Btw-Commentaar. Teruggaaf van de belasting (15.03.2024)
BOEKWERK IV. Voldoening van de belasting
Hoofdstuk 14. Teruggaaf van de belasting
Bijwerking 15.03.2024 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020] [01.03.2021] [01.02.2023]
Inhoud · 95 onderdelen
1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten
Afdeling 3 - Oorzaken van de teruggaaf
1. Teruggaaf op grond van artikel 76 van het Btw-Wetboek
A. Artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
B. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
C. Artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek
2. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
A. Artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek
B. Artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek
C. Artikel 77, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek
D. Artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek
E. Artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek
F. Artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek
G. Artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek
3. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek
A. Noot vooraf: Uitsluiting van het recht op teruggaaf op basis van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek
B. Artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek
C. Artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek
D. Artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek
E. Artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek
F. Artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek
G. Artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek
H. Artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek
4. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek
5. Teruggaaf op grond van artikel 77bis van het Btw-Wetboek
Afdeling 4 - Rechthebbende op de teruggaaf
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek
4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
5. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek
6. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek
Afdeling 5 - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie
b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord
C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek
4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek
5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek
6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie
Afdeling 6 - Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf
1. Teruggaaf aan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
A. Principe: overdracht naar het volgende aangiftetijdvak
B. Teruggaaf: laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar
b. Maandelijkse teruggaaf van btw: bijzondere regeling voor starters
d. Maandelijkse teruggaaf van btw: levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten
Levering van aardgas en warmte via warmtenetten
Verlenging en uitbreiding van het tarief van 6 %
e. Vergunning maandelijkse teruggaaf
Aanvraag van de vergunning: klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf
Toekenning of weigering van de vergunning
Vanaf wanneer kan het stelsel maandelijkse teruggaaf worden toegepast
Verval van de vergunning: algemeen
Verval van de vergunning: klassiek stelsel
Regeling met betrekking tot een btw-eenheid
E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten
Tijdige indiening van de btw-aangiften
Minimum van het belastingkrediet
Stelsels van maandelijkse teruggaaf: vereiste inzake elektronische indiening van de btw-aangiften
2. Teruggaaf aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
D. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant
4. Ordonnancering van het belastingkrediet dat blijkt uit een periodieke of bijzondere btw-aangifte
A. Periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
a. Kwartaalindieners en maandaangevers – buiten toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf
b. Ordonnancering in geval van de toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf
B. Bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
Afdeling 1 - Wetgevend kader
1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek
Artikel 75
Artikel 76
Artikel 77
Artikel 77bis
Artikel 78
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 82
Artikel 82bis
2. Overzicht bepalingen uitvoeringsbesluiten
Koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen
Koninklijk besluit nr. 48 van 29.12.1992 met betrekking tot de levering van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek
[Top]
Afdeling 2 - Inleiding
Ingevolge de bepalingen van het artikel 75 van het Btw-Wetboek kan de belasting over de toegevoegde waarde slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin voornoemd Wetboek daarin voorziet. Deze gevallen worden opgesomd in de artikelen 76, 77 en 77bis waarvan de uitvoeringsmodaliteiten worden bepaald bij het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde. Het begrip teruggaaf heeft in beginsel aldus een ruime draagwijdte.
In voormelde artikelen wordt tevens verwezen naar artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004 waarbij wordt bepaald dat elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit kan worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Dit geldt tevens in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.
Een vordering tot teruggaaf dient steeds te worden gestaafd aan de hand van bewijskrachtige gegevens zoals bijvoorbeeld een factuur, een invoeraangifte, een attest van invaliditeit …
Teneinde een zo overzichtelijk mogelijk beeld te geven van de problematiek van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde worden hierna achtereenvolgend navolgende onderwerpen behandeld:
• de oorzaken van de teruggaaf (artikelen 76 tot en met 77bis, van het Btw-Wetboek)
• de rechthebbende op de teruggaaf
• het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat
• de modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf.
[Top]
Afdeling 3 - Oorzaken van de teruggaaf
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 75 van het Btw-Wetboek kan de belasting slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het Btw-Wetboek voorziet.
Deze mogelijke oorzaken van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde vinden respectievelijk hun oorsprong in de bepalingen van de artikelen 76, 77 en 77bis, van het Btw-Wetboek.
1. Teruggaaf op grond van artikel 76 van het Btw-Wetboek
A. Artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
Artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek bepaalt dat ‘onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50 voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd en gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in artikel 55, §§ 1 of 2.’
Hierbij wordt het geval beoogd waarin voor eenzelfde aangifteperiode, de aftrekbare btw hoger is dan de verschuldigde btw wanneer het een belastingplichtige met recht op aftrek van de voorbelasting betreft, die in België is gevestigd, in België een vaste inrichting heeft of die overeenkomstig artikel 55 in België een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft doen erkennen. De belastingplichtige die in België een rechtstreekse identificatie geniet, wordt eveneens beoogd door deze bepaling. Hetzelfde geldt voor een niet in België gevestigde belastingplichtige die vertegenwoordigd wordt door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf erkend persoon voor bepaalde in aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 opgesomde handelingen (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 10 : Niet in België gevestigde belastingplichtigen).
Wanneer het bedrag van de btw die ingevolge de artikelen 45 tot 48 van het Btw-Wetboek door een belastingplichtige werd afgetrokken in een periodieke btw-aangifte, meer bedraagt dan de verschuldigde btw, wordt het verschil in principe naar het volgende aangiftetijdvak overgedragen. Indien een dergelijk verschil echter blijkt uit de aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van een kalenderjaar, zou het ingevolge de bepalingen van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek, binnen de drie maanden moeten worden terugbetaald op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige. Bij latere terugbetaling zou ten voordele van de belastingplichtige een interest van 0,8% per maand van rechtswege verschuldigd zijn (artikel 91, § 3, van het Btw-wetboek).
Om uit te maken of er aanleiding tot teruggaaf van een overschot is, dient men evenwel niet alleen rekening te houden met de voor het aangiftetijdvak aftrekbare en verschuldigde btw, maar tevens met de btw die vatbaar is voor teruggaaf op grond van artikel 77, §§ 1 en 1bis, van het Btw-Wetboek en met de btw die wegens herzieningen moet worden voldaan of supplementair in aftrek kan worden gebracht (artikelen 5 en 7 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd). Indien het eindresultaat een door de staat verschuldigd bedrag is, vormt het een belastingkrediet dat wordt teruggegeven door ofwel overdracht naar de volgende aangifteperiode door opname in de rekeningcourant ofwel door een werkelijke terugbetaling volgens het onderscheid gemaakt in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (zie ook afdeling 6: Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf – titel 1).
Middels artikel 15, a), van de wet van 27.12.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde werd het vierde lid van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek gewijzigd (BS 31.12.2021).
Sedert de inwerkingtreding van deze gewijzigde bepaling is de inhouding van het voor teruggaaf vatbaar overschot (belastingkrediet) dat voortvloeit uit de indiening van een periodieke maand- of kwartaalaangifte door een belastingplichtige thans verankerd in de bepalingen van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek zelf, daar waar deze inhouding voorheen zijn wettelijke grondslag vond in de bepalingen van artikel 81, § 3, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
De bepalingen van artikel 76, § 1, vierde lid, van het Btw-Wetboek bieden een wettelijke grondslag, zonder onderscheid of de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, voor de inhouding van een dergelijk belastingkrediet in volgende twee gevallen:
1° in het geval een belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is. Deze inhouding wordt, in het voordeel van de administratie, verricht tot beloop van de belastingschuld die, in hoofde van de belastingplichtige met een belastingkrediet, aan te zuiveren is
2° in het geval er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat de periodieke maand- of kwartaalaangiften (met een voor teruggaaf vatbaar overschot), of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden, gegevens bevatten die onjuist zijn derwijze dat die gegevens een belastingschuld in het vooruitzicht stellen, zonder dat de daadwerkelijke bepaling van de belastingschuld kan gebeuren op het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling. Deze inhouding heeft tot doel de waarachtigheid van de desbetreffende gegevens na te gaan.
De bepalingen van artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de belastingplichtigen die handelingen verrichten beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Btw-Wetboek en lasthebbers of makelaars die dergelijke handelingen verrichten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek de van voornoemde handelingen geheven voorbelasting in aftrek mogen brengen telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of wanneer betreffende handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.
B. Artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
Het nieuwe artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek bepaalt dat ‘Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de verschuldigde belasting door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, het verschil teruggegeven binnen drie maanden.’
De bepalingen van het nieuwe artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek werden ingevoegd middels artikel 15, b), van de wet van 27.12.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (BS 31.12.2021).
De bepalingen van artikel 76, § 2, (nieuw) van het Btw-Wetboek zijn van toepassing op de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen die gehouden zijn een in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte in te dienen. Het betreft de aangifte nr. 629 waarvan het model is opgenomen in bijlage 3 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.
In de regel zal het eindresultaat van een door artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek beoogde aangifte een aan de staat verschuldigd bedrag zijn. Het kan niettemin voorkomen dat betreffende aangifte een door de staat verschuldigd eindresultaat vertoont, met name wanneer de belasting in hoofde van de hiervoor bedoelde personen moet worden geregulariseerd in hun voordeel (in geval van ontvangen creditnota’s of negatieve verbeteringen van de voordien aangegeven en betaalde belasting) of wanneer de indiener teruggaaf kan genieten van een bedrag dat desgevallend kan gerecupereerd worden.
Wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de belasting verschuldigd door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek wordt het verschil teruggegeven binnen drie maanden. De ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf (artikel 83, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
De inhouding van het voor teruggaaf vatbaar overschot (belastingkrediet) dat voortvloeit uit de indiening door een belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon van een bijzondere aangifte beoogd in de bepalingen van artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek is thans verankerd in de bepalingen van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek daar waar deze inhouding voorheen zijn wettelijke grondslag vond in de bepalingen van artikel 83, vijfde en zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
De bepalingen van artikel 76, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek bieden een wettelijke grondslag, zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, voor de inhouding van een dergelijk belastingkrediet in volgende twee gevallen:
1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is
2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, gegevens bevat die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.
De bepalingen van voornoemd artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de niet in België gevestigde belastingplichtigen die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben en die niet beschikken over een rechtstreekse identificatie (zie circulaire 2022/C/99 van 10.04.2022 betreffende het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en het koninklijk besluit van 10.04.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 31 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 139.514), aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009 en zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 10 : Niet in België gevestigde belastingplichtigen).
De teruggaaf geschiedt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002, voornoemd, wanneer het een belastingplichtige betreft gevestigd in een andere lidstaat dan België alsook wanneer het een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige betreft. De modaliteiten daartoe worden bepaald in de artikelen 9, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1bis en 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en in koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022, voornoemd.
C. Artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek
Het nieuwe artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek bepaalt dat ‘de niet in de paragrafen 1 of 2 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48’.
De bepalingen van artikel 76, § 3 (nieuw), van het Btw-Wetboek werden ingevoegd middels artikel 15, c), van de wet van 27.12.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (BS 31.12.2021).
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 76, § 3, derde lid, van het Btw-Wetboek regelt de koning, wanneer de teruggaaf moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen inzake teruggaaf van de richtlijn 86/560/EEG (1) of de richtlijn 2008/9/EG (2), de toepassingsmodaliteiten van artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek met betrekking tot het personele toepassingsgebied, de belasting waarvoor om teruggaaf kan verzocht worden, de te volgen procedure, de vormvoorwaarden, het teruggaaftijdvak, de minimumbedragen, de in acht te nemen termijnen en de correcties.
(1) Richtlijn nr. 86/560/EEG van de Raad van 17.11.1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen (de zogenaamde ‘dertiende richtlijn’)
(2) Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12.02.2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (de zogenaamde ‘VAT Refund’-richlijn)
De bepalingen van artikel 76, § 3 (nieuw), van het Btw-Wetboek benadrukken hierbij dat de teruggaaf op grond van de richtlijn 86/560/EEG (1), waar die richtlijn dat toelaat, wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing voor de teruggaaf op grond van de richtlijn 2008/9/EG. Overeenkomstig artikel 3, paragraaf 2, van richtlijn 86/560/EEG, voornoemd, kan de teruggaaf op grond van die richtlijn niet gebeuren onder gunstiger voorwaarden dan degene die worden toegepast voor belastingplichtigen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn op grond van richtlijn 2008/9/EG.
Tot slot stelt het nieuwe artikel 76, § 3, (in fine), van het Btw-Wetboek dat de koning hierbij kan afwijken van de bepalingen van artikel 82bis, van voornoemd Wetboek.
Krachtens artikel 15 van richtlijn 2008/9/EG (2), moet het teruggaafverzoek van de in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige immers worden ingediend in de lidstaat van vestiging ten laatste op 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak. Die vervaltermijn is omgezet in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56, voornoemd. Bovendien moet er, wat de aanvragen tot teruggaaf betreft door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, rekening mee worden gehouden dat de teruggaaf krachtens artikel 3, paragraaf 2, van de richtlijn 86/560/EEG niet kan gebeuren onder gunstiger voorwaarden dan degene die worden toegepast voor belastingplichtigen die binnen de Gemeenschap gevestigd zijn op grond van richtlijn 2008/9/EG.
De bepalingen van voornoemd artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek vinden onder meer toepassing ten aanzien de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen of gedeelten van gebouwen en het bijhorend terrein vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van artikel 8 van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege maar moeten uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7: Toevallige belastingplichtigen en afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5 van dit hoofdstuk).
2. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
De bepalingen van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek hebben betrekking op diverse nagenoemde gevallen die voor teruggaaf van de btw voldaan ten aanzien van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed in België in aanmerking komen:
A. Artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.
Teruggaaf tot het passende beloop wordt verleend wanneer de betaalde belasting ten aanzien van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed, de wettelijk verschuldigde belasting overtreft. Hiermee worden onder meer alle gevallen bedoeld waarin een vergissing is begaan bij het factureren of in de aangifte die door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon moet worden ingediend: heffing op een niet belastbare handeling, toepassing van een onjuist tarief of van een verkeerde maatstaf van heffing, dubbele boeking …
Teruggaaf heeft eveneens plaats indien de maatstaf van heffing wordt verminderd ingevolge een gebeurtenis die zich na de levering voordoet, zoals de definitieve vaststelling van een voor herziening vatbare prijs of de vervulling van een uitdrukkelijke of stilzwijgende ontbindende voorwaarde.
Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich tevens uitgesproken over de specifieke situatie waarbij een lidstaat in zijn nationale wettelijke regeling een vrijstelling met teruggaaf van voorbelasting voor bepaalde gespecificeerde leveringen of dienstverrichtingen heeft gehandhaafd, maar zijn nationale wettelijke regeling onjuist heeft uitgelegd met als gevolg dat bepaalde leveringen of dienstverrichtingen die volgens de nationale wet in aanmerking hadden moeten komen voor de vrijstelling met teruggaaf van voorbelasting, zijn belast tegen het normale tarief. Het Hof heeft hierbij geoordeeld dat een onderneming die dergelijke leveringen of diensten heeft verricht, op grond van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, waaronder het beginsel van fiscale neutraliteit, recht op teruggaaf heeft van de bedragen die voor deze leveringen of dienstverrichtingen ten onrechte van haar zijn gevorderd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Marks & Spencer plc tegen Commissioners of Customs and Excise, zaak C-309/06, van 10.04.2008).
Verder wordt ook het in artikel 25quinquies, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde geval beoogd waarbij de maatstaf van heffing van een intracommunautaire verwerving van goederen kan worden verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht en dit voor zover over deze verwerving belasting bij toepassing van artikel 25quinquies, § 2, van voornoemd Wetboek wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen.
B. Artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan.
De belasting wordt tot het passende beloop teruggegeven wanneer een prijsvermindering aan de medecontractant wordt toegestaan en door hem wordt verkregen na het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. De reden voor de toegestane prijsvermindering is van geen belang en kan bijvoorbeeld de toekenning van kortingen bij het einde van het jaar betreffen, de niet-overeenstemming van de goederen met de bestelling dan wel louter gebaseerd zijn op handelsoverwegingen.
De aandacht wordt er op gevestigd dat deze kortingen en verminderingen waarop de afnemer een verworven recht heeft op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, overeenkomstig artikel 28, 2°, van het Btw-Wetboek niet tot de maatstaf van heffing behoren.
C. Artikel 77, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend.
De belasting wordt teruggegeven tot beloop van de bedragen waarvoor de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van de verpakkingsmiddelen die voor het vervoer van de geleverde goederen hebben gediend. Die bepaling is enkel van toepassing indien op het ogenblik van de levering niet reeds vaststond dat de medecontractant de mogelijkheid had om de verpakkingsmiddelen terug te zenden, want wanneer deze mogelijkheid bestaat, dienen de kosten voor gewone en gebruikelijke verpakkingsmiddelen niet in de maatstaf van heffing te worden opgenomen krachtens artikel 28, 4°, van het Wetboek.
D. Artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is.
De belasting wordt teruggegeven wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of vóór de uitvoering van de dienst verbroken is, maar alleszins nadat de belasting in hoofde van de leverancier of de dienstverrichter krachtens een of andere wettelijke of reglementaire bepaling (zie artikelen 16, 17, 22 en 22bis, van het Btw-Wetboek) opeisbaar is geworden.
De verbreking is een rechtshandeling waarbij de partijen, zonder dat er sprake is van een contractuele tekortkoming, een einde stellen aan een overeenkomst:
• hetzij met wederzijdse toestemming: de partijen kunnen overeenkomstig de bepalingen van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomen om een einde te stellen aan de overeenkomst die hen verbindt.
• hetzij eenzijdig: in de regel kan een partij niet eenzijdig een overeenkomst verbreken, maar de wet voorziet in uitzonderingen hierop. Zo is elke overeenkomst waarin doorlopende prestaties worden voorzien en die voor onbepaalde tijd wordt afgesloten, steeds vatbaar om het voorwerp uit te maken van een verbreking door één van de partijen. Daarenboven wordt de eenzijdige verbreking van bepaalde overeenkomsten geregeld door het Burgerlijk Wetboek. De partijen kunnen eveneens in hun overeenkomsten clausules opnemen betreffende een eenzijdige verbreking.
E. Artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is.
De belasting wordt teruggegeven wanneer de overeenkomst wordt vernietigd of wordt ontbonden.
Geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt, maar in dat laatste geval moet de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde zijn gegaan om de terugbetaling te rechtvaardigen.
De ontbinding is de wijze van tenietgaan die de foutieve niet-uitvoering van een wederkerig contract sanctioneert (bijvoorbeeld: niet conform zijn van de goederen of van de dienst, laattijdige levering…). Zij wordt door de wet geregeld (het stilzwijgend ontbindend beding dat is vastgelegd in artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek) eventueel aangevuld of aangepast middels een contractueel beding (uitdrukkelijk ontbindend beding). Zij heeft in principe terugwerkende kracht maar er bestaan modaliteiten en uitzonderingen die geheel of gedeeltelijk van deze regel afwijken.
Er is eveneens sprake van ontbinding wanneer een contract wordt beëindigd door de vervulling van een ontbindende voorwaarde. De ontbindende voorwaarde onderscheidt zich van een uitdrukkelijk ontbindend beding door het feit dat de partijen door haar te voorzien een ontbinding van het contract hebben beoogd die geen vorm van sanctie uitmaakt. De ontbindende voorwaarde is een onzekere en toekomstige gebeurtenis die de ontbinding van de verbintenis waarop zij betrekking heeft dan wel van de overeenkomst in zijn geheel met zich mee brengt. De uitwerking van de ontbindende voorwaarde gebeurt van rechtswege door het louter feit dat de voorwaarde is vervuld en zonder dat er enige wilsuitdrukking of tussenkomst van één van de partijen of van de rechter is vereist. Behoudens andersluidend beding, wordt aan deze voorwaarde tevens terugwerkende kracht toegekend.
Een overeenkomst kan worden vernietigd wanneer zij aangetast is door een nietigheid. De nietigheid is een wijze van uitdoving van overeenkomsten en sanctioneert een gebrek dat op essentiële wijze de totstandkoming van de overeenkomst aantast. Ten gevolge van dit gebrek is de overeenkomst niet geldig tot stand kunnen komen, maar uiterlijk bestaat er wel een titel die nietig dient te worden verklaard. Een rechter dient normaal gezien in geval van betwisting de nietigheid uit te spreken. Niettemin belet niets de partijen om zich akkoord te verklaren om een nietigheid te erkennen en vast te stellen, zodat de tussenkomst van een rechter niet is vereist. In de regel heeft de nietigheid een terugwerkende kracht. Er bestaan echter verschillende uitzonderingen op deze retroactieve werking, in hoofdzaak met betrekking tot overeenkomsten met doorlopende prestaties.
