Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 02.02.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, twaalfde kamer, spreekt het volgende vonnis uit.
Vonnis : 02 februari 2007.
Eindvonnis.
Rolnummer : 96/61188/A
In de zaak van :
W. P., bestuurder, wonende te …, …
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester van D. M., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, in de persoon van de heer Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 2
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….
De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 5 januari 2007 in beraad werd genomen.
De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het dwangbevel op naam van P. A. W., uitgevaardigd door J. A., ontvanger van het BTW-kantoor te Leuven, op 22 december 1995, uitvoerbaar verklaard door M. V., hoofdcontroleur van de BTW te Haacht, op 27 december 1995, en ter kennis gebracht aan P. A. W. bij aangetekend schrijven van 28 december 1995;
- het verzet tegen het voormelde dwangbevel, ten verzoeke van P. A. W. betekend aan de BELGISCHE STAAT op 14 februari 1996;
- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 5 januari 2007. P. W. was in persoon aanwezig en werd eveneens gehoord.
I. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING
1. P. W. (hierna : eiser) baatte in het verleden een handel uit in tweedehandswagens te ….
Volgens verweerster zou eiser met deze professionele activiteit gestopt zijn sinds 1 maart 1996. Op 13 november 2001 verklaarde eiser evenwel aan de diensten van de Federale Politie te Leuven : "Ikzelf handel nog steeds in auto's (...)" (stuk 19 van eiser).
In zijn hoedanigheid van handelaar in tweedehandswagens was/is eiser belastingplichtig in de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW).
2. In de loop van het jaar 1995 werd door R. D., destijds verificateur-accountant bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de 11de Bijzondere Belastinginspectie te Brussel, overgegaan tot een controle van de boekhouding van eiser voor de periode van 1 januari 1992 tot 31 december 1994.
De controle werd uitgevoerd in het licht van een verondersteld systeem van BTWfraude door middel van fictieve facturaties met betrekking tot wagens die zogezegd werden verkocht aan kopers uit het Groothertogdom Luxemburg (met vrijstelling van BTW), maar die in werkelijkheid nooit het Belgisch grondgebied verlieten en via een aantal Belgische handelaars, die nalieten hun BTWverplichtingen te voldoen ("stromannen"), opnieuw werden verhandeld op de Belgische markt.
Na herhaalde telefonische en schriftelijke correspondentie, waarbij aan de opmerkingen van eiser ten dele werd tegemoetgekomen, werden de resultaten van de hoger bedoelde controle neergelegd in een definitief proces-verbaal van 30 november 1995.
3. De controle bracht aan het licht dat de boekhouding van eiser beperkt was tot het bijhouden van een aan- en verkoopjournaal. Er werd geen financieel journaal bijgehouden noch een permanente inventaris.
Tevens werd vastgesteld dat in de boekhouding van eiser een aantal aankoopfacturen van tweedehandswagens werden opgenomen op naam van P. C. (vijf facturen, met een totaal aan BTW van 242.775 frank (thans 6.018,24 euro)) en A. M. (dertien facturen, met een totaal aan BTW van 1.216.015 frank (thans 30.144,22 euro)). De op deze facturen aangerekende BTW bedroeg in totaal dus 1.458.790 frank (thans 36.162,46 euro).
P. C. en A. M. blijken als "stromannen" te hebben gefungeerd in het voormelde fraudesysteem. Zij zouden de door hen gefactureerde BTW nooit hebben doorgestort aan de BELGISCHE STAAT (hierna: verweerster).
4. In zijn verklaring van 7 december 1993, afgelegd in het kader van een fiscale controle ten overstaan van M. V. D. E. en P. V., controleur en verificateur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de 8ste Bijzondere Belastinginspectie te Brussel, gaf P. C. toe dat hij samen met een aantal niet nader geïdentificeerde Turken en Joegoslaven betrokken was bij verkopen "op papier" van tweedehandswagens.
P. C. gaf onder meer toe dat hij een 300-tal wagens had verkocht ("J'ai vendu +/- 300 voitures."), dat hij nooit een BTW-aangifte had gedaan ("Je n'ai jamais déposé de déclaration TVA."), dat de echte verkopers factureerden op zijn naam ("Eux il me donnait une facture de leur fournisseurs à mon nom.") en dat de door hem verhandelde voertuigen in werkelijkheid niet via hem passeerden ("Si j'acceptais la transaction, eux il gardaient la voiture et Ie même jour il était vendu à un client dans 90 % des cas indiqué par eux.").
5. In zijn verklaring van 15 februari 1995, afgelegd in het kader van het gerechtelijk onderzoek nr. 31/95 van onderzoeksrechter M. te …, gaf A. M. toe dat al wat sinds twee jaar was opgenomen in zijn boekhouding bestond uit valse facturen ("En ce qui concerne ma comptabilité, tout ce qui est entré depuis deux ans est constitué de fausses factures.").
Per schrijven van 11 mei 1995 werd namens de procureur-generaal te Luik aan de fiscale administratie bevestigd dat zij de toelating had tot inzage in dit gerechtelijk dossier.
A. M. werd wegens zijn aandeel in de BTW-fraude (definitief) veroordeeld bij vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 6 december 2000.
