Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 28.02.2023
WF 802-15-17/062964
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Motivation des actes administratifs – Proportionnalité de l’amende – Solidarité
Dispositions légales
Loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs
Article 109 de la loi du 4 août 1986 portant des dispositions fiscales
Article 51ter du Code de la TVA
Article 780bis du Code judiciaire
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
L’appelante avec deux autres membres constituait une unité TVA. En 2017, les trois associés ont introduit une demande en droit contre une contrainte décernée par l'administration. Lors de la procédure devant le tribunal de première instance, les deux autres membres ont été déclarés en faillite. Leur curateur n'a pas souhaité poursuivre la procédure. Le litige a ainsi été circonscrit entre l’appelante et l'administration.
Le juge siégeant en première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement
2. L'arrêt de la cour d'appel
a. La motivation de la contrainte
La requérante fait valoir que la contrainte est nulle pour défaut de motivation. Une contrainte décernée en matière de taxe sur la valeur ajoutée est un acte administratif qui est soumis aux prescrits de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs.
Il n'y a pas de violation de l'obligation de motivation en l'espèce car la contrainte se réfère au compte spécial, qui a été correctement établi et dans lequel l'amende infligée était motivée à suffisance (art. 109 de la loi du 4 août 1986 portant des dispositions fiscales).
b. La proportionnalité de l'amende infligée
L’appelante soutient que l'amende est disproportionnée par rapport à l'infraction commise et elle demande ou la remise ou la réduction de l'amende et ou à tout le moins que le sursis soit accordé.
L'adhésion à une unité fiscale confère des droits et des obligations à l'assujettie, qui ne peut pas se contenter de faire valoir que certaines obligations ne s'appliqueraient soudainement plus. En principe, toutes les obligations et tous les droits (par exemple, le droit à déduction, l'obligation de facturer, l’obligation de déposer des déclarations de TVA, etc.) doivent être considérés au niveau de l'unité fiscal et non au niveau des membres individuels. La faillite des autres membres de l'unité fiscale n'affecte pas les obligations légales et la responsabilité qui existent dans le chef de l’appelante en ce qui concerne la période de l'unité fiscale.
L'amende infligée sanctionne non seulement l'infraction de manière appropriée mais elle est également de nature à inciter l’assujettie à respecter plus scrupuleusement ses obligations fiscales. Le respect des obligations fiscales par l’assujettie est nécessaire au bon fonctionnement du mécanisme de la TVA.
La cour ne voit aucune raison d'accorder une réduction ou une remise supplémentaire de l'amende.
En outre, en l'espèce, il ressort du dossier qu’il n’y a aucune raison d'octroyer un sursis même si la loi avait prévu une telle mesure. Au vu de ce qui précède, l'amende en question peut être maintenue sans qu’un sursis soit accordé.
c. La procédure téméraire et vexatoire
L’intimé estime que l’appelante abuse de la procédure judiciaire.
L’intimé ne dépose lui-même aucune demande autonome en dommages et intérêts (demande reconventionnelle) et la cour d'appel considère que l'application d'une amende n'est pas justifiée dans les circonstances données. La cour estime que, sur la base des éléments présentés, il n'y a pas de preuve suffisante démontrant que l'attitude de l’appelante dépasse les limites normales d'une attitude comportementale prudente en engageant cette procédure devant le tribunal.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken
Vonnis van 28.02.2023
Rol: 2021/ AR/1323
P. B. NV, ON 044...82, met zetel te ...,
Eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. D. B. L., advocaat te ... (ref.: …)
tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 24 februari 2021, gekend onder rolnummer 17/3920/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR TE CENTRUM GROTE ONDERNEMINGEN ANTWERPEN 724 ON 0308.357.159, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4,
Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, fiscaal ambtenaar (kenmerk: ...),
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 24 februari 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 28 juli 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op het dwangbevel RCIV ..., uitgevaardigd op 13/07/2017 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14/07/2017 en op 01/08/2017 via gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan de BTW-eenheid U. B. G. en P. B. NV.