De overeenkomsten zijn voor vernietiging vatbaar in volgende gevallen:
• indien een gebrek één van de geldigheidsvoorwaarden voor overeenkomsten opgesomd in artikel 1108 van het Burgerlijk Wetboek aantast: toestemming, bekwaamheid, voorwerp of oorzaak
• indien bij het sluiten van de overeenkomst de substantiële vormvereisten of de vormvereisten die zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid niet zijn nageleefd wanneer de wet voorziet in de verplichting dergelijke vormvereisten na te leven
• in geval van schending van een bepaling van openbare orde of van een dwingende wetsbepaling bij de sluiting van de overeenkomst in het geval waarin de wetgever geen andere sanctie voorziet en het bepalingen betreft die essentieel zijn voor de geldigheid van de totstandkoming van een overeenkomst.
F. Artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.
De belasting wordt teruggegeven wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van het goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat een van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.
Ingevolge die bepaling kan er in beginsel geen teruggaaf plaatsvinden wanneer de prijs waarvoor het goed wordt teruggenomen niet precies de prijs is waarvoor het oorspronkelijk werd verkocht.
De administratie aanvaardt echter dat geen van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen wanneer voor het gebruik van het goed aan de leverancier een vergoeding zou worden betaald die wordt vastgesteld in functie van de werkelijke gebruiksduur van het goed en die in geen geval meer bedraagt dan de brutowinst die de leverancier heeft gemaakt bij de oorspronkelijke verkoop van het goed.
Die bepaling staat de teruggaaf toe zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de belaste handeling. Alleen het materiële feit van de terugzending en het ontbreken van enig geldelijk voordeel moet worden aangetoond (zie ook aanschrijving nr. 78-2/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970).
G. Artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
De teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek, wordt toegestaan zodra het geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering vaststaat. Het betreft de situatie waarbij goederen of diensten worden verstrekt in uitvoering van een overeenkomst die niet werd vernietigd of ontbonden, maar waar om één of andere reden, de prijs, hetzij volledig, hetzij gedeeltelijk, niet werd betaald. De teruggaaf is niet alleen van toepassing wanneer het verlies van de schuldvordering van de prijs het gevolg is van een faillissement of gerechtelijke reorganisatie, maar ook wanneer de leverancier vaststelt dat een factuur geheel of gedeeltelijk onbetaald is gebleven.
De vraag wanneer het verlies van een schuldvordering als zeker mag worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden eigen aan ieder geval (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.288 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre Viseur van 21.11.1994).
In de praktijk zal de administratie niet betwisten dat het verlies vaststaat, wanneer het bedrag van het verlies aangetekend werd op de rekening ‘Verlies en Winst’, voor zover die aantekening gebeurt op een tijdstip waarop de schuldeiser, door middel van alle mogelijke feiten of rechtsmiddelen, kan bewijzen dat zijn schuldvordering als verloren kan worden beschouwd. In ieder geval is de inschrijving van de gehele of gedeeltelijke schuldvordering op een rekening ‘Provisie voor dubieuze debiteuren’, op zich niet voldoende om de echtheid van het verlies te bewijzen.
De leverancier of de dienstverrichter is overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van het Btw-Wetboek gehouden aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.
Artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de leverancier of dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van schuldvordering van de prijs, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de staat het bedrag van de belasting dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag moet terugstorten, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen.
Wat het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement of als gevolg van een gerechtelijke reorganisatie betreft wordt verwezen naar afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubrieken B en C.
Tot slot wordt opgemerkt dat het verlies van schuldvordering als gevolg van het sluiten van een minnelijk akkoord buiten het strikte toepassingsgebied van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord of door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag of van faillissement zoals beschreven in Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’ in het Wetboek van economisch recht, door de administratie wordt beschouwd als een vrijwillige schuldafstand. Desgevallend dient steeds een grondige analyse plaats te vinden van de factoren die de schuldeiser hebben aangezet over te gaan tot betreffende vrijwillige schuldafstand teneinde het ‘verloren’-karakter van de betrokken schuldvordering(en) te kunnen beoordelen. Rekening houdend met het voorgaande kan er slechts toepassing worden gemaakt van de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek voor zover voornoemde analyse van de feitelijke omstandigheden toelaat het geheel of gedeeltelijk ‘verloren’-karakter van de schuldvordering van de prijs objectief vast te stellen.
3. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek
De bepalingen van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek hebben betrekking op diverse nagenoemde gevallen die voor teruggaaf van de btw voldaan ter zake van invoer in aanmerking komen.
Dat artikel bevat geen enkele bepaling op grond waarvan de bij invoer voldane btw kan worden teruggegeven wegens de omstandigheid dat de persoon op wiens naam de goederen werden in verbruik gesteld, failliet werd verklaard (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 208 van de heer Senator Hugo Wechx van 17.03.1987).
In alle gevallen waarin ten aanzien van ingevoerde goederen wel teruggaaf kan worden toegestaan, wordt die teruggaaf verleend aan degene die als rechthebbende is aangeduid door het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
A. Noot vooraf: Uitsluiting van het recht op teruggaaf op basis van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek
Krachtens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de in artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek bedoelde teruggaaf niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen.
Inderdaad, in dat geval heeft de belastingplichtige, die de belasting bij de invoer heeft voldaan, die belasting normaal afgetrokken in zijn aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de invoer heeft plaatsgehad. Indien de teruggaaf hem zou worden toegestaan, zou hij eveneens de vooraf verrichte aftrek moeten herzien en het ten onrechte afgetrokken bedrag moeten terugstorten aan de schatkist door dat bedrag op te nemen in rooster 61 van de periodieke btw-aangifte.
Maar de teruggaaf heeft normaal plaats voor de ingevoerde goederen:
• wanneer de geadresseerde een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen.
• wanneer de geadresseerde een belastingplichtige is zonder recht op aftrek, of met een gedeeltelijk recht op aftrek (indien hij geen teruggaaf verkreeg, zou hij benadeeld worden tot beloop van het niet aftrekbare gedeelte van het ten onrechte betaalde bedrag).
• wanneer de handeling betrekking heeft op bedrijfsmiddelen. Krachtens artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek, is de aftrek van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen aan herziening onderworpen. Het komt er dus op aan het definitief bedrag van de aan herziening onderworpen belasting vast te stellen.
• wanneer een belastingplichtige goederen invoert waarvan het recht op aftrek uitgesloten is of beperkt wordt (onder meer krachtens artikel 45, §§ 2 en 3, van het Btw-Wetboek).
De hier aangehaalde principes zijn eveneens van toepassing op een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek.
Wanneer de teruggaaf betrekking heeft op de invoer van een bedrijfsmiddel of van een ander goed waarvoor de bij invoer voldane belasting slechts gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht, is de geadresseerde die de teruggaaf bekomt ertoe gehouden het bedrag dat hij vroeger in aftrek heeft gebracht terug te storten aan de staat in de mate waarin hij daarvan teruggaaf bekomt. In dergelijk geval kan door of vanwege de Minister van Financiën evenwel worden bepaald dat de teruggaaf wordt beperkt tot de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht (artikel 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4,voornoemd).
B. Artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is of wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan.
Enerzijds wordt teruggaaf tot het passende beloop verleend wanneer de bij invoer betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft. Hiermee worden inzonderheid alle gevallen bedoeld waarin vergissingen werden begaan bij het vaststellen van de maatstaf van heffing, de toepassing van een onjuist tarief, rekenfouten of vergissingen begaan bij het opstellen van invoerdocumenten die de annulatie van die documenten tot gevolg hebben.
Teruggaaf heeft eveneens plaats indien de maatstaf van heffing wordt verminderd ingevolge een gebeurtenis die zich na de invoer voordoet, zoals de definitieve vaststelling van een prijs die voor herziening vatbaar was of de vervulling van een uitdrukkelijke of stilzwijgende ontbindende voorwaarde.
Anderzijds wordt de bij invoer betaalde belasting tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan en wordt verkregen na het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden in de mate dat die prijs gediend heeft voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de btw bij invoer. De reden voor deze toegestane prijsvermindering is daarbij van geen belang.
C. Artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend en dit op voorwaarde dat de verpakking naar een plaats buiten de gemeenschap is teruggezonden.
Het betreft verpakkingen die niet onder een regeling van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van rechten bij invoer werden geplaatst en dit bijvoorbeeld omdat de terugzending oorspronkelijk niet was voorzien.
D. Artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is en dit op voorwaarde dat de goederen binnen zes maanden na de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst naar een plaats buiten de Gemeenschap wederuitgevoerd werden.
De reden van vernietiging of ontbinding van de overeenkomst is van geen belang (niet-overeenstemming van het goed met de bestelling, niet-tijdige levering, handelsoverwegingen …).
Evenmin moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt, maar in dat laatste geval moet de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde zijn gegaan om de terugbetaling te rechtvaardigen.
E. Artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik wederuitgevoerd is naar de buiten de Gemeenschap gevestigde leverancier of naar de door de leverancier aangewezen bestemming buiten de Gemeenschap, zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen.
Ingevolge die bepaling kan er in beginsel geen teruggaaf plaatsvinden wanneer de prijs waarvoor het goed wordt teruggenomen niet precies de prijs is waarvoor het oorspronkelijk werd verkocht.
De administratie aanvaardt echter dat geen van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen wanneer voor het gebruik van het goed aan de leverancier een vergoeding zou worden betaald die wordt vastgesteld in functie van de werkelijke gebruiksduur van het goed en die in geen geval meer bedraagt dan de brutowinst die de leverancier heeft gemaakt bij de oorspronkelijke verkoop van het goed.
Die bepaling staat de teruggaaf toe zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de belaste handeling. Alleen het materiële feit van de terugzending en het ontbreken van enig geldelijk voordeel moet worden aangetoond (zie ook aanschrijving nr. 78-2/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970).
F. Artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten, als gevolg van overmacht of van ongeval is vernietigd, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest.
G. Artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder één van de regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest.
H. Artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd en het goed is wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap of onder ambtelijk toezicht is vernietigd.
4. Teruggaaf op grond van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, voornoemd, wordt de belasting betaald bij de verwerving en invoer van een automobiel voor personenvervoer teruggegeven mits die automobiel niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek en wordt gekocht door één van nagenoemde personen om door hem als persoonlijk vervoermiddel te worden gebruikt:
• militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % genieten
• personen die volledig blind zijn,
• personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of waarvan de bovenste ledematen zijn geamputeerd
• personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
De bepalingen van artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek vinden uiteraard enkel toepassing ten aanzien van de btw die in België opeisbaar is geworden. Worden aldus beoogd: de levering, de intracommunautaire verwerving of de invoer van een auto aan of door voornoemde invaliden of gehandicapten die respectievelijk op basis van de bepalingen van de artikelen 14, 23 en 25quinquies van voornoemd Wetboek in België plaatsvindt (zie ook Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting – Afdeling 3 – Rubriek 22).
Op te merken valt dat slechts de btw betaald voor de verkrijging of de invoer van het voertuig wordt teruggegeven, en niet de btw die werd betaald voor onderdelen, uitrustingsstukken en toebehoren voor onderhouds- en herstellingswerk noch voor andere leveringen of invoeren (benzine, smeermiddelen …) of diensten (parkeerkosten …) met betrekking tot dat voertuig. De belasting die geheven werd van de levering kan evenmin worden teruggegeven wanneer het voertuig werd gekocht bij een belastingplichtige-wederverkoper met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek.
Het voordeel van deze bepaling kan bovendien slechts worden ingeroepen voor één enkele auto tegelijk en veronderstelt het gebruik van het verkregen voertuig door de verkrijger als persoonlijk vervoermiddel gedurende een periode van 3 jaar. Indien de auto gedurende deze periode voor andere doeleinden wordt aangewend, of wordt afgestaan door de begunstigde, is deze gehouden de belasting die hem werd teruggegeven tot het passende beloop terug te storten naar verhouding van de nog te lopen tijd tot het verstrijken van de 3-jarige periode.
Het begrip ‘gebruik als persoonlijk vervoermiddel’ in het kader van de gunstregeling voor bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten wordt uitvoering toegelicht in circulaire 2019/C/23 van 13.03.2019 betreffende het begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel' in het kader van de gunstregeling inzake Btw voor autovoertuigen van bepaalde invaliden en gehandicapten (nr. E.T.122.470).
5. Teruggaaf op grond van artikel 77bis van het Btw-Wetboek
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 77bis, van het Btw-Wetboek wordt, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27.12.2004, teruggaaf verleend ‘wanneer, in het artikel 25quinquies, § 4, bepaalde geval de door een niet-belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan België de btw betaald in geval van invoer van de goederen in België, teruggegeven aan de invoerder, in de mate dat laatstgenoemde aantoont dat de intracommunautaire verwerving die hij verricht aan de belasting werd onderworpen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen’.
Wanneer een niet-belastingplichtige rechtspersoon goederen buiten de Gemeenschap aankoopt die bestemd zijn om via België, waar ze met betaling van btw worden ingevoerd, naar een andere lidstaat te worden vervoerd of verzonden, worden die goederen, overeenkomstig artikel 25quinquies, § 4, van het Btw-Wetboek, geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit België, zodat die handeling aanleiding geeft tot een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer.
Wanneer die intracommunautaire verwerving de btw opeisbaar maakt in die lidstaat van aankomst, dan heeft de niet-belastingplichtige rechtspersoon tweemaal btw betaald op zijn aankoop van goederen. In dat geval bepaalt artikel 77bis van het Btw-Wetboek dat de btw die de niet-belastingplichtige rechtspersoon bij de inverbruikstelling in België heeft voldaan wordt teruggegeven voor zover die persoon aantoont dat de intracommunautaire verwerving die hij verricht aan de btw werd onderworpen in de lidstaat van bestemming.
[Top]
Afdeling 4 - Rechthebbende op de teruggaaf
De rechthebbende op teruggaaf is in de regel diegene die de belasting over de toegevoegde aan de staat heeft voldaan en dit mits de daartoe te vervullen voorwaarden zijn voldaan.
Niettemin worden hierna tevens enkele gevallen toegelicht waarbij de belasting kan worden teruggegeven aan iemand anders dan degene die ze aan de staat heeft voldaan.
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
De in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de belastingplichtige indiener van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek die aanspraak op aftrek heeft en die door bewijskrachtige stukken kan aantonen dat de aftrekbare btw meer bedraagt dan de verschuldigde btw en die aan de voorwaarden van artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voldoet.
Het verzoek tot teruggaaf moet gebeuren door voornoemde belastingplichtige of door zijn aansprakelijke vertegenwoordiger (3) beoogd in de bepalingen van artikel 55, §§ 1 tot en met 3, van het Btw-Wetboek.
(3) De aansprakelijke vertegenwoordiger wordt in de plaats gesteld van zijn buitenlandse lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend en van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van voornoemd Wetboek. Hij is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de hier te lande verrichte handelingen.
Worden aldus onder meer beoogd de belastingplichtigen die handelingen verrichten beoogd door de bepalingen van artikel 44, § 3, 4° tot 10°, van het Btw-Wetboek en lasthebbers of makelaars die dergelijke handelingen verrichten die overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, 4° en 5°, van het Btw-Wetboek de van voornoemde handelingen geheven voorbelasting in aftrek mogen brengen telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd of wanneer betreffende handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap.
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek
De in artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de in dat artikel bedoelde belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – punt 1 – rubriek B) die kan aantonen dat de teruggevraagde btw voor aftrek in aanmerking komt.
Worden onder meer beoogd de niet in België gevestigde belastingplichtigen die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben en die niet beschikken over een rechtstreekse identificatie (zie circulaire 2022/C/99 van 10.04.2022 betreffende het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en het koninklijk besluit van 10.04.2022 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 31 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 139.514), aanschrijving nr. 4/2003 (E.T. 103.925) van 04.03.2003 en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009.
De teruggaaf geschiedt overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd, wanneer het een belastingplichtige betreft gevestigd in een andere lidstaat dan België, alsook wanneer het een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige betreft. De modaliteiten daartoe worden bepaald in koninklijk besluit nr. 56, voornoemd en in de artikelen 9, §§ 2 en 3, en 12, §§ 1bis en 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek
De in artikel 76, § 3, van het Btw-Wetboek bedoelde rechthebbende op de teruggaaf is de in dat artikel bedoelde belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – punt 1 – rubriek C) die kan aantonen dat de teruggevraagde btw voor aftrek in aanmerking komt, zijnde onder meer:
• de personen die slechts toevallig nieuwe gebouwen of gedeelten van gebouwen en het bijhorend terrein vervreemden of op die gebouwen zakelijke rechten vestigen, overdragen of wederoverdragen ingevolge de bepalingen van artikel 8 van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige niet van rechtswege maar moeten uitdrukkelijk voor deze hoedanigheid opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen en afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5 van dit hoofdstuk).
• de personen of groeperingen die toevallig een nieuw vervoermiddel intracommunautair leveren ingevolge de bepalingen van artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek. Zij verwerven de hoedanigheid van belastingplichtige van rechtswege en dienen er aldus niet uitdrukkelijk voor te opteren (zie ook Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen). Op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek kunnen zij binnen de grenzen bepaald in artikel 45, § 1bis, van voornoemd Wetboek teruggaaf bekomen. In de regel kan deze teruggaaf worden bekomen door middel van de indiening van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte van de belasting geheven van de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen die onder de voorwaarden bepaald in artikel 39bis van het Btw-Wetboek worden geleverd. Deze aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek vervuld zijn op het tijdstip van het indienen van deze aangifte. Wanneer dit niet het geval is dient een aanvraag om teruggaaf te worden ingediend overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is de rechthebbende op de teruggaaf degene die de belasting aan de staat heeft voldaan.
Voor wat de binnenlandse handelingen en de intracommunautaire verwervingen van goederen betreft, is dit aldus:
• hetzij de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die de terug te geven belasting heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in de aangifte en die deze belasting aan de schatkist heeft gestort, wanneer het gaat om handelingen gesteld door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die naargelang het geval, gehouden is tot de indiening van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
• hetzij, voor de andere gevallen, de persoon die kan aantonen dat hij op een regelmatige wijze de btw aan de schatkist heeft betaald.
De administratie mag overeenkomstig artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, echter in bepaalde gevallen van de hiervoor vastgestelde regels afwijken. Deze bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Bijvoorbeeld aan een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling beoogd in het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de biezondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.
Wanneer een verkoop wordt ontbonden in het voordeel van een derde die in de rechten van de verkoper werd gesubrogeerd, kan de belasting die van de verkoop werd geheven, worden teruggegeven alsof de verkoop ontbonden was op aanvraag van de verkoper. De financieringsmaatschappij die gesubrogeerd werd in de rechten van de verkoper of eventueel de verzekeringsmaatschappij die gesubrogeerd werd in de rechten van de verkoper of van de financieringsmaatschappij, wordt gemachtigd om in de plaats van de verkoper het recht op teruggaaf uit te oefenen.
In geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs kan de belasting eveneens tot het passende beloop worden teruggegeven aan de instelling die in de rechten van de verkoper werd gesubrogeerd. De teruggave ten voordele van een in de rechten van de verkoper gesubrogeerde derde wordt toegelicht in de aanschrijving nr. 20/1975 van 24.09.1975 en aanschrijving nr. 21/1975 van 24.09.1975.
De teruggaaf van de belasting mag tevens worden toegestaan aan degene die, handelend als borg voor de gefailleerde koper, aan de verkoper de verkoopprijs voor een levering van goederen en de erover berekende btw betaalt. In dit geval heeft er immers wettelijk een in de plaatsstelling plaats ten voordele van deze persoon in de rechten van de verkoper, ingevolge artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek. Om deze teruggave te bekomen moet de borg, overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, een aanvraag tot teruggave indienen bij het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde (controlecentrum) waaronder hij ressorteert.
Dienaangaand wordt opgemerkt dat de borg, wanneer hij de schuldvordering geheel of ten dele lastens de failliete boedel kan recupereren, de btw met betrekking tot het gerecupereerde bedrag aan de staat moet terugstorten in de mate waarin zij initieel in aftrek werd gebracht (zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 7 van de heer Volksvertegenwoordiger Vansteenkiste van 14.05.1974).