6. Ook eiser zelf blijkt het voorwerp te zijn geweest van een gerechtelijk onderzoek onder leiding van onderzoeksrechter D. te …, wegens overtredingen van (onder meer) fiscale voorschriften.
Bij beschikking van de raadkamer van 5 maart 2004 werd eiser evenwel buiten vervolging gesteld voor feiten van fiscale en gemeenrechtelijke valsheid, en dit op vordering van het openbaar ministerie dat besloot tot de afwezigheid van bezwaren. Eiser werd uitsluitend naar de correctionele rechtbank verwezen wegens vermeende overtredingen van de boekhoudwetgeving.
Bij (definitief) vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 7 juni 2005 werd vastgesteld dat de tegen eiser ingestelde strafvordering wegens deze feiten was verjaard.
7. Daarnaast werden bij de controle van eisers boekhouding ook facturen aangetroffen betreffende de verkoop van tweedehandswagens aan twee Luxemburgse en één Franse firma, mét vrijstelling van BTW, terwijl het bewijs van de intracommunautaire levering van goederen voor een belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat ontbrak en tevens alle stukken ontbraken waaruit de echtheid van de verzending of vervoer moet blijken, onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Het betreft één factuur aan de Luxemburgse firma T. (gefactureerde prijs : 305.000 frank (thans 7.560,75 euro); verschuldigde BTW (19,50 %) : 59.475 frank (thans 1.474,35 euro)), zeven facturen aan de Luxemburgse firma G. A. S. (gefactureerde prijs : 3.214.000 frank (thans 79.672,98 euro) in totaal; verschuldigde BTW (19,50 %) : 626.730 frank (thans 15.536,23 euro)), en één factuur aan de Franse firma C. A. A. (gefactureerde prijs : 425.000 frank (thans 10.535,47 euro); verschuldigde BTW (19,50 %) : 82.875 frank (thans 2.054,42 euro)).
Op al deze verkoopfacturen samen werd door eiser nagelaten BTW aan te rekenen voor een totaal van 769.080 frank (thans 19.065,00 euro).
8. Volgens het proces-verbaal van 30 november 1995 was eiser dan ook de volgende bedragen aan BTW verschuldigd : 1.458.790 frank (thans 36162,46 euro) wegens "geweigerde aftrek" en 769.080 frank (thans 19.065,00 euro) wegens "niet bewezen gefactureerde intracommunautaire leveringen". Samen is dit 2.227.870 frank (thans 55.227,45 euro).
Gelet op het oogmerk van belastingontduiking werd aan eiser ook een geldboete opgelegd gelijk aan tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting, met andere woorden 2 x 2.227.870 frank (thans 55.227,45 euro), dit is 4.455.740 frank (thans 110.454,91 euro).
Tot slot werd vastgesteld dat eiser op het bedrag van de verschuldigde belasting van rechtswege ook interesten verschuldigd is aan 0,80 % per maand vanaf 21 januari 1995.
9. Op 22 december 1995 werd door de BTW-ontvanger te Leuven, overeenkomstig het voormelde proces-verbaal, op naam van eiser een dwangbevel gevaardigd tot voldoening van de BTW-schuld van 2.227.870 frank (thans 55.230,47 euro) en de geldboete van 4.455.740 frank (thans 110.454,91 euro), dit is in totaal 6.683.61O frank (thans 165.682,36 euro), te vermeerderen met de verwijlintresten op de verschuldigde BTW aan 0,80 % per maand vanaf 21 januari 1995, de verwijlinteresten op de verschuldigde geldboete overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW (dit wil zeggen: aan de wettelijke rentevoet) vanaf de kennisgeving van het dwangbevel, en de vervolgingskosten.
Op 27 december 1995 werd dit dwangbevel uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van de BTW te Haacht.
Bij aangetekend schrijven van 28 december 1996 werd eiser van dit dwangbevel in kennis gesteld. Een herhaalde kennisgeving werd gedaan bij aangetekend schrijven van 31 juli 2002.
Op grond van het dwangbevel zou verweerster nadien zijn overgegaan tot het leggen van een aantal beslagen. Hieromtrent wordt evenwel geen enkel stuk bijgebracht.
10. Bij exploot van 14 februari 1996 tekende eiser verzet aan tegen het voormelde dwangbevel.
Eiser vordert te zeggen voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd door de BTW-ontvanger te Leuven op 22 december 1995, evenals het ter uitvoering daarvan gelegde bewarend beslag onder derden van 5 mei 1997, evenals alle daaropvolgende dwangbevelen en bewarende beslagen, "zonder voorwerp, minstens ongegrond" zijn. Hij vraagt tevens om verweerster te veroordelen tot de gerechtskosten.
In ondergeschikte orde vraagt eiser minstens te zeggen voor recht dat hij in aanmerking komt voor de vermindering van de fiscale geldboeten overeenkomstig artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 en Tabel G van dit KB nr. 41.
ll. BEOORDELING
1. Het verzet tegen het dwangbevel werd naar vorm en tijd regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
Wat betreft het recht op aftrek
2. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten (...), in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van (onder meer) belaste handelingen en handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 (art. 45, § 1, 1° en 2 ° W.BTW).
De Koning regelt de toepassing van de artikelen 45 tot 48 W.BTW (art. 49 W.BTW).
