Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.01.2021
WF 707-15-19/058348
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Omzet – Recht op aftrek – Boete – Principekwestie
Wettelijke bepalingen
Artikelen 45, §1, 53, §1, eerste lid, 2° en 3°, 53octies, §1, eerste lid en 81bis, §1, W.Btw
Art 18 - KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde
Art 1, §2, eerste lid - KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
Er vond een eerste controle plaats bij de belastingplichtige waarna deze zich gedeeltelijk akkoord verklaarde met de in een correctieopgave opgenomen inbreuken. Voor de afronding van de eerste controle werd er reeds een tweede controle opgestart bij de belastingplichtige naar aanleiding van de teruggave van een btw-tegoed. Wederom verklaarde de belastingplichtige zich niet akkoord met een aantal voorgestelde correcties. Aangezien er niet tot een akkoord kon worden gekomen werd er een proces-verbaal opgesteld waarin er inbreuken met betrekking tot de aangegeven omzet en het recht op aftrek werden opgenomen. Op basis van dit proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard en betekend. Tegenpartij legde een fiscaal verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen dit dwangbevel.
2) Het arrest van het hof van beroep
* Recht op aftrek
De rechter stelt vast dat de belastingplichtige er niet in slaagt om het beroepsgebruik van een bril en een luidspreker aan te tonen. Tegenpartij komt niet verder dan loutere beweringen. Voor het overige stelt de rechtbank dat het hier niet gaat om een opportuniteitsbeoordeling van de administratie en dat de administratie aan de belastingplichtige mag vragen om het beroepsgebruik aan te tonen.
* Omzet
Tijdens de controle werd vastgesteld dat de opbrengstenrekening een bedrag vermeldt van 250.250,00 EUR voor het boekjaar 2016. Er blijkt echter een verschil van 151.250,00 EUR tussen de opgestelde facturen en het bedrag dat werd vermeld in de opbrengstenrekening.
Tegenpartij beweert dat het gaat om omzet van 2014 en dat de btw-vordering bijgevolg verjaard zou zijn. Er werd echter geen melding gemaakt van deze omzet in de boekhouding van 2014. Er vond enkel een rechtzetting van de omzet plaats bij de opmaak van de balans op 31 december 2016 in de vennootschapsbelasting, zonder enige boeking van het btw-bedrag.
Er wordt door tegenpartij geen enkel stuk voorgelegd dat bewijst dat het belastbaar feit plaatsvond in 2014. Verder wees tegenpartij de omzet in haar boekhouding toe aan een andere vennootschap dan degene waarvoor zij een boekhoudkundig stuk bijbrengt.
De rechtbank wijst erop dat de belastingplichtige niet zelf kan bepalen wanneer zij opbrengsten opneemt in haar boekhouding. Daarnaast kan tegenpartij ook niet zelf beslissen of een handeling al dan niet onderworpen is aan de btw. Verder is de rechtbank van mening dat tegenpartij niet aantoont dat de omzet zou zijn vrijgesteld inzake btw of onderworpen aan een lager btw-tarief.
* Boete
In tegenstelling tot wat tegenpartij beweert, gaat het volgens de rechter in dit geval niet om een principiële betwisting. De rechtbank stelt vast dat tegenpartij heeft nagelaten ontvangsten tijdig in haar boekhouding op te nemen en haar btw-verplichtingen te vervullen. Voor wat het recht op aftrek betreft gaat het louter om het niet voldoen aan de bewijslast bij toepassing van artikel 45 WBTW.
Tenslotte stelt de rechtbank vast dat de boete afdoende is onderbouwd en proportioneel ten opzichte van de overtreding.
De rechtbank verklaart de volledige vordering van de belastingplichtige dan ook ontvankelijk maar ongegrond.
Opmerking
Tegenpartij berust in het vonnis
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil
Vonnis van 8 januari 2021
Rol: 19/4851/A
Inzake:
Y. NV met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 0427..., eiseres - vertegenwoordigd ter zitting door meester ... te ...,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159 verweerder - vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 30 oktober 2019, ingeschreven op 30 oktober 2019,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 29 november 2019,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 december 2020.
1. Procedurele voorafgaanden
De betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsbericht met schuldnummer 500215510936, uitvoerbaar verklaard op 30 september 2019. De volgende bedragen worden gevorderd van eiseres:
32.260,94 euro btw
6.370,00 euro boete
te vermeerderen met interesten.
Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteiten van het leveren van managementprestaties enerzijds en van het fokken, opleiden en verkopen van paarden anderzijds. In 2018 vond een fiscale controle plaats voor de boekjaren 2015 en 2016. Er werd een correctie-opgave opgesteld dat eiseres gedeeltelijk voor akkoord tekende (stukken la en lc van verweerder). Er vond een tweede fiscale controle plaats en er werd een tweede correctie-opgave opgesteld (stuk 3a verweerder). Eiseres was met deze correctie-opgave niet akkoord. Op 9 september 2019 werd een proces-verbaal opgesteld. Op 27 september 2019 werd de vordering met schuldnummer 500215510936 opgenomen in het innings-en invorderingsregister.