1.2. Feiten en administratieve fase.
Eiseres in hoger beroep maakte, samen met P. U. B. NV en O. B.-s. NV, deel uit van de BTW-eenheid 'U. B. G.', met als BTW-nummer BE083...19.
Voor de BTW-eenheid werd een bijzondere rekening bijgehouden voor de periode van 31/03/2016 tot 31/03/2017 in hoofde van de BTW--eenheid 'U. B. G.' in uitvoering van artikel 8 §1 KB nr.24 van 29/12/1992.
Er werd een boete opgelegd van 15% (de boete bedraagt 73.920 euro).
Op grond van art. 51 ter WBTW is eiseres in hoger beroep als lid van de BTW-eenheid hoofdelijk gehouden tot voldoening van de volledige BTW-schuld.
In het dwangbevel worden volgende bedragen gevorderd:
- 492.820,70 euro aan BTW;
- 73.920 euro aan geldboete
meer interesten te berekenen vanaf 21/04/2017 (reeds verlopen interesten op ogenblik uitvaardigen dwangbevel 18.750,96 euro) en kosten.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 07/08/2017 stelden NV P. U. B., NV P. B. (eiseres in hoger beroep) en NV O. -s. een vordering in rechte in.
S. NV (voorheen P. U. B. NV) en O. -S NV werden failliet verklaard op 09/09/2019.
De curator van de respectievelijke vennootschappen liet weten de procedure niet verder te zetten.
De eerste rechter stelde in het vonnis: "Het geschil werd aldus ingeperkt tussen NV P. B. als eiseres en de fiscus als verweerder."
Eiseres in hoger beroep vorderde:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- dienvolgens het bestreden dwangbevel nietig te verklaren, integraal te ontheffen;
- in ondergeschikte orde de ontheffing van de opgelegde boete en interesten te bevelen minstens de opgelegde boete en/of interesten proportioneel te verminderen;
- in uiterst ondergeschikte orde, eiseres in hoger beroep het voordeel toe te kennen van uitstel van straf, voor wat betreft de opgelegde belastingverhoging van 15%;
- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres in hoger beroep van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres in hoger beroep werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de gerechtelijke interesten;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 waarvan het basisbedrag begroot wordt op 12.000 euro.
De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet vereffend bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.
De eerste rechter oordeelde dat de motivering van de geldboete ruimschoots de motiveringsplicht van art. 109 Wet 04/08/1986 dekte: de feiten, de toepasselijke wet- en verordeningsteksten en de redenen tot de boete (laattijdige en niet betaling der rechten) werden opgegeven.
De rechtbank oordeelde verder dat de boete evenredig was met de feiten. De rechtbank oordeelde verder:
"Eiseres stelt vervolgens dat de weigering tot kwijtschelding disproportioneel is.
Haar schuld tot betalingen der rechten volgt uit haar deelneming in de BTW-eenheid, zoals hogerop reeds aangestipt, en aldus wettelijk hoofdelijk met de andere deelgenoten.
Wat betreft de herleide boete, is deze laatste zoals hoger uiteengezet in evenredigheid tot de feiten.
Dat haar deelgenoten naderhand failliet werden verklaard, leidt (mogelijk) in de feiten tot een zware financiële last, doet echter geen afbreuk aan haar hoofdelijkheid voor de rechten opgelopen door en in de samenwerking in de BTW-eenheid, waarvoor ze zich geen communiezieltje kan aanmeten.
Tot verdere herleiding der boete ligt er dan ook oorzaak noch aanleiding voor. Eiseres streeft, verder, uitstel op de sanctie (boete) na.
Of zij daarmede werkelijk uitstel dan wel afstel nastreeft, is bij dit alles wazig.
Meer nog, zij geeft niet de minste reden op waardoor zij in aanmerking zou komen voor enig uitstel te dezen hoe dan ook, buiten een niet geconcretiseerd en overigens evenmin onderbouwd argument dat zij 'niet aan de oorzaak' zou liggen van de achterstallige BTW.