3. Eiser bracht de aangerekende BTW in aftrek van vijf facturen op naam van P. C. (met in totaal 242. 775 frank (thans 6.018,24 euro) BTW) en van dertien facturen op naam van A. M. (met in totaal 1.216.015 frank (thans 30.144,22 euro) BTW). Deze facturen hadden allemaal betrekking op de verkoop van tweedehandswagens door de genoemde personen aan eiser.
Het wordt niet betwist dat de door eiser aangekochte tweedehandswagens bestemd waren voor het verrichten van belaste of vrijgestelde handelingen (inzonderheid verkoop).
4. Verweerster beweert dat de voormelde facturen fictief zijn, zodat de gefactureerde BTW niet voor aftrek in aanmerking komt.
P. C. en A. M. blijken in de periode dat de facturen werden uitgereikt namelijk te zijn opgetreden als "stromannen" in een systeem van BTW-fraude. Volgens verweerster was eiser één van de laatste schakels in dit systeem.
5. In haar tweede syntheseconclusies (p. 26) stelt verweerster echter dat zij noch de materiële levering van de door eiser aangekochte wagens, noch de door eiser verrichte betalingen betwist. Dit werd door de raadsman van verweerster ter zitting bevestigd.
Aldus ziet men niet in hoe er sprake zou kunnen zijn van fictieve facturen (zie o.m. Antwerpen 23 april 1986, F.J.F. 1988, p. 24).
6. Mogelijk waren P. C. en A. M. "stromannen" in een systeem van BTW-fraude en als zodanig niet de werkelijke eigenaars van de door hen verkochte wagens.
Het recht op aftrek van de voorbelasting wordt echter niet aangetast door het feit dat er in de keten van leveringen, ten aanzien van een handeling die voorafgaat aan of volgt op de handeling die recht op aftrek geeft, BTW-fraude is of wordt gepleegd zonder dat de aftrekgerechtigde dit weet of kan weten (zie o.m. H.v.J. 12 januari 2006, F.J.F. 2006, p. 533).
Dat P. C. en A. M. zouden hebben verzuimd aan hun BTW-verplichtingen en de door eiser betaalde BTW niet zouden hebben afgedragen aan verweerster, is in principe een overtreding waarvoor uitsluitend deze verkopers zelf verantwoordelijk zijn. Behoudens kwade trouw, diende en dient eiser slechts in te staan voor de nakoming van zijn eigen BTWverplichtingen, niet die van zijn medecontracten.
Verweerster kan eiser, als koper te goeder trouw, niet zonder meer laten opdraaien voor de fiscale gevolgen van de malversaties waaraan zijn medecontractanten zich zouden hebben bezondigd.
7. Uit niets blijkt dat eiser zou hebben deelgenomen aan enig systeem van BTW-fraude uitgaande van P. C. en/of A. M. of dat eiser hierbij op enigerlei wijze betrokken zou zijn geweest. Evenmin is gebleken dat eiser hiervan kennis had of zou moeten gehad hebben.
Eiser heeft dit steeds formeel ontkend en zijn goede trouw staande gehouden.
Verweerster slaagt er niet in om het tegendeel te bewijzen.
8. Ten tijde dat de bewuste facturen werden uitgereikt, waren zowel P. C. als A. M. namelijk wel degelijk in het bezit van een geldig BTW-nummer. Dit nummer werd ook vermeld op de onderscheiden facturen.
Volgens eiser werd het BTW-nummer van P. C. immers pas ingetrokken op 1 december 1994. A. M. zou eind 1995 nog steeds een geldig en bestaand BTW-nummer hebben gehad. Dit wordt door verweerster niet betwist.
De verkochte wagens werden effectief aan eiser geleverd (niet betwist). Er werd telkens een factuur uitgereikt waarop de gegevens tot identificatie van de wagen werden vermeld. Eiser betaalde de gefactureerde bedragen - inclusief BTW - per bankcheque (niet betwist).
In die omstandigheden was het niet aan eiser om het wettig en werkelijk karakter van de economische activiteiten van P. C. en A. M. aan een nader onderzoek te onderwerpen. Evenmin was eiser verplicht om na te gaan of zij wel degelijk eigenaar waren van de door hen verkochte wagens - gesteld dat hij daartoe al op één of andere manier de mogelijkheid zou hebben gehad.
9. Noch P. C., noch A. M. hebben eiser in hun verklaringen ooit bij naam genoemd.
A. M. heeft in zijn verklaring van 15 februari 1995 weliswaar gesteld al wat sinds twee jaar was opgenomen in zijn boekhouding uit valse facturen bestond, maar het is niet duidelijk of A. M. hieronder ook de (door hemzelf uitgereikte) facturen van verkoop heeft bedoeld.
Evenmin is duidelijk welk soort valsheid A. M. precies voor ogen had. Zoals hoger vastgesteld, stemden de aan eiser uitgereikte facturen immers wel degelijk overeen met effectieve leveringen van wagens en, voor zover de door A. M. bedoelde valsheid slechts betrekking heeft op de omstandigheid dat hijzelf niet de echte verkoper van de wagens was, staat niet vast of eiser dit wist of behoorde te weten.
Niet voor niets werd eiser voor de vermeende feiten van fiscale fraude door de raadkamer buiten vervolging gesteld bij gebrek aan voldoende bezwaren.