Op 30 oktober 2019 wordt namens eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank ter betwisting van de vermelde btw-vordering.
2. De vorderingen van partijen
De vordering van eiseres strekt ertoe het proces-verbaal opgesteld op 9 september 2019 te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren, de btw-vordering opgenomen in het innings en invorderingsregister onder schuldnummer 500215510936, uitvoerbaar verklaard op 30 september 2019, te vernietigen, te zeggen voor recht dat eiseres de middels voormeld proces verbaal en innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte aangerekende bedragen aan eiseres terug te betalen meer de moratoire interesten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding. Ter terechtzitting vordert eiseres een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro.
Verweerder verzoekt de rechtbank de vordering van eiseres ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding. In de niet te weerhouden veronderstelling dat de vordering van eiseres gegrond zou worden verklaard, verzoekt verweerder om de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 3.000,00 euro.
3. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De vordering van eiseres is ontvankelijk.
4. Beoordeling
De betwisting tussen partijen betreft de volgende elementen:
de aftrek van btw op de aankoop van een bril en een luidspreker; de btw (21%) gevorderd op omzet t.b.v. 151.250,00 euro.
4.1. De aftrek van btw op de aankoop van een bril en een luidspreker
Artikel 45 W.BTW bepaalt de voorwaarden die vervuld dienen te zijn om het recht op aftrek uit te oefenen. De bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek ligt bij de belastingplichtige.
In casu verwerpt de administratie de btw op de aankoop van een bril (467,21 euro btw) en op de aankoop van een luidspreker Sonos {31,23 euro btw).
Volgens eiseres betreft het een bril met dubbel zicht en is deze noodzakelijk om werkzaamheden bij computerhandelingen te verrichten. Eiseres stelt dat er twee andere brillen privématig worden gebruikt. Wat betreft de aangekochte luidspreker stelt eiseres dat deze uitsluitend op kantoor wordt gebruikt voor het opvolgen van berichtgeving en gebruik bij videoconferenties. Volgens eiseres brengt verweerder geen tegenbewijs van enig privégebruik.
De rechtbank oordeelt dat het niet aan verweerder is om enig privégebruik aan te tonen maar dat het aan eiseres is om het beroepsmatig gebruik aan te tonen. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel bewijs voorlegt en zich beperkt tot loutere beweringen. De administratie heeft dan ook terecht de in aftrek genomen btw verworpen. Er is geen sprake van enige opportuniteitsbeoordeling door de administratie. De administratie mag de belastingplichtige verzoeken om het beroepsmatig gebruik aan te tonen, hetgeen eiseres in casu niet doet.
4.2. De btw m.b.t. de omzet van 151.250,00 euro
In het kader van de controle werd vastgesteld dat de opbrengstenrekening 702100, omzet 21% SAVEMA NV, een bedrag van 250.250,00 euro vermeldt in het boekjaar 2016 (stuk 6 van verweerder). Dit wordt niet betwist door eiseres. Na nazicht blijkt evenwel een verschil van 151.250,00 euro te bestaan tussen de opgestelde facturen aan SAVEMA NV en het bedrag vermeld in de opbrengstenrekening.
Eiseres stelt dienaangaande het volgende:
"Op 31.05.2014 werden de commissielonen geboekt bij die HMK verschuldigd was op verkopen die door bemiddeling (diensten) van Y. nv werden gerealiseerd. De opeisbaarheid van de btw ontstond 15 dagen na deze datum, zijnde 15.06.2014. HMK moest een creditnota maken voor dit bedrag verhoogd met btw. Zij liet na zulks te doen. De btw over deze creditnota (dienst) werd ook bij HMK niet in aftrek genomen in 2014 noch later. Zoals eerder werd geargumenteerd nam Y. deze omzet die ontstond in 05/14 later in haar omzet op, toen bleek dat de RC posities niet overeenkwamen. Hier werd ter goeder trouw een correctie doorgevoerd en op die manier de omzet bij Y. aangegeven. Algemeen was dit een levering van dienst tussen 2 belastingplichtigen en is er in totaliteit geen nadeel voor de overheid."
"De omzet waarvan sprake is omzet van het jaar 2014 die, zoals u opmerkt bij Y. in 2016 werd rechtgezet ter goeder trouw om de belastbare omzet aan te geven bij Y.. Gezien het hier om omzet van 2014 gaat, is de controletermijn verlopen. Dus de rechtzetting van 31. 762,50 EUR wordt niet aanvaard."
