Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d’Anvers dd. 18.01.2016 (14/241/A)
WF 707-15-14/004522
(Favorable à l’administration)
Taxe sur la valeur ajoutée – Services d’interprétariat – Exemptions – Assujetti mixte – Prorata général de déduction
Dispositions légales
Article 44, § 2, 8°, du Code de la TVA
Article 84ter du Code de la TVA
Résumé
Lors d’un contrôle chez un assujetti, un bureau d’interprètes qui prête ses services lors d’audiences publiques, l’administration a constaté une application erronée de l’article 44, § 2, 8°, du Code de la TVA. En effet, l’activité d’interprétariat ne s’exerçait pas principalement lors d’audiences publiques des tribunaux mais consistait essentiellement en des prestations de traduction simultanée lors d’interrogatoires menés dans « un cercle fermé » par la police. L’exemption de l’article 44, § 2, 8°, du Code de la TVA n’est pas applicable dans ces circonstances (période antérieure au 1er janvier 2014).
Un accord n’ayant pas pu être conclu en ce qui concerne la non-application de l’article 44 du Code de la TVA, un procès-verbal a été dressé dans lequel, conformément à l’article 46 du Code de la TVA, la qualité d’assujetti mixte a été attribuée et les prestations quantifiées. Une contrainte a été notifiée le 12 décembre 2013 interrompant ainsi la prescription pour le recouvrement, visée sous l’article 81bis, §1er, alinéa 1er, du Code de la TVA. L’assujetti a introduit une requête devant le tribunal de première instance.
Le juge considère que l’administration apporte la preuve de l’assujettissement mixte et qu’elle a correctement agi. Il souligne qu’il est paradoxal que l’assujetti revendique le bénéfice de l’exemption de la taxe, alors que, pour la période concernée, il a déduit l’intégralité de la TVA qui lui avait été portée en compte.
La créance fiscale qui est correctement formulée dans la contrainte constitue une mise en œuvre de la loi fiscale (d’ordre public). L’action en justice est recevable mais non fondée.
Observations
(Décision administrative en matière de TVA n° E.T. 124.252 du 30 mai 2013, entrée en vigueur le 1er janvier 2014 suite à la décision administrative en matière de TVA n° E.T. 124.252/2.)
L'article 44, § 2, 8°, du Code de la TVA est la transposition de l'article 132, paragraphe 1, sous n), de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006, en vertu duquel les Etats membres peuvent exonérer certaines prestations de services culturels.
Il est toutefois évident que des audiences, publiques ou non, et des interrogatoires judiciaires, à huis clos ou non, ne tombent pas dans le champ d'application de cette disposition et que l'exemption de la TVA pour les traductions simultanées fournies par des interprètes durant ces audiences et interrogatoires judiciaires ne peut se justifier sur la base de l'article 44, § 2, 8°, du Code de la TVA. Ce point de vue s'applique, par ailleurs, mutatis mutandis à la traduction simultanée d'interrogatoires de police par des interprètes, ainsi qu'à la traduction d'enregistrements, à savoir la traduction simultanée de conversations téléphoniques interceptées.
Texte du jugement
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis Rechtbank eerste aanleg te Antwerpen
dd. 18.01.2016
(14/241/A)
Inzake:
L. BVBA
ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer … en met zetel te …, …,
eisende partij,
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. V. E. te …, ….
TEGEN;
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw V. B. J., in hoedanigheid van inspecteur.
* *
*
Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan,. ondermeer:
- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 14 januari 2014,
- de beschikking conform artikel 747 §1 Ger.W. dd. 14 maart 2014, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag,
- de conclusies en de stukken van de partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen en hun raadslieden in hun middelen en besluiten op de zitting van 21 december 2015.
* *
*
Het geschil behelst BTW in hoofde van eiseres, tolk, waarvan in hoofdzaak '(tap)tolk'.
Een bevoegd ambtenaar verrichtte in september 2010, na een eerste (vergeefse) poging in juli van dat jaar, aangekondigd controle.
De ambtenaar stelde daarbij onterechte toepassing van art.44 §2 8° Wetboek BTW vast.
Bepaaldelijk werd vastgesteld dat de activiteit voor het overgrote deel niet in openbare zitting van rechtbanken werd verricht, maar beperkt bleef tot simultaan vertalen van politieverhoren, alzo “in besloten kring”.
De controle sloeg op de jaren 2008, 2009 en 2010, leidde eerst tot een correctieopgave van 23 maart 2011.