10. Verweerster levert dan ook geenszins het bewijs van kwade trouw in hoofde van eiser, in het bijzonder door diens vermeende betrokkenheid in het systeem van BTW-fraude waarin P. C. en A. M. blijkbaar een rol hebben gespeeld.
Weliswaar kan verweerster overtredingen van fiscale voorschriften (onder meer) bewijzen aan de hand van processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen (art. 59, § 1 W.BTW). Deze bijzondere bewijswaarde die de wet aan de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën toekent, geldt echter uitsluitend voor de persoonlijke materiële vaststellingen van die ambtenaren en niet voor de juridische gevolgtrekkingen die zijzelf daaruit zouden hebben afgeleid (zie o.m. Cass. 17 april 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 197).
In zoverre in het proces-verbaal van 30 november 1995 door de opsteller wordt gesuggereerd dat eiser betrokken zou zijn geweest bij een systeem van BTWfraude, komt hieraan dan ook géén bijzondere bewijswaarde toe. Hetzelfde geldt voor de in het proces-verbaal verwoorde conclusie dat "C. en M. in hoofde van W. P. niet kunnen worden beschouwd als zijnde leveranciers optredend als de medecontractant, bedoeld in de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 1 aangaande de specifieke vormvoorwaarden waaraan een rechtsgeldige factuur moet voldoen" (p. 12).
11. Overeenkomsten die zijn aangegaan met een ongeoorloofde oorzaak zijn, naar burgerlijk recht, absoluut nietig (art. 1108, 1131 en 1133 Burgerlijk Wetboek).
Echter, in geval van levering aan een BTW-belastingplichtige die niet wist noch kon weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de verkoper, kan de nietigverklaring van de onderliggende verkoopovereenkomst krachtens een bepaling van burgerlijk recht, bijvoorbeeld wegens ongeoorloofde oorzaak van de zijde van de verkoper, niet leiden tot het verlies van het recht op aftrek in hoofde van de koper (zie o.m. H.v.J. 6 juli 2006, gevoegde zaken C- 439/04 en C-440/04, www.curia.europa.eu ).
Zoals hoger reeds vastgesteld, is het niet aangetoond dat eiser heeft deelgenomen aan het systeem van BTW-fraude dat door P. C. en A. M. zelf werd opgezet, noch dat eiser hiervan kennis zou (kunnen) hebben gehad.
12. Uit het bovenstaande volgt dat verweerster niet gerechtigd is om aan eiser de aftrek van de op de facturen van P. C. en A. M. aangerekende BTW te weigeren om de enkele reden dat deze facturen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.
13. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige evenwel, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (art. 3, § 1, 1° KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1993).
Volgens artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1993, dient de factuur (onder meer) te vermelden :
1° de datum waarop ze wordt uitgereikt en het volgnummer waaronder ze wordt ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen;
2° de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, zijn inschrijvingsnummer in het handels- of ambachtregister, wanneer deze inschrijving vereist is, en zijn in artikel 50 W.BTW bedoeld BTWidentificatienummer;
3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 W.BTW bedoeld BTW-identificatienummer van de medecontractant ( ...);
4° (…);
5° a) de datum van de levering van het goed of van de voltooiing van de dienst (...);
b) (...);
6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;
7° de in artikel 8bis, § 2 W.BTW bedoelde gegevens voor de leveringen van nieuwe vervoermiddelen, evenals het merk, het model, het jaartal, de cilinderinhoud, de motorsterkte, het carrosseriemodel en het chassisnummer in geval van levering van nieuwe of tweedehandse personenauto's of auto's voor dubbel gebruik en, wanneer het gaat om tweedehandse personenauto's en tweedehandse auto's voor dubbel gebruik, de datum waarop zij voor het eerst in het verkeer werden gebracht en, voor de werken, het wassen uitgezonderd, verricht aan motorvoertuigen, de vermelding van de nummerplaat van het voertuig;
8° per tarief de vermelding van de maatstaf van heffing, uitgedrukt in Belgische frank, en de elementen waaruit hij is samengesteld;
9° de vermelding van de tarieven van de verschuldigde belasting en, per tarief, van het bedrag van de verschuldigde belasting, uitgedrukt in Belgische frank, (...);
10° (...);
11° (...);
12° alle andere vermeldingen die worden voorgeschreven ter uitvoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of van de uitvoeringsbesluiten ervan.
14. Om het recht van aftrek te genieten dient met andere woorden de handeling die hiertoe aanleiding geeft te worden gestaafd aan de hand van een regelmatige factuur.
Een factuur die niet alle voorgeschreven vermeldingen bevat, is geen regelmatige factuur en kan bijgevolg geen aanleiding geven tot aftrek van de door de belastingplichtige betaalde BTW (zie o.m. Cass. 4 december 1989, Arr. Cass. 1989-90, p. 462; Cass. 7 juni 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 222; Cass. 19 september 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 318; Cass. 13 oktober 2000, Arr. Cass. 2000, nr. 549).
15. Evenwel mag de uitoefening van het recht op aftrek slechts afhankelijk worden gesteld van verplichte factuurvermeldingen voor zover deze vermeldingen nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de administratie te verzekeren. Deze vermeldingen mogen derhalve niet zodanig talrijk of technisch zijn dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken (zie H.v.J. 14 juli 1988, R. W. 1988-89, 309).
