Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour de cassation du 30.04.2021 ((F.19.0150.N)
WF 711-15-19/056789
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Contrainte – Compte spécial – Retenue d’un crédit d’impôt
Dispositions légales
Article 76, § 1er, du Code de la TVA
Article 8/1, § 3, 4°, de l’arrêté royal n° 4
Article 159 de la Constitution
Résumé
1. Les faits et l’arrêt de la Cour d’appel
Le 20 avril 2012, un procès-verbal concernant l’assujettie a été rédigé. Par après, une contrainte a été décernée à l’assujettie. Cette contrainte mentionnait un montant de TVA de 35.152,96 euros et une amende de 200% relative à des infractions et à une déduction illégale de la TVA, infractions et déduction commises dans le but d’éluder la taxe.
Le 25 février 2013, vu la dette d’impôt reprise dans la contrainte du 10 mai 2012, en application de l’article 8/1, § 3, 4° de l’arrêté royal n° 4, un titre de retenue d’un crédit de TVA a été acté. Cette retenue se rapportait à un solde en faveur de l’assujettie sur le compte courant. Selon l’assujettie, cette retenue était illégale. La demande en annulation de la contrainte a été rejetée tant en première instance qu’en appel. L’assujettie s’est alors pourvu en cassation. (Arrêt de la Cour d’appel)
2. Moyen en cassation invoquée par l’assujettie
L’assujettie fait valoir que le fait que la créance de l’administration, sur base de laquelle le crédit d’impôt est retenu en application de l’article 8/1, § 3, 4° de l’arrêté royal n° 4,qui n’est en principe pas certaine, liquide et exigible, n’empêche pas le juge du fond, qui doit se prononcer sur la créance contestée de l’administration, d’annuler la retenue du crédit de TVA opérée s’il constate que cette créance n’est pas fondée, avant même que sa décision n’ait force de chose jugée. Selon la demanderesse, adopter le contraire serait en violation de l’article 159 de la Constitution.
3. L’arrêt de la Cour de cassation
Les juges en degré d’appel ont constaté et jugé que :
« - l’opposition de la demanderesse concerne uniquement la contrainte du 20 janvier 2014 signifiée le 31 janvier 2014 pour un montant de 54.361,52 euros ;
- la contrainte a donné lieu à une retenue du solde créditeur de la demanderesse s’élevant à 43.549,52 euros et la demanderesse en a été informée le 25 février 2013;
- il ne semble pas que la demanderesse ait cherché à obtenir un « contrôle juridictionnel effectif de la régularité et de la légalité de la retenue effectuée ;
- cette contrainte « n’est pas née sur la base d’une retenue d'un crédit de TVA, mais trouve son origine dans les déclarations de TVA déposées par la demanderesse ».
Contrairement à ce qui est affirmé dans le moyen, les juges en degré d’appel ont exercé leur droit de contrôle sur la régularité et la légalité de la retenue et ont pu juger en droit que le montant repris dans la contrainte du 20 janvier 2014 est dû.
Ce moyen ne saurait être accueilli. La Cour rejette le pourvoi en cassation
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van Cassatie van België, Arrest Nr. F.19.0150.N
P.L. bv, met zetel te ..., ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0871...., eiseres, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 maart 2019.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 1 maar 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 76, § 1, Btw-wetboek wordt, wanneer het bedrag van de belasting die voor aftrek in aanmerking komt aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige. Volgens het vierde lid van deze bepaling kan de Koning op de terug te geven bedragen voorzien in een inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 Gerechtelijk Wetboek.
Volgens artikel 8/1, § 3, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, in zijn toepasselijke versie, wordt, indien de belastingschuld in het voor deel van de administratie geen schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 89 van het wetboek, het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze in houding geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.
2. De belastingplichtige beschikt ter zake over het recht op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, hetzij door de beslagrechter aan wie het toekomt te onderzoeken of de schuldvordering prima facie een zekere en vaststaande vordering is in de zin van artikel 1415 Gerechtelijk Wetboek, hetzij door de rechter in het geschil ten gronde die de inhouding van btw-kredieten kan opheffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft wanneer hij van oordeel is dat de schuldvordering ongegrond is.
