Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel de Gand du 18.06.2024 - Rôle 2023/AR/260
WF 502-15-21/014245
[Défavorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – amende proportionnelle- mécanisme international de TVA - réduction partielle de l’amende
Dispositions légales
Résumé
Lorsqu’il est soutenu que le juge devrait avoir le pouvoir de remettre des amendes pour des raisons purement d’opportunité, au motif que le ministre des Finances dispose également de cette compétence en vertu de l’article 9 de l’arrêté du Régent du 18 mars 1831, l’appelante omet que le droit de grâce du ministre constitue une mesure de faveur, entièrement discrétionnaire par nature.
Le contrôle exercé par le juge, tel que décrit ci-dessus, n’implique nullement que celui-ci puisse se substituer au ministre ou à son délégué. L’essentiel est que la Cour examine la sanction imposée à la lumière du principe de proportionnalité, sans pour autant envisager une réduction ou une remise sur la base de considérations purement opportunes.
Après avoir été informée qu’elle avait indûment acquitté la TVA néerlandaise sur ses ventes à distance vers la Belgique, l’appelante a décidé de ne plus verser cette TVA aux Pays-Bas, sans toutefois régulariser sa situation au regard de la TVA belge. La Cour souligne que l’initiative de se conformer correctement à ses obligations en matière de TVA en Belgique et de verser la TVA due au Trésor belge incombe à l’appelante elle-même.
À juste titre, l’intimée fait valoir que, s’agissant de l’amende proportionnelle, la bonne foi de l’appelante a déjà été prise en compte, puisqu’une amende réduite de 20 % a été appliquée au lieu de l’amende maximale de 200 %. Elle soutient également, à bon droit, que la collaboration de l’appelante dans la communication de ses chiffres ne justifie pas une réduction d’amende, dès lors qu’il ne s’agit que d’une obligation légale.
La Cour ajoute que le paiement tardif de la TVA perturbe le mécanisme international de la TVA, dans lequel l’assujetti agit en tant que percepteur de la taxe. Le rôle particulier et la responsabilité de l’assujetti à la TVA, chargé de la perception et de la restitution de la taxe, justifient une rigueur accrue en matière de politique de sanction en cas de non-respect du système, comme c’est le cas en l’espèce.
Compte tenu de l’objectif général d’une politique de sanction — à savoir compenser (y compris socialement), punir le comportement répréhensible et dissuader suffisamment pour éviter toute récidive — d’une part, et de l’importance des amendes infligées, d’autre part, il y a lieu, en l’espèce, de réduire l’amende, mais non de l’annuler ou de l’effacer.
Vu la nature, la gravité et l’ampleur des infractions constatées, seule une sanction effective est pertinente. Une décision imposant une amende avec sursis irait à l’encontre de l’objectif précité de la sanction, qui vise à compenser — notamment en indemnisant la perte d’énergie humaine et de ressources financières mobilisées par l’administration fiscale au profit de la collectivité pour détecter la fraude et les déclarations inexactes —, à punir et à dissuader toute récidive. Il n’existe aucun motif justifiant l’octroi d’un sursis, même si la loi le permettait.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het hof van beroep Gent d.d. 18.06.2024
Rolnr. 2023/AR/260
2023/AR/260 - In de zaak van:
X... BV, ON X...,
met zetel te X...
appellante,
hebbende als raadsman mr. X..., advocaat te 3600 GENK, X...
tegen
BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering - Team Bijzondere InvorderIng Gent, met kantoren te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 107, en
Algemene Administratie Bijzondere Belasting Inspectie, Gewestelijke Directie Brussel, met kantoren te 1030 BRUSSEL, Koning Albert Il laan 33 bus 49,
geïntimeerde, vertegenwoordigd door X..., attaché wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 9 februari 2023 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 15 september 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/435/A. Dit vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23 december 2022 aan de appellante overgemaakt overeenkomstig artikel 40 Ger.W., maar uit de stukken blijkt niet wanneer het op de maatschappelijke zetel van de appellante werd aangeboden. Hierover bevraagd ter terechtzitting, betwistten de partijen de tijdigheid van het hoger beroep niet.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 mei 2024, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is een onderneming naar Nederlands recht die gebruik maakt van internetverkoopplatformen (bol.com en een eigen website) om goederen, met name parfums en cosmetica, te verkopen. Zij is steeds in Nederland geregistreerd geweest als btw-plichtige.