In de mate waarin kredietverzekeringsmaatschappijen volledig worden gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden, in casu de belastingplichtige-schuldeisers, zelfs indien deze laatste slechts gedeeltelijk werden vergoed door genoemde maatschappijen, en dat deze volledige subrogatie voortvloeit uit de wet zelf (zie inzonderheid artikel 75 van de wet van 25.06.1992 op de landverzekeringsovereenkomst) of uit de contractuele bepalingen die de betrekkingen regelen tussen de kredietverzekeringsmaatschappijen en hun verzekerden, kunnen deze maatschappijen het recht op teruggaaf voorzien in artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek uitoefenen in de plaats van voornoemde verzekerden. Dit geldt uiteraard slechts voor zover de kredietverzekeringscontracten de belasting over de toegevoegde waarde niet uit hun toepassingsgebied uitsluiten. Indien evenwel enkel het bedrag van de schuldvorderingen exclusief btw het voorwerp uitmaakt van een waarborg tegen verliezen geleden ingevolge het onvermogen van klanten van de verzekerden, dan worden de kredietverzekeringsmaatschappijen slechts gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden ten belope van het bedrag exclusief btw en zijn ze derhalve niet bevoegd om een recht op teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde uit te oefenen ten voordele van deze verzekerden (zie ook beslissing nr. E.T. 112.070 van 15.05.2007 en beslissing nr. E.T. 112.070/2 van 10.08.2007).
Inzake de overdracht van schuldvordering wordt de overnemer − meestal een factoringmaatschappij − eigenaar van de schuldvordering ingevolge de overdracht ervan die in de regel door endossement van de factuur wordt vastgesteld en zelfs tegen derden kan worden ingeroepen (zie artikel 13, eerste lid, en artikel 16, derde lid, van de wet van 31.03.1958). In die omstandigheden is het de overnemer van de schuldvordering die bij geheel of gedeeltelijk verlies van de vordering van de prijs krachtens artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek aanspraak kan maken op teruggaaf van de btw (beslissing nr. E.T. 56.795 van 04.12.1987).
5. Teruggaaf bedoeld in de artikels 77, § 1bis, en 77bis van het Btw-Wetboek
Krachtens artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf van bij invoer betaalde belasting verleend aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting in zijnen hoofde vaststelt.
Voor de goederen ingevoerd met verlegging van de heffing naar het binnenland, is de rechthebbende de belastingplichtige die de wegens invoer verschuldigde belasting in rooster 57 van zijn periodieke btw-aangifte heeft opgenomen en die de belasting waarvan die aangifte de opeisbaarheid vaststelt, heeft voldaan.
Bij toepassing van het derde lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4,voornoemd, mag de administratie echter in bepaalde gevallen afwijken van deze regels. Die bepaling maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere feitelijke omstandigheden om de teruggaaf aan andere personen toe te staan. Zo kan teruggaaf worden verleend aan de aangever die de btw heeft voldaan in naam en voor rekening van de geadresseerde, wanneer het invoerdocument dat aan de douane werd voorgelegd om de betaling van btw vast te stellen moet worden geannuleerd. Dat is onder meer het geval wanneer de ingevoerde goederen door de geadresseerde worden geweigerd en ze door de aangever naar een plaats buiten de Gemeenschap worden wederuitgevoerd, of nog, wanneer de aangever, voordat hij de gevalideerde aangifte ten verbruik aan de geadresseerde toezendt, vaststelt dat de aangifte fouten bevat en moet worden vervangen.
De hierboven geschetste situatie mag echter niet worden verward met deze waarin de aangever, na de bij invoer verschuldigde btw te hebben betaald voor rekening van een klant die failliet werd verklaard, nog steeds in het bezit is van het invoerdocument. In dat geval kan de aangever noch bij toepassing van artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek, noch bij toepassing van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aanspraak maken op teruggaaf. Bijvoorbeeld wanneer de aangever in het bezit is van de gevalideerde invoeraangifte en de geadresseerde weigert (om welke reden ook) het (voorgeschoten) btw-bedrag te betalen aan de aangever.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, van het Btw-Wetboek evenwel niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen. Wanneer de bedoelde teruggaaf betrekking heeft op de invoer van een bedrijfsmiddel of van een ander goed waarvoor de bij de invoer voldane belasting slechts gedeeltelijk in aftrek kon worden gebracht, is de geadresseerde die de teruggaaf bekomt ertoe gehouden de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin hij ze oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht. Die terugstorting vindt plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting dat is verschuldigd over het aangiftetijdvak waarin de teruggaaf wordt bekomen.
6. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2 van het Btw-Wetboek
De teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek wordt verleend aan de invalide of gehandicapte die bij de verkrijging of bij de invoer van een auto voldoet aan alle voorwaarden gesteld om te kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief, voorzien in tabel A, rubriek XXII, eerste afdeling, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Geen enkele bepaling maakt teruggaaf mogelijk van de btw geheven naar aanleiding van omvormingswerken aan een dergelijk voertuig.
Wanneer evenwel het voertuig, ingevolge het verkoopcontract, door de verkoper van de wagen of door een derde die handelt voor rekening van de verkoper wordt omgevormd, vormt de kostprijs van de omvorming een element van de prijs van de levering van het aangepaste voertuig en wordt zij als dusdanig belast. De belasting geheven op het gedeelte van de prijs dat overeenstemt met de waarde van de omvormingswerken kan dan op grond van voornoemd artikel 77, § 2, worden teruggegeven. Indien de omvormingswerken worden verricht voor rekening van de invalide, ingevolge een afzonderlijke overeenkomst - bijvoorbeeld door een derde of na de levering van het voertuig - is de btw verschuldigd zonder mogelijkheid tot teruggave (schriftelijke parlementaire vraag nr. 290 van de heer Volksvertegenwoordiger David Geerts van 11.01.2010).
[Top]
Afdeling 5 - Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.
Het is immers van wezenlijk belang om de dag waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat juist te bepalen. Dit is immers de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf kan worden ingesteld maar eveneens de dag vanaf dewelke de vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 82, van het Btw-Wetboek begint te verjaren. Ingevolge de bepalingen van artikel 82bis, van voornoemd Wetboek verjaart deze vordering tot teruggaaf na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.
1. Teruggaaf bedoeld in artikel 76, § 1, van het Btw-Wetboek
Wanneer het recht op teruggaaf haar oorzaak vindt in de indiening van een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek waarin het bedrag van de aftrekbare en voor teruggaaf vatbare btw hoger is dan de verschuldigde btw, dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van voornoemde aangifte.
Voor verdere toelichting aangaande de verjaring van deze vordering wordt verwezen naar Boekwerk VII: Controle en navordering van de belasting - Hoofdstuk 19: Verjaringen – Afdeling 11 – rubriek C: Eindpunt van de verjaringstermijn.
Vindt een recht op teruggaaf daarentegen haar oorzaak in de indiening van een bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek dan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip van indiening van deze aangifte mits aan alle voorwaarden van artikel 83, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is voldaan.
Ten aanzien van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan in dat tijdvak.
2. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek
A. Algemeen
In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 2) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:
• wanneer de betaalde belasting het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is, op de datum van betaling (artikel 77, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek). Als ‘datum van betaling’ wordt aangemerkt, de datum waarop de belastingplichtige de verschuldigde belasting aan de Staat betaalt.
• wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering wordt toegestaan of wanneer de leverancier de medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingsmiddelen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend, op de datum waarop de prijsvermindering wordt toegestaan of op de datum waarop de creditnota door de leverancier aan de medecontractant wordt uitgereikt (artikel 77, § 1, 2° en 3°, van het Btw-Wetboek)
• wanneer de overeenkomst voor de levering of voor de uitvoering van de dienst verbroken is, op de datum waarop de partijen overeenkomen over de verbreking (artikel 77, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek)
• wanneer de overeenkomst minnelijk vernietigd of ontbonden is, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)
• wanneer de overeenkomst door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is op de datum waarop het vonnis of het arrest, waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 77, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek)
• wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen op de datum waarop wordt aangetoond dat het goed is teruggenomen (artikel 77, § 1, 6°, van het Btw-Wetboek)
• in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, op de datum waarop het verlies als zeker mag worden beschouwd. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het geleden verlies op de winst- en verliesrekening werd ingeschreven nadat alle middelen van verhaal zijn uitgeput (artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek).
Wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek moet de leverancier of de dienstverrichter overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.
De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.
In de regel moet de leverancier of de dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek aan de staat het bedrag van de belasting terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag en dit indien de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Dit gebeurt door het opnemen van het bedrag van de verschuldigde belasting in de aangifte met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen. Voor wat de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie betreft, wordt hiervan evenwel afgeweken (zie ook rubriek B hierna).
B. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van gerechtelijke reorganisatie
a. Algemeen
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een
gerechtelijke reorganisatie:
• in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan
• in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord
• op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd.
De hiervoor beoogde schuldvorderingen worden derhalve in principe vanaf betreffende data - opgenomen in de bepalingen van voornoemd artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 - geacht blijvend te zijn verminderd in de zin van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek. De administratie gaat ervan uit dat de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van voornoemd Wetboek in deze niet van toepassing zijn daar zij enkel de situaties beogen waarin de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden én later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt. Een uitzondering hierop is echter het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag worden gesteld en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.
De leverancier of de dienstverrichter is overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek in de hiervoor beoogde gevallen evenwel steeds gehouden aan de medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.
b. Gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord
De wet van 31.01.2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen werd met ingang van 01.05.2018 opgeheven, en werd vervangen door de wet van 11.08.2017 houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht (BS 11.09.2017)
Vooreerst wordt benadrukt dat het navolgende uitsluitend van toepassing is in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.67 en volgende van het Wetboek van economisch recht (hierna WER) wordt in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord voorzien in het opstellen van een reorganisatieplan waarin de rechten van alle personen die titularis zijn van schuldvorderingen in de opschorting of van schuldvorderingen die zullen ontstaan ten gevolge van de stemming of de homologatie van het reorganisatieplan (artikel XX.71 van het WER )worden beschreven. Betreffend reorganisatieplan vermeldt daarenboven onder andere de voorgestelde betalingstermijnen en de verminderingen op de schuldvorderingen in de opschorting, in kapitaal en intresten (artikel XX.72 van het WER). Hierbij mag het voor elke schuldeiser uitgebrachte betalingsvoorstel in principe niet minder bedragen dan 20% van het bedrag van de schuldvordering (artikel XX.73 van het WER). Dienaangaand verduidelijkt artikel I.22, 11°, van het WER (Definities eigen aan boek XX) dat met de term schuldvorderingen in de opschorting worden bedoeld ‘de schuldvorderingen ontstaan voor het vonnis dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie opent of die uit het verzoekschrift of gerechtelijke beslissingen genomen in het kader van de procedure volgen’.
Volledigheidshalve wordt evenwel opgemerkt dat betreffend reorganisatieplan wordt geacht goedgekeurd te zijn door de schuldeisers wanneer de meerderheid van hen, vertegenwoordigd door hun schuldvorderingen, de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen, voor stemmen (artikel XX.78 van het WER)
Het voorgaande heeft voor gevolg dat een eventuele schuld inzake btw die ten aanzien van de administratie ontstaat ingevolge de stemming van het reorganisatieplan of ingevolge de homologatie ervan door de daartoe bevoegde insolventierechtbank, dient te worden aangemerkt als een schuld in de opschorting in de zin van de bepalingen van voornoemd artikel I.22, 11°, van het WER en aldus overeenkomstig de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd in dezelfde mate als de schuldvordering waarop zij betrekking heeft. Deze benadering sluit tevens aan bij het door het Hof van justitie van de Europese Unie gewezen arrest van 07.04.2016 in de zaak C-546/14, Degano Trasporti Sas di Ferrucio Degano & C..
Op dezelfde manier als in subrubriek a., is de leverancier of de dienstverrichter (in casu de schuldeiser) overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden aan de medecontractant (in casu de schuldenaar) een verbeterend stuk uit te reiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting. De leverancier of de dienstverrichter recupereert van de staat de op de uitgereikte creditnota vermelde btw, door opname van het bedrag in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft uitgereikt. De medecontractant dient hierbij de belasting terug te storten aan de staat, in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, door ze op te nemen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. Terzelfdertijd verricht de medecontractant in rooster 62 een regularisatie in zijn voordeel ten belope van de vermindering die deze btw als schuld in de opschorting kent.
Voorbeelden
• Een belastingplichtige schuldenaar (hierna A genaamd) heeft een openstaande schuld ten bedrage van 12.100,00 euro (= 10.000,00 euro + 2.100,00 euro btw) bij zijn belastingplichtige leverancier (hierna B genaamd) en beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord. Bij de opening van betreffende procedure is de Belgische Staat (in casu de btw-administratie) geen houder van een reeds op dat ogenblik bestaande schuldvordering ten opzichte van A. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat A de voorbelasting (in casu 2.100,00 euro) geheel in aftrek heeft gebracht.
Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank worden alle schulden in de opschorting in de zin van artikel I.22, 11°, van het WER verminderd met één derde.
Dientengevolge wordt de openstaande schuldvordering verminderd tot 8.066,67 euro (= 6.666,67 EUR + 1.400,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 700,00 euro (= 1/3 van 2.100 euro) in hoofde van B die een creditnota ten bedrage van 4.033,33 euro (= 3.333,33 euro + 700,00 euro btw) uitreikt aan A. Derhalve is A overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 700,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens A ontstaat.
Deze in hoofde van A ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met, in casu, één derde. Derhalve dient voornoemde schuldvordering van 700,00 euro te worden verminderd met één derde, zijnde 233,33 euro, tot 466,67 euro.
Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld, dient enerzijds door A te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 700,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (A) wordt opgenomen voor een bedrag van 233,33 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door B te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt.
• Een belastingplichtige schuldenaar (hierna X genaamd) beroept zich op de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord en heeft meerdere openstaande schulden bij verschillende leveranciers en bij de Belgische Staat, zijnde:
o bij leverancier Y ten bedrage van 36.300,00 euro (= 30.000,00 euro + 6.300,00 euro btw)
o bij leverancier Z ten bedrage van 24.200,00 euro (= 20.000,00 euro + 4.200,00 euro btw)
o 30.000,00 euro aan achterstallige belastingen (vennootschapsbelasting en btw) ten voordele van de Belgische Staat.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat X de voorbelasting geheel in aftrek heeft gebracht.
Ingevolge de stemming en de homologatie van het reorganisatieplan door de bevoegde insolventierechtbank wordt in een gedifferentieerde behandeling van de verschillende schuldeisers voorzien en worden betreffende schuldvorderingen in de opschorting respectievelijk verminderd met navolgende percentages:
o openstaande schulden bij leverancier Y met 20 %
o openstaande schulden bij leverancier Z met 40 %
o openstaande schulden bij de Belgische Staat met 20 %.
Bij wijze van verduidelijking wordt in deze de behandeling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde weergegeven voor wat de openstaande schulden bij leverancier Z betreft. In gevolge de homologatie van voornoemd reorganisatieplan wordt betreffende openstaande schuld verminderd tot 14.520,00 euro (= 12.000,00 euro + 2.520,00 euro btw) en ontstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 77, § 1, 7°, van het Btw-Wetboek een vordering tot teruggaaf ten bedrage van 1.680,00 euro (= 40 % van 4.200,00 euro) in hoofde van Z die een creditnota ten bedrage van 9.680,00 euro (= 8.000,00 euro + 1.680,00 euro btw) uitreikt aan X. Derhalve is X overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd Wetboek gehouden de belasting terug te storten aan de staat ten bedrage van 1.680,00 euro, meer bepaald in de mate dat deze door hem in aftrek werd gebracht, waardoor in hoofde van de Belgische Staat een schuldvordering lastens X ontstaat.
Deze in hoofde van X ontstane schuld dient overeenkomstig voornoemd artikel I.22,11° eveneens te worden aangemerkt als een schuldvordering in de opschorting dewelke ingevolge de bepalingen van artikel XX.72 van het WER tevens dient te worden verminderd met 40 %, meer bepaald met hetzelfde percentage als hetgeen van toepassing is op de schuldvordering in de opschorting waarop zij betrekking heeft. Derhalve dient voornoemde in hoofde van X ontstane schuld van 1.680,00 euro te worden verminderd met 40 %, zijnde 672,00 euro, tot 1.008,00 euro. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze vermindering aldus geenszins wordt beïnvloed door het respectievelijke percentage, in casu 20 %, dat van toepassing is ten aanzien van de schulden die X heeft openstaan bij de Belgische Staat.
Het bedrag aan btw dat in deze creditnota is vermeld dient enerzijds door X te worden opgenomen in rooster 63 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd ontvangen voor een bedrag van 1.680,00 euro en waarbij in rooster 62 een regularisatie in het voordeel van de aangever (X) wordt opgenomen voor een bedrag van 672,00 euro. Anderzijds dient het bedrag aan btw dat in betreffende creditnota is vermeld door Z te worden opgenomen in rooster 64 van de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het verbeterend stuk werd uitgereikt voor een bedrag van 1.680,00 euro.
C. Ontstaan van de vordering tot teruggaaf ingeval van faillissement
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ontstaat de vordering tot teruggaaf met betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
Tot en met 30.04.2018 was de faillissementswet van 08.08.1997 (BS 28.10.1997) van toepassing.
Artikel 11 van voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 bepaalt dat de rechtbank van koophandel bij voornoemd vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, een rechter- commissaris benoemt. Betreffende rechtbank stelt tevens één of meer curators aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt in voorkomend geval een plaatsopneming door de rechter-commissaris, de curators en de griffier. Zij beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde ter griffie aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel 38 van voornoemde Wet.
Met ingang van 01.05.2018 werd voornoemde faillissementswet van 08.08.1997 opgeheven, onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die liepen op 01.05.2018, en werd deze vervangen door de Wet van 11.08.2017 (BS 11.09.2017) houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht.
Artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat de insolventierechtbank in het
vonnis van faillietverklaring onder haar leden, de voorzitter uitgezonderd, één of meerdere rechterscommissarissen benoemt. De insolventierechtbank stelt een of meer curatoren aan, al naar de belangrijkheid van het faillissement. Zij beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel
XX.107. Hetzelfde vonnis bepaalt de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de
schuldvorderingen in het register wordt neergelegd. Dit tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste
vijf en ten hoogste dertig dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de
schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie.
Uit de samenlezing van hetgeen voorafgaat volgt aldus dat de vordering tot teruggaaf met
betrekking tot het verlies van schuldvordering als gevolg van een faillissement ontstaat op de datum van het vonnis van faillietverklaring en dat één of meerdere curators bij datzelfde vonnis worden aangesteld. Daarenboven verduidelijken voornoemd artikel 11 van de faillissementswet en artikel XX.104 van het Wetboek economisch recht dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering dienen te doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring.
Tot slot wordt opgemerkt dat in geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, de leverancier of de dienstverrichter niet gehouden is aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt.
3. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek
In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1bis, en 77bis, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titels 3 en 5) wordt het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, en waarop bijgevolg de vordering tot teruggaaf ontstaat, als volgt bepaald:
• wanneer de betaalde belasting de wettelijk verschuldigde belasting overtreft (artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop die belasting werd betaald
• wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan (artikel 77, § 1bis, 1°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt
• wanneer de verpakking naar een plaats buiten de Gemeenschap wordt teruggezonden (artikel 77, § 1bis, 2°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de creditnota door de leverancier wordt uitgereikt
• wanneer de overeenkomst minnelijk of door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is (artikel 77, § 1bis, 3°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de goederen worden wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, of, indien de goederen vóór de vernietiging of ontbinding werden wederuitgevoerd, op de datum waarop de partijen de vernietiging vaststellen of overeenkomen over de ontbinding, of ook, op de datum waarop het vonnis of het arrest waarbij de vernietiging of de ontbinding werd uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan
• wanneer het goed binnen zes maanden werd wederuitgevoerd (artikel 77, § 1bis, 4°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap
• wanneer het goed werd vernietigd alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten (artikel 77, § 1bis, 5°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de vernietiging
• wanneer het goed na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder een regeling bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5, van het Wetboek (artikel 77, § 1bis, 6°, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de belasting werd betaald
• wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd (artikel 77, § 1bis, 7°, van het Btw-Wetboek), op de datum van de wederuitvoer buiten de Gemeenschap of de vernietiging van het goed
• wanneer de niet-belastingplichtige rechtspersoon aantoont dat hij een aan de belasting onderworpen intracommunautaire verwerving heeft verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de ingevoerde goederen (artikel 77bis, van het Btw-Wetboek), op de datum waarop de aan de btw onderworpen verwerving heeft plaatsgevonden.
4. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek
De in artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4) bedoelde vordering tot teruggaaf ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet, namelijk op de datum waarop de rechthebbende de belasting ter zake van de verkrijging van het voertuig heeft voldaan in handen van de verkoper of op de datum waarop de wegens de intracommunautaire verwerving of wegens de invoer verschuldigde btw werd voldaan.
Voor de oorlogsinvaliden is het genieten van een invaliditeitspensioen van ten minste 50% een essentiële voorwaarde om de teruggaaf te bekomen.
Wanneer aan een oorlogsinvalide een invaliditeitspensioen van ten minste 50% wordt toegekend, of wanneer zijn invaliditeitspensioen op 50% of meer wordt gebracht met terugwerkende kracht tot op een tijdstip dat de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer voorafgaat, ontstaat de vordering tot teruggaaf op de datum van betekening aan de betrokkene van de beslissing waarbij het invaliditeitspensioen wordt toegekend of het percentage van de invaliditeit wordt verhoogd.
De vordering tot teruggaaf kan, overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, worden uitgeoefend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.
5. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek
Voor de in artikel 8, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 1 – rubriek B hiervoor en Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige – Afdeling 7 : Toevallige belastingplichtigen) doet de oorzaak van de vordering tot teruggaaf zich voor op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt over de volledige maatstaf van heffing wat betreft de belasting die op dat tijdstip reeds aftrekbaar is, en op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat wat betreft de belasting waarvoor de belastingplichtige slechts schuldenaar wordt na de datum waarop de btw opeisbaar wordt over de volledige maatstaf van heffing (zie ook artikelen 2 en 5 van koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen).
6. Teruggaaf van bedragen betaald op verzoek van de administratie
De vordering tot teruggaaf van belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten voldaan op verzoek van de administratie ontstaat op de datum waarop die sommen zijn betaald.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de fiscale geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, in afwijking van artikel 5, § 1, van dat koninklijk besluit, niet plaatsvinden door toerekening op het bedrag van de door de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon verschuldigde belasting, voor zover het niet gaat om teruggaaf van de in een aangifte vastgestelde te betalen sommen.
De vordering tot teruggaaf van die belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten is niet afhankelijk van het vervullen van de bij artikel 4 van dat besluit bepaalde formaliteiten. Zij moet worden ingesteld bij de rechtbank bepaald in artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, bij een verzoekschrift op tegenspraak, opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies van dat Wetboek.
[Top]
Afdeling 6 - Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf
Bij het toelichten van de modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf wordt een onderscheid gemaakt al naar het gelang het een teruggaaf betreft aan een belastingplichtige of niet-belastingplichtige persoon die hetzij gehouden is tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, hetzij tot het indienen van een bijzondere aangifte in de zin van artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek, dan wel een teruggaaf aan een andere persoon.
1. Teruggaaf aan belastingplichtigen gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
A. Principe: overdracht naar het volgende aangiftetijdvak
Op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde wordt de belasting waarvoor het recht op aftrek wordt uitgeoefend, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, samengevoegd met de bij toepassing van artikel 77, § 1 en 1bis, van het Btw-Wetboek terug te geven bedragen om te bepalen of het eindresultaat van de aangifte een aan de staat te storten bedrag is dan wel een belastingkrediet ten gunste van de belastingplichtige.
De bedragen die om welke reden ook moeten worden teruggegeven, worden toegerekend op het bedrag van de btw die door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon voor het aangiftetijdvak is verschuldigd. De toerekening is echter niet toegestaan voor de belasting, nalatigheidsinteresten en fiscale geldboeten die worden voldaan op verzoek van de administratie. Die bedragen mogen in geen geval in een aangifte voorkomen (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Onder voorbehoud van hetgeen hierna volgt wordt, wanneer het eindresultaat van de aangifte een belastingkrediet is ten gunste van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, dit saldo overgedragen naar een volgend aangiftetijdvak (artikel 81 § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
B. Teruggaaf: laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar
In afwijking op het principe dat het eindresultaat in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek wordt overgedragen naar een volgend aangiftetijdvak wordt een dergelijke saldo op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige teruggegeven wanneer het blijkt uit de aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, indien het 50 euro (4) bereikt (artikel 81, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
(4) Vóór 01.04.2021 minimum 245 euro (zie circulaire AAFisc nr. 2021/C/41 van 04.05.2022 met betrekking tot de verlaging van de minimumbedragen opgenomen in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde).
Voor het verkrijgen van de teruggaaf van het hiervoor bedoelde saldo is vereist dat voldaan is aan de toepasselijke algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Indien het belastingkrediet kleiner is dan 50 euro of indien niet aan de hiervoor bedoelde algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten is voldaan wordt het saldo overgedragen naar het eerste aangiftetijdvak van het volgend jaar.
C. Teruggaaf per kwartaal
In afwijking op het principe dat het eindresultaat in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek wordt overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak wordt een dergelijk saldo op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige teruggegeven wanneer het blijkt uit een aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of de aangifte met betrekking tot de laatste maand van elk van die kwartalen aan de belastingplichtige teruggegeven, indien het 400 euro (5) bereikt (artikel 81, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
(5) Vóór 01.04.2021 minimum 615 euro of 1.485 euro respectievelijk voor belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, driemaandelijks aangiften indienen dan wel voor zij die maandelijks aangiften indienen (zie circulaire AAFisc nr. 2021/C/41 van 04.05.2022, voornoemd).
Voor het verkrijgen van de teruggaaf van het hiervoor bedoelde saldo is vereist dat voldaan is aan de toepasselijke algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Indien het belastingkrediet kleiner is dan 400 euro of indien niet aan hiervoor bedoelde algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten is voldaan wordt het bedoelde saldo overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.
D. Maandelijkse teruggaaf
a. Klassiek stelsel
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 81, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt tevens voorzien in een stelsel van maandelijkse teruggaaf van btw. Dit stelsel betreft belastingplichtigen die vrijwel steeds een tegoed tegenover de schatkist hebben, teneinde de voorfinancieringslast te temperen die dergelijke tegoeden veroorzaken.
Het gaat daarbij in de regel om ondernemingen wier activiteit grotendeels van de btw is vrijgesteld (bijvoorbeeld omdat ze actief zijn in de internationale handel) of in België niet aan de btw is onderworpen (bijvoorbeeld omdat de handelingen niet in België worden verricht of om ondernemingen wier activiteit bestaat uit handelingen in België waarvoor ze niet als schuldenaar van de btw worden aangemerkt), terwijl ze voor hun inkomende handelingen btw moeten betalen.
Hetzelfde geldt voor de ondernemingen binnen de bouwsector waarvan de handelingen conform tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, onderworpen zijn aan het verminderd tarief van 6 %, terwijl hun inkomende handelingen in principe tegen het tarief van 21% aan de btw worden onderworpen, als gevolg waarvan ook zij regelmatig een belastingoverschot hebben.
Het klassieke stelsel van de maandelijkse teruggaaf van btw maakt het voorwerp uit van de circulaire AOIF nr. 9/2009 (nr. E.T. 115.806) van 03.03.2009.
Voor de toepassing van het stelsel is vereist dat de belastingplichtige beoogd is in het stelsel en dat voldaan is aan de hierna besproken bijzondere toepassingsvoorwaarden.
Voor het verkrijgen van de teruggaaf in toepassing van het stelsel is bovendien vereist dat aan de belastingplichtige daartoe een vergunning maandelijkse teruggaaf is verleend (zie ‘e. Vergunning maandelijkse teruggaaf’, hierna) evenals dat is voldaan aan de algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Beoogde belastingplichtigen
Zowel de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek als de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek (6) komen in aanmerking om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te genieten, voor zover ze hier uitdrukkelijk om verzoeken en ze voldoen aan de hieronder vermelde toepassingsvoorwaarden.
(6) Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.
Daarentegen wordt van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf uitgesloten, de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd onder een individueel nummer maar die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon welke beschikt over een globaal btw-identificatienummer waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt.
Bijzondere toepassingsvoorwaarden (algemeen)
Om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten dient betreffende belastingplichtige aan de volgende bijzondere toepassingsvoorwaarden te voldoen:
• tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 30 % van zijn totale omzet gerealiseerd hebben:
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39, 39bis of 39quater, of van artikel 40, § 2, 1°, en 2°, 41, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, of 42 van het Btw-Wetboek
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant ingevolge de artikelen 51, § 2, eerste lid, 5°, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten binnen de onroerende sector waarvoor het verminderd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1quater en de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII, XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten die in het buitenland plaatsvinden voor zover het belastingoverschot voortvloeit uit de voorfinanciering van de belasting geheven op deze goederen en diensten.
• tijdens dezelfde periode ten minste 12.000 euro belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad
Voornoemde bijzondere toepassingsvoorwaarden worden hierna omstandig toegelicht.
Toepassingsvoorwaarde 1: Bepaling van de totale omzet en van de ‘vrijgestelde’ omzet
Voor het vaststellen van de totale omzet van de belastingplichtige in het kader van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de btw, dient rekening te worden gehouden met al de leveringen van goederen en de diensten die een als zodanig handelende belastingplichtige in België onder bezwarende titel verricht.
Ondanks het feit dat het omzetcijfer niet alleen vrijgestelde handelingen omvat, wordt het omzetcijfer dat in aanmerking komt om de regeling van de maandelijkse teruggaaf te genieten ‘vrijgesteld’ omzetcijfer genoemd.
Het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer omvat de navolgende leveringen van goederen en diensten die vrijgesteld zijn van de btw op grond van de volgende artikelen van het Btw-Wetboek:
• artikel 39 van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (uitvoeren) en diensten met betrekking tot goederen die worden uitgevoerd
• artikel 39bis van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat van de Gemeenschap (intracommunautaire leveringen)
• artikel 39quater, § 1, 1° tot 3°, van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen en diensten die worden verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (btw-entrepot)
• artikel 40, § 2, 1° en 2°, van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die zich onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Wetboek bedoelde regelingen bevinden met handhaving van die regeling, alsmede diensten met betrekking tot dergelijke goederen
• artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, van het Btw-Wetboek: diensten inzake internationaal vervoer van goederen en de daarmee samenhangende diensten
• artikel 42 van het Btw-Wetboek: met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde handelingen.
De volgende handelingen worden, voor zover ze in België plaatsvinden, eveneens opgenomen in het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer in de mate dat de medecontractant een in België gevestigde belastingplichtige is, gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, of een niet in België gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangesteld:
• werken in onroerende staat en de op grond van artikel 20, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, hieraan gelijkgestelde handelingen (toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek)
• de leveringen van goud of halffabrikaten met een zuiverheid van tenminste 325 duizendsten of de leveringen van beleggingsgoud bedoeld in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, (toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek)
• de leveringen van goederen en diensten verricht door een niet in België gevestigde doch wel voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige (toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek)
• diensten zoals bedoeld in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, die bestaan in de overdracht van broeikasgasemissierechten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG, die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, evenals andere eenheden die door exploitanten kunnen worden gebruikt om die richtlijn na te leven (toepassing artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek) (7)
(7) Deze handelingen worden, voor zover ze in België plaatsvinden, eveneens opgenomen in het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer in de mate dat de medecontractant een niet in België gevestigde belastingplichtige is die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
• werken in onroerende staat, leveringen van gebouwen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op dergelijke gebouwen welke onderworpen zijn aan het verminderd tarief van 6 % overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd (8).
(8) Deze handelingen geven eveneens aanleiding tot een belastingoverschot en worden in deze dan ook als ‘vrijgesteld’ omzetcijfer aangemerkt.
De volgende handelingen mogen zowel bij de totale omzet als bij het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer worden gevoegd:
• bepaalde leveringen van goederen in het buitenland, inzonderheid:
o leveringen van goederen vanuit België die in een andere lidstaat plaatsvinden ingevolge artikel 15, § 2 van het Btw-Wetboek (verkopen op afstand)
o leveringen van goederen vanuit België die door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd en waarvoor de plaats van de levering zich overeenkomstig artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek in het buitenland situeert
o leveringen van goederen waarvan de plaats buiten de Gemeenschap is gelegen voor zover die goederen eerst door de belastingplichtige vanuit België werden overgebracht naar een verkoopkantoor buiten de Gemeenschap
o leveringen van goederen waarvan de plaats in een andere lidstaat dan België is gelegen, voor zover deze goederen voorafgaandelijk het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering als bedoeld in artikel 12bis van het Btw-Wetboek (met een levering onder bezwarende titel gelijkgestelde overbrenging). Om dubbeltelling te vermijden dient het bedrag dat als maatstaf van heffing heeft gediend voor de in artikel 12bis bedoelde levering in mindering te worden gebracht van de totale omzet en de vrijgestelde omzet. Deze dubbeltelling wordt trouwens vermeden doordat de overbrenging in de periodieke btw-aangifte moet worden geannuleerd. De overbrenging moet worden opgenomen in rooster 46 van de periodieke btw-aangifte, de annulatie in rooster 49 en de verkoop binnen de andere lidstaat in rooster 47
o leveringen vanuit België van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net, leveringen van elektriciteit of leveringen van warmte of koude via warmte- of koudenetten, die op grond van artikel 14bis, van het Btw-Wetboek in het buitenland plaatsvinden, voor zover het belastingtegoed voortspruit uit de van de betreffende goederen geheven voorbelasting
• de facturaties van goederen of diensten met opschorting van de betaling van de btw ingevolge artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, (in geval zich een oorzaak van opeisbaarheid voordoet vóór de uitvoer van de goederen), alsmede de facturaties bedoeld in artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek (in geval van intracommunautaire leveringen wanneer de factuur wordt afgeleverd vóór de vijftiende van de maand volgend op die waarin het belastbaar feit heeft plaatsgevonden). Indien nochtans ingevolge een wijziging in de uitvoering van het contract de goederen voor het binnenlands verbruik worden bestemd, moet het gefactureerde bedrag waarvan sprake in het vorige lid, in aftrek worden gebracht van de ‘vrijgestelde’ omzet. Indien na de facturering het contract wordt verbroken, moet het gefactureerde bedrag in aftrek worden gebracht van de ‘vrijgestelde omzet’ en van de totale omzet
• de waarde van de materialen die worden verzonden naar een plaats buiten de Gemeenschap met het oog op het verrichten van een materieel werk of expertise of op een werk in onroerende staat in dat derde land
• de diensten die bestaan uit een materieel werk of expertise met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed die materieel in België worden verricht doch waarvan de plaats overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in een andere lidstaat dan België is gesitueerd
• de diensten van vervoer en met vervoer samenhangende diensten die op grond van artikel 21, § 2 of § 3, 2°, van het Btw-Wetboek buiten België plaatsvinden, of waarvan sprake in artikel 21bis, § 2, 3°, 4° of 6°, c), van het Btw-Wetboek en die op grond van dat artikel buiten België plaatsvinden
• de andere diensten dan hierboven opgesomd die op grond van artikel 21 en artikel 21bis van het Btw-Wetboek geacht worden plaats te vinden in het buitenland. Deze dienstverrichtingen mogen deel uitmaken van het vrijgesteld omzetcijfer in de mate dat het belastingoverschot is ontstaan uit de prefinanciering van de btw op deze diensten. Wanneer zou blijken dat het overgrote deel van het belastingoverschot ontstaan is uit de aanschaf van investeringsgoederen zal de vergunning worden geweigerd.
De volgende in België verrichte handelingen dienen daarentegen wel in aanmerking te worden genomen in het totale omzetcijfer maar mogen nooit in rekening worden gebracht voor de berekening van de vrijgestelde omzet:
• de volgende in België verrichte handelingen onderworpen aan een bijzondere regeling die zowel de belastingplichtige als zijn medecontractant vrijstellen van de betaling van de belasting (handelingen die worden ingeschreven in rooster 00 van de periodieke aangifte), en meer bepaald:
o verkopen van tabaksfabrikaten bedoeld in artikel 58, § 1, van het Btw-Wetboek
o verkopen van kranten en tijdschriften en van recuperatiematerialen
o de verkopen van goederen onder de winstmargeregeling bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs
• de andere handelingen dan die bedoeld in de artikelen 51, § 2, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek welke in België zijn verricht en waarbij op grond van de algemene of bijzondere administratieve beslissing de belasting verschuldigd is door de medecontractant.
Ten slotte maken de volgende handelingen noch deel uit van het algemeen omzetcijfer, noch van het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer:
• de in België verrichte handelingen die op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld
• de in België verrichte handelingen die op grond van artikel 44bis van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld
• de handelingen die geacht worden plaats te vinden in het buitenland en die op grond van de artikelen 132 tot 136 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vrijgesteld zijn (zie ook artikel 44 van het Btw-Wetboek).
Toepassingsvoorwaarde 2: Bepaling van het belastingoverschot
Om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten, dient de belastingplichtige, als tweede toepassingsvoorwaarde, tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 12.000 euro belastingoverschot in zijn voordeel te hebben gehad. Dit wil zeggen dat het totaalbedrag van de aftrekbare belasting ten minste 12.000 euro hoger is dan het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.
Bij de berekening van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, dient eveneens rekening te worden gehouden met de herzieningen van de aftrekbare en de verschuldigde btw die betrekking hebben op die handelingen.
Om na te gaan of hogergenoemde toepassingsvoorwaarde vervuld is, dient in principe de omzet en het belastingoverschot van het verstreken kalenderjaar in aanmerking te worden genomen. Indien de belastingplichtige daardoor in de voorwaarden komt om de vergunning te verkrijgen, mag de referentieperiode van het verstreken kalenderjaar evenwel vervangen worden door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voor maandelijkse teruggaaf voorafgaan.
Voor het vaststellen van de omzet en het belastingoverschot dient éénzelfde referentieperiode in aanmerking te worden genomen.
In geval van vestiging in België van een vaste inrichting of van het bekomen van een btw-identificatie in België via een individueel nummer door een niet in België gevestigde onderneming, of, meer algemeen, in geval de belastingplichtige zich niet kan baseren op een omzetcijfer van tenminste twaalf opeenvolgende maanden, kan de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten, op jaarbasis, aangaande voornoemde toepassingsvoorwaarden.
Op dezelfde wijze kan de vergunning worden verleend op basis van vooruitzichten, aan belastingplichtigen die, op basis van hun reeds gerealiseerde activiteit, niet aan voornoemde toepassingsvoorwaarden voldoen, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de commerciële of industriële organisatie, wel aan deze voorwaarden zullen voldoen voor het nog te lopen deel van het kalenderjaar of voor het daaropvolgende kalenderjaar. De belastingplichtige zal dit moeten kunnen staven aan de hand van bewijskrachtige stukken.
Onder de feiten waarmee rekening kan worden gehouden, kunnen worden vermeld: de splitsing, de fusie en de opslorping van vennootschappen, de kapitaalsverhoging, de oprichting van een nieuwe afdeling, de aankoop van nieuwe belangrijke investeringsgoederen en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen.
b. Maandelijkse teruggaaf van btw: bijzondere regeling voor starters
In afwijking op het principe dat het eindresultaat in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een maandaangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek wordt overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak wordt dat bedrag dat betrekking heeft op een tijdvak dat valt binnen de vierentwintig maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige teruggegeven wanneer dat bedrag 50 euro (9) bereikt (artikel 81, § 2, 4 °, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
(9) Vóór 01.04.2021 minimum 245 euro (zie circulaire AAFisc nr. 2021/C/41 van 04.05.2022, voornoemd).
Het bijzonder stelsel van de maandelijkse teruggaaf van btw voor starters maakt het voorwerp uit van circulaire 2019/C/128 van 11.12.2019 betreffende de teruggaven inzake btw aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen (nr. E.T. 136.371). De regeling is van toepassing vanaf 01.01.2020.
Voor de toepassing van het stelsel is vereist dat de belastingplichtige beoogd is in het stelsel en dat is voldaan aan de hierna besproken bijzondere toepassingsvoorwaarden.
Voor het verkrijgen van de teruggaaf is bovendien vereist dat is voldaan aan de algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Beoogde belastingplichtigen
De belastingplichtigen beoogd door het bijzondere stelsel van maandelijkse terugbetaling van het btw-krediet zijn de belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen, de genoemde 'starters'. Het betreft belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit hebben ingediend (door middel van een document nr. 604A, of voor de btw-eenheden, door middel van een document nr. 606A) minder dan 24 maanden geleden.