In voorkomend geval dient de rechtbank de koninklijke besluiten die het recht op aftrek onderwerpen aan dergelijke niet te verantwoorden factuurvermeldingen, op grond van artikel 159 van de Grondwet, buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met de bepalingen van het W.BTW, die immers op hun beurt moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de Zesde BTW-Richtlijn nr. 77/388/EEG van 17 mei 1977, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie.
16. In de onderhavige zaak staat vast dat de facturen die door P. C. en A. M. aan eiser werden uitgereikt niet alle wettelijk en reglementair vereiste vereisten bevatten.
Van de vijf facturen op naam van P. C. dragen er slechts drie een factuurdatum. Op factuur nr. 21/93 en factuur nr. 44/93 is géén factuurdatum vermeld (miskenning van artikel 5, § 1, 1° KB nr. 1).
Zowel op de (vijf) facturen van P. C. als op de (dertien) facturen van A. M. wordt, met het oog op de identificatie van de verkochte wagen, telkens slechts één datum vermeld onder de rubriek "année" (jaartal). Het is niet duidelijk of dit slaat op het bouwjaar van het voertuig dan wel op de datum van eerste inverkeerstelling. Hoe dan ook ontbreekt dus minstens één verplichte vermelding (miskenning van artikel 5, § 1, 7° KB nr. 1).
Ten slotte staat op geen enkele factuur van P. C. of A. M. de leveringsdatum van de verkochte wagen vermeld (miskenning van artikel 5, § 1, 5°, a KB nr. 1).
17. De rechtbank spreekt zich niet uit over de vraag of de verplichte vermelding van het bouwjaar en de datum van eerste inverkeerstelling van het verkochte voertuig (artikel 5, § 1, 7° KB nr. 1) al dan niet te beschouwen is als strikt noodzakelijk voor de inning en de controle van de BTW - in het bijzonder wanneer, zoals in het voorliggende geval, alvast één van deze twee data op de factuur wordt vermeld.
De rechtbank beperkt zich tot de vaststelling dat, daarentegen, zowel de vermelding van de factuurdatum als de vermelding van de datum van levering van het verkochte voertuig alleszins te beschouwen zijn als noodzakelijk voor de inning van de verschuldigde BTW en de controle daarop door de administratie.
Immers, zowel de factuur- als de leveringsdatum zijn onder meer bepalend voor het tijdstip van belastbaarheid (art. 17, § 1 W.BTW) en (dus ook) het toepasselijke tarief (art. 38, § 1 W.BTW). De factuur- en de leveringsdatum zijn bovendien van wezenlijk belang om de echtheid van de factuur te kunnen controleren.
De factuur- en de leveringsdatum kunnen bovendien op eenvoudige wijze op de factuur worden vermeld. Zij kunnen derhalve bezwaarlijk worden beschouwd als voorwaarden die door hun aantal of hun techniciteit het recht op aftrek overdreven moeilijk of nagenoeg onmogelijk maken.
18. Eiser erkent dat op sommige facturen de leveringsdatum als dusdanig ontbreekt.
Het kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de leveringsdatum (steeds) dezelfde was als de factuurdatum of de datum van betaling. Het is immers geenszins uitgesloten dat het verkochte voertuig aan eiser werd geleverd op een ander tijdstip - hetzij vroeger, hetzij later - dan de datum waarop de verkoper de factuur uitreikte of de koper de betaling heeft verricht (zie o.m. Cass. 7 juni 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 222).
Overigens heeft de belastingplichtige niet de mogelijkheid om wezenlijke vermeldingen die ontbreken op de factuur, op grond van andere documenten aan te vullen om op die manier zijn recht op aftrek alsnog te kunnen uitoefenen (zie o.m. Cass. 13 oktober 2000, Arr. Cass. 2000, nr. 549)
19. Er is bijgevolg geen enkele grond om de artikelen 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 en 5, § 1, 1° en 5°, a van het KB nr. 1, die het recht op aftrek onderwerpen aan de vermelding van factuur- en leveringsdatum op de factuur, buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met de wet.
Het ontbreken van de factuurdatum op twee facturen op naam van P. C., enerzijds, en het ontbreken van de leveringsdatum op alle facturen op naam van P. C. en A. M., anderzijds, brengen dan ook met zich dat eiser géén recht op aftrek geniet van de op deze facturen aangerekende BTW en dit op grond van artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3 samen gelezen met artikel 5, § 1, 1° en 5° , a van het KB nr. 1, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1993.
20. Eiser beroept zich op de beperkte middelen en mogelijkheden waarover hij destijds beschikte ter vergoelijking van het feit dat niet alle wettelijk en reglementair verplichte vermeldingen op de bewuste facturen voorkomen.
Deze omstandigheden maken evenwel géén overmacht uit. Zij impliceren immers niet dat eiser in de onmogelijkheid zou hebben verkeerd om deze verplichtingen na te komen.
De betrokken facturen werden overigens niet opgesteld en uitgereikt door eiser zelf, maar door zijn leveranciers (P. C. en A. M.). Niets belette eiser om deze facturen eenvoudig te weigeren zolang hierop niet alle wettelijk en reglementair verplichte vermeldingen, noodzakelijk om de aangerekende BTW in aftrek te kunnen brengen, waren vermeld.
21. Tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook ten aanzien van de fiscale administratie gelden, behoort onder meer het recht op rechtszekerheid. Dit recht houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragsregel of beleidsregel van de overheid (zie o.m. Cass. 27 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92,
Het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige is echter geen onbeperkt recht en moet onder omstandigheden wijken voor het legaliteitsbeginsel, dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen. Zo kan een belastingplichtige zich niet op nuttige wijze beroepen op het recht op rechtszekerheid indien er in zijnen hoofde geen gerechtvaardigde verwachtingen konden worden geschapen (zie o.m. Cass. november 2000, Arr. Cass. 2000, nr. 596).
22. Eiser verwijt verweerster een schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, doordat zij de aftrek van de BTW op de facturen van P. C. en A. M. verwerpt, terwijl zij de aftrek van de BTW op de facturen van andere leveranciers blijkt te aanvaarden, hoewel op deze ander facturen evenééns bepaalde verplichte vermeldingen ontbreken.
23. Dat verweerster het recht op aftrek voor sommige facturen heeft aanvaard en voor andere niet, blijkt uit één en hetzelfde proces-verbaal van 30 november 1995. Voor het overige heeft verweerster, wat de verplichte factuurvermelding voor het genieten van het recht op aftrek betreft, met eiser nooit een akkoord gesloten noch enige toezegging gedaan.
De weigering van het recht op aftrek van de BTW die werd aangerekend op de facturen van P. C. en A. M., houdt bijgevolg niet in dat verweerster later (retroactief) zou zijn teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt. Uit niets heeft eiser vooraf de gerechtvaardigde verwachting kunnen putten dat de facturen op naam van P. C., uitgereikt tussen 16 maart 1993 en 27 april 1993, en de facturen op naam van A. M., uitgereikt tussen 20 december 1993 en 27 maart 1994 - niettegenstaande het ontbreken van de verplichte vermelding van (de factuurdatum en) de datum van levering - toch recht op aftrek zouden geven van de aangerekende BTW.
Bijgevolg is er in hoofde van eiser geenszins sprake van een schending van rechtszekerheidsbeginsel of van het beginsel van het gewettigd vertrouwen.
24. Verweerster heeft de aftrek van de op de facturen van P. C. en A. M. aangerekende BTW derhalve terecht verworpen wegens het ontbreken van bepaalde verplichte vermeldingen op deze facturen (art. 3, § 1 KB nr. 3 samen gelezen met art. 5, § 1, 1° en 5°, a KB nr. 1, zoals van toepassing vanaf 1 januari 1993).
In die mate is het verzet van eiser tegen het dwangbevel van 22 december 1995 ongegrond.
Wat betreft de intracommunautaire leveringen
25. Van BTW zijn (onder meer) vrijgesteld : de leveringen van goederen doe verkoper, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen (art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW, zoals van toepassing vanaf januari 1993). Het betreft de zogenaamde "intracommunautaire leveringen".
De Koning bepaalt de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling (art. 39bis, tweede lid W.BTW).
26. De vrijstelling voor intracommunautaire leveringen is afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap, en van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (art. 1-2 KB nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde).
De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (art. 3, eerste lid KB nr. 52).
Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen (art. 3, tweede lid KB nr. 52). Tot op heden werd evenwel nog géén Ministerieel Besluit uitgevaardigd in uitvoering van artikel 3, tweede lid van het KB nr. 52.
De BTW-belastingplichtige moet alleszins in het bezit zijn van de vereiste bewijsstukken op het ogenblik van de controle. Met latere bewijsstukken kan dan ook geen rekening worden gehouden (zie o.m. Cass. 4 november 2005, www.cass.be ).
27. Eiser heeft een aantal tweedehandswagens geleverd aan de Luxemburgse firma’s T. en G. A. S. en aan de Franse firma C. A. A..
Op de betrokken verkoopfacturen werd door eiser géén BTW aangerekend. Het betreft één factuur aan T. ten bedrage van 305.000 frank (thans 7.560,75 euro), zeven facturen aan G. A. S. ten bedrage van 3.214.000 frank (thans 79.672,98 euro) in totaal, en één factuur aan C. A. A. ten bedrage van 425.000 frank (thans 10.535,47 euro).
28. In het proces-verbaal van 30 november 1995 werd vastgesteld dat in dit verband alle stukken ontbreken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer moet blijken, zoals de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Eiser beweerde en beweert dat de verkochte voertuigen telkens door de kopers zelf werden afgehaald en meegenomen naar hun land.
De rechtbank stelt echter vast dat eiser, wat betreft de verzending of het vervoer van de verkochte wagens buiten België (maar binnen de Gemeenschap), tot op heden nog steeds in gebreke blijft om overtuigende stavingstukken bij te brengen - laat staan dat hij hiervan al in het bezit zou zijn geweest op het ogenblik van de fiscale controle.
29. Met betrekking tot de zeven verkopen aan G. A. S. uit het Groothertogdom Luxemburg, brengt eiser weliswaar een afgestempelde en ondertekende verklaring bij van A. S., waarbij deze laatste bevestigt dat hij bij eiser zeven wagens heeft gekocht en deze naar Luxemburg heeft gebracht ("Je soussigné S. A. déclare que j'ai acheté ces voitures au Garage W. et j'ai ammené les voitures au Luxembourg (...)"). De chassisnummers van de bedoelde wagens worden opgesomd en stemmen overeen met de chassisnummers op de door eiser uitgereikte facturen.