Uit gegevensuitwisseling met haar Nederlandse zusteradministratie leerde de geïntimeerde (dienst BBI) ln de loop van 2018 dat de appellante in de periode van 1 Januari 2014 tot en met 30 mei 2018 jaarlijks verkopen op afstand naar België realiseerde, met overschrijding van het drempelbedrag van 35.000,00 EUR (exclusief btw). In totaal werd in die periode een omzet van 2.168.164,73 EUR aan afstandsverkopen naar België verwezenlijkt.
Op 18 september 2019 diende de appellante een aanvraag in bij de Belgische belastingadministratie om zich in België te laten identificeren voor btw-doeleinden voor haar afstandsverkopen naar België. Met het oog op de afhandeling van deze aanvraag verzocht de administratie (dienst Centrum Buitenland) bij e-mail van 7 oktober 2019 aan de appellante om haar een recent bewijs van belastbare activiteiten in België te bezorgen. Deze e-mail bleef onbeantwoord.
Op 2 maart 2020 richtte de geïntimeerde een vraag om inlichtingen aan de appellante, waarbij gevraagd werd om de gegevens te bezorgen met betrekking tot de afstandsverkopen naar België voor de periode van 31 mei 2018 tot en met 31 december 2019. De appellante bezorgde bij e-mail van 26 maart 2020 de gevraagde informatie.
Begin maart 2020 werd tevens, met ingang van 1 maart 2020, het Belgische btw-nummer van de appellante geactiveerd. De appellante diende vanaf het 1ste kwartaal 2020 in België periodieke btw-aangiftes in, met vermelding van haar afstandsverkopen naar België.
Op 10 november 2020 heeft de geïntimeerde een proces-verbaal opgemaakt. Daarin staan de bovenstaande gegevens vermeld en werd de inbreuk inzake het overschrijden van de drempel bij afstandsverkopen voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019 opgetekend. Volgende verschuldigdheden werden in aanmerking genomen:
o 959.631,42 EUR als btw verschuldigd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019;
o 191.926,28 EUR als proportionele geldboete van 20%, opgelegd met verwijzing naar artikel 70, §1 WBTW en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, juncto tabel G van de bijlage bij dit KB; 39.500,00 EUR als niet-proportionele geldboeten, met verwijzing naar artikel 70, §4 WBTW en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, juncto de schaal in bijlage bij dit KB, uitgesplitst als volgt:
o 500,00 EUR wegens het laattijdig indienen van de aangifte van aanvang van de activiteit;
o 21.000,00 EUR als niet-proportionele geldboeten wegens het niet-indienen van 21 kwartaalaangiftes (1.000,00 EUR per niet-aangifte; 1x in 2014 en telkens 4x In de vijf daaropvolgende jaren);
o 18.000,00 EUR als niet-proportionele geldboeten wegens het niet-indienen van 6 jaarlijkse klantenlistings (3.000,00 EUR per niet-aangifte);
nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2020.
o Bij aangetekend schrijven van 13 november 2020 werd het proces-verbaal ter kennis gebracht van de appellante.
Op 22 december 2020 richtte de appellante, met verwijzing naar het voormelde proces¬verbaal, een verzoek aan de belastingadministratie (dienst BBI) om de opgelegde geldboeten te verminderen tot 25.000,00 EUR. De verschuldigde btw betwistte zij uitdrukkelijk niet, waarbij zij aangaf bij vergissing de verschuldigde btw afgedragen te hebben in Nederland in plaats van in België. Zij wees erop dat de Nederlandse btw-administratie bereid was om de in Nederland betaalde btw (meer dan 500.000 euro) over te dragen aan België en dat het saldo van de verschuldigde btw inmiddels rechtstreeks betaald was. Zij betoogde dat de opgelegde geldboete om verschillende redenen en rekening houdend met de feitelijke omstandigheden, niet in verhouding stond tot de begane inbreuk en benadrukte dat zij zich aanvankelijk niet bewust was geweest van de overtreding en het nodige deed om zich in regel te stellen. Tevens verzocht zij om vermindering van de aangerekende interesten.
