enkele verwijzing naar de machtiging van de politierechter.

Volgens de appellant is de controle verlopen in strijd met de regel dat de fiscale administratie haar onderzoeksbevoegdheid niet mag gebruiken op een manier die niet uitdrukkelijk door de wet, het decreet of de ordonnantie werd voorzien. Door het proces-verbaal van 15 december 2011 hoofdzakelijk te steunen op inlichtingen verkregen van D. i. sprl. dit via een vraag om inlichtingen aan een particuliere derde op grond van de artikelen 322 en 323 WIB92, terwijl de passieve meewerkverplichting van derden uit de privésector op zich onbestaande is inzake BTW, zou er sprake zijn van machtsafwending. De appellant acht het ook onredelijk dat de vraag om inlichtingen niet eerst aan hem werd verstuurd en meteen en alleen aan D. i. sprl. Omdat dit voor een bankonderzoek wel vereist is en hij geen redelijke verantwoording ziet voor het verschil in behandeling, vraagt hij het hof geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk hof.

Verder voert de appellant aan dat hij niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft wegens afwezigheid van economische activiteit. Het moet volgens hem gaan om handelingen binnen een economisch systeem van ondernemingsgewijze productie en distributie, daar waar het hier zou gaan om een particulier die een privécollectie prentkaarten, door de jaren heen verzameld door zijn moeder, te gelde maakt via verkopen op het internet ter vergoeding van de door hem geleverde financiële hulp aan zijn moeder. Het bezit van een uitgebreide collectie zou niet als een economische activiteit kunnen worden aangezien en dus ook het overdragen ervan evenmin.

Volgens de appellant werd de gevorderde btw ook willekeurig vastgesteld. De appellant verwijst daartoe naar en vergelijkt zijn situatie met de belastingplichtige wederverkoper uit artikel 58 § 4 WBTW met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge. Aangezien hij niets zou hebben aangekocht, zou er ook geen btw verschuldigd zijn. In ieder geval zou de btw willekeurig zijn vastgesteld omdat hij wordt berekend op de zuivere omzet zonder de appellant de mogelijkheid te geven om zijn kosten in te brengen.

Subsidiair vraagt de appellant om de boete van 200 % kwijt te schelden gelet op de afwezigheid van enig oogmerk om de belasting te ontduiken. De enige bedoeling van de appellant zou geweest zijn om de collectie ansichtkaarten van zijn moeder te gelde maken ter compensatie van zijn loon dat hij heeft afgestaan om haar financieel te hulp te schieten tot aan haar overlijden. De verkopen zouden louter kaderen in het normale beheer van zijn privévermogen.

Minstens vraagt de appellant om met volle rechtsmacht te oordelen over de boete die het karakter van een strafsanctie heeft.

4.De beoordeling

4.1. Bewijs vergaard via de fiscale huisvisitatie

Het onderzoek is gestart tijdens een fiscale huisvisitatie in de woning van de appellant, dit na machtiging door de politierechter

4.1.1. Eén en ander is gesteund op de onderzoeksmogelijkheden voorzien in de artikelen 60, 61 en 63 WBTW waarvan de relevante tekst als volgt luidt.

Artikel 60

§ 1; De boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid.

Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte ……… de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede ……… de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.

§ 2. In afwijking van § 1, begint de daar bedoelde termijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma’s en de uitbating van geïnformatiseerde systemen, te lopen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het in deze gegevens omschreven systeem werd gebruikt.

Daarenboven kan de Koning de in § 1 bedoelde bewaringstermijn verlengen, teneinde de controle van de ter uitvoering van artikel 49, 2° en 3°, verrichte herzieningen van de aftrek te verzekeren.

§ 3.