3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- het verzet van de eiseres enkel betrekking heeft op het dwangbevel nr. 500/1117/20128 van 20 januari 2014 betekend op 31 januari 2014 voor een bedrag van 54.361,52 euro;
- een eerder dwangbevel nr. 412/..../...104 van 10 mei 2012 werd betekend op 30 mei 2012 voor een bedrag 109.958,08 euro;
- dit eerste dwangbevel werd aangevochten in een afzonderlijke procedure die heeft geleid tot de afwijzing van het verzet;
- het dwangbevel aanleiding gaf tot een inhouding op het tegoed van de eiseres ten bedrage van 43.549,52 euro en hiervan aan de eiseres kennis werd gegeven op 25 februari 2013;
- niet blijkt dat de eiseres ter zake om enige "daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de gedane inhouding" heeft verzocht;
- het dwangbevel van 20 januari 2014 eveneens aanleiding gaf tot een inhouding;
- dit tweede dwangbevel "niet [is] tot standgekomen op basis van een inhouding van een btw-tegoed, maar zijn oorsprong vindt in de door de eiser gedane btw aangiften".
4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oefenen de appelrechters hun toetsingsrecht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding uit en konden zij naar recht oordelen dat het bedrag opgenomen in het dwangbevel nr. 500/1117/20128 van 20 januari 2014 verschuldigd is.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dispositif
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 455,81 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 30 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen.
Ondertekeningen
Décision jointe par le SPF
Arrest van het Hof van Beroep
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Brussel, 6Ne kamer, burgerlijke zaken, 12/03/2019
Rol: 2015/AF/142
Eindarrest
P.L. B.V.B.A., ON 0781...., met maatschappelijke zetel te ..., appellante, vertegenwoordigd door Mr. ..., advocaat te ...,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens Kabinet gevestigd Is in de Wetstraat 12 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, waarvan het kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 11, van de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Inning en de Invordering (voorheen BTW-Ontvangkantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3), die voor deze rechtspleging woonplaats kiest op het kantoor van de dienstchef van de Juridische Dienst van het Regionaal Invorderingscentrum Limburg, met kantoor gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 10, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. ..., advocaat te ...,
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
Procedure
Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 6 maart 2015, dat niet werd betekend, waartegen hoger beroep werd aangetekend door appellante bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 28 april 2015
Gezien:
- de synthesebesluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 december 2016;
- de stukken van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 11 januari 2019;
- de stukken van appellante, neergelegd op de openbare terechtzitting van 19 februari 2019.
Feiten en bestreden beslisslng
Gelet op haar economische activiteiten werd appellante als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE 0871....
1. Op 20 april 2012 werd door X, eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij de Federale Overheidsdienst Financiën, ter beschikking gesteld van de Algemene administratie van de fiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen, een proces verbaal opgesteld met betrekking tot door appellante over de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 begane overtredingen (stuk 1 geïntimeerde).
Volgens dit proces-verbaal was appellante 35.152,96 euro als btw, 70.305,92 euro als fiscale geldboete (op grond van artikel 70 § 1 bis W BTW, wegens onrechtmatige aftrek, niet verminderd bij toepassing van artikel 1, laatste lid KB nr. 41, omdat de overtredingen telkens zijn begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken) en 35.150,00 euro als intresten (op grond van artikel 91 § 1 W BTW) verschuldigd.
Op 10 mei 2012 werd door de ontvanger van de btw-Tienen, d.d. eerstaanwezend Inspecteur Y, een btw-dwangbevel met nummer 412/..../...104, voor een bedrag van 109.958,08 euro in hoofdsom (waarvan 35.152,96 euro in hoofdsom aan btw, 70.305,92 euro als proportionele geldboeten en 4.499,20 euro aan intresten, berekend vanaf 21 januari 2011 tot 20 mei 2012) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 14 mei 2012 door de d.d. gewestelijke directeur van de btw te Hasselt, Z, geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 2 geïntimeerde). Het dwangbevel werd met bevel tot betalen per gerechtsdeurwaarderYploot van 30 mei 2012 aan appellante betekend (stuk 3 geïntimeerde).
Op 12 juli 2012 werd door appellante ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven een verzoekschrift neergelegd waarbij zij verzocht het dwangbevel met nummer 412/..../...104 te vernietigen (stuk 4 geïntimeerde).
Op 25 februari 2013 werd door de ontvanger van de btw-Tienen, d.d. eerstaanwezend inspecteur Y, bij toepassing van artikel 8/1 § 3 al. 4 van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 29 december 1992, een akte van inhouding van een btw-krediet opgemaakt (stuk 5 geïntimeerde).
Deze inhouding heeft betrekking op een som van 43.549,52 euro in het voordeel van appellante, afkomstig van het kredietsaldo van de btw-rekening-courant op datum van 31 januari 2013.