Bij schrijven van 20 januari 2021 liet de belastingadministratie aan de appellante weten dat, ten uitzonderlijke titel een kwijtschelding werd toegestaan van de niet-proportionele geldboete ten belope van 39.000,00 EUR, op voorwaarde van volledige betaling van de verschuldigde btw, resterende boeten en interesten binnen de termijn vastgesteld door de ontvanger, dit op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Een niet-proportionele geldboete van 500,00 EUR en de proportionele geldboete van 20% werden. gehandhaafd.
Met een verzoekschrift van 17 februari 2021 maakte de appellante haar vordering aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 15 september 2022 heeft de zesde kamer van deze rechtbank als volgt uitspraak gedaan:
De vordering van de eiseres is ontvankelijk en gegrond als volgt:
De vordering tot nietigverklaring van de beslissing van de adviseur-generaal van 20 januari 2021 is niet toelaatbaar.
Voor recht wordt gezegd dat de boete opgelegd in het proces-verbaal van 10 november 2020 verminderd dient te worden met 50.620,00 EUR.
De verweerder dient alle sommen die op grond van deze taxatie ten onrechte zouden zijn geïnd, verhoogd met moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 W!B'92, terug te betalen aan de eiseres.
De eiseres wordt veroordeeld tot 314e en de verweerder tot 114e van de gedingkosten, die als volgt worden begroot:
in hoofde van de eiseres:
· 9.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding
· 20,00 euro bijdrage begrotingsfonds
ln hoofde van de verweerder:
nihil
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld. De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het ingestelde hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dientengevolge,
De bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke
vordering toe te wijzen,
De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
· Dienvolgens de boeten opgelegd in het proces-verbaal dd. 10.11.2020 kwijt te schelden, minstens deze te herleiden tot een evenredig bedrag, en het innings-en invorderingsbericht BTW met kohierartikelnummer 500/2338/07358 van 04/01/2021 nietig te verklaren;
· Minstens vast te stellen dat er redenen zijn om de boeten opgelegd in het proces-verbaal dd. 10.11.2020 met uitstel uit te spreken, en nu de wet dit niet toelaat, te oordelen dat art. 70 WBTW ongrondwettelijk is en niet kan worden toegepast;
· De terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd, verhoogd met de wettelijke interesten;
· de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding overeenkomstig art. 1022 Ger. W. begroot op een bedrag van 9.100,00 € en de bijdrage Begrotingsfonds tweedelijnsbijstand ten bedrage van 20 €.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het door de appellante bij verzoekschrift ingestelde hoger beroep d.d. 9 februari 2023 ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;
Het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijke gegrond te verklaren; Dienvolgens het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 15 september 2022 (21/435/A) gedeeltelijk te vernietigen in zoverre het de vordering van eiseres (appellante in hoger beroep) gegrond verklaarde en opnieuw rechtdoende, het proces-verbaal van 10 november 2020 en de opnam van de schuld in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500233807358, dat uitvoerbaar verklaard werd op 30 december 2020, integraal te willen bevestigen. Appellante bovendien te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
4. De betwistingen en de beoordeling ervan
4.1. De appellante heeft, in strijd met de artikelen 15, §1, 16, §1, 51, §1, 1°, 53, §1-2 en 53quinquies WBTW, voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019 de drempel van 35.000,00 EUR voor afstandsverkopen naar België overschreden, zonder zich voor btw-doeleinden te identificeren in België en zonder over haar leveringen naar België de Belgische btw aan te rekenen, aan te geven of af te dragen aan de Belgische Staat. De overtreding begaan door de appellante is manifest en wordt niet betwist.
Krachtens artikel 70, §1 WBTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid WBTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Deze schaal wordt uitgewerkt in het hogergenoemde KB nr. 41. Krachtens artikel 70, §4 WBTW worden de niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning warden vastgesteld. Deze schaal wordt uitgewerkt in het hogergenoemde KB nr. 44.