[…]

De authenticiteit van de herkomst en integriteit van de inhoud van de facturen, alsmede de leesbaarheid ervan, moeten gedurende de volledige bewaringstermijn worden gewaarborgd. De facturen die elektronisch werden ontvangen worden in hun oorspronkelijke vorm bewaard, met inbegrip van de gegevens die de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van elke factuur waarborgen. Onder het elektronisch bewaren van een factuur wordt verstaan de bewaring via elektronische apparatuur voor het bewaren van gegevens met inbegrip van digitale compressie.

De facturen die in papieren vorm werden ontvangen worden ofwel in hun oorspronkelijke vorm ofwel digitaal bewaard. In dat geval van digitale bewaring moeten de gebruikte technologieën of procesmatige middelen de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van de facturen waarborgen.

§ 4. […]

Artikel 61

§ 1. Eenieder is gehouden de boeken, de facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder ……… ter inzake voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde …… hoofde van derden te kunnen nagaan.

[…]

Wanneer de boeken, facturen en andere stukken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben ambtenaren het recht zich op de informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene in het eerste lid bedoeld verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juist heffing van de belasting na te gaan.

[…]

§ 2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.

Artikel 63

Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen :

1°de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;

2°door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;

3°de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

[…]

4.1.2. De appellant roept ten onrechte in dat de machtiging door de politierechter op onregelmatige wijze werd bekomen.

De wet vereist niet dat een dergelijke machtiging door een advocaat moet worden gedaan. Bij gebrek aan bijzondere bepalingen in artikel 63, 3de lid, laatste zin WBTW, zijn de gemeenrechtelijke regels met betrekking tot het eenzijdig verzoekschrift, voorzien in de artikelen 1025 tot 1034 Ger.W., toepasselijk. Artikel 1026, 5° Ger.W. stelt dat het verzoekschrift de handtekening moet bevatten van de advocaat van de (verzoekende) partij tenzij de wet anders bepaalt. Zoals de geïntimeerde terecjt opmerkt is er hier wel degelijk een specifieke wettelijke bepaling die van die regel afwijkt. Artikel 90 WBTW bepaalt immers :

Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in de persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.

Het eenzijdig verzoek tot machtiging vanwege de politierechter is een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 90 WBTW is in algemene bewoordingen opgesteld en is dus niet uitsluitend toepasselijk voor geschillen ten gronde over de verschuldigdheid van belastingen enz.

De heer E., directeur bij de geïntimeerde, had wel degelijk de macht om een schriftelijk verzoek in te dienen bij de politierechter om de machtiging tot huisvisitatie te bekomen en zelf te handtekenen.

Verder heeft de politierechter in zijn beschikking van 9 augustus 2010 uitdrukkelijk gemotiveerd dat hij de machtiging toestond op basis van de hem voorgelegde stukken en de mondelinge toelichting. In wezen volstonden de feiten dat enerzijds de appellant geregistreerd was als btw-belastingschuldige met exploitatie op de locatie van zijn privéadres en anderzijds, zoals weergegeven in het proces-verbaal van 28 juli 2010, de toegang tot de woning (waar drie huisnummers vermeld staan maar met gemeenschappelijke toegang voor privé- en beroepsruimten) op dat adres ondanks herhaalde pogingen geweigerd werd. Bijkomend waren er overigens nog de gegevens die beschikbaar waren op de publieke website van D. i. sprl die, door ze in verband te brengen met de anonieme brief van 18 augustus 2009 en het artikel in Het Nieuwsblad (dat daags voor die brief blijkbaar op die website was gezet) wezen op verkoopactiviteiten door de appellant en zijn gezinsleden.

Er valt niet in te zien welke onderzoeksmogelijkheden de controleagenten vooraf nog hadden moeten uitputten alvorens tot die huisvisitatie over te gaan. Uit de hoger geciteerde wetsartikelen valt duidelijk af te leiden dat de controleagenten ten aanzien van de appellant als btw-belastingplichtige het recht hadden om hem te allen tijde, zonder voorgaande verwittiging, een bezoek te brengen op de plaatsen waar hij zijn beroepsactiviteit uitoefende. Uit de objectief gedane vaststellingen blijkt dat hij die toegang aanvankelijk niet verstrekte. Omdat de controleagenten – gelet op de concrete omstandigheden – konden vermoeden dat privé- en beroepsruimten niet of niet volledig van elkaar gescheiden waren, hebben zij van de wettelijke mogelijkheid gebruik gemaakt om zich door de politierechter te laten machtigen.