Eiseres stelt dat het bedrag van 151.250,00 euro een commissieloon betreft waarop eiseres recht had gelet op haar tussenkomst bij de bemiddeling van de verkoop van een onroerend goed en dat dit commissieloon verschuldigd was door HMK (HOLTRANS CVA). Volgens eiseres betrof dit omzet van 2014 en niet van 2016 en is er sprake van verjaring van de btw-vordering. Eiseres verwijst dienaangaande enkel naar een boekhoudkundig stuk van de vennootschap HMK, met verwijzing naar 'te ontvangen facturen' t.b.v. 151.250,00 euro (stuk 4 van eiseres).
Eiseres betwist niet dat er in haar boekhouding van 2014 geen melding wordt gemaakt van deze omzet t.b.v. 151.250,00 euro. Eiseres bevestigt dat zij bij de opmaak van de balans per 31 december 2016 in de vennootschapsbelasting een spontane rechtzetting heeft geregistreerd van 151.250,00 euro omzet, zonder boeking van enig btw-bedrag. Eiseres betwist niet dat het bedrag van 151.250,00 euro werd opgenomen in rekening 702100, omzet 21% SAVEMA NV, in boekjaar 2016.
Er ligt geen enkel stuk voor die de bewering van eiseres ondersteunt dat het belastbaar feit zou hebben plaatsgevonden in 2014 (vb. overeenkomst op basis waarvan enige commissieloon is verschuldigd, correspondentie, facturatie,...). Eiseres verwijst naar een creditnota die zou moeten opgesteld worden door de ontvanger van de factuur (HKM dan?), in de mate dat er al enige onderbouwing zou zijn voor het opstellen van een creditnota, is het de uitreiker van de factuur die deze moet opstellen. Het enige stuk dat eiseres voorlegt, betreft een boekhoudkundig stuk van een andere vennootschap, HKM HOLTRANS CVA, zonder enig onderliggend stuk en bewijst dan ook niets. Eiseres heeft trouwens in haar boekhouding in 2016 de omzet toegewezen aan een andere vennootschap, met name SAVEMA NV.
Het is niet aan eiseres om vrij te bepalen wanneer zij opbrengsten opneemt in haar boekhouding (en om te kiezen naar gelang het haar uitkomt aan wie deze omzet wordt toegerekend en om al dan niet facturen op te stellen) en zonder meer te beslissen om opbrengsten te verschuiven naar latere boekjaren om dan te stellen dat de vordering van de btw-administratie zou zijn verjaard. Het is evenmin aan eiseres om te stellen dat aangezien het een verrichting betreft tussen twee vennootschappen er dan geen btw zou dienen aangerekend te worden. Eiseres toont niet aan dat de vermelde omzet niet zou onderworpen zijn aan btw of zou onderworpen zijn aan een lager btw-tarief (integendeel de benaming van de opbrengstenrekening verwijst uitdrukkelijk naar 21%). Eiseres neemt het blijkbaar niet zo nauw met de op haar rustende boekhoudkundige en btw-verplichtingen.
De rechtbank oordeelt dat de administratie terecht de vermelde omzet t.b.v. 151.250,00 euro heeft weerhouden voor boekjaar 2016 en dit op basis van volgende vaststellingen:
- geen spoor van deze omzet in de boekhouding van 2014 van eiseres;
- geen bewijs dat deze omzet betrekking zou hebben op een belastbaar feit van 2014;
- de opname van deze omzet in de boekhouding van 2016 van eiseres.
De rechtbank oordeelt dat er dan ook geen sprake van enige verjaring is aangezien de vordering tijdig werd gesteld, met name vóór 31 december 2019 overeenkomstig artikel 81bis, §1 W.BTW.
De rechtbank oordeelt dat er geen schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is. Op geen enkel ogenblik is de administratie teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt. Integendeel, de administratie heeft steeds het standpunt ingenomen dat er btw verschuldigd was op de meeromzet van 151.250,00 euro en dat dit bedrag betrekking had op boekjaar 2016.
4.3. De geldboete
Eiseres stelt dat er sprake zou zijn van een principiële betwisting.
De rechtbank stelt vast dat eiseres nagelaten heeft zich in regel te stellen met de op haar rustende btw-verplichtingen en dat eiseres naar eigen goeddunken haar ontvangsten opneemt in haar boekhouding. Wat betreft de aftrek van btw, betreft het een beoordeling over het al dan niet voldoen aan de bewijslast bij toepassing van artikel 45 W.BTW. Er is aan de betwisting dan ook geen principieel karakter verbonden.
Door de administratie werd een proportionele geldboete opgelegd die door de btw administratie reeds werd herleid naar resp. 5% en 20% van de verschuldigde belasting. Er ligt dan ook geen reden voor om, de alreeds tevoren substantieel herleide administratieve boete, nog verder te herleiden. De opgelegde boetes zijn afdoende onderbouwd en volledig proportioneel met de inbreuken op de btw-wetgeving.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de rechtsvordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op acht januari tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.