Aan de appellante werd, met toepassing van de voormelde bepalingen en tariefschalen een proportionele geldboete opgelegd van 191.926,28 EUR op grond van artikel 70, §1 WBTW en niet-proportionele geldboeten van 500,00 EUR op grond van artikel 70, §4 WBTW. Het wordt niet betwist dat de geldboeten opgelegd werden in overeenstemming met de genoemde reglementaire bepalingen. Het loutere feit van de overtredingen volstaat om de geldboeten op te leggen. Ze zijn van rechtswege verschuldigd, ongeacht de intenties van de belastingplichtige.
4.2. Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen beschikt de minister op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter. Het betreft een gunstmaatregel van de uitvoerende macht waardoor het fiscaal bestuur afziet van de uitvoering van de opgelegde belastingverhoging en van de erop verschuldigde interesten (Cass. 24 juni 2005, C.02.0433.N, via https://juportal.be). Deze gunst kan ingegeven zijn door motieven van evenredigheid, maar ook door motieven van billijkheid of opportuniteit, wars van de tariefschalen opgenomen in de voornoemde KB's nr. 41 en nr. 43. Dat de administratie in haar beoordeling van het genadeverzoek een gebonden bevoegdheid zou uitoefenen, zoals de geïntimeerde in conclusies voorhoudt, kan bijgevolg niet aangenomen worden.
In het schrijven van 13 november 2020 waarmee zij het proces-verbaal van 10 november 2020 aan de appellante ter kennis bracht, verwijst de belastingadministratie naar verschillende verhaalsmiddelen tegen het proces-verbaal. Onder meer wordt de mogelijkheid omschreven om bij de bevoegde ambtenaar/dienst een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete in te dienen op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Waar de appellante haar verzoek van 22 december 2020 tot vermindering van de opgelegde geldboete richtte aan de aangeduide administratie, waar de administratie haar antwoord van 20 januari 2021 op dit verzoek uitdrukkelijk kaderde binnen artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 en waar de partijen noch in besluiten noch tijdens de openbare terechtzitting van 21 mei 2024 betwisting voeren over dit rechtskader, kan aangenomen worden dat het verzoek van de appellante van 22 december 2020 effectief een genadeverzoek in de zin van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 betreft en niet de aanvang van een fiscaal geschil op grand van artikel 84 WBTW.
4.3. Het Grondwettelijk Hof heeft zich in zijn arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 uitgesproken over de draagwijdte van de rechtsmacht van de rechter bij wie een beroep is ingesteld tegen de discretionaire beslissing van de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831. Het Hof oordeelde dat "(het] aan de wetgever [staat] te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een overtreding inzonderheid het algemeen belang schaadt" maar dat "indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie aan te passen, (...] niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter (mag] kunnen ontsnappen. Hieruit volgt dat artikel 70 van het BTW-Wetboek niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter niet toestaat met volle rechtsmacht toezicht uit te oefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboere. Dat toezicht moet het de rechter mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 heeft genomen, moet die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete kunnen kwijtschelden of verminderen." De rechter moet dus een bevoegdheid met volle rechtsmacht kunnen uitoefenen die hem in staat stelt om op de hierboven omschreven wijze toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt.
Tot slot kan erop gewezen worden dat de gerechtelijke rechtscolleges kennisnemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet (artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W.), daarin begrepen de betwistingen over de verschuldigdheid van de aanslag of de heffing zelf, maar ook de betwistingen naar aanleiding van andere individuele fiscale rechtshandelingen v66r of na de vestiging van de belasting (onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter voor vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging) (vgl. Cass. 5 mei 2017, F.15.0181.N, via https://iuportal.be). Dit geldt zelfs wanneer het fiscaal bestuur over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt (vgl. RvSt. 22 november 2023, arrest nr. 257.969, via https://iuportal.be). Het hof is dan ook, als natuurlijke beroepsrechter inzake fiscale geschillen, bevoegd om kennis te nemen van een geschil betreffende de toepassing van administratieve geldboete, zelfs nu dit een discretionaire beslissing inzake het milderen of kwijtschelden ervan betreft, en daarbij de hierboven omschreven toetsing uit te voeren.