Van dan af was het voor de controleagenten mogelijk om ook een onderzoek te voeren in de privévertrekken van de appellant. Zoals de geïntimeerde met reden stelt, heeft de appellant zich daartegen overigens uiteindelijk niet verzet.

4.1.3. Het is, zowel gelet op de machtiging van de politierechter als op grond van de vaststelling dat de onlineverkopen via computers gebeurden die zich in een privéruimte bevonden (dit gelet op de ruime onderzoeksmogelijkheden voorzien in de hoger geciteerde artikelen 60, 61 en 63 WBTW), dan ook geen beletsel dat de controleagenten gevraagd hebben om gegevens op die computers te mogen inzien e, een kopie hebben gemaakt van de e-mailbestanden en de map 'mijn bestanden'.

Het is onbetwistbaar dat de bewaarplicht bestaat voor de professionele stukken in de brede zin van het woord. Naast de boeken en facturen die in artikel 60, 1ste lid WBTW worden genoemd, zijn immers ook de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekenlnguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid uit het tweede lid van datzelfde artikel geviseerd. Daar behoort ook de 'handelscorrespondentie' toe. Waar dat vroeger slechts briefwisseling op papier betrof, is ook het e-mailverkeer van de belastingplichtige of zijn medewerker(s) daar tegenwoordig in begrepen. Naast de antiek-activiteiten waarvoor de appellant ais btw-belastingplichtige geregistreerd was, konden de controleagenten, op basis van objectieve aanwijzingen, vermoeden dat de appellant op zeer regelmatige basis onlineverkopen deed en op die manier een handelaar was op een wijze dat hij daarvoor ais btw-belastingplichtige te beschouwen was. Uit de aard zelf van die verrichtingen, lag een onderzoek van de computers voor de hand, zodat de controleagenten er met toepassing van artikel 61, 3de lid WBTW inzage konden van vragen. De digitale gegevens van die verrichtingen behoren onmiskenbaar tot de ruim omschreven stukken uit artikel 60, 2de lid WBTW.

4.1.4.De appellant leidt ook ten onrechte een onregelmatigheid af uit het feit dat, zoals in het 'proces-verbaal betreffende informaticahandelingen' van 25 augustus 2010 werd weergegeven (zie het feitenrelaas) aan hem niet de keuze werd gelaten om, met het oog op het nemen van een kopie van betreffende bestanden, ofwel de nodige informaticabewerkingen zelf (of via zijn aangestelde) te verrichten, ofwel dat aan de ambtenaren over te laten en dit onder dekking van de machtiging tot huisvisitatie door de politierechter.

Geheel ten onrechte ziet de appellant hierin een schending van artikel 63, 1ste lid, 2° WBTW. Zoals vermeld luidt die bepaling als volgt :

Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen :

[…]

2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; (eigen onderstreping door het hof).

Die bepaling heeft een specifieke strekking die betrekking heeft op de betrouwbaarheid van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen. Er wordt bij verduidelijkt dat ze onder andere slaat op omzetting van gegevens die op de informatiedragers (zoals harde schijven, usb-sticks, dvd’s, enz.) staan maar die, omdat ze op zich niet leesbaar zijn, in een leesbare of verstaanbare vorm zouden kunnen worden omgezet. Uit niets blijkt dat zich voor het lezen van de gegevens van de appellant op de betreffende computers moeilijkheden hebben voorgedaan inzake betrouwbaarheid (bijvoorbeeld omdat ze niet normaal leesbaar waren).

