Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Limbourg, section Hasselt du 06.11.2025
WF 711-15-23/022746 - Finaliti 2874920501
[ Jugement favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes proportionnelles – Remise ou réduction – Sursis à l’exécution de l’amende
Dispositions légales
Art. 70, §1 CTVA, art. 84 CTVA, art. 6 CEDH
Résumé du jugement
1. Faits
La requérante est enregistrée en tant qu'assujettie à la TVA pour son activité principale de « développement de projets de construction non résidentiels ».
La requérante a fait l'objet d'un contrôle TVA pour la période allant du 1er avril 2022 au 30 juin 2022, limité aux factures de vente non comptabilisées. Les infractions constatées ont été consignées dans un relevé de régularisation qui a été signé par la requérante pour accord le 1er août 2022.
Conformément à l'article 70, §1 du Code de la TVA et à l'annexe à l'arrêté royal n° 41, tableau G, première section, V, une amende de 49.760,00 EUR a été infligée pour le non-enregistrement de factures de vente. Le 12 septembre 2022, un avis de paiement a été envoyé et la dette fiscale a été inscrite sous le numéro CTRI 500.260.011.001.
Le 4 octobre 2022, la requérante a introduit une demande de remise ou de réduction de l'amende, qui a été rejetée par décision administrative du 20 juillet 2023. Par requête du 19 septembre 2023, la requérante a introduit un recours en justice.
2. La décision
La requérante demande la remise, ou à tout le moins la réduction, de l'amende infligée. Le non-respect de ses obligations fiscales relatives aux factures de vente pendant la période contrôlée n'est pas contesté.
En vertu de l'article 70, §1, premier alinéa, CTVA, toute infraction à l'obligation d’acquitter la taxe est punie d'une amende égale au double de la taxe éludée ou payée tardivement. En vertu de l'article 84, troisième alinéa, CTVA, le montant des amendes fiscales proportionnelles est déterminé, dans les limites prévues par la loi, selon un barème dont les échelons sont fixés par le Roi. L'amende proportionnelle a été légalement infligée.
Les amendes administratives sont dues de plein droit, indépendamment de la bonne ou mauvaise foi du contrevenant ou d'une erreur de droit de sa part. La négligence éventuelle du comptable ne peut pas être invoquée comme cause de force majeure, car l'assujetti est responsable du mandataire qu'il a choisi.
Il n'y a pas de contestation sur le principe selon lequel les sanctions administratives fiscales peuvent, sous certaines conditions, être considérées comme des sanctions pénales au sens de l'article 6 de la CEDH. Il en résulte que les garanties de l'article 6 de la CEDH s'appliquent, telles que le droit d'accès à une juridiction compétente pour se prononcer dans le cadre d’un contrôle de pleine juridiction.
La Cour de cassation (arrêt du 24 mars 2023, F.21.0056.N) a confirmé que l'exercice du droit de contrôle, que le juge tire de l'article 6.1. CEDH, n'est pas subordonné à la condition que le contrevenant ait préalablement introduit une demande de remise ou de réduction de l'amende infligée auprès du ministre des Finances ou de son délégué, sur la base de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831. La proportionnalité de l'amende peut donc être contrôlée. La requérante ne motive pas concrètement pourquoi l'amende infligée est disproportionnée. Il n'y a donc aucune raison de réduire davantage cette amende ou de l'annuler.
En outre, le principe du contrôle de pleine juridiction selon la Cour de cassation (arrêt du 25 avril 2025, F.22.0162. N) ne signifie pas que le juge peut réduire l'amende administrative à un montant inférieur au minimum légal ou au montant fixe imposé par la loi ; en effet, l'exigence selon laquelle le juge doit pouvoir exercer un contrôle de pleine juridiction de l'amende administrative, est remplie si tout ce qui relève du pouvoir d'appréciation de l'Administration peut être contrôlé par le juge.
En ce qui concerne le sursis à l'exécution, l'inconstitutionnalité de l'article 70 CTVA n'empêche pas le juge d'appliquer cette disposition lorsqu'il constate que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné par rapport à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait aucune raison d'accorder un sursis, même si la loi prévoyait cette mesure. En l’espèce, il n’y aurait pas lieu d’octroyer un sursis.
Texte intégral :
Le jugement est publié uniquement dans la langue original.
Corps de la décision
Vonnis rechtbank eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt dd. 6.11.2025 - 23/1657/A
IN ZAKE AR nr. 23/1657/A
X., KBO …, met zetel te …
Eiseres, vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER ELINE loco mr. VAN DEN KEYBUS HILDE, advocaat te…
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.
Verweerder, tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde K.S., attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt
VOLGT HET VONNIS
Gelet op:
het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van 19.09.2023;
de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 26.10.2023; - de syntheseconclusies en stukken van verweerder;
de conclusie en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres is sedert 06.09.2021 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE… voor de hoofdactiviteit van "ontwikkeling van niet-residentiële bouwprojecten". De maatschappelijke zetel van eiseres is gelegen te 3500 Hasselt, Pastorijstraat 11.
Eiseres is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
De BTW-administratie heeft bij eiseres op 23.08.2022 een controle doorgevoerd m.b.t. de periode 01.04.2022 t.e.m. 30.06.2022 en heeft zich beperkt tot de niet-opgenomen verkoopfacturen.
Tijdens deze BTW-controle werden door de administratie inbreuken vastgesteld tegen de BTW-wetgeving. De vastgestelde overtredingen werden opgenomen en rechtgezet in een correctieopgave die door de gevolmachtigde van eiseres voor akkoord werd ondertekend op 31.08.2022.