In realiteit hengelt zij op die wijze naar 'loutere' billijkheid, wat uitgesloten is in fiscale zaken."
Tegen dit vonnis heeft enkel eiseres in hoger beroep, P. B. NV, bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 28/07/2021, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eiseres in hoger beroep vordert:
- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende;
de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren;
het bestreden dwangbevel nietig te verklaren, minstens integraal te ontheffen;
- in ondergeschikte orde de ontheffing van de opgelegde boete en interesten te bevelen, minstens de opgelegde boetes en/of interesten proportioneel te verminderen;
- in uiterst ondergeschikte orde, eiseres in hoger beroep het voordeel toe te kennen van uitstel van straf, voor wat betreft de opgelegde belastingverhoging van 15%, voor een periode van drie jaren of een andere periode zoals bepaald door het hof;
- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres in hoger beroep van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres in hoger beroep werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de gerechtelijke interesten;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26/10/2007 waarvan het basisbedrag begroot wordt op 13.000 euro.
Verweerder in hoger beroep vordert:
- In hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.
Bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden aanslag(en) te bevestigen.
Eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de bedragen aangegeven in de destijds ingediende BTW-aangiften en opgenomen in de bijzondere rekening van 31 maart 2016 tot 31 maart 2017 in kwestie te verhogen met de andere bedragen opgenomen in deze bijzondere rekening (de boete op grond van artikel 70 §1 en de interesten op grond van art . 91§1, 1 ° WBTW) en alle invorderings- en gerechtskosten.
- In ondergeschikte orde, kwijtschelding (of verdere vermindering) van de boete verbonden aan het schuldartikel 500.1795.24037 af te wijzen.
Artikel 780bis Ger.W. toe te passen.
- In uiterst ondergeschikte orde geen uitstel toe te staan.
Ter zitting van 31/01/2023 zijn partijen (de Belgische Staat louter defensief) het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden enkel op basis van het bedrag van de opgelegde geldboete en dat de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding dient toegepast te worden voor de procedure hoger beroep.
2. Bespreking
2.1. Motivering dwangbevel/bijzondere rekening
Eiseres in hoger beroep stelt dat het dwangbevel nietig is wegens gebrek aan motivering.
Een dwangbevel inzake belastingen over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet motivering bestuurshandelingen van 29 juni 1991 van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.
Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.
Het hof stelt vast dat het dwangbevel verwijst naar een uittreksel van de bijzondere rekening gehouden voor het tijdvak 31/03/2016 tot 31/03/2017, dat als bijlage gevoegd werd bij het dwangbevel en dat mee betekend werd samen met het dwangbevel aan eiseres in hoger beroep.
Uit samenlezing van het dwangbevel en de bijlage blijkt dat te dezen een bijzondere rekening bijgehouden werd voor de periode van 31/03/2016 tot 31/03/2017 in uitvoering van artikel 8 §1 KB nr. 24 van 29/12/1992.
Het hof stelt vast dat aan eiseres in hoger beroep via een aangetekende brief kennis gegeven werd van het openen van een bijzondere rekening. Een exemplaar van de bijzondere rekening werd in bijlage gevoegd (deel 1), alsook de 'Verklarende nota' (deel Il). Niet betwist wordt dat voormelde stukken (bijzondere rekening en verklarende nota) als bijlage waren gevoegd aan het dwangbevel en mee betekend werden.
In voormelde documenten werd niet alleen verduidelijkt om welke redenen en voor welke periode de bijzondere rekening werd geopend, met een gedetailleerde berekening van het verschuldigde bedrag aan BTW, boeten en interesten, doch er werd telkens gemotiveerd waarom een boete werd opgelegd. Er werd meegedeeld dat het ging om een verminderde proportionele geldboete wegens niet betaalde belasting bij toepassing van artikel 70 §1 WBTW, in principe gelijk aan het dubbele van de niet tijdig betaalde belasting. Deze wettelijke geldboete werd vervolgens verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting, afgerond tot de lagere euro of tot het lagere veelvoud van 10 euro en er werd verwezen naar tabel G, eerste afdeling, 1, 2°, A van de bijlage van KB nr. 41 van 30 januari 1987. De boete werd concreet berekend.