Overigens blijkt uit de beschrijving in het proces-verbaal dat de controleagenten de paswoorden hebben gekregen en dat de appellant zich tijdens de visitatie nooit verzet heeft tegen de gedane verrichtingen.

4.1.5.Uit het onderlinge verband van de artikelen 61, § 1, 1ste lid, en 63, 1ste lid, 1°, WBTW volgt dat de in artikel 63, 1ste lid, 1° WBTW bedoelde controlemaatregel te onderscheiden is van de in artikel 61, § 1, 1ste lid WBTW bedoelde controlemaatregel en dat artikel 63, 1ste lid, 1°, WBTW beoogt aan de bevoegde ambtenaren een onderzoeksbevoegdheid te verlenen die zij niet uit artikel 61, § 1, 1ste lid WBTW putten. Daaruit volgt dat de bevoegde ambtenaren, krachtens artikel 63, 1ste lid, 1° WBTW het recht hebben na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken (Cass. 16 december 2003, rolnr. P.03.1087.N, via www.juridat.be).

Waar de controleagenten zich de betreffende “stukken” die (slechts) digitaal beschikbaar waren hebben laten ter inzage voorleggen door de computers in te kijken, hebben zij slechts gebruik gemaakt van de bij artikel 61, § 1, 3de lid WBTW voorziene bevoegdheid. De kopiename konden zij, om de enkele reden dat ze meenden dat de aangetroffen gegevens tot de verschuldigdheid van een belasting of een boete deden besluiten, doen krachtens artikel 61, § 2 WBTW.

4.1.6.De appellant beroept zich ten onrechte op een schending van zijn recht op privacy omdat de computers, en ook de ingekeken en gekopieerde mappen, privégegevens bevatten. Eenmaal, zoals hier, blijkt dat de belastingplichtige op een computer gegevens staan heeft die onder het controlerecht van de artikelen 60, 61 en 63 WBTW vallen, kan hij er zich niet op beroepen dat de computer niet exclusief voor de betreffende economische werkzaamheid wordt gebruikt maar ook privégegevens bevat. Op die manier zou elk onderzoek totaal onwerkzaam worden.

Uit niets blijkt dat de appellant zich tegen de inzage en de kopiename heeft verzet tijdens de visitatie.

In het proces-verbaal is uitdrukkelijk vermeld dat er geen “zoeking op fysisch niveau met trefwoorden” werd uitgevoerd.

Deze grieven zijn alle ongegrond.

4.2.Vraag om inlichtingen bij D. i. sprl

4.2.1. De appellant ziet ten onrechte een schending van de doelgebondenheid van de onderzoeksbevoegdheden van de administratie van de directe belastingen waar deze een vraag om inlichtingen stelde aan D. i. sprl op grond van de artikelen 322 en 323 WIB92 en de gegevens daarvan overmaakte aan de zusteradministratie van de btw.

Het mag dan waar zijn dat er geen equivalent van de artikelen 322 en 323 WIB92 (wettelijke basis voor de vraag om inlichtingen bij derden) bestaat in het BTW-wetboek, toch blijkt duidelijk dat de administratie van de directe belastingen zich met haar vraag tot inlichtingen tot D. I. sprl gericht heeft in het kader van een onderzoek met het oog op de vestiging van aanslagen in de personenbelasting. Uit niets blijkt dat de administratie van de directe belastingen haar onderzoek zou hebben gevoerd met het oog (of in het bijzonder op vraag van) de zusteradministratie van de btw.

Van dan af heeft de administratie van de directe belastingen de gegevens die ze als antwoord op de vraag om inlichtingen bekwam vanwege D. I. sprl op grond van de artikelen 335 en 336 WIB92 en artikel 93quaterdecies WBTW kunnen overmaken aan de btw-administratie, waarna die informatie zonder meer voor de taxatie inzake btw kon worden gebruikt.