Bij aangetekende brief van 25 februari 2013 werd appellante in kennis gesteld van deze akte van inhouding (stuk 6 geïntimeerde).
2. De btw-administratie ging op 31 oktober 2013 over tot de opnulzetting van de btw rekening-courant van appellante. Voor de periode voorafgaand aan deze opnulzetting (31 juli 2013 tot 31 oktober 2013} werd, in overeenstemming met artikel 8 § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992, een bijzondere rekening opgemaakt. Deze bijzondere rekening werd op 13 november 2013 opgesteld en aangetekend verzonden aan appellante (stuk 7 geïntimeerde).
Op 20 januari 2014 werd door de ontvanger van de btw-Tienen, adviseur W. Wijnants, een btw dwangbevel met nummer 500/1117/20128, voor een bedrag van 54.361,52 euro in hoofdsom (waarvan 43.310,08 in hoofdsom aan btw, 6.940,00 euro als proportionele geldboeten en 1:111,44 euro aan intresten, berekend vanaf 21 november 2013 tot 20 januari 2014) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 23 januari 2014 door de adviseur eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, J. Goyens geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 8 geïntimeerde). Het dwangbevel werd met bevel tot betalen per gerechtsdeurwaarderexploot van 31 januari 2014 aan appellante betekend (stuk 9 geïntimeerde).
Appellante verzocht met haar verzoekschrift neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 maart 2014 de vernietiging uit te spreken van het dwangbevel en te horen zeggen voor recht dat de bijzondere rekening is tot stand gekomen op basis van een onrechtmatige inhouding van btw-tegoeden.
Het bestreden vonnis van 6 maart 2015 verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten van het geding, in hoofde van geïntimeerde begroot op 2.750,00 euro.
Vorderingen van partijen
Appellante verzoekt "het bestreden, vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het bestreden dwangbevel en de bijbehorende bijzondere rekening te horen vernietigen en te zeggen voor recht dat de bijzondere rekening Is tot stand gekomen op basis van een onrechtmatige inhouding van BTW-tegoeden in hoofde van verzoekster voor een bedrag _van 55.128,60 euro en dat zij, na verrekening met haar BTW-tegoeden, geen BTW, boeten, intresten en kosten verschuldigd is;
Gedaagde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art.1022 Ger. W.".
Op vraag van het hof bevestigde de raadsman van appellante op de openbare terechtzitting van 19 februari 2019 dat met het "bestreden dwangbevel" wel degelijk het dwangbevel van 20 januari 2014 wordt bedoeld.
Het hof merkte tevens op, zoals ook door geintimeerde in zijn synthesebesluiten wordt aangemerkt, dat de inhouding van het btw-krediet betrekking heeft op een som van 43.549,52 euro, in tegenstelling tot het door appellante in haar verzoekschrift vermelde bedrag van 55.128,60 euro.
Geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij vordert appellante te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.
Beide partijen vorderen een rechtsplegingsvergoeding van 3.300,00 euro voor de procedure in eerste aanleg, en een rechtsplegingsvergoeding van 3.600,00 euro voor de procedure in hoger beroep.
Beoordeling
1. Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en is ontvankelijk. Het hof ziet geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.
2. Volgens appellante werd de inhouding van het btw-tegoed ten onrechte verricht.
De inhouding van btw-tegoeden heeft volgens appellante immers tot doel de belangen van de Schatkist te vrijwaren teneinde bescherming te bieden tegen een eventuele insolvabiliteit van een btw-belastingplichtige, die aanspraak maakt op teruggave van btw-tegoeden, terwijl hij anderzijds schuldenaar is van belangrijke btw-bedragen.
Naar het oordeel van appellante is de inhouding in casu onrechtmatig aangezien deze geenszins beantwoordt aan de voormelde doelstellingen: er is geen sprake van enige insolvabiliteit van appellante, zij heeft geen teruggaaf van btw gevraagd en de vraag is of zij wel schuldenaar is van enige btw nu zij hieromtrent (i.e. het dwangbevel van 10 mei 2012) een rechtsvordering heeft aanhangig gemaakt (stuk 2 appellante).
De bijzondere rekening op basis waarvan geïntimeerde het dwangbevel van 20 januari 2014 liet betekenen, is volgens appellante gebaseerd op deze onrechtmatige inhouding. Immers, indien deze inhouding niet zou zijn verricht, dan behield appellante naar haar oordeel een btw-tegoed - zelfs na de verrekening met de verschuldigde btw.
