Chiffre d’affaires, Droit à déduction, Amendes, Question de principe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 8 janvier 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Chiffre d’affaires, Droit à déduction, Amendes, Question de principe

https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-droit-deduction-amendes-tribunal-anvers-2021-01-08-1063

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
8 janvier 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

87 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d’Anvers du 08.01.2021

WF 707-15-19/058348

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Chiffre d’affaires – Droit à déduction – Amendes – Question de principe

Dispositions légales

Articles 45, § 1er, 53, § 1er, 1er alinéa, 2° et 3°, 53 octies, § 1er, 1er alinéa et 81bis, § 1er, du Code de la TVA

Article 18 de l’arrêté royal n° 1, du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Article 1er, 1er alinéa, de l’arrêté royal n° 3, du 10 décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

Synthèse

1) Les faits et les antécédents de procédure

Un premier contrôle a été effectué dans les locaux de l’assujettie à la suite duquel cette dernière a marqué un accord partiel sur un relevé de régularisation qui relevait les infractions constatées. Avant la conclusion du premier contrôle, un deuxième contrôle a été effectué chez l’assujettie à la suite d’une demande en restitution d'un crédit de TVA. A nouveau l’assujettie a exprimé son désaccord concernant un certain nombre de corrections proposées. Aucun accord n'ayant pu être trouvé, un procès-verbal a été dressé consignant des infractions relatives au chiffre d'affaires déclaré et au droit à déduction. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été décernée, rendue exécutoire et signifiée. La partie adverse a introduit une requête fiscale contre cette contrainte auprès du tribunal de première instance d’Anvers.

2) Jugement du tribunal de première instance

* Le droit à déduction

Le juge constate que l’assujettie ne démontre pas l'utilisation professionnelle de lunettes et d'un haut-parleur. La partie adverse énonce uniquement de simples allégations. Pour le reste, le tribunal précise qu'il ne s'agit pas d'un jugement d’opportunité de l'administration et que celle-ci peut demander à l’assujettie de démontrer l'usage professionnel.

* Le chiffre d’affaires

Lors du contrôle, il a été constaté que le compte de recettes mentionne un montant de 250.250,00 euros pour l'exercice comptable 2016. Cependant, une différence de 151.250,00 EUR existe entre les factures établies et le montant mentionné dans le compte des recettes.

La partie adverse affirme que cela concerne le chiffre d'affaires de 2014 et que la demande en recouvrement de la TVA serait donc prescrite. Cependant, aucune mention n'a été faite de ce chiffre d'affaires dans la comptabilité de l’année 2014. Il n'y a eu seulement qu'une correction du chiffre d'affaires lors de l'établissement du bilan au 31 décembre 2016 pour l'impôt sur les sociétés, sans aucune inscription du montant de la TVA.

La partie adverse ne produit aucune pièce qui démontre que le fait générateur de la taxe a eu lieu en 2014. En outre, la partie adverse a attribué le chiffre d'affaires dans sa comptabilité à une société autre que celle pour laquelle elle avait établi cette pièce comptable.

Le tribunal rappelle que l’assujettie ne peut pas décider elle-même du moment où elle doit inclure les recettes dans sa comptabilité. En outre, la partie adverse ne peut pas décider elle-même si une opération est soumise à la TVA ou pas. En outre, le tribunal estime que la partie adverse ne démontre pas que le chiffre d'affaires serait exempté de TVA ou soumis à un taux réduit de TVA.

* L’amende

Contrairement à ce que soutient la partie adverse, le juge considère que la présente affaire ne concerne pas une contestation de principe. Le tribunal constate que la contrepartie n'a pas comptabilisé les recettes dans ses livres en temps voulu et n'a pas respecté ses obligations en matière de TVA.

En ce qui concerne le droit à déduction, la partie adverse n’apporte pas la preuve qui est à sa charge pour l'application de l'article 45 du code de la TVA.

Enfin, le tribunal constate que l'amende était suffisamment motivée et est proportionnée à l’infraction.

Le tribunal déclare l’entièreté de la demande recevable mais non fondée.

Remarque

La partie adverse a acquiescé au jugement.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil

Vonnis van 8 januari 2021

Rol: 19/4851/A

Inzake:

Y. NV met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 0427..., eiseres - vertegenwoordigd ter zitting door meester ... te ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159 verweerder - vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 30 oktober 2019, ingeschreven op 30 oktober 2019,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 29 november 2019,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 december 2020.

1. Procedurele voorafgaanden

De betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsbericht met schuldnummer 500215510936, uitvoerbaar verklaard op 30 september 2019. De volgende bedragen worden gevorderd van eiseres:

32.260,94 euro btw

6.370,00 euro boete

te vermeerderen met interesten.

Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteiten van het leveren van managementprestaties enerzijds en van het fokken, opleiden en verkopen van paarden anderzijds. In 2018 vond een fiscale controle plaats voor de boekjaren 2015 en 2016. Er werd een correctie-opgave opgesteld dat eiseres gedeeltelijk voor akkoord tekende (stukken la en lc van verweerder). Er vond een tweede fiscale controle plaats en er werd een tweede correctie-opgave opgesteld (stuk 3a verweerder). Eiseres was met deze correctie-opgave niet akkoord. Op 9 september 2019 werd een proces-verbaal opgesteld. Op 27 september 2019 werd de vordering met schuldnummer 500215510936 opgenomen in het innings-en invorderingsregister.

Op 30 oktober 2019 wordt namens eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank ter betwisting van de vermelde btw-vordering.

2. De vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe het proces-verbaal opgesteld op 9 september 2019 te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren, de btw-vordering opgenomen in het innings­ en invorderingsregister onder schuldnummer 500215510936, uitvoerbaar verklaard op 30 september 2019, te vernietigen, te zeggen voor recht dat eiseres de middels voormeld proces­ verbaal en innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte aangerekende bedragen aan eiseres terug te betalen meer de moratoire interesten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding. Ter terechtzitting vordert eiseres een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding. In de niet te weerhouden veronderstelling dat de vordering van eiseres gegrond zou worden verklaard, verzoekt verweerder om de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 3.000,00 euro.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

4. Beoordeling

De betwisting tussen partijen betreft de volgende elementen:

de aftrek van btw op de aankoop van een bril en een luidspreker; de btw (21%) gevorderd op omzet t.b.v. 151.250,00 euro.

4.1. De aftrek van btw op de aankoop van een bril en een luidspreker

Artikel 45 W.BTW bepaalt de voorwaarden die vervuld dienen te zijn om het recht op aftrek uit te oefenen. De bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek ligt bij de belastingplichtige.

In casu verwerpt de administratie de btw op de aankoop van een bril (467,21 euro btw) en op de aankoop van een luidspreker Sonos {31,23 euro btw).

Volgens eiseres betreft het een bril met dubbel zicht en is deze noodzakelijk om werkzaamheden bij computerhandelingen te verrichten. Eiseres stelt dat er twee andere brillen privématig worden gebruikt. Wat betreft de aangekochte luidspreker stelt eiseres dat deze uitsluitend op kantoor wordt gebruikt voor het opvolgen van berichtgeving en gebruik bij videoconferenties. Volgens eiseres brengt verweerder geen tegenbewijs van enig privégebruik.

De rechtbank oordeelt dat het niet aan verweerder is om enig privégebruik aan te tonen maar dat het aan eiseres is om het beroepsmatig gebruik aan te tonen. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel bewijs voorlegt en zich beperkt tot loutere beweringen. De administratie heeft dan ook terecht de in aftrek genomen btw verworpen. Er is geen sprake van enige opportuniteitsbeoordeling door de administratie. De administratie mag de belastingplichtige verzoeken om het beroepsmatig gebruik aan te tonen, hetgeen eiseres in casu niet doet.

4.2. De btw m.b.t. de omzet van 151.250,00 euro

In het kader van de controle werd vastgesteld dat de opbrengstenrekening 702100, omzet 21% SAVEMA NV, een bedrag van 250.250,00 euro vermeldt in het boekjaar 2016 (stuk 6 van verweerder). Dit wordt niet betwist door eiseres. Na nazicht blijkt evenwel een verschil van 151.250,00 euro te bestaan tussen de opgestelde facturen aan SAVEMA NV en het bedrag vermeld in de opbrengstenrekening.

Eiseres stelt dienaangaande het volgende:

"Op 31.05.2014 werden de commissielonen geboekt bij die HMK verschuldigd was op verkopen die door bemiddeling (diensten) van Y. nv werden gerealiseerd. De opeisbaarheid van de btw ontstond 15 dagen na deze datum, zijnde 15.06.2014. HMK moest een creditnota maken voor dit bedrag verhoogd met btw. Zij liet na zulks te doen. De btw over deze creditnota (dienst) werd ook bij HMK niet in aftrek genomen in 2014 noch later. Zoals eerder werd geargumenteerd nam Y. deze omzet die ontstond in 05/14 later in haar omzet op, toen bleek dat de RC posities niet overeenkwamen. Hier werd ter goeder trouw een correctie doorgevoerd en op die manier de omzet bij Y. aangegeven. Algemeen was dit een levering van dienst tussen 2 belastingplichtigen en is er in totaliteit geen nadeel voor de overheid."

"De omzet waarvan sprake is omzet van het jaar 2014 die, zoals u opmerkt bij Y. in 2016 werd rechtgezet ter goeder trouw om de belastbare omzet aan te geven bij Y.. Gezien het hier om omzet van 2014 gaat, is de controletermijn verlopen. Dus de rechtzetting van 31. 762,50 EUR wordt niet aanvaard."