4.2.2. Anders dan wat de appellant aanvoert, heeft de administratie van de directe belastingen de vraag om inlichtingen niet 'voortijdig' gesteld, namelijk alvorens eerst de andere onderzoekingen (bij de appellant zelf) uit te voeren. De resultaten van hoger besproken onderzoekingen van de btw-administratie waren ook voor de administratie van de directe belastingen toegankelijk. De appellant hield van zijn verrichtingen als onlineverkoper van ansichtkaarten enz. geen boekhouding bij en diende in dat verband geen btw-aangiften in. De administratie kon tegen die achtergrond wel degelijk aan de organisator van het onlineverkoopplatform (www.d.-e.net) een vraag om inlichtingen stellen om concrete, objectieve gegevens omtrent de koop- en verkoopactiviteiten van de appellant via haar platform op te vragen.

Zij diende daarvoor niet eerst dezelfde vraag te stellen aan de appellant zelf. De administratie had het recht de gegevens die ze reeds had bij de contracterende derde van de appellant na te trekken en/of aan te vullen.

4.2.3. De appellant ziet ook ten onrechte een ongeoorloofde ongelijkheid en discriminatie in het feit dat, anders dan wat geldt voor inlichtingen die bij financiële instellingen worden opgevraagd (art. 322 §2 WIB92), artikel 322 §1 WIB92 kon worden toegepast om aan een gewone derde (D. I. sprl) gegevens op te vragen zonder eerst, voorafgaand, dezelfde gegevens bij de appellant zelf op te vragen (en dus pas de vraag aan de derde zou mogen gesteld zijn nadat de appellant niet zou hebben geantwoord). Het is immers overduidelijk dat er hier geen sprake is van een onverantwoorde ongelijkheid of verschillende behandeling. Financiële transacties zijn immers slechts een secundaire handeling waarmee economische handelingen zoals verkopen plaatsvinden. De financiële instellingen beschikken op die manier onvermijdelijk over gegevens die informatie verstrekken of kunnen verstrekken over handelingen waarin zijzelf geen contractpartij zijn. Voor wie, zoals de appellant, onlineverkopen doet, is de dienstverlener van het onlineverkoopplatform (D. I. sprl) wel degelijk een contractant met wie de economische handelingen worden verricht (uit de voorliggende stukken blijkt bijvoorbeeld dat er commissies betaald werden op de transacties). Dat onderscheid is ten aanzien van de doelstelling van de onderzoeksbevoegdheden wel degelijk relevant omdat die derde een economische schakel vormt in de eigenlijke economische transactie die aanleiding geeft tot het verschuldigd zijn van de belasting. Alle informatie waarover die derde beschikt op grond van de betreffende transacties, mag dus verwacht worden met de activiteit van de appellant verband te houden. In dat verband valt niet in te zien dat - wat de appellant nochtans aanvoert - de eerbieding van het privéleven in het gedrang zou komen. Afgezien van de overwegingen die zouden kunnen gemaakt worden omtrent de bijzondere positie en roeping van de financiële instellingen en het wettelijke kader waarin zij moeten functioneren, volstaat deze vaststelling om te besluiten dat er kennelijk geen schending is van het grondwettelijk (fiscaal) gelijkheidsbeginsel en/of discriminatieverbod. In dat geval moet de door de appellant voorgestelde prejudiciële vraag niet gesteld worden.

4.3.De hoedanigheid van de appellant als belastingplichtige

Terecht stelt de geïntimeerde dat, na raadpleging van het btw-dossier, de verwerking van de verkoopgegevens verstrekt door D. I. sprl en van de gegevens bekomen via de huisvisitatie, gebleken is dat de activiteiten van de appellant duidelijk kaderen in een economische activiteit. Getuige daarvan zijn de frequentie (vrijwel dagelijks), de regelmaat (onafgebroken jarenlang) en de snelle opvolging van de transacties onder de verschillende pseudoniemen, evenals de ontvangen betalingen van de internetverkopen gestort op diverse bankrekeningen en op de internetrekening van PayPal op naam van zijn zoon.