De administratie heeft aldus de geldboete correct berekend en de toepasselijke wettelijke bepalingen opgegeven. De boete werd opgelegd wegens niet betaling binnen de wettelijk gestelde termijn.
Het hof stelt dan ook vast dat te dezen melding wordt gemaakt van de cijfers, de feiten die de overtreding opleveren, de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen en de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Er is te dezen geen sprake van een schending van de motiveringsverplichting wanneer het dwangbevel verwijst naar de bijzondere rekening, die correct is opgesteld en waarin de opgelegde boete afdoende gemotiveerd werd (art. 109 wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen).
2.2 Evenredigheid van de geldboetes
Eiseres in hoger beroep stelt dat de boete onevenredig is met de begane overtreding en vordert de kwijtschelding of de vermindering van de boete, minstens met uitstel op te leggen.
Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid W. BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84, derde lid W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van artikel 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoumt/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Özturk/Duitsland).
Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat de administratieve boete, die in onderhavig geval in principe 200% bedraagt een strafsanctie betreft in de zin van artikel 6 EVRM. Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, S. H. S., TFR, 2004, nr. 264, p 363 met noot B. C., 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr.22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002).
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o. a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2 007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390. N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F. 17.0086. N ).
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.
De evenredigheid van de boete kan getoetst worden.
In onderhavig geval stelt het hof vast dat de administratieve boete, die in principe 200% bedraagt, overeenkomstig tabel G, afdeling 1, 1.2.a ) bij artikel 1 van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde {BS, 7 februari 1987) teruggebracht werd tot 15%.
Het betreft aldus een geldboete voor de overtreding, beoogt in artikel 70, §1 W. BTW, met name wegens het niet tijdig betalen van de belasting, waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften of uit het opstellen van de bijzondere rekening.
Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep niet betwist dat de verschuldigde BTW te laat werd betaald. De BTW moet worden voldaan binnen de vastgestelde termijn voor indiening van de aangifte (maandaangever uiterlijk de 20ste van de maand volgende op de maand waarop de aangifte betrekking heeft).
Het staat dan ook vast dat de verschuldigde BTW te laat werd betaald (inbreuk op artikel 53
§1 eerste lid, 3° WBTW).
De betalingstermijn van artikel 53 §1, eerste lid 3° WBTW is een wettelijke termijn waarvan niet kan worden afgeweken, ook niet voor een beperkte periode. De boete werd terecht opgelegd wegens niet betaling binnen de gestelde termijn.
De boete werd aldus overeenkomstig de wettelijke bepalingen opgelegd. Door de boete overeenkomstig voormelde tabel G bij KB nr.41 te verminderen tot 15% werd reeds rekening gehouden met het feit dat het ging om een niet-intentioneel begane fout.
Aangezien de btw-eenheid als zodanig één belastingplichtige is met alle rechten en plichten die voortvloeien uit het WBTW en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten, zijn de leden van de btw-eenheid ten opzichte van de Staat hoofdelijk aansprakelijk voor alle btw-schulden van de eenheid (belasting, boeten, interesten en kosten, art. 51ter WBTW). Deze hoofdelijke aansprakelijkheid geldt voor de periode waarin deze personen als één belastingplichtige worden aangemerkt.
Ingevolge de toetreding tot een btw-eenheid heeft een belastingplichtige rechten en plichten en kan zij niet zonder meer stellen dat plots bepaalde verplichtingen niet meer zouden gelden. In principe moeten alle verplichtingen en rechten (bv. recht op aftrek, verplichting tot facturering, indienen btw-aangifte, enz.) bekeken worden op het niveau van de btw-eenheid en niet op het niveau van de individuele leden. Het faillissement van de andere leden van de BTW-eenheid doet geen afbreuk aan de wettelijke verplichtingen en de aansprakelijkheid die bestaan in hoofde van eiseres in hoger beroep met betrekking tot de periode van de BTW-eenheid.