Vanaf zijn aanvraag tot btw-identificatie, kan een belastingplichtige genieten van de maandelijkse teruggave van zijn btw-kredieten als zijnde 'starter' gedurende een periode van 24 maanden, voor zover de voorwaarden die van toepassing zijn, vervuld zijn.
Het begrip belastingplichtige 'starter' beoogt met name:
• de nieuwe belastingplichtigen die nog nooit eerder werden geïdentificeerd voor de btw en die een aangifte indienen ter aanvang van de activiteit (document nr. 604A)
• de belastingplichtigen die hun activiteit hebben stopgezet (indiening van een document nr. 604C) en die een nieuwe activiteit aanvangen, voor zover ten minste drie maanden zijn verlopen tussen de datum van stopzetting (de indiening van het document nr. 604C) en de datum van indiening van de nieuwe aangifte van aanvang van activiteit (document nr. 604A)
• de belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 604A) en de vrijstellingsregeling kiezen en die in de loop van de eerste 24 maanden van hun activiteit overgaan naar de normale regeling van de belasting inzake btw (ze blijven starter tot het verstrijken van de 24 maanden)
• de nieuwe btw-eenheden (zelfs waarvan de leden reeds allen geïdentificeerd waren voor de btw) en die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 606A).
De houders van een globaal btw-identificatienummer (waarvan het nummer begint met BE 0796.6 of BE 0796.5) worden daarentegen nooit beschouwd als 'starters'.
Bij afloop van de periode van 24 maanden die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, wordt de betrokken belastingplichtige niet langer beschouwd als 'starter' en kan dus niet meer genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave van btw-kredieten. Zijn eventueel belastingkrediet wordt dus in principe overgedragen op de volgende aangifteperiode, krachtens artikel 81, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (zie evenwel de mogelijkheden van trimestriële of maandelijkse teruggave respectievelijk voorzien in de artikelen 81, § 2, eerste lid, 2° en 3°, 5° of 6° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Bijzondere toepassingsvoorwaarden
Opdat de belastingplichtige 'starter' de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet kan verkrijgen, moeten de volgende bijzondere toepassingsvoorwaarden gelijktijdig vervuld zijn.
Het btw-krediet moet betrekking hebben op een periode vervat in de 24 maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit. Deze datum is deze vermeld door de belastingplichtige in zijn aangifte van aanvang van de activiteit (document nr. 604A).
Voorbeeld
Een belastingplichtige heeft in zijn aangifte van aanvang van activiteit aangeduid dat hij deze activiteit start op datum van 23.03.2021. Indien alle terzake vereiste voorwaarden vervuld zijn, zou hij kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet voor 'starters’ voor handelingen verricht tussen 23.03.2021 en 31.03.2023. De laatste aangifte waarin deze belastingplichtige de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet zou kunnen aanvragen, zal dus deze zijn met betrekking tot de handelingen van de maand maart 2023, in te dienen tegen 20.04.2023. Bij afloop van deze periode van 24 maanden, zal het saldo van het belastingkrediet, in principe, overgedragen worden op de volgende aangifteperiode.
De regeling van maandelijkse teruggave van belastingkrediet is voorbehouden aan de belastingplichtige starters gehouden tot maandelijkse indiening van periodieke aangiften, overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek.
De belastingplichtige 'starters' die opteren voor de trimestriële indiening van hun periodieke btw-aangifte krachtens artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, zijn automatisch uitgesloten van de regeling van maandelijkse teruggave. De toepassingsvoorwaarden van de teruggave van belastingkredieten die resulteren uit kwartaalaangiften ingediend door belastingplichtige starters zijn vastgelegd door artikel 81, § 1 en 81, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
Intrekking van het recht
Krachtens artikel 81 , § 5, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan het recht op maandelijkse teruggave van de belastingplichtige 'starter' worden ingetrokken op tijdelijke of definitieve wijze, indien de teruggave werd verkregen ten gevolge een onjuiste aangifte, indien deze belastingplichtige niet meer voldoet aan de voorwaarden opgelegd door het Btw-Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan of ingeval van ernstige vermoedens of bewijzen dat de betrokken aangifte of de voorgaande aangiften onjuiste gegevens bevatten die wijzen op een belastingschuld.
c. Maandelijkse teruggaaf van btw: belastingplichtigen gehouden tot één of meer openbare dienstverplichtingen
De bepalingen van artikel 81, § 2, 5°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voorzien in een stelsel van maandelijkse teruggaaf van btw voor belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn één of meer openbare dienstverplichtingen te vervullen.
Hoewel de beoogde belastingplichtigen in het algemeen een aanzienlijk of zelfs volledig recht op aftrek van voorbelasting hebben, dragen sommige van deze belastingplichtigen een aanzienlijke btw-voorfinancieringslast als gevolg van aankopen die vereist of opgelegd zijn krachtens hun openbare dienstverplichtingen. Zelfs als in rekening wordt gebracht dat deze belastingplichtigen hun recht op aftrek kunnen laten gelden, is de openbare dienstverplichting belastend voor hun cashflow, ingevolge de teruggaaftermijnen van het btw-krediet (wanneer de verschuldigde belasting op de uitgaande verrichtingen de aftrekbare belasting op de inkomende verrichtingen slechts gedeeltelijk compenseert).
Tenzij zij in aanmerking komen voor één van de bestaande gevallen van maandelijkse teruggaaf kunnen deze belastingplichtigen immers slechts op kwartaalbasis (in de maandaangifte met betrekking tot de laatste maand van elk kalenderkwartaal) om deze teruggaaf verzoeken, waarbij de ordonnancering van deze teruggaaf dan plaatsvindt binnen twee of drie maanden na het verzoek. Dit tijdsverloop tussen de betaling van de belasting aan de leveranciers en het tijdstip waarop deze belasting daadwerkelijk door deze belastingplichtigen wordt gerecupereerd, vormt een financiële belemmering voor de uitoefening van hun activiteit en dus voor de uitoefening van hun openbare dienstverplichtingen.
Het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf van btw voor belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn één of meer openbare dienstverrichtingen te vervullen wordt toegelicht middels de circulaire 2022/C/54 van 20.05.2022 betreffende de invoering van een stelsel van maandelijkse teruggaaf voor bepaalde belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn openbare dienstverplichtingen te vervullen (nr. E.T. 139.150).
Het stelsel is van toepassing op de verzoeken tot teruggaaf met betrekking tot een aangifteperiode die ten vroegste aanvangt op 01.01.2022.
Voor de toepassing van het stelsel is vereist dat de belastingplichtige beoogd is in het stelsel en dat voldaan is aan de hierna besproken bijzondere toepassingsvoorwaarden.
Voor het verkrijgen van de teruggaaf in toepassing van het stelsel is bovendien vereist dat aan de belastingplichtige daartoe een vergunning maandelijkse teruggaaf is verleend (zie ‘e. Vergunning maandelijkse teruggaaf’, hierna) evenals dat is voldaan aan de algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Beoogde belastingplichtigen
Zowel de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, als de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek (10) komen in aanmerking om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te genieten, voor zover ze hier uitdrukkelijk om verzoeken en ze voldoen aan de hieronder vermelde bijzondere toepassingsvoorwaarden.
(10) Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.
Daarentegen wordt van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf uitgesloten, de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd onder een individueel nummer, maar die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon welke beschikt over een globaal btw-identificatienummer waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt.
Basisvoorwaarde
De basisvoorwaarde voor de toepassing van het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen, is dat de belastingplichtige aan één of meer openbare dienstverplichtingen is onderworpen.
De openbare dienstverplichtingen omvatten uiteenlopende verplichtingen die door een bevoegde overheid worden opgelegd aan leveranciers of dienstverrichters met de bedoeling om de vrije marktwerking in het algemeen belang te corrigeren. Deze openbare dienstverplichtingen worden gedefinieerd of bepaald door een bevoegde overheidsinstantie met het oog op bepaalde leveringen van goederen of diensten in het algemeen belang die een marktdeelnemer, indien hij zich door zijn eigen commerciële belangen zou laten leiden, zonder enige vorm van compensatie niet, niet in dezelfde mate of niet onder dezelfde voorwaarden zou leveren of verrichten.
Dergelijke openbare dienstverplichtingen komen onder meer voor in de elektriciteits- en gasmarkt (met betrekking tot de ecologische, technische en sociale aspecten van de energievoorziening), bij de postdiensten en bij het openbaar vervoer.
Het is niet van belang of deze belastingplichtigen tot dergelijke verplichtingen gehouden zijn na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling dan wel of ze daartoe reeds voordien gehouden waren.
Bijkomende bijzondere toepassingsvoorwaarden
Aangezien de maandelijkse teruggaaf een afwijking vormt op het basisbeginsel van de driemaandelijkse teruggaaf, is de regeling uitsluitend bedoeld voor situaties waarin een versnelde teruggaaf van deze kredieten uit economisch of financieel oogpunt gerechtvaardigd is, wat meestal het geval is wanneer deze btw-kredieten omvangrijk zijn en zich telkens opnieuw voordoen.
Het hier bedoelde bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf is bovendien uitsluitend bedoeld voor voormelde categorieën van belastingplichtigen waarbij het btw-krediet in aanzienlijke mate afkomstig is van aankopen van goederen en diensten die zij verrichten ingevolge één of meer door de overheid opgelegde openbare dienstverplichtingen.
Om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten, dient de belastingplichtige welke één of meer openbare dienstverplichtingen vervult dan ook aan volgende twee bijkomende bijzondere toepassingsvoorwaarden te voldoen:
• een belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad tijdens het verstreken kalenderjaar van ten minste 12.000 euro of, in het eerste jaar waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is openbare dienstverplichtingen te vervullen, 1.000 euro voor de betrokken aangifteperiode
• het belastingoverschot tijdens dezelfde periode is afkomstig van in aftrek gebrachte bedragen die voor ten minste 30 % hun oorsprong vinden in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen.
Voor het vaststellen van, enerzijds, de omvang van het belastingkrediet en, anderzijds, de in aftrek gebrachte belasting, dient steeds éénzelfde referentieperiode in aanmerking te worden genomen.
In het geval de belastingplichtige onderscheiden bedrijfsafdelingen of bijhuizen in België bezit, wordt het belastingoverschot in zijn voordeel en de in aftrek gebrachte belasting van al deze bedrijfsafdelingen of bijhuizen in aanmerking genomen. De verschillende bedrijfsafdelingen of bijhuizen zullen met andere worden niet afzonderlijk worden beschouwd voor het beoordelen van deze voorwaarden.
Refererentieperiode
Het voorafgaande kalenderjaar
Om na te gaan of hogergenoemde bijkomende voorwaarden vervuld zijn, dient in principe het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar in aanmerking te worden genomen.
Voorbeeld 1
Een belastingplichtige is gehouden tot één of meer openbare dienstverrichtingen sinds 01.01.2015 en vraagt de vergunning voor het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen aan op 07.06.2022. Om te beoordelen of de bijkomende bijzondere voorwaarden van dat stelsel (belastingoverschot van ten minste 12.000 euro dat voor ten minste dertig procent zijn oorsprong vindt in openbare dienstverplichtingen) vervuld zijn neemt de belastingplichtige als referentieperiode in aanmerking, het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar, dat wil zeggen de periode van 01.01.2021 tot en met 31.12.2021.
Tolerantie: twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag op vergunning voorafgaan
Indien de belastingplichtige daardoor in de voorwaarden komt om de vergunning te verkrijgen, mag de referentieperiode van het verstreken kalenderjaar evenwel vervangen worden door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voor maandelijkse teruggaaf voorafgaat.
Deze referentieperiode van twaalf opeenvolgende maanden, die de aanvraag om vergunning voorafgaat, mag evenwel niet aanvangen vóór 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar.
Voorbeeld 2
Een belastingplichtige is gehouden tot één of meer openbare dienstverrichtingen sinds 01.01.2015 en vraagt de vergunning voor het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen aan op 07.06.2022. De belastingplichtige heeft vastgesteld dat hij niet aan de bijkomende bijzondere voorwaarden van dat stelsel (belastingoverschot van ten minste 12.000 euro dat voor ten minste dertig procent zijn oorsprong vindt in openbare dienstverplichtingen) voldoet wanneer hij als referentieperiode het voorafgaande kalenderjaar (periode van 01.01.2021 tot 31.12.2021) in aanmerking neemt. Hij voldoet daarentegen wel aan de desbetreffende voorwaarden indien hij de referentieperiode van 01.06.2021 tot 31.05.2022 (periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voorafgaan) in aanmerking neemt. Het is de belastingplichtige toegestaan deze laatste referentieperiode in aanmerking te nemen ter vervanging van de referentieperiode 01.01.2021 tot en met 31.12.2021.
Het eerste jaar waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is één of meer openbare dienstverrichtingen te vervullen
Voor belastingplichtigen die voor het eerst aan één of meer openbare dienstverplichtingen zijn onderworpen, wordt in het eerste jaar waarin ze openbare dienstverplichtingen vervullen, de betrokken aangifteperiode, dat wil zeggen het tijdvak van de maandaangifte waarin om de teruggaaf wordt verzocht, in aanmerking genomen als referentieperiode.
De administratie aanvaardt in dat geval dat de aanvraag van de vergunning, wat de bijkomende bijzondere voorwaarden betreft, gebaseerd is op vooruitzichten (zie ‘e. Vergunning maandelijkse teruggaaf’, hierna). De belastingplichtige kan de regeling maandelijkse teruggaaf toepassen ten vroegste de dag volgend op de notificatie van de vergunning.
Voorbeeld 3
Een belastingplichtige is gehouden tot één of meer openbare dienstverplichtingen vanaf 01.02.2022. De belastingplichtige vraagt de vergunning voor het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen aan op 25.07.2022. Aangezien de belastingplichtige zich op dat laatste tijdstip bevindt in het eerste jaar waarin hij één of meer openbare dienstverplichtingen vervult, is de toepasselijke referentieperiode de betrokken aangifteperiode waarin de belastingplichtige om de teruggaaf verzoekt. De belastingplichtige verkrijgt de vergunning, die is gebaseerd op vooruitzichten, op 22.08.2022. De belastingplichtige kan de teruggaaf van het belastingkrediet vragen dat blijkt uit de aangifte met betrekking tot de maand augustus 2022, in te dienen uiterlijk op 20.09.2022 (evenals overigens voor de belastingkredieten met betrekking tot alle daaropvolgende aangifteperioden van het kalenderjaar 2022), voor zover althans voor de desbetreffende aangifteperiode voldaan is aan de bijkomende bijzondere voorwaarden (belastingoverschot van te minste 1.000 euro dat voor ten minste 30 % zijn oorsprong vindt in openbare dienstverplichtingen).
Voor de toepassing van de hier bedoelde referentieperiode is het niet vereist dat de aanvraag en het tijdstip dat de belastingplichtige gehouden is tot openbare dienstverplichtingen in hetzelfde kalenderjaar zijn gelegen.
Voorbeeld 4
Een belastingplichtige is gehouden tot één of meer openbare dienstverplichtingen vanaf 01.07.2022.
De belastingplichtige vraagt een vergunning voor het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen aan op 01.05.2023.
Aangezien de belastingplichtige zich op dat laatste tijdstip nog steeds bevindt in het eerste jaar waarin hij gehouden is tot één of meer openbare dienstverplichtingen (er is geen referentieperiode van twaalf opeenvolgende maanden welke de vergunning voorafgaat voorhanden) is de toepasselijke referentieperiode de betrokken aangifteperiode waarin de belastingplichtige om de teruggaaf verzoekt.
De belastingplichtige verkrijgt de vergunning, die is gebaseerd op vooruitzichten, op 19.05.2023.
De belastingplichtige kan de teruggaaf vragen van het belastingkrediet dat blijkt uit de aangifte met betrekking tot de maand mei 2023, in te dienen uiterlijk op 20.06.2023 (evenals overigens voor de belastingkredieten met betrekking tot alle daaropvolgende aangifteperioden van het kalenderjaar 2023), voor zover althans voor de desbetreffende aangifteperiode voldaan is aan de bijkomende bijzondere voorwaarden (belastingoverschot van ten minste 1.000 euro dat voor ten minste dertig procent zijn oorsprong vindt in openbare dienstverplichtingen).
De administratie staat toe dat gedurende gans het jaar 2023 het tijdvak van de maandaangifte waarin om de teruggaaf wordt verzocht in aanmerking wordt genomen als referentieperiode.
Wanneer, bij toepassing van de hier bedoelde referentieperiode, de vergunning, die is gebaseerd op vooruitzichten, wordt verkregen vóór het tijdstip waarop de belastingplichtige gehouden is tot één of meer openbare dienstverplichtingen, moet er worden op gewezen dat deze slechts uitwerking heeft vanaf het tijdstip dat de belastingplichtige gehouden is tot één of meer openbare dienstverplichtingen.
Voorbeeld 5
Een belastingplichtige is gehouden tot één of meer openbare dienstverplichtingen vanaf 01.10.2022. De belastingplichtige vraagt een vergunning aan voor het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen op 01.04.2022. Aangezien de belastingplichtige de vergunning aanvraagt voorafgaand aan het eerste jaar waarin hij gehouden is tot één of meer openbare dienstverplichtingen (er is geen referentieperiode van twaalf opeenvolgende maanden welke de vergunning voorafgaat) is de toepasselijke referentieperiode de betrokken aangifteperiode waarin de belastingplichtige om de teruggaaf verzoekt. De belastingplichtige verkrijgt de vergunning, die is gebaseerd op vooruitzichten, op 21.04.2022. De vergunning kan slechts uitwerking hebben, aangezien de belastingplichtige slechts gehouden is tot één of meer openbare dienstverplichtingen op een later tijdstip dan het tijdstip waarop de vergunning door hem wordt verkregen, vanaf het tijdstip dat de belastingplichtige gehouden is tot de openbare dienstverplichtingen, dit is op 01.10.2022. De belastingplichtige kan de teruggaaf vragen van het belastingkrediet dat blijkt uit de aangifte met betrekking tot de maand oktober 2022, in te dienen uiterlijk op 20.11.2022 (evenals overigens voor de belastingkredieten met betrekking tot alle daaropvolgende aangifteperioden van het kalenderjaar 2022), voor zover althans voor de desbetreffende aangifteperiode voldaan is aan de bijkomende bijzondere voorwaarden (belastingoverschot van ten minste 1.000 euro dat voor ten minste dertig procent zijn oorsprong vindt in openbare dienstverplichtingen).
Omvang van het belastingkrediet
De belastingplichtige moet een belastingoverschot van ten minste 12.000 euro hebben gehad in het aan de aanvraag voorafgaande kalenderjaar. Voor belastingplichtigen die voor het eerst aan één of meer openbare dienstverplichtingen zijn onderworpen moet het belastingoverschot, in het tijdvak waarvoor om teruggaaf wordt verzocht, ten minste 1.000 euro bedragen (dit laatste bedrag is het op maandbasis proportioneel equivalent aan het bedrag van 12.000 euro opgenomen in de basisregel).
Aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan wanneer het totaalbedrag de roosters YY ('Totaal bedrag van de roosters 59, 62 en 64') van de maandaangiften welke betrekking hebben op het verstreken kalenderjaar 12.000 euro hoger is dan het totaalbedrag van de roosters XX ('Totaal bedrag van de roosters 54, 55, 56, 57, 61 en 63') tijdens diezelfde periode of, in het eerste jaar waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is openbare dienstverplichtingen te vervullen, wanneer het totaal bedrag van de roosters YY het totaalbedrag van de roosters XX minimum 1.000 euro overtreft voor de betrokken aangifteperiode.
De in aftrek gebrachte btw vindt voor minstens 30 % zijn oorsprong in openbare dienstverplichtingen
Het belastingoverschot in het voordeel van de belastingplichtige moet afkomstig zijn van tijdens dezelfde periode in aftrek gebrachte bedragen die voor ten minste 30 % hun oorsprong vinden in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen.
Om het bedrag van de tijdens het verstreken kalenderjaar in aftrek gebrachte bedragen te bepalen, wordt het totaalbedrag van de bedragen opgenomen in de roosters 59 ('Aftrekbare btw') van de maandaangiften die betrekking hebben op dat kalenderjaar in aanmerking genomen. Dit bedrag dient, om het bedrag van de in aftrek gebrachte belasting correct te bepalen, vervolgens te worden verminderd en/of vermeerderd met welbepaalde bedragen opgenomen in andere roosters van diezelfde btw-aangiften. Deze bedragen houden immers een correctie (in min of in meer) van de in de roosters 59 uitgeoefende recht op aftrek.
