Diensten van tolken, Vrijstelling, Gemengde belastingplichtige, Algemeen verhoudingsgetal · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 14/241/A 18 januari 2016

Zoeken

Diensten van tolken, Vrijstelling, Gemengde belastingplichtige, Algemeen verhoudingsgetal

https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-tolken-vrijstelling-gemengde-belastingplichtige-rechtbank-antwerpen-2016-01-18-59a6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Rolnummer
14/241/A
Datum
18 januari 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 18.01.2016 (14/241/A)

WF 707-15-14/004522

(Gunstig voor de administratie)

Belasting over de toegevoegde waarde – Diensten van tolken – Vrijstelling – Gemengde belastingplichtige – Algemeen verhoudingsgetal

Wettelijke bepalingen

Art. 44 § 2, 8° WBTW, art. 46 WBTW, art. 84ter WBTW

Samenvatting

Na een controle bij de belastingplichtige, een tolkenbureau dat ook optreedt bij openbare gerechtelijke verhoren, stelde de administratie een onterechte toepassing van het art. 44 § 2, 8° WBTW vast. Er werd echter vastgesteld dat de activiteit voor het overgrote deel niet in openbare zitting van rechtbanken werd verricht, maar beperkt bleef tot simultaan vertalen van politieverhoren in ‘besloten kring’, waarop de vrijstelling van art. 44 § 2, 8 WBTW niet van toepassing was (periode voor 1 januari 2014).

Bij niet akkoord omtrent niet toepassing van art. 44 WBTW werd een proces-verbaal opgemaakt, waarin gemengde belastingplicht volgens art. 46 WBTW wordt aangehaald en becijferd. Door het uitvaardigen van een dwangbevel op 12 december 2013 werd de verjaring van art. 81bis, § 1 WBTW gestuit. Hierop werd door belastingplichtige een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg.

De rechter oordeelt dat de administratie de gemengde belastingplicht onderbouwd en bedragsmatig correct heeft uitgewerkt. Het werkt bevreemdend dat de belastingplichtige vrijstelling van de btw voorhield, maar daartegenover in de betrokken periode toch haar voorbelasting in haar geheel in aftrek heeft gebracht.

De in het dwangbevel correct geformuleerde fiscale vordering vormt een toepassing van de fiscale wet (van openbare orde). De rechtsvordering is ontvankelijk maar volledig ongegrond.

Opmerkingen

(Beslissing btw, nr. E.T.124.252, dd. 30.05.2013, inwerkingtreding op 01.01.2014, bij beslissing E.T.124.252/2)

Art. 44, § 2, 8° WBTW is de omzetting van art. 132, lid 1, littera n) van Richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28 november 2006, waardoor lidstaten vrijstelling kunnen verlenen voor bepaalde culturele diensten. Het is evenwel duidelijk dat terechtzittingen en gerechtelijk verhoren, achter gesloten deuren of niet, niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen en dat de vrijstelling voor de simultaanvertalingen door tolken tijdens terechtzittingen en gerechtelijke verhoren op basis van Art. 44, § 2, 8° WBTW niet meer kan verantwoord worden. Dit standpunt geldt mutatis mutandis ook voor het simultaan vertalen van politionele verhoren evenals het taptolken, d.i. het simultaan vertalen van afgetapte telefoongesprekken.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis Rechtbank eerste aanleg te Antwerpen

dd. 18.01.2016

(14/241/A)

Inzake:

L. BVBA

ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer … en met zetel te …, …,

eisende partij,

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. V. E. te …, ….

TEGEN;

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw V. B. J., in hoedanigheid van inspecteur.

* *

*

Gezien de stukken van het dossier van de rechtspleging zoals zij voorkomen op de inventaris ervan,. ondermeer:

- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 14 januari 2014,

- de beschikking conform artikel 747 §1 Ger.W. dd. 14 maart 2014, houdende bekrachtiging van de conclusietermijnen en vaststelling van de rechtsdag,

- de conclusies en de stukken van de partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen en hun raadslieden in hun middelen en besluiten op de zitting van 21 december 2015.

* *

*

Het geschil behelst BTW in hoofde van eiseres, tolk, waarvan in hoofdzaak '(tap)tolk'.

Een bevoegd ambtenaar verrichtte in september 2010, na een eerste (vergeefse) poging in juli van dat jaar, aangekondigd controle.

De ambtenaar stelde daarbij onterechte toepassing van art.44 §2 8° Wetboek BTW vast.

Bepaaldelijk werd vastgesteld dat de activiteit voor het overgrote deel niet in openbare zitting van rechtbanken werd verricht, maar beperkt bleef tot simultaan vertalen van politieverhoren, alzo “in besloten kring”.

De controle sloeg op de jaren 2008, 2009 en 2010, leidde eerst tot een correctieopgave van 23 maart 2011.