4.4. Blijkens de beslissing van 20 januari 2021 besliste de adviseur om de opgelegde niet-proportionele geldboete ten uitzonderlijke titel kwijt te schelden op 500,00 EUR na, rekening houdend met de verleende medewerking in het fiscaal onderzoek en de bijzondere omstandigheden ingeroepen door de raadsman van de appellante. Daarbij werd gesteld dat de vermindering/kwijtschelding pas definitief verworven zou zijn bij volledige betaling van de verschuldigde btw, resterende boeten en interesten binnen de termijn vastgesteld door de ontvanger.
De beslissing van 20 januari 2021 voldoet aan het voorschrift van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 en wordt zowel in feite als in rechte gemotiveerd. Over de motivering ervan worden door de appellante als dusdanig geen grieven geformuleerd.
4.5. De appellante verzoekt het hof de haar opgelegde administratieve sanctie te onderwerpen aan een redelijkheidstoets, rekening houdend met de door haar aangebrachte feitelijke elementen zoals die naar voor komen uit haar fiscaal dossier.
Het past in de eerste plaats erop te wijzen dat de in artikel 70 Btw-wetboek bedoelde fiscale geldboeten een repressief karakter hebben in de zin van artikel 6.1 EVRM. Deze geldboeten hebben immers tot doel inbreuken door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boeten blijkt dat deze geen vergoedende functie hebben, maar in wezen ertoe strekken te straffen en herhaling te voorkomen van inbreuken die de niet-betaling van de verschuldigde btw en het verstoren van de vlotte werking van het overheidsapparaat sanctioneren. De belastingplichtige die vooraf de sanctie die hij riskeert op te lopen kent, wordt ertoe aangezet zijn verplichtingen na te komen. Ten deze is het toegepaste boetepercentage inzake de proportionele geldboete, zowel procentueel (20% van de verschuldigde belasting) als in absolute cijfers (191.926,28 EUR) aanzienlijk. Waar de geïntimeerde het tegendeel voorhoudt, kan hij niet gevolgd worden.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek te toetsen, moet nagaan of de door de administratie genomen beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (vgl. GwH arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008). In het bijzonder mag de rechter nagaan of de sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige. omvang. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, alsook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, via https://iuportal.be). Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een louter subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie onder meer Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N, consulteerbaar via https://juportal.be).
Waar de appellante voorhoudt dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om boetes kwijt te schelden om loutere redenen van opportuniteit omdat ook de minister van financiën die bevoegdheid heeft op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, gaat zij eraan voorbij dat het genaderecht van de minister een gunstmaatregel betreft die volkomen discretionair van aard is. Het toezicht dat de rechter daarover voert op de hogerop omschreven wijze houdt niet ln dat de rechter zich in de plaats mag stellen van de minister of diens aangestelde. Kern van de zaak is dat het hof de opgelegde sanctie toetst aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te overwegen op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.
4.6. Wat betreft de gevraagde evenredigheidstoets, voert de appellante aan dat de opgelegde geldboeten niet in verhouding staan tot de door haar begane inbreuk. Zij benadrukt in dat verband haar goede trouw en wijst op het feit dat: zij zich er niet bewust van was dat zij een inbreuk pleegde op de regels inzake de afstandsverkopen;
zij de btw afdroeg in Nederland;
zij zich pas bewust werd van haar vergissing na een controle van de Nederlandse btw-administratie (op basis van de vraag om inlichtingen van de Belgische administratie);
zij de gevraagde inlichtingen verstrekt heeft in Nederland en het nodige deed om zich in België te laten registreren voor de btw, door in september 2019 een aanvraag voor een Belgisch btw-nummer in te dienen;
zij prompt reageerde op de vraag om inlichtingen van 2 maart 2020, door de gevraagde gegevens over te maken op 26 maart 2020;
zij de verschuldigde btw niet betwist;
de schade die de Belgische Staat geleden zou hebben, gecompenseerd werd door het betalen van nalatigheidsinteresten ten bedrage van 108.890 euro.