Het totaalbedrag van de roosters 59 wordt meer in het bijzonder:
• verminderd met de bedragen opgenomen in de roosters 61 ('Diverse btw-regularisaties in het voordeel van de Staat') van dezelfde aangiften in de mate dat deze althans betrekking hebben op een herziening van het recht op aftrek in het voordeel van de Staat
• vermeerderd met de bedragen opgenomen in de roosters 62 ('Diverse regularisaties in het voordeel van de aangever') van dezelfde aangiften in de mate deze althans betrekking hebben op een herziening van het recht op aftrek in het voordeel van de belastingplichtige
• verminderd met de bedragen opgenomen in de roosters 63 ('Terug te storten btw op ontvangen creditnota's') van dezelfde aangiften (11)
(11) Elke ontvangen creditnota met betrekking tot een handeling waarvoor aanvankelijk aan de aangever een belasting werd in rekening gebracht, vermeldt in principe een bedrag als btw. Dit bedrag moet worden teruggestort aan de Staat in de mate waarin de belasting oorspronkelijk werd in aftrek gebracht. Het wordt niet opgenomen in rooster 61 maar in rooster 63 van de aangifte. Het bedrag aan aftrekbare btw opgenomen in rooster 59 dient te worden verminderd met dit bedrag.
• verminderd met de bedragen opgenomen in de roosters 61 ('Diverse btw-regularisaties in het voordeel van de Staat') in de mate dat ze betrekking hebben op de terugstorting van btw in aftrek gebracht naar aanleiding van de ontvangst van creditnota's (12)
(12) Een creditnota ontvangen met betrekking tot een handeling waarvoor de aangever zelf schuldenaar was van de belasting (intracommunautaire verwerving van goederen, handeling beoogd door artikel 20 van het KB nr. 1 van 29.12.1992 of een andere handeling opgenomen in rooster 86, 87 of 88 van de aangifte of van een voorgaande aangifte) bevat geen enkel bedrag als btw. De verwerver van de goederen of ontvanger van diensten is ertoe gehouden de btw die hij naar aanleiding van het ontvangen van een dergelijke creditnota oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht (in rooster 59 van de aangifte) terug te storten aan de Staat. Hij doet dit door opname van het bedrag dat hij oorspronkelijk in aftrek heeft gebracht in rooster 61 van de aangifte. Het bedrag aan aftrekbare btw opgenomen in rooster 59 dient te worden verminderd met dit bedrag.
Voorbeeld 1
Een belastingplichtige dient in de loop van een kalenderjaar 12 periodieke btw-aangiften (uitsluitend roosters [72]) in met een gecumuleerd btw-krediet van 20.000 euro. Dat btw-krediet is het resultaat van het verschil tussen het gecumuleerde bedrag van de bedragen opgenomen in de roosters YY van de aangiften (32.000 euro) en het gecumuleerde bedrag van de roosters XX van de aangiften (12.000 euro).
De in aftrek gebrachte btw bedraagt:
| ROOSTER 59: | 30.000 (aftrekbare btw) | |
| ROOSTER 61: | - | 0 |
| ROOSTER 62: | + | 2.000 (herziening recht op aftrek) |
| ROOSTER 63: | - | 2.000 (btw op ontvangen creditnota's) |
| TOTAAL : | 30.000 |
Voorwaarden om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten:
1. de voorwaarde met betrekking tot het belastingoverschot.
Het gecumuleerde bedrag aan btw-kredieten gedurende het voorafgaande jaar bedraagt ten minste 12.000 euro.
OK: belastingoverschot bedraagt 20.000 euro.
2. het aftrekbaar btw-bedrag van 30.000 euro bestaat ten minste ten belope van een bedrag van 9.000 euro aan aftrekbare btw die zijn oorsprong vindt in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van zijn openbare dienstverplichting.
Voorbeeld 2
Een belastingplichtige, die voor het eerste jaar gehouden is tot een openbare dienstverplichting, dient een periodieke btw-aangifte in met een btw-krediet (vak [72] van de aangifte) van 2.000 euro. De belastingplichtige heeft in vak 59 van de aangifte een bedrag van 6.000 euro aan aftrekbare btw opgenomen. Er zijn geen bedragen opgenomen in de vakken 61, 62 en 63 van de btw-aangifte.
Voorwaarden om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten:
1. de voorwaarde met betrekking tot de bedragen.
Het teruggevraagde btw-krediet bedraagt ten minste 1.000 euro btw-krediet voor de betrokken aangifteperiode.
OK: belastingoverschot bedraagt 2.000 euro.
2. het aftrekbaar btw-bedrag van 6.000 euro bestaat ten minste ten belope van een bedrag van 1.800 euro aan aftrekbare btw die zijn oorsprong vindt in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van zijn openbare dienstverplichting.
d. Maandelijkse teruggaaf van btw: levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten
Artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, heeft een recht op maandelijkse teruggaaf van de btw-kredieten ingevoerd in het voordeel van de belastingplichtigen waarvan de economische activiteit bestaat uit de levering van elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten, waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de artikelen 1bis en 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Levering van elektriciteit
Artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voorziet in een recht op maandelijkse teruggaaf van de btw-kredieten in het voordeel van de belastingplichtigen waarvan de economische activiteit bestaat uit de levering van elektriciteit, onderworpen aan het verlaagd btw-tarief overeenkomstig artikel 1bis van koninklijk besluit nr. 20, voornoemd. Krachtens dat laatste artikel is het verlaagd tarief van 6 % van toepassing op de levering van elektriciteit in het kader van een residentieel contract, dat wil zeggen een contract waarvoor, met het oog op de afsluiting ervan, door de afnemer-natuurlijke persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld.
De regeling is overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 21.02.2022 in werking getreden op 01.03.2022. Het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen welke hun economische activiteit bestaat uit de levering van elektriciteit waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 en die voldoen aan alle voorwaarden voor een versnelde teruggaaf is van toepassing op verzoeken tot teruggaaf met betrekking tot een aangifteperiode die ten vroegste aanvangt op 01.03.2022, dit is ten vroegste met betrekking tot de aangifte van de maand maart 2022, in te dienen uiterlijk 20.04.2022.
De bijzondere regeling inzake maandelijkse teruggaaf voor de levering van elektriciteit wordt toegelicht middels de circulaire 2022/C/35 van 31.03.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en de maandelijkse teruggaaf btw (nr. E.T. 139.100) (zie titels 3 en 4 van die circulaire).
Levering van aardgas en warmte via warmtenetten
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23.03.2022 heeft het voordeel van de maandelijkse teruggaaf uitgebreid tot de belastingplichtigen waarvan de economische activiteit bestaat uit de levering van aardgas en warmte via warmtenetten aan residentiële afnemers die eveneens onderworpen zijn aan het verlaagd btw-tarief van 6 %, overeenkomstig artikel 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, ingevoegd door artikel 3 van datzelfde koninklijk besluit.
De regeling is overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 23.03.2022 in werking getreden op 01.04.2022. Het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen van wie de economische activiteit bestaat uit de levering van aardgas en/of warmte via warmtenetten waarvoor het verlaagde btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, en van wie de economische activiteit niet bestaat uit de levering van elektriciteit als bedoeld in artikel 1bis van datzelfde koninklijk besluit nr. 20 en die voldoen aan alle voorwaarden voor een versnelde teruggaaf, is van toepassing op verzoeken tot teruggaaf met betrekking tot een aangifteperiode die ten vroegste aanvangt op 01.04.2022, dit is ten vroegste met betrekking tot de aangifte van de maand april 2022, in te dienen uiterlijk 20.05.2022.
De bijzondere regeling inzake maandelijkse teruggaaf voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten wordt toegelicht middels de circulaire 2022/C/48 van 11.05.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten en de maandelijkse teruggaaf inzake btw.
Verlenging en uitbreiding van het tarief van 6 %
De regeling inzake maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is van toepassing voor zover en tot zolang het verlaagd tarief van 6 % bedoeld in artikel 1bis en 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, van toepassing is.
Ter zake wordt er op gewezen dat de toepassing van het tarief van 6 % bedoeld in artikel 1bis en 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, sinds de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen, enerzijds, is verlengd wat zijn toepassing in de tijd betreft (zowel wat de levering van elektriciteit als de levering van warmte via warmtenetten betreft) alsook is uitgebreid qua draagwijdte (wat de levering van aardgas en warmte via warmtenetten betreft).
Het bijzondere stelsels inzake maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 6° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is, in de huidige stand van de regelgeving (13), een tijdelijk stelsel.
(13) Stand van de regelgeving zoals van toepassing op de datum van publicatie van de bijwerking van dit hoofdstuk van de Btw-Commentaar.
Aangezien artikel 1bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 20, zoals vervangen door artikel 2 van het koninklijk besluit 21.02.2022, voornoemd, de toepassing van het verlaagd tarief voor de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten beperkte tot de levering van elektriciteit van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022, houdt dit in dat op het ogenblik van de inwerkingtreding het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor de levering van elektriciteit bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4 eveneens slechts kon gelden voor de periode van 01.03.2022 tot en met 30.06.2022 (een periode van vier maanden).
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 23.03.2022, voornoemd, heeft het verlaagde btw-tarief voor de leveringen van elektriciteit in het kader van residentiële contracten evenwel verlengd tot en met 30.09.2022. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 27.06.2022 heeft de toepassing van dat verlaagd tarief verlengd tot en met 31.12.2022. Artikel 64 van de wet 21.12.2022 heeft de toepassing van het verlaagde tarief nogmaals verlengd tot 31.03.2023.
Voor deze verlengingen van de toepassing in de tijd van het verlaagde btw-tarief op de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten worden verwezen naar de circulaire 2022/C/48 van 11.05.2022, voornoemd, alsook de circulaire 2022/C/67 van 11.07.2022 betreffende het tijdelijk verlaagd btw-tarief voor de levering van elektriciteit en voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten (nr. E.T. 139.100/4).
Aangezien artikel 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, zoals ingevoerd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 23.03.2022, voornoemd, het verlaagd tarief voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten beperkte tot de levering van aardgas en warmte via warmtenetten van 01.04.2022 tot en met 30.09.2022, houdt dit in dat op het ogenblik van de inwerkingtreding van het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4 het stelsel eveneens slechts kon gelden voor de periode van 01.04.2022 tot en met 30.09.2022 (een periode van zes maanden).
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27.06.2022 heeft het artikel 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20 vervangen. Deze bepaling heeft de levering van aardgas en warmte via warmtenetten onderworpen aan het tarief van 6 % - zonder onderscheid te maken in functie van het afgesloten contract (residentieel of professioneel) – vanaf 01.08.2022 tot en met 31.12.2022. Artikel 65 van de wet van 21.12.2022 heeft de toepassing van het verlaagde tarief verlengd tot 31.03.2023.
Wat deze verlenging/uitbreiding van de toepassing van het verlaagde btw-tarief voor de levering van aardgas en warmte via warmtenetten betreft wordt verwezen naar de circulaire 2022/C/67 van 11.07.2022, voornoemd.
Indien voldaan is aan alle voorwaarden kan de belastingplichtige de versnelde teruggaaf verkrijgen, voor de levering van elektriciteit, de levering van aardgas en warmte via warmtenetten voor zover het verlaagd tarief overeenkomstig artikel 1bis en 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, van toepassing is en ten laatste met betrekking tot het overschot dat voortkomt uit de tijdig ingediende aangiften die betrekking heeft op de aangifteperiode van maart 2023, in te dienen bij toepassing van artikel 18, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, uiterlijk op 20.04.2023.
Voor de toepassing van het stelsel is vereist dat de belastingplichtige beoogd is in het stelsel en dat voldaan is aan de hierna besproken bijzondere toepassingsvoorwaarden.
Voor het verkrijgen van de teruggaaf in toepassing van het stelsel is bovendien vereist dat de belastingplichtige daartoe een vergunning maandelijkse teruggaaf is verleend (zie ‘e. Vergunning maandelijkse teruggaaf’, hierna) evenals dat is voldaan aan de algemene toepassingsvoorwaarden en modaliteiten, die gelden voor elke teruggaaf van een saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, opgenomen onder titel ‘E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten’, hierna.
Beoogde belastingplichtigen
De maandelijkse teruggaaf btw geldt enkel voor btw-belastingplichtige die maandelijks aangifte doet en hier uitdrukkelijk om verzoekt:
• zowel de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
• als de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek (14).
(14) Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.
Bijzondere toepassingsvoorwaarden
Voor de toepassing van de bijzondere regeling dienen de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het stelsel vervuld te zijn.
De basisvoorwaarde voor de toepassing van het hier bedoelde stelsel van maandelijkse teruggaaf is dat de economische activiteit van de belastingplichtige bestaat uit de levering van elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de artikelen 1bis en 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd. Voor de toepassing van het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf is het voldoende dat de leverancier één van deze handelingen verricht.
Deze belastingplichtigen dragen algemeen genomen een voorbelasting tegen het btw-tarief van 21 % zodat zij, door de verlaging van het btw-tarief voor de levering van elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten zich regelmatig of systematisch in een btw-teruggavepositie bevinden.
Er wordt op gewezen dat voor de toepassing van het hier bedoelde stelsel van maandelijkse teruggaaf – in tegenstelling tot het klassieke stelsel van maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en het bijzondere stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen bedoeld in 5° van datzelfde artikel – er geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de omvang van het belastingkrediet van het voorafgaande kalenderjaar.
e. Vergunning maandelijkse teruggaaf
Vergunning: voorwaarde voor welbepaalde stelsels van maandelijkse teruggaaf
Krachtens artikel 81, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de maandelijkse teruggaaf bedoeld in:
• § 2, eerste lid, 3° (klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf)
• § 2, eerste lid, 5° (bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen)
• en § 2, eerste lid, 6° (bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten)
alleen worden verkregen als de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert daartoe vergunning verleent.
Het voordeel van de maandelijkse teruggaaf is, voor de hiervoor aangehaalde stelsels van maandelijkse teruggaaf, bijgevolg ondergeschikt aan de uitreiking door het hoofd van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige ressorteert van een vergunning.
Er is geen voorafgaande vergunning vereist voor de teruggaaf bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 4° van artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (bijzondere regeling maandelijkse teruggaaf voor starters).
Aanvraag van de vergunning: algemeen
De vergunning moet schriftelijk worden aangevraagd bij het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de betrokken belastingplichtige ressorteert.
Het uitreiken van de vergunning dient de toepassing van het stelsel van maandelijkse teruggaaf vooraf te gaan (zie artikel 81, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Het spreekt voor zich dat in de aanvraag wordt vermeld voor welk (klassiek of bijzonder) stelsel de aanvraag wordt verricht.
De aanvraag moet bovendien alle elementen bevatten die toelaten na te gaan of de belastingplichtige de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het aangevraagde stelsel vervult. De aanvraag moet tevens vergezeld gaan van alle stukken die kunnen aantonen dat de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden die voor het verkrijgen van de teruggaaf vereist zijn.
Aanvraag van de vergunning: klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf
De aanvraag om vergunning moet met betrekking tot de in aanmerking genomen referentieperiode alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de basisvoorwaarden voor het bekomen van de vergunning vervult.
In geval van vestiging in België van een vaste inrichting of van identificatie voor de btw onder een individueel nummer door van een in het buitenland gevestigde onderneming, kan door of namens de minister van Financiën de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, en van het jaarlijks belastingoverschot. In dat geval moet de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op die tijdens welke de eerste vergunning werd verleend (artikel 81, § 5, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Hetzelfde geldt wanneer de vergunning werd verleend aan een belastingplichtige die op basis van zijn reeds uitgeoefende activiteit niet aan de toepassingsvoorwaarden van een vergunning voldoet, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de economische of industriële organisatie (volgens de vooruitzichten) wel aan deze voorwaarden zal voldoen gedurende de periode van twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvraag van de vergunning.
Indien de aanvraag gebaseerd is op de verlopen periode van 12 maanden, dient de aanvraag de volgende gegevens te bevatten:
• per maand, de opgave van het bedrag van de totale omzet dat in aanmerking komt
• per maand, de opgave van het bedrag van de ‘vrijgestelde’ omzet, uitgesplitst per soort van ‘vrijgestelde’ handeling die in aanmerking komt
De dienst waaronder de belastingplichtige ressorteert kan de aanvrager verzoeken de nodige bewijsstukken voor te leggen die de toepassing van de vrijstelling(en), de verlegging van de heffing of de toepassing van het verminderd tarief in de onroerende sector verantwoorden.
• per maand, de opgave van hetzij het totaalbedrag aan verschuldigde btw, hetzij het bedrag aan terug te geven btw
Indien de aanvraag gebaseerd is op vooruitzichten aangaande de bijzondere toepassingsvoorwaarden van het stelsel, dienen deze vooruitzichten te worden gestaafd door bewijskrachtige stukken (zoals o.m. de met leveranciers en klanten gesloten contracten, bestelbons en, wanneer er reeds een begin van activiteit is, door voorlegging van kopieën van een representatief aantal verkoopfacturen van handelingen die als ‘vrijgestelde’ omzet in aanmerking mogen worden genomen, met inbegrip van de daarbij horende rechtvaardigingsdocumenten (zoals vervoersfacturen, vervoersdocumenten, betalingsdocumenten, een kopie van de door de douane geviseerde uitvoerdocumenten, verantwoordingsstukken voor de toepassing van het verminderd tarief in de onroerende sector…). Tevens dienen een representatief aantal aankoopfacturen die aan de basis liggen van het belastingoverschot te worden voorgelegd alsook een opgave van de belangrijkste leveranciers van de belastingplichtige met vermelding, in voorkomend geval, van hun btw-identificatienummer.
De aanvraag vermeldt bovendien de vooruitzichten aangaande zowel het bedrag van de totale en de ‘vrijgestelde’ omzet als het bedrag van het vermoedelijk belastingoverschot gedurende de twaalf eerst volgende maanden.
Aanvraag van de vergunning: bijzonder stelsel voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen
De aanvraag moet met betrekking tot de in aanmerking genomen referentieperiode alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige de basisvoorwaarden voor het bekomen van de vergunning vervult.
Iedere aanvraag om vergunning omvat de opgave van de openbare dienstenverplichtingen die in hoofde van de belastingplichtige bestaan, evenals de bewijsstukken die staven dat aan deze basisvoorwaarde voldaan is.
De aanvraag dient daarnaast de hierna volgende elementen te omvatten die betrekking hebben op de bijzondere bijkomende voorwaarden:
• De berekening van het belastingoverschot door de opgave, per maand, van de bedragen van de roosters YY ('Totaal bedrag van de roosters 59, 62 en 64') en de roosters XX ('Totaalbedrag van de roosters 54, 55, 56, 57, 61 en 63') van de maandaangiften die betrekking hebben op de referentieperiode en de berekening van het verschil tussen de totaalbedragen van deze roosters.
• De berekening van het totaalbedrag van de in aftrek gebrachte btw door de opgave, per maand, van de bedragen opgenomen in de roosters 59 ('Aftrekbare btw') vermeerderd met de bedragen – in de mate althans dat ze betrekking hebben op een herziening van het recht op aftrek – opgenomen in de roosters 62 van de maandaangiften die betrekking hebben op de referentieperiode en de som van deze bedragen.
In de mate dat ze betrekking hebben op een herziening van het recht op aftrek of op terug te storten btw wegens ontvangen creditnota's mag de belastingplichtige de bedragen opgenomen in de roosters 61 van diezelfde maandaangiften in mindering brengen van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting op de wijze als hiervoor berekend. Hetzelfde geldt overigens met betrekking tot de bedragen opgenomen in rooster 63 van diezelfde aangiften.
• De elementen en bewijsstukken dat voldaan is aan de voorwaarde dat de in aftrek gebrachte belasting tijdens de referentieperiode voor ten minste dertig procent zijn oorsprong vindt in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen.