Daaruit blijkt dat wel degelijk voldaan is aan de vereisten van artikel 4 WBTW om de appellant als btw-belastingplichtige te beschouwen.

Dat hij - wat overigens niet objectief bewezen is - de ansichtkaarten enz. van zijn moeder zou hebben verkregen die ze van op jeugdige leeftijd zou hebben verzameld, doet aan het bovenstaande niets af. Uit de stukken blijkt trouwens dat de appellant ook af en toe stukken bijkoopt. Echte verzamelaars kopen inderdaad stukken bij om hun verzamelingen te vervolledigen, in het bijzonder bepaalde reeksen die extra waardevol zijn wanneer ze compleet zijn. Zij doen dat evenwel omdat ze aan de objecten gehecht zijn en er van genieten ze in bezit te hebben. Het bij de appellant vastgestelde gedrag is daarmee niet te rijmen. Wie gehecht is aan zijn verzamelingen (waaronder bepaalde reeksen) doet die in de regel niet (graag) van de hand. De aankopen van de appellant kaderden dan ook in zijn bedoeling om te verhandelen en er een inkomen uit te halen.

De geïntimeerde laat overigens terecht gelden dat de appellant, gelet op het feit dat hij al sinds 1978 over een btw-nummer beschikte voor zijn handel in brocante e.d. niet onwetend kon zijn over het feit dat dergelijke handelingen onderworpen zijn aan de btw en moeten worden aangegeven. Dat hij zich daarvan goed bewust was, blijkt trouwens uit de vaststelling dat de appellant zijn account “Gentenaar2” daadwerkelijk gelinkt heeft aan zijn btw-registratienummer. Hij liet evenwel na om de verkopen in een boekhouding op te nemen, in periodieke btw-aangiften op te nemen, om de verschuldigde btw door te storten aan de Schatkist en zijn inkomsten uit die activiteiten aan te geven in de personenbelasting.

4.4.Willekeur bij de vaststelling van de btw

De appellant roept in dat hij niet slechter mag worden behandeld dan een wederverkoper die tweedehandsgoederen verkoopt en kan genieten van het bij artikel 58 §4 WBTW ingestelde gunstregime van de belastingheffing over de winstmarge. Omdat hij geen aankopen zou doen en enkel verkopen, zou hij, anders dan de andere tweedehandsverkopers, op zijn zuivere omzet worden belast, wat hij onbillijk acht.

De appellant kan daarin niet gevolgd worden.

Zoals de geïntimeerde stelt, kan de appellant bezwaarlijk vragen om volgens een gunstregime behandeld te worden, wanneer dat gunstregime afhankelijk wordt gesteld van talrijke voorwaarden (naast het voeren van een boekhouding met een factuurboek en een dagboek van ontvangsten), waarbij artikel 58, §4, 12° WBTW het vermoeden instelt dat, wie niet voldoet aan de vereisten vermoed wordt onder de gewone btw-regeling te vallen, terwijl hij geen enkele formaliteit ais btw-belastingplichtige vervuld heeft.

4.5.Wat de opgelegde boete van 200 % betreft

De appellant is wel degelijk een btw-belastingplichtige en het staat vast dat hij zich daarvan bewust moet zijn geweest (zie hoger al).

De geïntimeerde heeft dus met reden geoordeeld dat de appellant de inbreuken heeft gepleegd die hem in het proces-verbaal worden ten laste gelegd.

De boete bedraagt … euro en stemt overeen met 200% van de belasting, wat in wezen neerkomt op 12% van de omzet en heeft onmiskenbaar een strafrechtelijk karakter. Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR moet immers nagegaan worden of ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen. Aan al deze voorwaarden is hier voldaan.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het WBTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld (dat is een toetsing aan het “evenredigheidsbeginsel; zie Jaarverslag Cass. 2004, randnr. 61), maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 21 januari 2005).