Behoudens het laatste argument — de nalatigheidsinteresten werden immers pas betaald ter gelegenheid van het aanvatten van deze beroepsprocedure — werden al deze argumenten ook door de appellante opgeworpen in het genadeverzoek van 22 december 2021. Het was op basis van die argumenten en de verleende medewerking in het fiscaal onderzoek dat een gedeeltelijke kwijtschelding van de boeten toegestaan werd.
Uit de stukken van het dossier blijkt dat de appellante gedurende 6 volledige boekjaren (2014-2019) het reglementaire kader inzake verkopen op afstand verkeerd toegepast heeft en de Belgische btw aangegeven noch afgedragen heeft, waarbij zij zich evenmin liet identificeren voor Belgische btw-doeleinden en geen enkele aangifteverplichting in België nakwam.
Niettegenstaande de geïntimeerde niet zonder reden voorhoudt dat de wet voorzienbaar is en dat elke belastingplichtige geacht wordt zijn fiscale verplichtingen te kennen, kan met de appellante aangenomen worden dat zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 mei 2018 deze inbreuken onbewust en ongewild heeft gepleegd en te goeder trouw handelde. Dit wordt in wezen door de geïntimeerde ook niet betwist, vermits het blijkens de administratieve beslissing van 20 januari 2021 een van de `bijzondere omstandigheden' is op grond waarvan de gedeeltelijke kwijtschelding werd toegestaan. Dat de inbreuk niet bewust werd gepleegd, neemt niet weg dat het gaat om een langdurig overtreden dat zowel wat de aard als de omvang ervan betreft, ernstig is.
Zoals de eerste rechter deed en zoals ook blijkt uit het betoog van de geïntimeerde, kan een breuklijn getrokken worden na 30 mei 2018. Immers kan nadien van een onbewuste vergissing geen sprake meer zijn. Bovendien kan niet anders dan vastgesteld worden dat de reactie van de appellante om zich in België in regel te stellen, weinig adequaat en onzorgvuldig was.
De appellante werd op enig ogenblik tussen 6 april en 23 juli 2018 (zie punt 1.2.1 van het proces-verbaal) ter kennis gebracht dat zij verkeerdelijk Nederlandse btw betaalde voor haar verkopen op afstand naar België. Vervolgens heeft zij klaarblijkelijk niet langer de Nederlandse btw afgedragen, zonder evenwel tegelijkertijd haar situatie voor de toepassing van de Belgische btw te regulariseren of haar activiteit anders te organiseren of te staken. Niettegenstaande de appellante sinds enig ogenblik tussen 6 april en 23 juli 2018 dus niet langer onkundig kon zijn van het feit dat zij de Belgische btw-reglementering met de voeten trad en onrechtmatig geen Belgische btw betaalde, heeft zij pas op 18 september 2019, dit is meer dan een volledig jaar later, een aanvraag ingediend bij de Belgische belastingadministratie om zich voor btw-doeleinden in België te identificeren. In die periode heeft zij klaarblijkelijk noch in België noch in Nederland btw afgedragen. Vervolgens heeft zij geen gevolg gegeven aan de nochtans eenvoudige vraag van de belastingadministratie van 7 oktober 2019 om nadere inlichtingen te verschaffen met het oog op het activeren van het aangevraagde btw-nummer. Pas naar aanleiding van het verzenden van een vraag om Inlichtingen door de administratie op 2 maart 2020, teneinde de omzetcijfers inzake de verkopen op afstand naar België voor de periode van 31 mei 2018 tot en met 31 december 2019 te bekomen om de in België verschuldigde btw in kaart te kunnen brengen, werd uiteindelijk het Belgische btw-nummer van de appellante geactiveerd, zodat de appellante vanaf het eerste kwartaal 2020 correct Belgische btw-aangiftes kon indienen en de Belgische verschuldigde btw kon afdragen. Tot slot blijkt ook na maart 2020 geen initiatief van de zijde van de appellante om tot een rechtzetting te komen met betrekking tot de in België verschuldigde btw voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2019. De appellante is slecht geplaatst om de geïntimeerde nalatigheid te verwijten bij het regulariseren van haar btw-situatie en het activeren van haar Belgische btw-nummer. Het initiatief om haar btw-verplichtingen in België correct te vervullen en de door haar verschuldigde Belgische btw aan de Belgische Schatkist te betalen, lag immers evidenterwijze bij haar.