Eiseres stelt dat het bedrag van 151.250,00 euro een commissieloon betreft waarop eiseres recht had gelet op haar tussenkomst bij de bemiddeling van de verkoop van een onroerend goed en dat dit commissieloon verschuldigd was door HMK (HOLTRANS CVA). Volgens eiseres betrof dit omzet van 2014 en niet van 2016 en is er sprake van verjaring van de btw-vordering. Eiseres verwijst dienaangaande enkel naar een boekhoudkundig stuk van de vennootschap HMK, met verwijzing naar 'te ontvangen facturen' t.b.v. 151.250,00 euro (stuk 4 van eiseres).

Eiseres betwist niet dat er in haar boekhouding van 2014 geen melding wordt gemaakt van deze omzet t.b.v. 151.250,00 euro. Eiseres bevestigt dat zij bij de opmaak van de balans per 31 december 2016 in de vennootschapsbelasting een spontane rechtzetting heeft geregistreerd van 151.250,00 euro omzet, zonder boeking van enig btw-bedrag. Eiseres betwist niet dat het bedrag van 151.250,00 euro werd opgenomen in rekening 702100, omzet 21% SAVEMA NV, in boekjaar 2016.

Er ligt geen enkel stuk voor die de bewering van eiseres ondersteunt dat het belastbaar feit zou hebben plaatsgevonden in 2014 (vb. overeenkomst op basis waarvan enige commissieloon is verschuldigd, correspondentie, facturatie,...). Eiseres verwijst naar een creditnota die zou moeten opgesteld worden door de ontvanger van de factuur (HKM dan?), in de mate dat er al enige onderbouwing zou zijn voor het opstellen van een creditnota, is het de uitreiker van de factuur die deze moet opstellen. Het enige stuk dat eiseres voorlegt, betreft een boekhoudkundig stuk van een andere vennootschap, HKM HOLTRANS CVA, zonder enig onderliggend stuk en bewijst dan ook niets. Eiseres heeft trouwens in haar boekhouding in 2016 de omzet toegewezen aan een andere vennootschap, met name SAVEMA NV.

Het is niet aan eiseres om vrij te bepalen wanneer zij opbrengsten opneemt in haar boekhouding (en om te kiezen naar gelang het haar uitkomt aan wie deze omzet wordt toegerekend en om al dan niet facturen op te stellen) en zonder meer te beslissen om opbrengsten te verschuiven naar latere boekjaren om dan te stellen dat de vordering van de btw-administratie zou zijn verjaard. Het is evenmin aan eiseres om te stellen dat aangezien het een verrichting betreft tussen twee vennootschappen er dan geen btw zou dienen aangerekend te worden. Eiseres toont niet aan dat de vermelde omzet niet zou onderworpen zijn aan btw of zou onderworpen zijn aan een lager btw-tarief (integendeel de benaming van de opbrengstenrekening verwijst uitdrukkelijk naar 21%). Eiseres neemt het blijkbaar niet zo nauw met de op haar rustende boekhoudkundige en btw-verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat de administratie terecht de vermelde omzet t.b.v. 151.250,00 euro heeft weerhouden voor boekjaar 2016 en dit op basis van volgende vaststellingen:

- geen spoor van deze omzet in de boekhouding van 2014 van eiseres;

- geen bewijs dat deze omzet betrekking zou hebben op een belastbaar feit van 2014;

- de opname van deze omzet in de boekhouding van 2016 van eiseres.

De rechtbank oordeelt dat er dan ook geen sprake van enige verjaring is aangezien de vordering tijdig werd gesteld, met name vóór 31 december 2019 overeenkomstig artikel 81bis, §1 W.BTW.

De rechtbank oordeelt dat er geen schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is. Op geen enkel ogenblik is de administratie teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt. Integendeel, de administratie heeft steeds het standpunt ingenomen dat er btw verschuldigd was op de meeromzet van 151.250,00 euro en dat dit bedrag betrekking had op boekjaar 2016.

4.3. De geldboete

Eiseres stelt dat er sprake zou zijn van een principiële betwisting.

De rechtbank stelt vast dat eiseres nagelaten heeft zich in regel te stellen met de op haar rustende btw-verplichtingen en dat eiseres naar eigen goeddunken haar ontvangsten opneemt in haar boekhouding. Wat betreft de aftrek van btw, betreft het een beoordeling over het al dan niet voldoen aan de bewijslast bij toepassing van artikel 45 W.BTW. Er is aan de betwisting dan ook geen principieel karakter verbonden.

Door de administratie werd een proportionele geldboete opgelegd die door de btw­ administratie reeds werd herleid naar resp. 5% en 20% van de verschuldigde belasting. Er ligt dan ook geen reden voor om, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete, nog verder te herleiden. De opgelegde boetes zijn afdoende onderbouwd en volledig proportioneel met de inbreuken op de btw-wetgeving.

Dispositif

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op acht januari tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

Ondertekeningen

Textes cités

2
AR no 1 art. 182 occurrences
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8