Deze verklaring van A. S. is echter niet gedateerd. Uit de vermeldingen bovenaan kan worden afgeleid dat zij door G. A. S. per fax werd verstuurd op 10 april 1995 (om 19.32 uur).
Dit is alleszins (ruim) na het tijdstip waarop de bewuste verkopen zelf wellicht hebben plaatsgevonden. De desbetreffende facturen dateren immers allemaal van de maand oktober 1993.
Dit is tevens na de bij eiser uitgevoerde controle en de aanvang van de onderhandelingen met verweerster die daarop volgden. In zijn brief aan de Bijzondere Belastinginspectie van 30 mei 1995 verwijst eiser namelijk naar een onderhoud dat hem werd toegestaan in de burelen van deze dienst "einde maart jl.", dit wil zeggen einde maart 1995. Dit is vóór de fax van G. A. S. van 10 april 1995.
In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de verklaring van A. S. slechts werd afgelegd op vraag van eiser, op een ogenblik dat de nood aan stavingstukken zich liet gevoelen als gevolg van de fiscale controle. Dit bewijsstuk werd derhalve niet alleen laattijdig opgesteld, ook kan de betrouwbaarheid ervan ernstig worden betwijfeld.
30. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde "bestelbonnen" van G. A. S., die in de stukken van verweerster (stuk 8) telkens bij de betrokken verkoopsfactuur zijn gevoegd.
In deze zogenaamde "bestelbonnen" verklaart "ondergetekende" telkens de betrokken wagen "te hebben verkocht aan", waarna de stempel van G. A. S. en (vermoedelijk) de handtekening van de zaakvoerder volgen.
Deze zogenaamde "bestelbonnen" zijn, luidens de gebruikte bewoordingen zelf, in werkelijkheid géén bestelbonnen. Zij behelzen hoogstens een bevestiging achteraf, door de koper, van eerder gesloten transacties met betrekking tot (tweedehands)voertuigen.
Deze "bestelbonnen" zijn niet gedateerd. Zij werden kennelijk opgesteld door eiser zelf (op papieren met de hoofding van A. W.), waarbij G. A. S. zich heeft beperkt tot het zetten van een stempel en een handtekening.
31. Voor het overige brengt eiser geen enkel stuk bij tot staving van het feit dat de aan G. A. S. verkochte wagens daadwerkelijk het land hebben verlaten en in het Groothertogdom Luxemburg zijn geleverd.
Niets belette eiser nochtans om, zelfs in de veronderstelling dat de koper de betrokken wagens zelf zou zijn komen halen en er (dus) geen vervoersdocumenten zouden zijn opgesteld, ten tijde van de transactie zelf te zorgen voor een contract of een (échte) bestelbon of enig ander stuk dat van aard is om de werkelijkheid van de levering van de wagens over de landsgrenzen aan te tonen.
Met betrekking tot de verkoop aan T. en de verkoop aan C. A. A. worden zelfs helemaal géén stavingstukken bijgebracht om de werkelijkheid van het intracommunautair transport aan te tonen.
32. Bij gebrek aan bewijs van de werkelijkheid van verzending of vervoer van de verkochte wagens naar het Groothertogdom Luxemburg of Frankrijk, is er geen sprake van een vrijgestelde intracommunautaire levering in de zin van artikel 39bis W.BTW
De vraag of de kopers T., G. A. S. en C. A. A. er in de eigen Lid-Staat al dan niet toe gehouden waren om hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de BTW te onderwerpen, is dan ook niet meer relevant.
33. Eiser heeft ten onrechte nagelaten om op de betrokken verkoopfacturen BTW aan te rekenen.
Op basis van de gefactureerde verkoopprijzen (maatstaf van heffing) bepaalde verweerster de verschuldigde BTW correct op 769.080 frank (thans 19.065,00 euro).
Ook in die mate is eisers verzet tegen het dwangbevel van 22 december 1995 dan ook ongegrond.
Wat betreft de dubbele aanrekening van 248.522 frank
34. In tegenstelling tot wat eiser voorhoudt in zijn derde syntheseconclusie (p. 17), zit het bedrag van 248.522 frank (thans 6.160, 70 euro) wegens foutieve dubbele aftrek van voorbelasting op twee facturen - dat door eiser niet werd betwist en inmiddels reeds zou zijn betaald - niet begrepen in de BTW-schuld die het voorwerp is van het bestreden dwangbevel.
Het dwangbevel van 22 december 1995 is immers opgesteld overeenkomstig het proces-verbaal van 30 november 1995 en heeft slechts betrekking op een verschuldigde BTW van 2.227.870 frank (thans 55.227,45 euro) in totaal. Dit bedrag bestaat uit 1.458.790 frank (thans 36162,46 euro) wegens "geweigerde aftrek" en 769.080 frank (thans 19.065,00 euro) wegens "niet bewezen gefactureerde intracommunautaire leveringen", zoals hoger uiteengezet.
In zoverre het verzet van eiser betrekking heeft op dit bedrag van 248.522 frank (thans 6.160,70 euro), is het derhalve eveneens ongegrond.