Waar aldus met de appellante aangenomen kan worden dat zij voor de periode van 1 januari 2014 tot 30 mei 2018 onbewust en ongewild haar verplichtingen om de Belgische btw te voldoen niet nakwam, geldt dit niet voor wat betreft de periode van 3,1 mei 2018 tot en met 31 december 2019. Ondanks de wetenschap dat zij in België btw diende te betalen, duurde het uiteindelijk tot het voorjaar van 2020 vooraleer de appellante haar situatie regulariseerde voor de toekomst en tot eind 2020/begin 2021 vooraleer zij dat, althans wat de verschuldigde hoofdsommen betrof, ook deed voor het verleden.
Uit het dossier blijkt voorts dat de appellante zich, niettegenstaande haar hierboven geschetste gebrek aan proactief optreden met het oog op het regulariseren van het Belgische btw-dossier na 30 mei 2018, constructief heeft opgesteld in haar contacten met de Belgische belastingadministratie en inzake de betaling van de verschuldigde btw. Zij is met name een cessieovereenkomst met de Belgische Staat aangegaan tot overdracht van haar vordering op de Nederlandse belastingdienst in terugbetaling van de in Nederland onverschuldigd betaalde btw voor de periode van 1 januari 2014 tot 30 mei 2018 (ten bedrage van 506.200,00 EUR). Ook heeft zij, blijkens artikel 3 van de cessieovereenkomst, tussen de kennisgeving van het proces-verbaal op 13 november 2020 en het afsluiten van de cessieovereenkomst (waarvan zij stelt dat dit gebeurde op 9 februari 2021) de nodige fondsen vrijgemaakt om de overige in België verschuldigde btw te betalen.
Het betoog van de appellante dat de Belgische Staat geen schade heeft geleden doordat nalatigheidsinteresten betaald zouden zijn ten bedrage van 108.890,00 EUR, overtuigt niet. De Belgische Staat heeft jarenlang, sinds het eerste kwartaal van 2014, belangrijke btw-inkomsten misgelopen. Hij heeft de invordering van de verschuldigde bedragen uiteindelijk moeten verzekeren en het verlies ervan voor de Schatkist vermeden, door de schuld op te nemen in het proces-verbaal van regularisatie van 10 november 2020. Bovendien werden, blijkens dit proces-verbaal, slechts interesten nagevorderd vanaf 21 januari 2020, niettegenstaande het eerste verzuim inzake aangifte en betaling van de btw dateert van het eerste kwartaal van 2014 en op grond van artikel 91 WBTW van rechtswege nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn wanneer de belasting niet binnen de wettelijke termijn is voldaan.
Terecht wijst de geïntimeerde er nog op dat, wat betreft de proportionele geldboete, reeds rekening gehouden werd met de goede trouw van de appellante, aangezien geen geldboete van 200% maar de verminderde geldboete van 20% in aanmerking werd genomen (zie artikel 1 in fine van het KB nr. 41). Ook betoogt de geïntimeerde met reden dat de medewerking van de appellante bij het communiceren van haar cijfers geen boetevermindering verantwoordt, nu dit niet meer dan een wettelijke verplichting betreft. Tot slot houdt het hof eraan te benadrukken dat de laattijdige betaling van de btw verstorend werkt voor het internationale btw-mechanisme waarbij de btw-belastingplichtige optreedt als ontvanger van de btw. De bijzondere rol en verantwoordelijkheid van de btw-plichtige die instaat voor de inning en doorstorting van de btw, rechtvaardigen gestrengheid inzake het boetebeleid in geval van niet correcte naleving van dit systeem, zoals ter zake het geval is.
Gelet op het algehele doel van een boetebeleid om zowel (mede maatschappelijk) te vergoeden, het laakbare gedrag te bestraffen, als voldoende af te schrikken zodat herhaling in de toekomst vermeden wordt, enerzijds, en gelet op de aanzienlijke omvang van de opgelegde geldboeten van 191.926,28 EUR (proportioneel) en 500,00 EUR (na kwijtschelding), anderzijds, is er in deze zaak wel reden om de boete te verlagen, maar niet om ze te annuleren of kwijt te schelden.