De belastingschuld werd overeenkomstig de wettelijke bepalingen regelmatig ter kennis gebracht aan de vertegenwoordiger van de btw-eenheid, zijnde eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep betwist niet dat zij de vertegenwoordiger was van de BTW-eenheid. De vertegenwoordiger oefent in naam en voor rekening van alle leden de rechten en verplichtingen van de btw-eenheid vermeld in het Btw-Wetboek en de uitvoeringsbesluiten uit. De bijzondere rekening werd trouwens opgesteld rekening houdende met de eigen btw aangiftes ingediend door de btw-eenheid. Eiseres in hoger beroep had kennis van de wettelijke grond slagen van de belastingschuld.
Eiseres in hoger beroep gaf als vertegenwoordiger van de BTW-eenheid meermaals geen gevolg aan de verwittigingen die verstuurd werden door de belastingadministratie voorafgaand aan het opstellen van de bijzondere rekening en het opleggen van de boete.
Eiseres in hoger beroep betwist ook niet dat er voorafgaand aan het opstellen van de thans in betwisting zijnde bijzondere rekening, reeds drie bijzondere rekeningen waren opgesteld die betrekking hadden op een eerdere periode.
De opgelegde geldboete bestraft niet alleen de inbreuk op gepaste wijze, maar is ook passend om de belastingplichtige ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen op meer nauwgezette wijze na te komen. De naleving van de fiscale verplichtingen door de belastingplichtige is noodzakelijk voor de goede werking van het BTW-mechanisme.
Het hof ziet geen enkele reden om een verdere vermindering of kwijtschelding van de boete toe te kennen.
De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep in conclusies zijn niet van aard het hof tot andere inzichten te brengen.
Gelet op het voorgaande toont de vennootscha p niet aan dat de boete van 15% onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuk. Er is dan ook geen reden om deze boete verder te verminderen of kwijt te schelden.
In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr. 13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §2, eerste lid W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het W. BTW. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen B.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).
Ook het Hof van Cassatie bevestigde deze zienswijze. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen. Indien om uitstel wordt verzocht kan de rechter, zonder schending van het gelijkheidsbeginsel, het verzoek van de belastingplichtige verwerpen en de opgelegde belastingverhoging bevestigen wanneer hij vaststelt dat er geen aanleiding zou geweest zijn om uitstel toe te kennen, wanneer de wet in die mogelijkheid had voorzien (cfr. Cass., 20 juni 2013, F.11. 0007.F, www.ju portal.be, Fiscoloog, 2013, nr.135 1, p.13; Cass., 13 november 2015, F.14.0119.F, www.ju portal.be).
In onderhavig geval blijken uit het dossier geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien. Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.
2.3 Art. 780 bis Ger.W.
Verweerder in hoger beroep meent dat eiseres in hoger beroep misbruik maakt van de procesvoering. Verweerder in hoger beroep stelt dat eiseres in hoger beroep deze rechtszaak aangaat om geen verdere betalingen te moeten doen, niet verder vervolgd te kunnen worden en dit totdat ze helemaal is 'doodgebloed' en de schuld{en) niet meer afbetaald kunnen worden. Verweerder in hoger beroep vraagt aan het hof een boete op te leggen wegens schending van artikel 780bis, 1ste lid Ger.W"
Art. 780 bis Ger.W. bepaalt:
"De partij die de rechtspleging aan wendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.
In dat geval, wordt in dezelfde beslissing daarover uitspraak gedaan voorzover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd en toegekend. Indien zulks niet het geval is, worden de partijen verzocht toelichting te geven overeenkomstig artikel 775.
De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De boete wordt geïnd door de administratie van de Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
Dit artikel is niet van toepassing in strafzaken noch in tuchtzaken."
Procesrechtsmisbruik is voorhanden wanneer een procespartij procedeert zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtige en zorgvuldige procespartij te buiten gaat, zoals bij het aanwenden van de rechtspleging voor kennelijk vertragende of on rechtmatige doeleinden, waardoor zowel het belang van de partijen als een behoorlijke en efficiënte rechtsbedeling in het gedrang komen. Bij deze beoordeling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.