Indien de aanvraag betrekking heeft op het eerste jaar waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is openbare dienstverplichtingen te vervullen, aanvaardt de administratie dat deze aanvraag, wat de bijkomende bijzondere voorwaarden betreft, gebaseerd is op vooruitzichten. De aanvraag zal in dat geval de vooruitzichten omvatten van zowel de vermoedelijk verschuldigde btw, als de btw die vermoedelijk in aftrek zal worden gebracht. Bovendien zal de aanvraag de vooruitzichten bevatten van het percentage van de aankopen dat vermoedelijk zijn oorsprong zal vinden in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen. De aangifte omvat de bewijsstukken die de gemaakte vooruitzichten staven.
Aanvraag van de vergunning: bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten
De aanvraag moet alle elementen en bewijsstukken omvatten die nodig zijn om na te gaan of de belastingplichtige voldoet aan de bijzondere voorwaarden voor het bekomen van de vergunning.
Dit houdt meer concreet in dat de aanvraag de stukken dient te omvatten die aantonen dat de aanvrager een economische activiteit heeft die bestaat uit de levering van elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig artikel 1bis of 1bis/1 van het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, van toepassing is en dat de aanvrager bijgevolg de stukken dient toe te voegen die aantonen dat hij elektriciteit, aardgas of warmte via warmtenetten levert. Wat de levering van elektriciteit betreft dient bovendien te worden aangetoond dat de levering betrekking heeft op zogenaamde residentiële contracten, dat wil zeggen contracten waarvoor, met het oog op het afsluiten ervan, door de afnemer-natuurlijk persoon geen ondernemingsnummer is meegedeeld.
Toekenning of weigering van de vergunning
Binnen de termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend door het hoofd van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige ressorteert indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing.
Wanneer de aanvraag niet volledig is, m.a.w. wanneer bij de aanvraag niet alle elementen en stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat de basisvoorwaarden voor de vergunning zijn vervuld of, wanneer de aanvraag gebaseerd is op de vooruitzichten, zullen vervuld worden, verzoekt de bevoegde dienst de aanvrager schriftelijk om de aanvraag te vervolledigen met de ontbrekende elementen en stukken.
De termijn van één maand gesteld voor de uitreiking van de vergunning gaat in dat geval slechts in op het tijdstip waarop de belastingplichtige de gevraagde elementen en bewijsstukken voorlegt die nodig zijn voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag.
De vergunning wordt aan de belastingplichtige genotificeerd door middel van een aangetekende brief.
Indien blijkt dat de basisvoorwaarden niet zijn vervuld of, wanneer de aanvraag gebaseerd is op de vooruitzichten, die niet zullen vervuld worden, wordt de aanvraag binnen dezelfde termijn verworpen bij een met redenen omklede beslissing die eveneens aan de belastingplichtige wordt genotificeerd bij middel van een aangetekende brief.
Vanaf wanneer kan het stelsel maandelijkse teruggaaf worden toegepast
In geval de aanvraag wordt ingewilligd, kan de belastingplichtige door het aanbrengen van de uitdrukkelijke vermelding bedoeld in artikel 81, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, de teruggaaf vragen in een van de aangiften die moeten worden ingediend te rekenen vanaf de dag volgend op die van de afgifte ter post van de aangetekende brief bij dewelke de administratie aan de belastingplichtige de vergunning heeft genotificeerd (artikel 81, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
De bedoelde uitdrukkelijke vermelding houdt het aanbrengen, in de periodieke maand- of kwartaalaangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, van het kruisje ‘Aanvraag tot terugbetaling’ in.
Duur van de vergunning
De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend.
De vergunning is eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de toepassingsvoorwaarden blijft voldoen. In dat geval geldt het aanbrengen van het kruisje in het vak ‘Aanvraag om terugbetaling’ (zie artikel 81, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd) als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan die voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen.
Het aanbrengen van de hiervoor bedoelde uitdrukkelijke vermelding in de zin als voorafgaat ontslaat de belastingplichtigen met een vergunning maandelijkse teruggaaf er bijgevolg van een nieuwe vergunning te moeten indienen zolang zij aan de voorwaarden van het stelsel blijven voldoen.
Verval van de vergunning: algemeen
Wanneer de belastingplichtige niet langer aan de voorwaarden voldoet, vervalt de vergunning ambtshalve en mag hij er zich niet meer op beroepen.
De belastingplichtigen die niet meer aan de voorwaarden van het stelsel maandelijkse teruggaaf voldoen zijn er bijgevolg toe gehouden, wanneer ze opnieuw aan de voorwaarden voldoen, een nieuwe vergunning aan te vragen.
Verval van de vergunning: klassiek stelsel
In de hiervoor bedoelde gevallen (zie ‘Aanvraag van de vergunning: klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf’) waarbij een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd in de loop van de twaalfde maand die volgt op die welke de eerste vergunning werd verleend (dit is het geval indien de eerste vergunning is verleend op basis van vooruitzichten omtrent het bedrag van de handelingen bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, of is verleend ingevolge belangrijke wijzigingen in de economische en industriële organisatie) geldt dat, bij ontstentenis van een dergelijke aanvraag, de oorspronkelijk verleende vergunning ambtshalve vervalt vanaf de maand die volgt op die waarin de nieuw vergunning moest worden aangevraagd.
De aangetekende brief bij dewelke de eerste vergunning wordt genotificeerd maakt melding van de verplichting tot en het tijdstip waarop een nieuwe vergunning moet aangevraagd worden. In die brief wordt tevens vermeld dat bij ontstentenis van de aanvraag van een nieuwe vergunning, de oorspronkelijk verleende vergunning ambtshalve vervalt vanaf de maand die volgt op die waarin de nieuwe vergunning moest aangevraagd worden.
Verval van de vergunning: bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor bepaalde belastingplichtigen die ertoe gehouden zijn openbare dienstverplichtingen te vervullen.
De administratie aanvaardt dat, wanneer de aanvraag betrekking heeft op het eerste jaar waarin de belastingplichtige ertoe gehouden is openbare dienstverplichtingen te vervullen, dat de aanvraag, wat betreft de bijkomende bijzondere voorwaarden, wordt verricht op basis van vooruitzichten (circulaire 2022/C/54 van 20.05.2022, voornoemd, randnummer 5.2.).
De belastingplichtige is er niet toe gehouden een nieuwe vergunning aan te vragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op die tijdens welke de eerste vergunning werd verleend. Het spreekt evenwel voor zich dat de belastingplichtige na het verstrijken van het eerste jaar waarin hij ertoe gehouden was één of meer openbare dienstverrichtingen te vervullen nog steeds aan de basisvoorwaarden bedoeld in artikel 81, § 3, 5° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, dient te voldoen, zoniet vervalt de vergunning.
Verval van de vergunning: bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten
Er moet worden op gewezen dat aangezien de verlaging van het btw-tarief op de levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten in het kader van residentiële contracten een tijdelijke maatregel is, de geldigheidsduur van de vergunning die wordt uitgereikt in het kader van het bijzonder stelsel maandelijkse teruggaaf beoogd in artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, de facto ook beperkt is in de tijd.
Voor nadere bijzonderheden inzake de geldigheidsduur van de vergunning in het kader van het bijzonder stelsel maandelijkse teruggaaf beoogd in artikel 81, § 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, wordt verwezen titel d.’Maandelijkse teruggaaf van btw: levering van elektriciteit, aardgas en warmte via warmtenetten’, hiervoor, evenals naar randnummer 4.2.2.4. van de circulaire 2022/C/48 van 11.05.2022, voornoemd, en randnummer 4 van de circulaire 2022/C/67 van 11.07.2022, voornoemd. Deze laatste circulaire heeft de geldigheidsduur van de vergunning verlengd tot 31.12.2022.
Intrekking van de vergunning
Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de in artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, 5° en 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd bedoelde bijzondere voorwaarden, kan ze bij een met redenen omklede beslissing de vergunning op ieder ogenblik intrekken (artikel 81, § 5, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
In dat geval kan slechts een nieuwe vergunning worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis van de belastingplichtige werd gebracht.
Op grond van artikel 81, § 5, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de vergunning bij een met redenen omklede beslissing op ieder ogenblik eveneens worden ingetrokken indien de administratie vaststelt, wat het klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf betreft, dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht waarvoor hij aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in § 2, eerste lid, 3° van hetzelfde besluit wegens ofwel een wijziging van de werkzaamheid ofwel van de exploitatievooruitzichten.
Op grond van artikel 81, § 5, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de vergunning bij met redenen omkleden beslissing op ieder ogenblik eveneens worden ingetrokken indien, wat het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen, de vergunning is verleend op basis van voortuitzichten (administratieve tolerantie) en de belastingplichtige, wegens een wijziging van de vooruitzichten, uiteindelijk niet aan de voorwaarden voor toepassing van de regeling blijkt te voldoen.
In die laatste gevallen kan de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen van zodra hij opnieuw aan de voorwaarden voldoet.
Onverminderd, in voorkomend geval, van toepassing van de door of krachtens de wet voorziene sancties, zal de vergunning overeenkomstig artikel 81, § 5, achtste lid, van hogergenoemd koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, bovendien onmiddellijk worden ingetrokken wanneer:
• de vergunning die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring
• de belastingplichtige de bij de wet of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt
• de situatie bedoeld in artikel 81, § 3, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, zich voordoet (bestaan van hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen, dat de aangifte waaruit het voor teruggaaf vatbaar overschot blijkt of de aangiften met betrekking tot daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen).
De beslissing tot intrekking wordt aan de houder van de vergunning medegedeeld bij een ter post aangetekende brief. De vergunning mag niet meer worden ingeroepen te rekenen vanaf de dag na de afgifte ter post van deze aangetekende brief.
Regeling met betrekking tot een btw-eenheid
• Vergunning die voorheen werd toegekend aan een lid dat toetreedt tot de btw-eenheid
De vergunning voor de maandelijkse teruggaaf van belastingkredieten toegekend aan een btw-belastingplichtige, vervalt ambtshalve vanaf het moment waarop die belastingplichtige toetreedt tot een btw-eenheid, omdat deze belastingplichtige als zodanig niet meer gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften.
• Vergunning aangevraagd door de btw-eenheid
De btw-eenheid zal de mogelijkheid hebben om zelf de vergunning voor de maandelijkse teruggaaf van haar belastingkredieten aan te vragen.
Als de btw-eenheid vanaf haar oprichting dit stelsel wil genieten, kan ze wat de stelsels bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° (klassiek stelsel van maandelijkse teruggaaf) en 5° (bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen) daartoe een aanvraag indienen op basis van vooruitzichten. In dat verband wordt gewezen op hetgeen volgt.
Er wordt aan herinnerd dat een belastingplichtige, om te kunnen genieten van het klassiek stelsel van de maandelijkse teruggaaf, tijdens het verstreken kalenderjaar, een belastingoverschot in zijn voordeel moet hebben van ten minste 12.000 euro en dat zijn omzet, tijdens diezelfde periode, voor ten minste 30% moet bestaan uit leveringen van goederen en dienstprestaties welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39quater en van de artikelen 40, § 2, 1°, en 2°, en 41, § 1, 2° tot 6°, en 42 van het Btw-Wetboek, leveringen van goederen en diensten waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant ingevolge artikelen 51, § 2, 5°, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek, leveringen van goederen en diensten binnen de onroerende sector waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, en/of leveringen van goederen en diensten die in het buitenland plaatsvinden voor zover het belastingoverschot voortvloeit uit de voorfinanciering van de btw geheven van deze goederen en diensten (zie ook ‘toepassingsvoorwaarden’ hiervoor).
Aangezien de handelingen verricht tussen de leden van de btw-eenheid buiten het toepassingsgebied van de btw vallen, mag met die bedragen geen rekening worden gehouden voor de vaststelling van de totale en de ‘vrijgestelde’ omzet (klassiek stelsel).
Om de totale omzet en de vrijgestelde omzet te berekenen (klassiek stelsel) moet de btw-eenheid rekening houden, op het ogenblik van zijn vooruitzichten, met het geheel van de omzetten dat elk lid vóór zijn toetreding in België heeft gerealiseerd, gedurende het vorige kalenderjaar. Om deze bedragen te bepalen wordt er geen rekening gehouden met handelingen verricht tussen de leden onderling.
Er wordt aan herinnerd dat een belastingplichtige om te kunnen genieten van het bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen, tijdens het verstreken kalenderjaar, een belastingoverschot in zijn voordeel moet hebben gehad van ten minste 12.000 euro en dat het belastingoverschot tijdens de dezelfde periode afkomstig moet zijn van in aftrek gebrachte bedragen die voor ten minste 30 % hun oorsprong moeten vinden in de aankopen van goederen en diensten verricht op grond van één of meer van zijn openbare dienstverplichtingen.
Het spreekt voor zich dat voor de vaststelling van zowel het belastingverschot van 12.000 euro als de vaststelling van de totale in aftrek gebrachte belasting en de vaststelling van de in aftrek gebrachte bedragen die hun oorsprong vinden in één of meer openbare dienstverplichtingen (bijzonder stelsel van maandelijkse teruggaaf voor belastingplichtigen die één of meer openbare dienstverplichtingen vervullen) geen rekening kan worden gehouden met de handelingen verricht tussen de leden onderling van de btw-eenheid, aangezien deze handelingen buiten het toepassingsgebied van de btw vallen en niet met btw zijn belast.
E. Andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten
De hierna volgende andere toepassingsvoorwaarden en modaliteiten zijn van toepassing in het kader van elke teruggaafprocedure met betrekking tot het belastingoverschot in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek (teruggaafprocedures met betrekking tot de bedragen bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 1° tot en met 6° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Uitdrukkelijk verzoek
Het belastingoverschot in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek wordt slechts teruggegeven op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige (artikel 76, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4).
Indien de belastingplichtige wenst dat het belastingoverschot hem wordt teruggegeven, dient hij die teruggaaf uitdrukkelijk aan te vragen door, bij het verstrijken van elke maand waarvoor een belastingoverschot teruggegeven kan worden, een kruisje te plaatsen in het vakje 'Aanvraag om terugbetaling' van de btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat geldt als aanvraag om teruggaaf (artikel 81, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Tijdige indiening van de btw-aangiften
Voor de teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (teruggaaf van het door de Staat verschuldigd bedrag dat blijkt uit de aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar) geldt als voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende kalenderjaar moeten zijn ingediend.
Voor de teruggaaf van bedragen bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 2° tot en met 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geldt als voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar moeten zijn ingediend uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de staat verschuldigde bedrag blijkt.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige bedoeld in 81, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5° of 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand april 2022 pas indient op 28.05.2022, de maandelijkse teruggave van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze moest ingediend worden ten laatste 20.05.2022. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand mei 2022 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.06.2022.
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de voorwaarde om de indieningstermijn te respecteren (ten laatste de twintigste dag van de volgende maand) om te kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van het belastingkrediet van deze aangifte, strikt wordt toegepast door de administratie, zelfs in de vakantieperiode.
Minimum van het belastingkrediet
De belastingplichtige kan slechts effectief teruggaaf bekomen wanneer het door de Staat verschuldigde bedrag na het indienen van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek waarin het verzoek om teruggaaf wordt gedaan, het vereiste minimumbedrag bereikt.
Dat minimumbedrag is vastgelegd op :
• 50 euro indien om teruggaaf wordt verzocht in de periodieke aangifte die betrekking heeft op het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar (artikel 81, § 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd)
• 400 euro indien om teruggaaf wordt verzocht in de periodieke aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen door een kwartaalaangever of in de laatste periodieke maandaangifte van elk van de eerste drie kalenderkwartalen door een maandaangever (artikel 81, § 2, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd)
• 50 euro indien om teruggaaf wordt verzocht in de periodieke maandaangifte door een maandaangever die houder is van een vergunning voor maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet (artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, 5° en 6° van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd)
• 50 euro indien om teruggaaf wordt verzocht in de periodieke maandaangifte die valt binnen de vierentwintig maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit door een maandaangever-‘starter’ (artikel 81, § 2, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd). (15)
(15) In het kader van de toepassing van de regeling ‘starters’ bedoeld in artikel 81, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geldt dat bij afloop van de periode van 24 maanden die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, de betrokken belastingplichtige niet langer wordt beschouwd als 'starter'. Zijn eventueel belastingkrediet wordt vanaf dan dus in principe overgedragen op de volgende aangifteperiode, krachtens artikel 81, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (zie evenwel de mogelijkheden van trimestriële of maandelijkse teruggave respectievelijk voorzien in de artikelen 81, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
De hiervoor aangehaalde minimumbedragen zijn van toepassing vanaf 01.04.2021. (16)
(16) Voor die datum waren hogere minimumbedragen van toepassing. De verlaging van de minimumbedragen op 01.04.2021 is toegelicht middels de circulaire 2021/C/41 van 04.05.2021, voornoemd.
Indien het belastingoverschot het minimumbedrag niet bereikt, wordt het in de regel automatisch overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.
Stelsels van maandelijkse teruggaaf: vereiste inzake elektronische indiening van de btw-aangiften
De teruggaaf van een bedrag in toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, 4°, 5° of 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is afhankelijk van de voorwaarde dat de aangiften met betrekking tot het lopende kalenderjaar worden ingediend overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 81, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 4).
Voor de toepassing van bedoelde stelsels maandelijkse teruggaaf is bijgevolg vereist dat alle aangiften met betrekking tot het lopende kalenderjaar langs elektronische weg, door middel van de toepassing INTERVAT, zijn ingediend. Geen enkele afwijking zal worden toegekend op dat principe.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige bedoeld in artikel 81, eerste lid, 3°, 4°, 5° of 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2022 indient op papier en zo de indieningsprocedure niet respecteert, de maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze op elektronische wijze had moeten ingediend worden. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2022 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2022.
De belastingplichtige houders van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar verliezen automatisch de regeling van maandelijkse teruggave.
Bankgegevens
De teruggaven voorzien in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, van het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een periodieke maand- of kwartaalaangifte geschiedt rekening houdend met de bankgegevens, inclusief IBAN en BIC zoals vermeld in de aangifte van aanvang of wijziging activiteit bedoeld in artikel 1 en 2 van het koninklijk besluit nr.10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, (artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Dit houdt in dat de desbetreffende teruggaven geschieden rekening houdend met de aan de administratie meegedeelde bankgegevens vermeld in de informatieve aangifte 'Aanvraag tot btw-identificatie' (formulier 604A) of de informatieve aangifte 'Wijziging btw-identificatie' (formulier 604B).
Indien de belastingplichtige zijn rekeningnummer niet heeft meegedeeld bij de aanvang van zijn activiteit (formulier 604A) of indien hij het rekeningnummer naderhand wijzigt, moet hij het rekeningnummer doorgeven via het formulier 'Aangifte tot wijziging van een identificatie' (formulier 604B).
De teruggaaf kan slechts plaatsvinden indien de belastingplichtige zijn bankrekeningnummer heeft meegedeeld middels een formulier 604A of 604B aan de administratie.
[Top]
2. Teruggaaf aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
Indien het gaat om een saldo in het voordeel van de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, zal deze som overeenkomstig de bepalingen van artikel 83 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aan hem worden terugbetaald vermits de ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf.
Krachtens artikel 53terdecies van het Btw-Wetboek wordt de door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1° van het datzelfde Btw-Wetboek, die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gelijkgesteld met een gedagtekende en ondertekende aangifte. Een met respect voor de specifieke gebruikersinstructies ingevulde en verstuurde elektronische aangifte heeft bijgevolg dezelfde juridische uitwerking als een juist bevonden gedateerde en ondertekende aangifte die via de traditionele papieren weg wordt verricht.
De desbetreffende teruggaven geschieden rekening houdend met de aan de administratie meegedeelde bankgegevens vermeld in de informatieve aangifte 'Aanvraag tot btw-identificatie' (formulier 604A) of de informatieve aangifte 'Wijziging btw-identificatie' (formulier 604B) welke door bedoelde belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen worden ingediend.
[Top]
3. Door de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een periodieke of bijzondere btw-aangifte voor de uitoefening van het recht op teruggaaf te vervullen formaliteiten
Voor de teruggaaf ten gunste van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, wordt de vordering tot teruggaaf uitgeoefend zonder rechtstreekse tussenkomst van de administratie en moet de rechtvaardiging van het recht op teruggaaf slechts worden verstrekt wanneer een ambtenaar van het btw-controlekantoor (controlecentrum) erom verzoekt.
Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval, gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen:
1° een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag
2° dat stuk inschrijven in een daartoe bestemd register
3° in de gevallen bedoeld in artikel 79 van het Btw-Wetboek aan de medecontractant een dubbel van dat stuk uitreiken voorzien van de vermelding ‘BTW te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’.