Wat betreft de geldboete
35. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (art. 70, § 1, eerste lid W.BTW).
leder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, verbeurt bovendien een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid (art. 70, § 1bis W.BTW).
Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld (art. 84, derde lid W.BTW).
36. Volgens artikel 1, eerste lid van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde als volgt bepaald :
- wat betreft de overtredingen beoogd in artikel 70, § 1 W.BTW : voor overtredingen begaan vóór 1 november 1993 in tabel A en voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 in tabel G van de bijlage bij KB nr. 41;
- wat betreft de overtredingen beoogd in artikel 70, § 1bis W.BTW : voor overtredingen begaan vóór 1 november 1993 in tabel B, en voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 in tabel H van de bijlage bij KB nr. 41.
De in de tabellen A tot J van de bijlage bij KB nr. 41 opgenomen schaal is niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (art. 1, tweede lid KB nr. 41).
37. In deze zaak legde verweerster aan eiser een geldboete op gelijk aan tweemaal de verschuldigde rechten, op grond van artikel 70, § 1 en § 1bis W.BTW.
Verweerster is er namelijk van uitgegaan dat de overtredingen van eiser werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, zodat de geldboete niet kon worden verminderd overeenkomstig de schaal bepaald in KB nr. 41 (art. 1, tweede lid KB nr. 41).
Zoals hoger gemotiveerd, is in hoofde van eiser enig frauduleus oogmerk echter geenszins bewezen.
Het behoort dan ook de door eiser verschuldigde geldboete vast te stellen overeenkomstig de schaal bepaald in KB nr. 41.
38. De door eiser onrechtmatig genoten aftrek van belasting op de facturen van P. C. bedroeg 242.775 frank (thans 6.018,24 euro) in totaal. Deze facturen werden uitgereikt tussen 16 maart 1993 en 27 april 1993, dit is vóór 1 november 1993.
De verschuldigde boete is derhalve, overeenkomstig artikel 70, § 1bis W.BTW en tabel B van de bijlage bij KB nr. 41, gelijk aan 10 % van het dubbel van de verschuldigde belasting.
39. De door eiser onrechtmatig genoten aftrek van belasting op de facturen van A. M. bedroeg 1.216.015 frank (thans 30.144,22 euro) in totaal. Deze facturen werden uitgereikt tussen 20 december 1993 en 27 maart 1994, dit is na 31 oktober 1993.
De verschuldigde boete is derhalve, overeenkomstig artikel 70, § 1bis W.BTW en tabel H van de bijlage bij KB nr. 41, gelijk aan 10 % van het dubbel van de verschuldigde belasting.
40. De BTW die eiser ten onrechte niet heeft aangerekend op de verkoopfacturen aan T., G. A. S. en C. A. A. bedroeg 769.080 frank (thans 19.065,00 euro) in totaal. Deze facturen dateren allemaal van oktober 1993, dit is vóór 1 november 1993.
De verschuldigde boete is derhalve, overeenkomstig artikel 70, § 1 W.BTW en tabel A van de bijlage bij KB nr. 41, gelijk aan 10 % van het dubbel van de verschuldigde belasting.
41. Uit het bovenstaande volgt dat het bedrag van de door verweerster opgelegde geldboete van 4.455.740 frank (thans 110.454,91 euro) in zijn geheel moet worden verminderd tot 10 % van dit bedrag, met andere woorden tot 445.574 frank (thans 11.045,49 euro).
Het totale bedrag van de geldboeten moet bovendien worden afgerond naar het lagere honderdtal of duizendtal naargelang het kleiner of groter is dan tienduizend frank (art. 4, § 1 KB nr. 41, zoals van toepassing ten tijde van de vastgestelde overtredingen).
In dit geval is het totale bedrag van de geldboeten groter dan 10.000 frank (thans 247,89 euro). De door eiser verschuldigde geldboete (uitgedrukt in Belgische frank) moet derhalve worden afgerond op het lagere duizendtal.
42. De door eiser verschuldigde geldboete dient bijgevolg te worden verminderd tot 445.000 frank (thans 11.031,26 euro).
Dispositif
III. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en na tegenspraak.
Het verzet tegen het dwangbevel is ontvankelijk maar enkel gegrond voor wat betreft de geldboete.
De rechtbank herleidt de door P. A. W. verschuldigde geldboete tot ELFDUIZEND ÉÉNENDERTIG EURO EN ZESENTWINTIG CENT (11.031,26 euro).
De rechtbank beveelt de terugbetaling van hetgeen eventueel ten onrechte zou zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW
Voor het overige wordt het verzet afgewezen als ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiser en verweerster ieder tot de helft van de gerechtskosten en stelt deze als volgt vast :
- voor eiser : 92,74 euro (kosten verzet) + 364,40 euro (rechtsplegingsvergoeding);
- voor verweerster : 364,40 euro (rechtsplegingsvergoeding).
Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op vrijdag 02 februari 2007.
De rechtbank bestond uit :
De heer L. W., rechter, dienstdoende voorzitter.
Mevrouw K. G., rechter.
De heer A. G., gerechtelijk stagiair, plaatsvervangend rechter, in toepassing van artikel 259octies, paragraaf 6, laatste lid van het Gerechtelijk Wetboek.
Mevrouw J. C., griffier.
J. C. A. G. K. G. L W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.