Volgens appellante wordt de btw-belastingplichtige die het voorwerp uitmaakt van een btw inhouding evenwel het recht op iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van dergelijke maatregel ontzegd, in zoverre dat het Grondwettelijk Hof, naar het oordeel van appellante, in haar arrest van 7 juli 1998 heeft beslist dat de regeling met betrekking tot de inhouding van btw-tegoeden het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt.
Naar het oordeel van appellante is de regeling Inzake de inhouding van btw-tegoeden bovendien strijdig met de zesde btw-richtlijn.
In haar arrest van 18 december 1997 heeft het Hof van Justitie (stuk 1 appellante) volgens appellante gesteld dat de regeling inzake de Inhouding van btw-tegoeden verder gaat dan nodig is om een doelmatige invordering te waarborgen, omdat de belastingplichtige niet in de mogelijkheid is om het tegenbewijs te leveren onder het toezicht van de beslagrechter, zodat het evenredigheidsbeginsel geschonden is.
De processen-verbaal gelden overeenkomstig artikel 59 W BTW immers tot het bewijs van het tegendeel. De beoordeling van het tegenbewijs maakt echter een onderzoek ten gronde uit, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de beslagrechter behoort nu deze slechts een marginale toetsing kan doen.
Bovendien oordeelde het Hof volgens appellante dat wettelijke of bestuurlijke bepalingen die de beslagrechter beletten de inhouding van het voor teruggaaf vatbare btw-overschot volledig of gedeeltelijk op te heffen, terwijl hij over alle gegevens zou kunnen beschikken om te kunnen besluiten dat de vaststellingen in de processen-verbaal van de administratie op het eerste gezicht onjuist zijn, geacht moeten worden verder te gaan dan nodig is om een doelmatige invordering te garanderen en het recht op aftrek onevenredig aan te tasten. Ook de wettelijke of bestuurlijke bepalingen die het uiteindelijk voor de rechter in het bodemgeschil onmogelijk maken om de inhouding van het voor teruggaaf vatbare btw overschot volledig of gedeeltelijk op te heffen, totdat de beslissing ten gronde definitief wordt, zijn volgens appellante naar het oordeel van het Hof onevenredig.
De regeling van de inhouding van btw-tegoeden getuigt volgens appellante van een ongelimiteerde en ongecontroleerde inhoudingspraktijk en kon om die redenen niet worden toegepast.
3. Het hof volgt het standpunt van appellante niet.
Appellante was ingevolge artikel 53 § 1, eerste lid, 2° W BTW j° artikel 18 § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde ertoe gehouden om maandelijks een btw-aangifte in te dienen, uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft.
Overeenkomstig artikel 53 § 1, eerste lid, 3° W BTW diende appellante de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij art. 53 § 1, eerste lid, 2° W BTW (j° art. 18 § 1 K.B. nr. 1) voorgeschreven aangifte.
Uit wat voorafgaat, volgt dat btw-schulden van rechtswege verschuldigd zijn.
De ingediende btw-aangifte houdt een schulderkentenis in van de belasting die erin werd opgenomen en doet een vordering ontstaan ter voldoening van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de btw-aangifte.
De btw-aangifte met betrekking tot de handelingen voor de maand januari 2013 werd op 15 februari 2013 door appellante verricht en vermeldt in het rooster 71 een bedrag van 31.078,34 euro. Deze als verschuldigd aangegeven btw diende door haar op 20 februari 2013 te worden voldaan.
Het op 15 maart 2013 in rooster 71 als verschuldigd aangegeven btw-bedrag van de op naam van appellante ingediende btw-aangifte met betrekking tot de handelingen voor de maand februari 2013 betrof een btw-schuld van 32.679,62 euro, die op 20 maart 2013 opeisbaar werd (stuk 19 geïntimeerde).
Doordat de akte van inhouding aan appellante werd ter kennis gebracht op 25 februari 2013 wist appellante dat het kredietsaldo van haar btw-rekening-courant op datum van 31 januari 2013 ten belope van 43.549,52 euro ten bewarende titel werd ingehouden en niet zou kunnen worden aangewend ter aanzuivering van de door haar als verschuldigde btw opgenomen bedragen in de op haar naam ingediende periodieke btw-aangiften.
De voor appellante bijgehouden btw-rekening-courant werd op 31 oktober 2013 wegens niet (volledige) betaling van de voormelde door haar als verschuldigde btw aangegeven bedragen met betrekking tot de handelingen van de maanden januari en februari 2013, afgesloten.