Verweerder in hoger beroep stelt zelf geen autonome vordering tot schadevergoeding (tegeneis} in en het hof acht de toepassing van een geldboete in de gegeven omstandigheden niet verantwoord .
Het hof oordeelt dat op basis van de voorgelegde gegevens onvoldoende blijkt dat de houding van eiseres in hoger beroep de normale grenzen van een zorgvuldig procesgedrag te boven gaat door deze procedure in rechte te voeren.
Noch de voorgeschiedenis inzake rechtszaken, noch het dalend omzetcijfer van eiseres in hoger beroep, noch de hypothecaire staat van het onroerend goed van eiseres in hoger beroep, noch het niet naleven van de afbetalingsregeling, rechtvaardigen een veroordeling van de belastingplichtige wegens tergend en roekeloos geding. Deze omstandigheden tonen op zich niet aan dat onderhavige procedure werd ingesteld zonder redelijk of afdoende belang dan wel op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtige en zorgvuldige procespartij te buiten gaat. Eiseres in hoger beroep betwist middels onderhavige procedure enkel de opgelegde boete en zij heeft wel degelijk belang om hiervan de kwijtschelding, vermindering na te streven en deze boete van strafrechtelijke aard aan een rechterlijke controle te onderwerpen.
Het blijkt geenszins dat onderhavig beroep uitsluitend werd ingesteld om de uitvoering van vaststaande verplichtingen te vertragen.
2.4 De rechtsplegingsvergoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31 .05.2007).
Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het on gelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.
De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt in hoofde van verweerder in hoger beroep vereffend op O euro rechtsplegingsvergoeding, bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.
Het hof laat de 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1 °1 juncto 162, 4° W. Reg"
Gelet op al het voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken .
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Het hof vereffent de kosten van het geding in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017} ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rol recht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W. Reg..
Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.
Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer L. M. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 28 februari 2023
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4
Vonnis van 24/02/2021
Rol: 17/3920/A
Inzake:
1. Mr. V. N. q.q.,
kantoorhoudende te …, in hoedanigheid van curator over het faillissement van S. NV, (rechtsopvolger van P. U. B. NV) met zetel te …, KBO: 042...60
eisende partij
- niet verschenen, noch vertegenwoordigd ter zitting,
2. P. B. NV
met zetel te …, KBO: 044...82
eisende partij
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. D. B. L. te …,
3. Mr. V. N. q.q.,
kantoorhoudende te … , in hoedanigheid van curator over het faillissement van O. B-S. NV met zetel te …, KBO: 086...45
eisende partij
- niet verschenen, noch vertegenwoordigd ter zitting,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het Centrum GO ANTWERPEN te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4
verwerende partij
Vertegenwoordigd door mevr. X, adviseur.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;
Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 27 januari 2021.
Op 7 augustus 2017 werd ter griffie een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ten name van N. P. U. B., NV P. B. en NV O. B-S. .
Zij maakten deel uit van/ vormden een BTW-eenheid BTWBE0(832...19).
S. en O. B-S. werden op 9 september 2019 in staat van faillissement verklaard.
Hun respectieve curator meester N.V. liet reeds op 2 april 2020 weten de procedure tegen de fiscus niet verder te zetten, zulks nogmaals op 14 augustus 2020 aan de rechtbank.
Er trad op 27 januari 2021 dan ook niemand (meer) op ter vertegenwoordiging van de gefailleerden.
Het geschil werd aldus ingeperkt tussen NV P. B. als eiseres en de fiscus als verweerder.
Vertrekpunt voor de rechtsvordering ligt in een dwangschrift van 13 juli 2017 (uitvoerbaar verklaard op 14 juli 2017) ten name van zowel de BTW-eenheid als haar hoger vernoemde leden.
De fiscus notificeerde in aangetekende brief van 26 juli 2017 de stopzetting van rechtswege der BTW- eenheid.