De eerste rechter heeft beslist om de proportionele geldboete met betrekking tot de in Nederland betaalde btw — waarvan aangenomen kan worden dat deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 mei 2018 — te reduceren tot 10%, maar voor het overige te handhaven. Gelet op het geheel van de bovenstaande vaststellingen en overwegingen treed het hof deze beslissing bij. De in Nederland betaalde btw (506.200,00 EUR) heeft immers betrekking op de periode waarvan aangenomen kan worden dar de appellante zich niet bewust was van de door haar gepleegde inbreuk en onwetend verkeerdelijk btw afdroeg in Nederland. Voor die periode volstaat een verminderde geldboete van 10%, zijnde 50.620,00 EUR als proportionele geldboete. Voor de periode van 31 mei 2018 tot en met 31 december 2019 daarentegen, heeft de appellante wetens en willens de onrechtmatige situatie gehandhaafd en weinig tot geen initiatief getoond om haar door artikel 70, §1 WBTW gesanctioneerde verplichting om de Belgische btw te voldoen, na te komen. Na aftrek van 50.620,00 EUR bedraagt de proportionele geldboete 141.306,00 EUR. Dit is zeker nog steeds een aanzienlijk bedrag, maar daar staat tegenover dat de appellante gedurende 6 jaren een groot bedrag aan Belgische btw niet afdroeg en bij vaststelling van haar vergissing niet adequaat reageerde. Het hof ziet, vanuit overwegingen van evenredigheid, geen reden om de opgelegde proportionele geldboete in grotere mate te verminderen of kwijt te schelden. Ook de niet-proportionele geldboete van 500,00 EUR, zoals deze werd gehandhaafd door de administratie in de beslissing van 20 januari 2021, kan behouden blijven. Voor het overige mag de toegekende kwijtschelding geacht worden definitief verworven te zijn.
4.7. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken is bovendien alleen een effectieve sanctie zinvol. Een beslissing om een boete met uitstel op te leggen, zou ingaan tegen het hogerop omschreven doel van de sanctie dat er zowel in bestaat te vergoeden — met name een compensatie te bieden voor het verloren gaan van menselijke energie en van financiële middelen die door de belastingoverheid ten gunste van de gemeenschap besteed wordt aan controles en verificaties om fraude en onjuiste aangiften op te sporen en de verschuldigde belasting te berekenen — als te bestraffen en af te schrikken om herhaling in de toekomst te vermijden. Er zijn geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien. De boete kan dan ook behouden blijven.
4.8. Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond.
5. De gerechtskosten
5.1. De geïntimeerde stelde incidenteel hoger beroep in wat zijn veroordeling tot 1/4de van de gerechtskosten betreft.
De beslissing van de eerste rechter om de kosten tussen de appellante en de geïntimeerde om te slaan op de wijze zoals hij deed, was terecht, gelet op het wederzijdse gelijk en ongelijk van de partijen. De omstandigheid dat de Belgische Staat per slot van rekeningen een saldo aan rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is aan de appellante aangezien die laatste, anders dan die eerste, zich voor de procedure in eerste aanleg liet bijstaan door een advocaat, doet aan het juiste oordeel van de eerste rechter geen afbreuk.
Ook op dit punt verdient het vonnis bevestiging.
5.2. Wat betreft de procedure in hoger beroep stelt het hof vast dat de beide partijen in het ongelijk gesteld worden. Het past dan ook dat zij beiden hun eigen gerechtskosten dragen. Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
Aangezien elke partij haar eigen kosten moet dragen, is er geen reden om een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
· zowel het principaal hoger beroep van de appellante als het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerde zijn ontvankelijk maar ongegrond;
· het bestreden vonnis wordt bevestigd met dien verstande dat de gedeeltelijke kwijtschelding/vermindering van de niet-proportionele geldboete tot 500,00 EUR als definitief verworven beschouwd mag worden;
· het hof veroordeelt elke partij tot het dragen van haar eigen kosten van het hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 18 juni 2024.
Aanwezig: X…
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.