Het uitblijven van de vrijwillige betaling gaf bijgevolg op 31 oktober 2013 aanleiding tot het opmaken van een bijzondere rekening voor de periode 31 juli 2013 tot 31 oktober 2013, zoals bepaald in artikel 8 § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Het dwangbevel van 20 januari 2014 vindt op haar beurt haar oorsprong in deze bijzondere rekening.
De inhouding van 25 februari 2013 gebeurde daarentegen naar aanleiding van de door appellante in rechte betwiste btw-schuld die werd vastgesteld in het proces-verbaal van 20 april 2012 en die werd opgenomen in het dwangbevel van 10 mei 2012 met artikelnummer 412/..../...104.
In tegenstelling tot datgene wat appellante stelt, zijn de bijzondere rekening en het in huidige procedure bestreden dwangbevel van 20 januari 2014 niet tot stand gekomen op basis van een inhouding van een btw-tegoed, maar vinden zij hun oorsprong in de door haar gedane btw-aangiften.
Deze inhouding verhinderde enkel dat deze btw-schuld met een in hoofde van appellant beschikbaar btw-krediet zou worden gecompenseerd.
Artikel 76 § 1, vierde lid W BTW_ bepaalt dat de Koning met betrekking tot het overschot dat de belastingplichtige toekomt, ten voordele van de btw-administratie een inhouding kan voorzien die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1145 Ger. W.
In uitvoering van voormeld artikel bepaalt artikel 8/1 § 3 al. 4 van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 29 december 1992, met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde:
"Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand fs, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld In artikel 89 van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld”.
5. In tegenstelling tot datgene wat appellante voorhoudt, beschikt de belastingplichtige over een daadwerkelijk rechterlijk toezicht op een inhouding van zijn belastingkredieten.
In zijn arresten van 26 mei 1999 (nr. 58/99, B.S. 15 september 1999, 34.435), 7 juli 1998 (nr. 78/98, B.S. 29 september 1998, 31.779) en 18 november 1998 (nr. 119/98, B.S. 20 januari 1999, 1621) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 76 § 1 W BTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in die zin geïnterpreteerd dat het de Koning toestaat te voorzien in een inhouding van de belastingkredieten geldend als bewarend beslag onder derden, waarbij de voorwaarde vereist door artikel 1413 Ger. W. wordt geacht vervuld te zijn, zelfs wanneer de belastingschuld niet de kenmerken vertoont vereist door artikel 1415 van dat Wetboek, in zoverre het ertoe leidt dat aan de personen die het voorwerp van een inhouding uitmaken, iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en geldigheid van de inhouding wordt ontzegd.
Het Hof voegde er echter aan toe dat artikel 76 § 1 W BTW, in die zin geïnterpreteerd dat het e Koning niet toestaat de personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding van een belastingkrediet, geldend als bewarend beslag onder derden, iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en geldigheid van de Inhouding te ontzeggen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.
Het Hof van Justitie oordeelde in zijn arrest van 18 december 1997 onder meer dat de nationale rechter dient te beoordelen of de betrokken maatregelen die door een Lidstaat in de uitoefening van zijn bevoegdheid op het gebied van de btw worden genomen en de toepassing daarvan door de bevoegde administratie evenredig zijn. Bij een dergelijke beoordeling wordt geen rekening gehouden met de nationale bepalingen of een uitlegging daarvan, die in de weg staan aan een doelmatige rechterlijke toetsing, en met name aan de toetsing van de spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding van het voor teruggaaf vatbare btw-overschot, alsmede aan de mogelijkheid voor de belastingplichtige om onder toezicht van een rechter te verzoeken dat de inhouding wordt vervangen door een andere zekerheid die de belangen van de Schatkist afdoend beschermt doch voor de belastingplichtige minder bezwarend is, of die zouden beletten dat in alle stadia van de procedure een volledige of gedeeltelijke opheffing van de inhouding wordt gelast (HvJ 18 december 1997, Garage Molenheide, gevoegde zaken C-286/94, C-340/95, C-401/95, en c- 47/96).
Uit deze rechtspraak volgt dat de regeling van de inhoudingen als grondwettelijk kan worden beschouwd, behalve indien aan de belastingplichtige het recht wordt ontzegd op een daadwerkelijke rechterlijke controle op de wettigheid en de geldigheid van de inhouding die afwijkt van het gemeen recht inzake de bewarende beslagen.