Uit het bovenstaande blijkt dan ook dat het Hof, zoals de administratie, de boeten, zelfs zoals verminderd met toepassing van KB nr. 44, op een beduidende manier verder kan verminderen in de gevallen waar het de overtuiging is toegedaan dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling (zie ook de conclusie van advocaat-generaal Thijs bij het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2010, in de zaak C.09,0096.N, (www.juridat.be), waarin dit aspect uitgewerkt wordt in het totale kader van de beoordelingsmogelijkheden waarover de feitenrechters beschikken).

De essentie is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

In de concrete omstandigheden ziet het hof nochtans geen redenen om de boete te verminderen.

Het hof deelt het standpunt van de geïntimeerde dat uit diverse elementen moet worden afgeleid dat de appellant zeer goed besefte dat hij voor zijn onlineverkopen van ansichtkaarten enz. btw-plichtig was maar één en ander wat trachtte te verdoezelen. De geïntimeerde verwijst terecht naar het afwisselend gebruik van meerdere pseudoniemen op naam van familieleden zodat ze wat verspreid waren en dus minder opvallend, de vaststelling dat tussen het eerste bezoek door de controleagenten waarop hen de toegang tot de woning werd geweigerd en de huisvisitatie plots vijf nieuwe accounts werden aangemaakt op het onlineverkoopplatform; het felt dat ook de echtgenote van de appellant een account had, dat de paypalrekening van de zoon van de appellant werd gebruikt om betalingen te ontvangen waardoor niet de rekening waarmee de appellant officieel handel dreef (waarvoor hij als btw-belastingplichtige geregistreerd was) gebruikt werd, dit alles terwijl de appellant al sinds 1978 btw-belastingplichtige was en er dus van op de hoogte was of moest zijn dat hij had moeten een boekhouding bijhouden, periodieke betalingen doen enz. (wat hij naderhand voor dezelfde activiteit wel is beginnen doen, zelfs via een vennootschap).

De bedoeling van de appellant om de belasting te ontwijken is dan ook prominent aanwezig. De appellant verschuilt zich ten onrechte achter zijn stelling dat het slechts om het beheer van een privévermogen zou gaan. Hoger is al verduidelijkt dat zijn verrichtingen alle kenmerken van een handel hadden en dat het daarbij niet van belang zou zijn mocht vaststaan dat de online verkochte objecten hem bij wijze van erfenis of schenking zouden zijn toegevallen. De hoger genoemde wijzen om zoveel mogelijk 'onder de radar te blijven' wljzen er op dat de appellant dat bovendien goed besefte.

Het hof is van oordeel dat de boete, wil ze voldoende afschrikken en dus herhaling vermijden, straffen en vergoeden, niet lager mag zijn dan het opgelegde bedrag.

Waar de appellant verder verwijst naar de sancties die wegens dezelfde handelsactiviteit ook voor de directe belastingen zouden zijn opgelegd, blijkt ten eerste dat 'vervolging' in het kader van de btw al eerder werd opgestart dan voor de personenbelasting. Bovendien moet de appellant erkennen dat de aanslagen in de personenbelasting nog het voorwerp uitmaken van een hangend geschil. Er kan alvast hier geen kwijtschelding wegens dubbele bestraffing worden verleend.

Ook deze grieven zijn ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van … tot·… euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

erklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

-aan de kant van de appellant :nihil

-aan de kant van de geïntimeerde :

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep :… EUR

Aldus gewezen door de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit :

G. T., raadsheer, wn. voorzitter,

D. V., raadsheer,

K. H., plaatsvervangend raadsheer,

En uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 13 januari 2015, bijgestaan door M. V., greffier.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen.

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt.

Signatures

Textes cités

10
CTVA art. 639 occurrences
CTVA art. 616 occurrences
CTVA art. 605 occurrences
CTVA art. 583 occurrences
CTVA art. 903 occurrences
CTVA art. 41 occurrence
CTVA art. 621 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 891 occurrence

Décisions similaires

8