Bij niet akkoord (door een gevolmachtigde) omtrent niet toepassing van art.44 Wetboek BTW werd de correctieopgave opgesplitst in twee delen, waarna akkoord met één ervan volgde.
Dat leidde tot een proces-verbaal van 25 augustus 2011, dit wat betreft het onderdeel waarmee niet akkoord was gegaan.
Daarin wordt gemengde belastingplicht onder art.46 Wetboek BTW aangehaald en becijferd, met navordering van afgerond 1% ten onrechte verrichte aftrek tot gevolg, naast navordering van niet aan de Staat betaalde BTW ingevolge ten onrechte toepassing van art.44 voormeld.
Dit gebeurde zonder formulering van vordering tot boete.
Ontvanger BTW Antwerpen 2 vaardigde begin september 2011 dwangbevel uit.
De belastingdienst ontving dezelfde maand een brief van een toenmalig raadsman voor eiseres in betwisting van de correctieopgave van augustus.
Deze laatste streefde een minnelijke regeling na.
Er werd toen geen rechtsvordering ingesteld.
In juni 2013 werd opnieuw controle uitgeoefend.
Deze sloeg op de jaren 2010, 2011 en 2012, bepaaldelijk over het algemeen verhoudingsgetal van art.46 Wetboek BTW.
Dit leidde tot een correctieopgave, met inbegrip van de eerste helft van 2013, waarmee eiseres zich niet akkoord verklaarde.
Dat leidde dan weer tot een proces-verbaal van 13 november 2013.
Vermelde Ontvanger vaardigde hierover op 12 december 2013 dwangbevel uit.
Het werd middels aangetekende brief van eveneens 12 december 2013 aangezegd aan eiseres.
Een toenmalig raadsman legde op 14 januari 2014 verzoekschrift op tegenspraak neer.
Afschrift van vermelde dwangbevel is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.
Eiseres stelde in haar syntheseconclusie van 13 oktober 2015 ook een tegenvordering, bedoelt daarmede klaarblijkelijk, procedureel, een uitbreiding van haar eigen rechtsvordering.
Ontvankelijkheid van de rechtsvordering en van de uitbreiding ervan staat niet in betwisting.
TEN GRONDE
1. De betwisting slaat op enkel de fiscale vordering die staat verwoord in het dwangbevel van 12 december 2013 met aangehecht proces-verbaal van 13 november 2013.
2. Uit het proces-verbaal van 13 november 2013 blijkt dat alsnog voor de periode voor 1 januari 2014 de vrijstelling van art.44 §2 8° zonder voorbehoud werd aanvaard.
Op dat punt werd dan ook geen navordering van niet aangerekende BTW gesteld.
Wel bleek dat eiseres de voorbelasting in aftrek had gebracht, waarover de navordering gaat.
3. Eiseres stelt dat de fiscale vordering is verjaard.
Door het dwangbevel van 12 december 2013 werd de driejarige verjaring van art.81 Wetboek BTW gestuit over 2010, 2011 en 2012 (a fortiori over de eerste helft van 2013).
4. In het proces-verbaal van 13 november 2013 werd gemengde belastingplicht (art.46 Wetboek BTW) onderbouwd en bedragsmatig uitgewerkt.
Het werkt bevreemdend dat eiseres vrijstelling (onder art.44 §2 8° Wetboek BTW) voorhield, maar daartegenover in de betrokken periode toch haar voorbelasting (in haar geheel) in aftrek bracht (alzo bepaaldelijk voor de periode die 1 januari 2014 voorafging).
Het proces-verbaal van 13 november 2013 formuleert enkel navordering van wat ten onrechte in aftrek werd gebracht en zulks enkel in het kader van art.46 Wetboek BTW.
5. De “tegenvordering” van eiseres is alvast procedureel technisch een uitbreiding van haar eigen hoofdvordering (zie reeds hogerop).
Zij meldt zich gegriefd op het punt waar zij, tot eind 2013, werd bijgetreden in haar praktische stelling der door haar nagestreefde vrijstelling.
Dit is volop inconsequent, nu ze in haar eigen stelling werd gevolgd.
Daaruit kan voor haar geen schade worden afgeleid, wel integendeel. Haar hierop gebouwde schade-eis komt van daaruit dan ook veeleer als roekeloos over.
6. De in het dwangbevel, met het eraan gehechte proces-verbaal van 13 november 2013, correct geformuleerde fiscale vordering vormt een toepassing van de fiscale wet (van openbare orde).
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, maar volledig ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten,
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.
Dit vonnis werd uitgesproken op achttien januari tweeduizend zestien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
L. B., rechter,
B. V., griffier,
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.