Bij niet akkoord (door een gevolmachtigde) omtrent niet toepassing van art.44 Wetboek BTW werd de correctieopgave opgesplitst in twee delen, waarna akkoord met één ervan volgde.

Dat leidde tot een proces-verbaal van 25 augustus 2011, dit wat betreft het onderdeel waarmee niet akkoord was gegaan.

Daarin wordt gemengde belastingplicht onder art.46 Wetboek BTW aangehaald en becijferd, met navordering van afgerond 1% ten onrechte verrichte aftrek tot gevolg, naast navordering van niet aan de Staat betaalde BTW ingevolge ten onrechte toepassing van art.44 voormeld.

Dit gebeurde zonder formulering van vordering tot boete.

Ontvanger BTW Antwerpen 2 vaardigde begin september 2011 dwangbevel uit.

De belastingdienst ontving dezelfde maand een brief van een toenmalig raadsman voor eiseres in betwisting van de correctieopgave van augustus.

Deze laatste streefde een minnelijke regeling na.

Er werd toen geen rechtsvordering ingesteld.

In juni 2013 werd opnieuw controle uitgeoefend.

Deze sloeg op de jaren 2010, 2011 en 2012, bepaaldelijk over het algemeen verhoudingsgetal van art.46 Wetboek BTW.

Dit leidde tot een correctieopgave, met inbegrip van de eerste helft van 2013, waarmee eiseres zich niet akkoord verklaarde.

Dat leidde dan weer tot een proces-verbaal van 13 november 2013.

Vermelde Ontvanger vaardigde hierover op 12 december 2013 dwangbevel uit.

Het werd middels aangetekende brief van eveneens 12 december 2013 aangezegd aan eiseres.

Een toenmalig raadsman legde op 14 januari 2014 verzoekschrift op tegenspraak neer.

Afschrift van vermelde dwangbevel is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.

Eiseres stelde in haar syntheseconclusie van 13 oktober 2015 ook een tegenvordering, bedoelt daarmede klaarblijkelijk, procedureel, een uitbreiding van haar eigen rechtsvordering.

Ontvankelijkheid van de rechtsvordering en van de uitbreiding ervan staat niet in betwisting.

TEN GRONDE

1. De betwisting slaat op enkel de fiscale vordering die staat verwoord in het dwangbevel van 12 december 2013 met aangehecht proces-verbaal van 13 november 2013.

2. Uit het proces-verbaal van 13 november 2013 blijkt dat alsnog voor de periode voor 1 januari 2014 de vrijstelling van art.44 §2 8° zonder voorbehoud werd aanvaard.

Op dat punt werd dan ook geen navordering van niet aangerekende BTW gesteld.

Wel bleek dat eiseres de voorbelasting in aftrek had gebracht, waarover de navordering gaat.

3. Eiseres stelt dat de fiscale vordering is verjaard.

Door het dwangbevel van 12 december 2013 werd de driejarige verjaring van art.81 Wetboek BTW gestuit over 2010, 2011 en 2012 (a fortiori over de eerste helft van 2013).

4. In het proces-verbaal van 13 november 2013 werd gemengde belastingplicht (art.46 Wetboek BTW) onderbouwd en bedragsmatig uitgewerkt.

Het werkt bevreemdend dat eiseres vrijstelling (onder art.44 §2 8° Wetboek BTW) voorhield, maar daartegenover in de betrokken periode toch haar voorbelasting (in haar geheel) in aftrek bracht (alzo bepaaldelijk voor de periode die 1 januari 2014 voorafging).

Het proces-verbaal van 13 november 2013 formuleert enkel navordering van wat ten onrechte in aftrek werd gebracht en zulks enkel in het kader van art.46 Wetboek BTW.

5. De “tegenvordering” van eiseres is alvast procedureel technisch een uitbreiding van haar eigen hoofdvordering (zie reeds hogerop).

Zij meldt zich gegriefd op het punt waar zij, tot eind 2013, werd bijgetreden in haar praktische stelling der door haar nagestreefde vrijstelling.

Dit is volop inconsequent, nu ze in haar eigen stelling werd gevolgd.

Daaruit kan voor haar geen schade worden afgeleid, wel integendeel. Haar hierop gebouwde schade-eis komt van daaruit dan ook veeleer als roekeloos over.

6. De in het dwangbevel, met het eraan gehechte proces-verbaal van 13 november 2013, correct geformuleerde fiscale vordering vormt een toepassing van de fiscale wet (van openbare orde).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, maar volledig ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.

Dit vonnis werd uitgesproken op achttien januari tweeduizend zestien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

L. B., rechter,

B. V., griffier,

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 4411 voorkomens
WBTW art. 467 voorkomens
WBTW art. 84ter2 voorkomens
WBTW art. 811 voorkomen
WBTW art. 81bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8