Artikel 8/1 § 3, tiende lid van het Koninklijk Besluit nr. 4 voorziet in de mogelijkheid voor de belastingplichtige om verzet te doen tegen de inhouding door toepassing te maken van artikel 1420 Ger. W.
In het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding van btw-tegoeden, behoort het tot de taak van de beslagrechter te toetsen of de schuldvordering van de administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 Ger. W., en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de btw-administratie de inhoudingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (zie ook Cass. 3 januari 2003, C.00.0116.N en Cass. 6 november 2003, C.00.0144.N).
In zijn arrest van 17 januari 2013 (nr. 4/2013, B.S. 20 maart 2013, 16.812) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat een grondwetsconforme interpretatie van artikel 76 § 1, derde lid W BTW met zich meebrengt dat de belastingplichtige beschikt over een daadwerkelijk rechterlijk toezicht op een inhouding van zijn belastingkredieten, toezicht dat in voorkomend geval kan leiden tot de volledige of gedeeltelijke opheffing van de inhouding.
Vermits de belastingplichtige in die interpretatie beschikt over de mogelijkheid om de inhouding van btw-kredieten te laten controleren door de beslagrechter die beschikt over een daadwerkelijk rechterlijk toezicht dat kan leiden tot de opheffing van die inhouding - mogelijkheid die niet alleen bestaat na de betekening van de akte van inhouding, maar ook telkens wanneer de omstandigheden zijn veranderd - is het, ten aanzien van de doelstellingen van de wetgever, niet kennelijk onredelijk dat de inhouding in beginsel geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil wordt beëindigd bij wijze van een administratieve beslissing of bij wijze van een rechterlijke beslissing over de grond van de zaak.
Uit niets blijkt dat appellante de bevoegde beslagrechter, nadat haar de akte van inhouding op 25 februari 2013 werd betekend of, gelet op eventuele gewijzigde omstandigheden, nadien heeft verzocht om een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de gedane inhouding.
In tegenstelling tot datgene wat appellante stelt, verkeert ook de rechter die zich dient uit te spreken over de grond van de zaak - meer bepaald over de betwiste schuldvordering van de administratie ten aanzien van de belastingplichtige - in de mogelijkheid om, wanneer hij oordeelt dat die schuldvordering ongegrond is, de naar aanleiding ervan gedane inhouding van btw-kredieten op te heffen, vooraleer zijn beslissing kracht van gewijsde heeft.
Immers in het reeds geciteerde arrest van het Grondwettelijk Hof van 17 januari 2013 wordt geoordeeld dat artikel 76 § 1, derde lid W BTW ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de Koning niet toestaat van het gemeen recht inzake bewarend beslag onder derden af te wijken dat Hij de rechter in het geschil ten gronde de mogelijkheid zou vermogen te ontzeggen om, wanneer hij oordeelt dat de schuldvordering van de btw-administratie ongegrond is, de inhouding van btw-kredieten op te heffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft. In die interpretatie is artikel 76 § 1, derde lid W BTW bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
De inhouding van 25 februari 2013 houdt verband met het dwangbevel van 10 mei 2012 met artikelnummer 412/..../...104.
Het hof stelt vast dat de vordering die door appellante tegen dit dwangbevel bij verzoekschrift van 9 juli 2012 bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven werd ingeleid, inmiddels bij vonnis van 8 december 2017 werd afgewezen, zodat er ook voor dit rechtscollege geen aanleiding bestond om de btw-inhouding geheel of gedeeltelijk op te heffen (stuk 2 appellante).
Het komt het hof niet toe de regelmatigheid en de rechtmatigheid van deze inhouding van het btw-tegoed te beoordelen. Het dwangbevel dat er aan ten grondslag ligt, is immers niet het voorwerp van huidig geschil.
6. Gelet op wat voorafgaat, zijn de bedragen zoals opgenomen in het dwangbevel inzake btw van 20 januari 2014 met artikelnummer 500/1117 /20128 door appellante verschuldigd.
Appellante werd terecht veroordeeld_ tot de kosten van het geding in eerste aanleg en zij moet veroordeeld worden tot de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 3.600,00.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende na tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep van nv P.L. (0871.388.315) ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt nv P.L. in de kosten van het hoger beroep, In hoofde van de BELGISCHE STAAT begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 3.600,00 euro,
Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit: ..., die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd.
Het werd uitgesproken óp 12 MAART 2019 door....
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.