Overeenkomstig art. 70, §1 WBTW en de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van de BTW, tabel G, eerste afdeling, V, werd een verschuldigde geldboete van 49.761,50 euro, afgerond naar 49.760,00 euro opgelegd wegens het niet inschrijven van verkoopfacturen.
Op 12.09.2022 werd een betaalbericht verzonden waarbij de hierna volgende bedragen verschuldigd zijn:
248.807,52 euro BTW;
49.760,00 euro proportionele geldboete overeenkomstig art. 70, §1 WBTW;
3.980,80 euro aan intresten overeenkomstig art. 91, § 1 WBTW.
De fiscale schuld werd opgenomen onder het RCIV-nr. 500.260.011.001.
Op 04.10.2022 werd door de gevolmachtigde van eiseres een verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete ingediend bij de administratie; hetgeen werd afgewezen bij administratieve beslissing van 20.07.2023.
Bij verzoekschrift van 19.09.2023 heeft eiseres een vordering in rechte ingesteld bij deze rechtbank.
Il. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
2. Ten gronde:
1.Eiseres streeft de kwijtschelding, minstens de vermindering of matiging van de opgelegde geldboete na.
2.Het niet nakomen van haar fiscale verplichtingen i.v.m. de verkoopfacturen in de periode 01.04.2022 t.e.m. 30.06.2022 wordt op zich niet betwist door eiseres.
3.Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84, derde lid W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
De proportionele geldboete werd rechtsgeldig opgelegd.
4.Vooreerst houdt eiseres voor zij de verkoopfacturen tijdig heeft overgemaakt aan haar boekhoudkantoor dat verantwoordelijk is voor de BTW-aangiftes en om de facturen op te nemen in de BTW-aangifte maar door gebruik te maken van een e-mail adres van het kantoor Meekers/Moore, dat enkel bestemd was om uitgaande facturen te verzenden en niet om binnenkomende e-mails te ontvangen, werden deze facturen niet ontvangen door het boekhoudkantoor waar zij beroep op deed.
Eiseres stelt dat dit niet aan haar kan verweten worden. Ze heeft volledig te goeder trouw gehandeld en was ervan overtuigd dat zij de facturen had overgemaakt aan het boekhoudkantoor.
De administratieve boetes zijn van rechtswege verschuldigd ongeacht de goede of kwade trouw van de overtreder of van een rechtsdwaling zijnentwege.
Ook de bewering i.v.m. het foutieve e-mailadres van het boekhoudkantoor kan niet als overmacht worden beschouwd.
De eventuele nalatigheid van de boekhouder kan niet als overmacht worden ingeroepen door daar de belastingplichtige verantwoordelijk is voor de door hem gekozen mandataris (zie Gent, 26 april 2000, Fiscoloog, 756, 9; Antwerpen, 25 juni 1990, Bull. 704, blz. 871).
Deze grief is dan ook ongegrond.
5.Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin
van artikel 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, Ôzturk/Duitsland).
Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat de administratieve boete een strafsanctie kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM.
Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen, gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service, TFR, 2004, nr. 264, p.636, met noot B. Coopman, Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr. 22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002).
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N).
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.
Het Hof van Cassatie heeft bij arrest van 24 maart 2023 (F.21.0056.N) de principes die het toetsingsrecht van de rechter beheersen duidelijk gesteld:
"De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van art. 70, § 1 BTW-Wetboek te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interen recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginsel.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen".
Tevens bevestigde het Hof van Cassatie dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in art. 6.1 EVRM, niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete heeft ingediend.
De evenredigheid van de boete kan derhalve getoetst worden.
In onderhavig geval stelt de rechtbank vast dat de administratieve boete 49.760,00 euro bedraagt.
De rechtbank kan niet op basis van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige en om loutere redenen van opportuniteit de boete kwijtschelden of verminderen.
Eiser motiveert niet in concreto waarom de opgelegde boete onevenredig is. Er worden geen redenen weergegeven die de rechtbank toelaat vast te stellen dat er een onevenredige boete werd opgelegd. Er worden bijv geen stukken over de financiële toestand van eiseres bijgebracht, noch wordt er gemotiveerd dat deze boete niet kan betaald worden (er worden geen stukken m.b.t. de financiële toestand van eiseres bijgebracht).
Gelet op het voorgaande toont eiser niet aan dat de boete onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuken.
Er is dan ook geen reden om deze boete verder te verminderen of kwijt te schelden.
Bovendien is het Hof van Cassie van oordeel dat het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, niet inhoudt dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief; aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst. (Art. 70, § 1 Btw-wetboek) (Cass., 25.04.2025, F.22.0162.N, RW, 2024-25, afl. 42, 1717-1726,74).
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
6. Ook verzoekt eiseres om ten minste uitstel van de tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen.
Het is wel zo dat in zoverre artikel 70 WBTW aan de rechtbank niet toelaat om een uitstel te verlenen, het in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet (vergelijk GwH 21 februari 2013, 13/2013 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020).
Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om artikel 70 WBTW toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vergelijk GwH 21 februari 2013, nr. 13/2013; GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020; Cass. 20 juni 2013 F.11.0007.F en Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F en vergelijk ook i.v.m. de inkomstenbelasting Cass. 13 november 2015, F.14.0119.F).
Er blijkt niet dat er een reden is om aan eiseres uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
Eiseres werd in het ongelijk gesteld zodat zij de kosten dient te dragen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding begroot in hoofde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding en 24,00 euro bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 6 november 2025 alwaar zetelden:
Mevrouw M. COENEGRACHTS, alleenzetelend rechter,
Mevrouw G. BRUSSELAERS, griffier.
Note du SPF Finances
Référence WF
WF 711-15-23/022746 - Finaliti 2874920501
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.