Er bestond een Bijzondere Rekening in hoofde der BTW - eenheid, dit wat betreft de periodes van 31 maart 2016 tot 31 maart 2017 en van 31 maart 2017 tot 31 juli 2017.
Eiseres is samen met de BTW-eenheid, als lid, hoofdelijk gehouden tot voldoening der volledige BTW-schuld (art.51ter Wetboek BTW).
Te dier gelegenheid werd een boete gelijk aan 15% der rechten opgelegd.
Eiseres P. B. vordert onwettigverklaring der integrale boete, minstens proportionele herleiding ervan na (geeft alvast geen mate daarvan op), dan toch uitstel ervan (zonder dan, alvast, opgave van een duurtijd).
Zij stelt in eerste orde dat het dwangschrift als titel nietig is bij gebrek aan motivering. Het dwangschrift verwijst naar de bijzondere rekening.
Bij lezing daarvan blijkt te worden verwezen naar de (eigen) aangiftes van de BTW-eenheid, met ook opgave der daarop verrichte betalingen versus de op de door de achterstallen verschuldigde intrest.
Er wordt eveneens opgave gedaan van de gevorderde geldboete.
Deze vertrekt van het dubbele der rechten (art.70 §1 Wetboek BTW), verminderd tot 15% krachtens KB 41, artikel 1 alinea 1 en de Bijlage Tabel G, Eerste Afdeling, 1, 2° A).
Deze motivering dekt ruimschoots de motiveringsplicht van art.109 Wet 4 augustus 1986: de feiten, de toepasselijke wet- en verordeningsteksten en de redenen tot de boete: laattijdige en niet betaling der rechten.
Te dezen beklaagt eiseres zich in realiteit over de wettelijke modulatie van de hoogte der boete in haar voordeel.
Art.109 van de wet van 4 augustus 1986werd voldaan (vgl.Cass.14 mei 2020, F170042N in de aan huidig geding voorafgaande rechtsvordering door huidig eiseres : stuk 9 verweerder).
De rechtbank sluit zich bovendien aan bij de boete als zijnde in evenredigheid met de feiten.
Eiseres betaalde, blijkens opgave in de bijzondere rekening, onvolledig de rechten, dit bij voortduur, en ze hield daarbij ook uit haar aangifte verschuldigde rechten, minstens ten dele, achter (voor haar dan beschikbaar voor klaarblijkelijk andere doeleinden).
Eiseres stelt vervolgens dat de weigering tot kwijtschelding disproportioneel is.
Haar schuld tot betalingen der rechten volgt uit haar deelneming in de BTW-eenheid, zoals hogerop reeds aangestipt, en aldus wettelijk hoofdelijk met de andere deelgenoten.
Wat betreft de herleide boete, is deze laatste zoals hoger uiteengezet in evenredigheid tot de feiten.
Dat haar deelgenoten naderhand failliet werden verklaard, leidt (mogelijk) in de feiten tot een zware financiële last, doet echter geen afbreuk aan haar hoofdelijkheid voor de rechten opgelopen door en in de samenwerking in de BTW-eenheid, waarvoor ze zich geen communiezieltje kan aanmeten.
Tot verdere herleiding der boete ligt er dan ook oorzaak noch aanleiding voor.
Eiseres streeft, verder, uitstel op de sanctie (boete) na.
Of zij daarmede werkelijk uitstel dan wel afstel nastreeft, is bij dit alles wazig.
Meer nog, zij geeft niet de minste reden op waardoor zij in aanmerking zou komen voor enige uitstel te dezen hoe dan ook, buiten een niet geconcretiseerd en overigens evenmin onderbouwd argument dat zij 'niet aan de oorzaak' zou liggen van de achterstallige BTW.
In realiteit hengelt zij op die wijze naar 'loutere' billijkheid, wat uitgesloten is in fiscale zaken.
OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,
recht doende op tegenspraak,
Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk en toelaatbaar, maar ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de kosten.
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting· van eigen kosten in conclusie.
Dit vonnis werd uitgesproken op vierentwintig februari tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.