Artikel 79, § 1, eerste lid, van Btw-wetboek bepaalt dat wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, de leverancier of de dienstverstrekker aan de medecontractant een verbeterend stuk moet uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.
De medecontractant die deze belasting in aftrek heeft gebracht, moet ze overeenkomstig artikel 79, § 1, tweede lid, van het Btw-wetboek terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.
Volgens het Hof van Cassatie strekt het geheel van deze formaliteiten en voorwaarden bij facturatie aan btw-belastingplichtigen tot de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel. De gestelde formaliteiten en voorwaarden gaan volgens het Hof niet verder dan voor het bereiken van de doelstellingen van de wet noodzakelijk is (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.13.0031.N van 31.10.2014).
A. Verbeterend stuk
Overeenkomstig artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen.
Het verbeterend stuk moet worden opgemaakt op het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat, of uiterlijk op het tijdstip waarop de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die vordering uitoefent. Het stuk vermeldt de elementen die het mogelijk maken om de handeling waarop de teruggaaf betrekking heeft en de aangifte waarin het voor teruggaaf vatbare bedrag onder de verschuldigde belasting werd opgenomen, te identificeren, evenals de oorzaak van de teruggaaf, de belasting die werd voldaan, het voor teruggaaf vatbare bedrag en, in voorkomend geval, de verwijzing naar de bewijsstukken (met de medecontractant gewisselde brieven, overeenkomst die de vernietiging of de ontbinding van de oorspronkelijke overeenkomst vaststelt, inschrijving van het verlies van de schuldvordering op de winst- en verliesrekening…).
Dit belet niet dat meer specifieke vermeldingen en formaliteiten kunnen worden opgelegd, zoals bijvoorbeeld gebeurd is in het kader van de problematiek van de kortingbonnen (zie aanschrijving nr. 8/1997 van 27.08.1997).
Wanneer de teruggaaf betrekking heeft op een binnenlandse handeling en verleend wordt hetzij op grond van een vergissing in de factuur hetzij op grond van één van de oorzaken bedoeld in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek, moet overeenkomstig artikel 79, § 1, van datzelfde Wetboek een dubbel van het verbeterend stuk aan de medecontractant worden uitgereikt. Op dat dubbel moet de volgende vermelding voorkomen: ‘btw terug te storten aan de staat, in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’ (zie ook artikel 4, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd). Indien het verbeterend stuk bedoeld in artikel 79, § 1, van het Btw-Wetboek door de leverancier of dienstverrichter niet is uitgereikt zal de administratie de teruggaaf weigeren.
Bij niet-uitreiking van het verbeterend stuk heeft dit immers tot gevolg dat de belastingplichtige medecontractant, die de btw (geheel of gedeeltelijk) in aftrek heeft gebracht, deze teveel aangerekende en betaalde btw niet kan terugstorten aan de Schatkist. De effectieve teruggaaf, in dat geval, van de teveel aangerekende btw door de Schatkist aan de leverancier of dienstverrichter resulteert in een ongerechtvaardigde verrijking in hoofde van deze laatste en in een tekort voor de Schatkist (zie in dat verband Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.13.0031.N van 31.10.2014, voornoemd). Het HvJ-EU verzet er zich niet tegen dat onder een nationaal rechtsstelsel de teruggaaf van ten onrechte geheven belastingen wordt geweigerd in omstandigheden waarin dit zou uitlopen op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Marks & Spencer plc tegen Commissioners of Customs and Excise, zaak C-309/06, van 10.04.2008, punt 41 en de aldaar vermelde arresten en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Staatssecretaris van Financiën tegen Stadeco BV, zaak C-566/07, van 18.06.2009, punt 48).
In geval van teruggaaf van de belasting betaald ter zake van een intracommunautaire verwerving van goederen of ter zake van een dienst of een levering van goederen waarvoor de belasting door de medecontractant is verschuldigd, dient er uiteraard geen dubbel van het verbeterend stuk te worden uitgereikt, maar dient de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht. Die terugstorting vindt overeenkomstig artikel 4, § 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het aangiftetijdvak in de loop waarvan de teruggaaf wordt bekomen (rooster 61 van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek of rooster 81 van de aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek).
Er wordt opgemerkt dat het niet is toegestaan een factuur met betrekking tot een nieuwe levering te verminderen met het bedrag van de prijsvermindering, de terugzending … betreffende een vroegere levering en op die wijze slechts het verschil te belasten.
De belastingplichtige gehouden tot het indienen van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek moet geen dubbel van het verbeterend stuk uitreiken aan zijn medecontractant in geval van teruggaaf van btw die werd voldaan voor een handeling met een particulier, zonder dat een factuur werd uitgereikt omdat die uitreiking niet verplicht was. Hij moet, in principe, kunnen bewijzen dat hij de ten onrechte in rekening gebrachte belasting aan zijn afnemer heeft terugbetaald. Indien evenwel wordt aangetoond dat de prijzen ‘btw inbegrepen’ werden vastgesteld en aan de klanten een bedrag werd aangerekend zonder dat de aangerekende btw afzonderlijk werd vermeld, dan moet de belastingplichtige, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen, niet aantonen dat hij de te veel aangerekende btw aan zijn klanten heeft terugbetaald. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de leverancier of dienstverrichter, voor een handeling verricht met een particulier waarvoor deze niet is gehouden een factuur uit te reiken, op vrijwillige basis een factuur uitreikt met een prijs ‘btw inbegrepen’.
In geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, is de leverancier of dienstverrichter niet gehouden aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek C, hiervoor).
In het geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een gerechtelijke reorganisatie moeten de formaliteiten ingesteld bij artikel 79, § 1, eerste lid van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, worden nageleefd. Gezien de gedeeltelijke of volledige verliezen van schuldvordering van de prijs in geval van een gerechtelijke reorganisatie als blijvend worden beschouwd, zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek daarentegen niet van toepassing. De leverancier of dienstverrichter die een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, zal bijgevolg niet gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek B, hiervoor).
Echter uitzondering op voorgaande alinea is het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag gesteld worden en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.
De belastingplichtige leverancier is niet verplicht de vordering tot teruggaaf uit te oefenen wanneer de oorspronkelijke handeling betrekking heeft op een levering van goederen of op een dienst, hier te lande verricht voor een belastingplichtige die gehouden is een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek in te dienen en die de hem oorspronkelijk in rekening gebrachte belasting integraal en definitief in aftrek heeft kunnen brengen en deze belasting niet werd geheven van een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd. De creditnota uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter die de belasting aan de schatkist heeft voldaan maakt dan uiteraard geen melding van de btw en de medecontractant is niet gehouden de oorspronkelijk uitgeoefende aftrek recht te zetten noch enige terugstorting te verrichten.
B. Teruggaafregister
Overeenkomstig artikel 4, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, voornoemd verbeterend stuk inschrijven in een daartoe bestemd register.
Het teruggaafregister (aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 81/1970 van 07.12.1970) vormt eigenlijk een inventaris van de verbeterende stukken die er doorlopend genummerd worden in opgenomen. Iedere inschrijving dient ten minste volgende gegevens te vermelden:
• een volgnummer dat tevens het nummer is van het verbeterend stuk
• de datum van de inschrijving
• de aanduiding van de medecontractant
• het terug te geven bedrag.
Bij het verstrijken van ieder aangiftetijdvak, telt de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de voor teruggaaf vatbare belasting samen en schrijft hij dat bedrag voluit in letters na de laatste inschrijving.
Het register moet ter beschikking worden gehouden van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon ressorteert en aan dat kantoor worden overgelegd op ieder verzoek van het hoofd van dat controlekantoor (controlecentrum). Indien het register niet wordt overgelegd moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting waarvan hij de teruggaaf heeft verkregen, en die in het register moest worden ingeschreven, terugstorten.
De administratie zal geen kritiek uitoefenen wanneer een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, de uitgereikte creditnota’s inschrijft in het boek voor uitgaande facturen op voorwaarde dat de terug te geven btw-bedragen worden samengeteld per aangiftetijdvak en dat het totaal wordt overgebracht naar het bijzonder register dat wordt gehouden voor de inschrijving van de teruggaven waarvoor geen creditnota aan een medecontractant wordt uitgereikt (bijvoorbeeld teruggaven met betrekking tot invoeren, teruggaven met betrekking tot onttrekkingen …). Het spreekt vanzelf dat in dat geval het boek voor uitgaande facturen, evengoed als het eigenlijke teruggaafregister op het btw-controlekantoor (controlecentrum) moet worden overgelegd.
C. Vermelding in de aangifte
De leverancier van de goederen of de dienstverrichter die zijn recht op teruggaaf van de belasting uitoefent, dient, in voorkomend geval, enerzijds de bedragen exclusief belasting over de toegevoegde waarde van de verbeterende stukken die hij heeft opgesteld bij te voegen bij het bedrag in te schrijven in rooster 49 van zijn periodieke aangifte en anderzijds het bedrag van de belasting waarvoor hij zijn recht op teruggaaf uitoefent op te nemen in rooster 64 van deze aangifte.
D. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant
Wanneer de medecontractant van de belastingplichtige die teruggaaf heeft verkregen op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek, zelf een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, dan schrijft deze medecontractant de ontvangen creditnota in in zijn boek voor inkomende facturen of in een bijzonder register dat hij daarvoor houdt, met vermelding van het btw-bedrag dat hem werd gecrediteerd en van het bedrag dat hij aan de staat moet terugstorten (effectief afgetrokken belasting). Op het einde van ieder aangiftetijdvak maakt hij het totaal van de terug te storten bedragen en vermeldt hij dat totaal in rooster 63 van de periodieke btw-aangifte.
Het bedrag van de ontvangen creditnota exclusief btw wordt opgenomen in het bedrag te vermelden in rooster 85 van de periodieke aangifte en wordt afgetrokken van het bedrag van de voor de aangifteperiode in te schrijven aankopen naar gelang het geval, in rooster 81, 82 of 83. Indien het bedrag vermeld in rooster 81, 82 of 83 ontoereikend is, dient het saldo in het betreffende rooster van één of meerdere volgende btw-aangifte(n) in mindering te worden gebracht. Hoe dan ook mogen nooit negatieve bedragen worden opgenomen in een periodieke btw-aangifte.
[Top]
4. Ordonnancering van het belastingkrediet dat blijkt uit een periodieke of bijzondere btw-aangifte
De ordonnancering kan worden omschreven als de opdracht of het bevel tot betaling welke uitgaat van de ordonnateur van de belasting (de administratie die de belasting vaststelt en de invordering of de teruggaaf ervan beveelt) gegeven aan de rekenplichtige van de Staat.
De ordonnateur van de belasting komt het toe het belastingkrediet dat blijkt uit een bijzondere of periodieke btw-aangifte te ordonnanceren binnen de ter zake bepaalde termijnen opgenomen in artikel 81 (periodieke btw-aangifte) en artikel 83 (bijzondere btw-aangifte) van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
A. Periodieke btw-aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
a. Kwartaalindieners en maandaangevers – buiten toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf
Krachtens artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschiedt de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling van het overschot in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een kwartaalaangifte of en maandaangifte, behoudens in het geval van toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf (zie hierna), uiterlijk de derde maand volgend op het tijdvak waarop de kwartaalaangifte of de aangifte van de laatste maand van dit kwartaal betrekking heeft.
De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling geschiedt, voor het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit de hierna vermelde aangiften ingediend door een kwartaalaangever, met betrekking tot de hierna vermelde aangifteperioden, uiterlijk op:
• eerste kwartaal: 30 juni van het lopende jaar
• tweede kwartaal: 30 september van het lopende jaar
• derde kwartaal: 31 december van het lopende jaar
• vierde kwartaal: 31 maart van het volgende kalenderjaar
De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling geschiedt, voor het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een aangifte ingediend door een maandaangever, welke niet onder de toepassing valt van een stelsel maandelijkse teruggaaf, met betrekking tot de hierna vermelde aangifteperioden, uiterlijk op:
• maart: 30 juni van het lopende jaar
• juni: 30 september van het lopende jaar
• september 31 december van het lopende jaar
• december: 31 maart van het volgende kalenderjaar
b. Ordonnancering in geval van de toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf
In het geval van toepassing van een stelsel maandelijkse teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° tot 6°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschiedt de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling uiterlijk de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft.
Dit houdt in dat de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling geschiedt, voor het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit de hierna vermelde maandaangiften ingediend door een belastingplichtige op wie een stelsel maandelijkse teruggaaf van toepassing is, uiterlijk op:
• januari: 31 maart van het lopende kalenderjaar
• februari: 30 april van het lopende kalenderjaar
• maart: 31 mei van het lopende kalenderjaar
• april: 30 juni van het lopende kalenderjaar
• mei: 31 juli van het lopende kalenderjaar
• juni: 31 augustus van het lopende kalenderjaar
• juli: 30 september van het lopende kalenderjaar
• augustus: 31 oktober van het lopende kalenderjaar
• september: 30 november van het lopende kalenderjaar
• oktober: 31 december van het lopende kalenderjaar
• november: 31 januari van het volgende kalenderjaar
• december: 28/29 februari van het volgende kalenderjaar
B. Bijzondere btw-aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
Krachtens artikel 83, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschiedt de ordonnancering van het overschot in het voordeel van de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon dat blijkt uit een bijzondere btw-aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, uiterlijk de derde maand volgend op het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.
Aangezien de bijzondere btw-aangifte een kwartaalaangifte geschiedt de ordonnancering, voor de hierna vermelde bijzondere btw-aangiften, uiterlijk op:
• eerste kwartaal: 30 juni van het lopende jaar
• tweede kwartaal: 30 september van het lopende jaar
• derde kwartaal: 31 december van het lopende jaar
• vierde kwartaal: 31 maart van het volgende kalenderjaar
[Top]
5. Aanwending en inhouding van het belastingkrediet dat blijkt uit een periodieke of bijzondere btw-aangifte
De overdracht naar een volgend aangiftetijdvak of de teruggaaf van het saldo in het voordeel van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van een periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek of een bijzondere aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek vindt niet plaats in de hierna bedoelde gevallen van aanwending of inhouding.
Het saldo in het voordeel van de belastingplichtige dat blijkt uit een dergelijke btw-aangifte:
• wordt aangewend ter aanzuivering van een btw-belastingschuld die een schuldvordering vormt die zeker, vaststaand en opeisbaar is, wanneer op het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met de betaling de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde belastingen, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode waarop de aangifte betrekking heeft (artikel 76, § 1, vierde lid, 1° en § 2, derde lid, 1° van het Btw-Wetboek; zie tevens artikel 81, § 3, eerste en tweede lid, en artikel 83, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Een btw-belastingschuld is zeker, opeisbaar en vaststaand onder meer indien ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Btw-Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen.
Wat de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften betreft geschiedt deze aanwending zonder onderscheid of al dan niet is geopteerd voor de teruggaaf.
• wordt ingehouden tot beloop van de btw-belastingschuld die aan te zuiveren is indien die schuldvordering van de administratie geen schuldvordering is die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is (artikel 76, § 1, vierde lid, 1° en § 2, derde lid, 1° van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 3, vierde lid, en 83, vijfde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Een btw-belastingschuld is geen schuldvordering die zeker, opeisbaar en vaststaand is onder meer indien ze wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Btw-Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen.
Wat de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften betreft geschiedt deze inhouding zonder onderscheid of al dan niet is geopteerd voor de teruggaaf.
De inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest.
Voor een bewarend beslag is vereist dat het gaat om een spoedeisend geval (artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek). Voor de toepassing van de inhouding wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht te zijn vervuld.
• wordt ingehouden wanneer ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar overschot, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en deze vermoedens of bewijzen een belastingschuld in het vooruitzicht stellen maar waarbij een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de hierboven genoemde ordonnancering niet kan geschieden. In dat geval heeft de ordonnancering van het belastingkrediet of de overdracht naar een volgend aangiftetijdvak niet plaats. De inhouding moet de administratie toelaten de waarachtigheid van de gegevens na te gaan (artikel 76, § 1, vierde lid, 2° en § 2, derde lid, 2° van het Btw-Wetboek en artikel 81, § 3, vijfde lid, en 83, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
De hiervoor vermelde ernstige vermoedens of bewijzen die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Btw-Wetboek. Deze processen-verbaal worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon (artikel 81, § 3, zesde lid, en artikel 83, zevende lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Wat de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften betreft geschiedt deze inhouding zonder onderscheid of al dan niet is geopteerd voor de teruggaaf.
Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest.
Voor een bewarend beslag is vereist dat het gaat om een spoedeisend geval (artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek). Voor de toepassing van de inhouding wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht te zijn vervuld.
Bovendien kan elke som die aan een persoon moet worden teruggeven of betaald door de Federale Overheidsdienst Financiën , zonder formaliteit en naar keuze van de bevoegde ambtenaar worden aangewend ter betaling van de door deze persoon verschuldigde sommen waarvan de inning en de invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, worden verzekerd door de Federale Overheidsdienst Financiën of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid. Bedoelde aanwending zonder formaliteit wordt beperkt tot het niet-betwiste deel van de schuldvorderingen op deze persoon. Bovendien, kan de bevoegde ambtenaar, wat het betwiste deel van de schuldvordering op de persoon aan wie moet worden teruggegeven, overgaan tot een dergelijke aanwending zonder formaliteiten als bewarende titel indien de betwiste schuldvorderingen het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitvoerbare titel (zie artikel 334, §§ 1 en 4, van de programmawet van 27.12.2004 als vervangen bij artikel 34 van de wet van 25.12.2016, BS 29.12.2016, en als vervangen bij artikel 156 van de programmawet van 25.12.2017, BS 29.12.2017).
[Top]
6. Teruggaaf aan andere personen
A. Formaliteiten
Wanneer de rechthebbende op de teruggaaf een andere in België gevestigde persoon is dan een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen, naargelang het geval van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, moet hij conform artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, een aanvraag om teruggaaf, in twee exemplaren indienen bij het controlekantoor van de btw (controlecentrum) waaronder hij ressorteert indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of in het ambtsgebied waarin hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft indien het iedere andere persoon betreft.
Worden onder meer beoogd :
• de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen waarvan de toepassingsvoorwaarden bepaald zijn in het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen
• de landbouwondernemer die niet voor de normale belastingregeling heeft geopteerd (zie ook artikel 57 van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 22, voornoemd)
• iemand die een gebouw heeft opgericht en die gebruik maakt van de regeling bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5, hiervoor) en zich bevindt in de toestand beoogd in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 14, voornoemd
• de militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % genieten, personen die volledig blind zijn, personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of waarvan de bovenste ledematen zijn geamputeerd of personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4, hiervoor)
• de in artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van zijn recht op aftrek niet vervuld waren op het tijdstip van het indienen van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte.
Overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, kan deze aanvraag nog worden ingediend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Deze teruggaaf is afhankelijk van het bewijs van de betaling van de belasting en van de rechtvaardiging van de oorzaak van teruggaaf.
In verband met de teruggaven ten gunste van de belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die niet gehouden zijn, naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, en die niet in België zijn gevestigd, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:
• de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige moet zijn verzoek tot teruggaaf van Belgische btw indienen via de elektronische portaalsite die hem daartoe door zijn lidstaat van vestiging ter beschikking wordt gesteld. De lidstaat van vestiging van de aanvrager zendt het verzoek, na een eerste controle, op elektronische wijze toe aan België waar het zal worden behandeld door het Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd) (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 ; in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar het koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf en aan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen en circulaire 2022/C/99 van 28.09.2022, voornoemd)
• de niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige moet zijn verzoek tot teruggaaf van Belgische btw indienen via de elektronische portaalsite die de administratie in België heeft ingesteld (zie ook artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 , voornoemd, in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar koninklijk besluit nr. 56 van 10.04.2022, voornoemd, en de circulaire 2022/C/99 van 28/09/2022, voornoemd)
• de andere niet in België gevestigde rechthebbenden dienen een aanvraag in drievoud in bij het hoofd van voornoemd Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd); zie ook artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar aanschrijving nr. 4/1988 van 24.02.1988).
B. Wijze van teruggaaf
De teruggaven bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschieden rekening houdend met de aan de administratie verstrekte bankgegevens, inclusief IBAN en BIC.
De teruggaven voorzien in artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschieden, hetzij rekening houdend met de aan de administratie verstrekte bankgegevens, hetzij per internationale cheque (artikel 12, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Voor de toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4 worden de bankkosten voor het verrichten van de teruggaaf in voorkomend geval in mindering gebracht van het voor teruggaaf vatbare bedrag artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.