Uitbating bedrijven- en dienstencentra, Verhuur Onroerend goed · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 7 mei 2025

Zoeken

Uitbating bedrijven- en dienstencentra, Verhuur Onroerend goed

https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitbating-bedrijven-dienstencentra-verhuur-onroerend-rechtbank-gent-2025-05-07-8024

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
7 mei 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

155 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 07.05.2025

[ Gunstig vonnis ]

BTW - Uitbating bedrijven- en dienstencentra - Verhuur Onroerend goed - artikel 44 WBTW – Gedeeltelijk recht op aftrek

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 07.05.2025

A.R. 23/1678/A

IN DE ZAAK VAN:

X BV, ondernemingsnummer 0419.125.122, met maatschappelijke zetel te …

eisende partij, vertegenwoordigd door meester V.L. loco meester M.M. en loco meester S.P., beiden advocaat met kantoor te …;

TEGEN:

BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, KBO: 0308.357.159, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit:

AABBI DIRECTIE BRUSSEL, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,

verwerende partij, voor wie verschijnt de heer V.N., adviseur bij

een fiscaal bestuur

voor wie verschijnt mevrouw P.E., taxateur bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 19 maart 2025 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDURELE VOORGAANDEN

2.1.

Eiseres werd opgericht in 1979 en is geregistreerd in het KBO-register onder het

ondernemingsnummer 0419.125.122.

Op 19 december 2014 diende eiseres een aanvraag tot activering van haar ondernemingsnummer voor btw-doeleinden in voor: "uitbating bedrijven- en dienstencentra" als hoofdactiviteit en "verhuur eigen onroerend goed" als nevenactiviteit. In de aanvraag werd aangekruist dat eiseres voor een gedeelte handelingen zou verrichten beoogd in artikel 44 WBTW die geen recht op aftrek verlenen en voor een gedeelte andere handelingen zou verrichten die wel een recht op aftrek verlenen (belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek).

Met ingang van 1 januari 2015 werd het ondernemingsnummer van eiseres geactiveerd als btw-identificatienummer.

2.2.

Op 16 juni 2020 verrichtte de BBI op het adres van de maatschappelijke zetel van eiseres een aangekondigde controle met betrekking tot de periode van 1 december 2014 tot en met 31 maart 2020 om na te gaan of de door eiseres afgenomen goederen en diensten effectief betrekking hadden op "belaste handelingen" (namelijk de uitbating van bedrijven- en dienstencentra) en of eiseres de daaruit voortvloeiende btw correct in aftrek had gebracht.

Op 2 september 2020 stelde de BBI eiseres in kennis van de verlenging van de verjaringstermijn op grond van artikel 81bis, §1, tweede lid, 40 WBTW. Daarbij werd eiseres overeenkomstig artikel 84ter WBTW in kennis gesteld van de vermoedens van fraude die jegens haar bestonden in de betreffende periode.

Op 8 september 2020 verzond de BBI naar eiseres een correctie-opgave.

Bij gebrek aan schikking stelde de BBI op 1 december 2020 een proces-verbaal van taxatie op. Daaruit bleek een verschuldigd bedrag van 525.502,77 EUR, bestaande uit:

-btw-schuld in hoofdsom:166.535,59 EUR
-proportionele en niet proportionele geldboeten:358.967,18 EUR
-nalatigheidsinteresten vanaf 21 april 2020:p.m.

Deze schuld werd op 21 januari 2021 uitvoerbaar verklaard via opname in het innings-en invorderingsregister onder schuldnummer 500234983381, registernummer 202101N L012.

Op 4 februari 2021 startte eiseres bij de fiscale bemiddelingsdienst een bemiddelingsprocedure op. In het kader daarvan vonden tussen partijen verschillende gesprekken plaats. Op 9 september 2022 werd de bemiddelingsprocedure afgesloten zonder bemiddelde oplossing.

2.3.

Middels verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 juni 2023 maakte eiseres de zaak

aanhangig bij deze rechtbank, waarmee zij huidige procedure opstartte.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

3.1.

Eiseres vordert in haar Iaatste conclusie:

"Het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens :

In hoofdorde : de vordering van verzoeker toe te wijzen en bijgevolg het verzet tegen het proces-verbaal van 1 december 2020 gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de btw-schuld die volgt uit voormeld proces-verbaal en die op 21 januari 2021 uitvoerbaar werd verklaard in het innings- en in vorderingsregister btw (artikelnummer 500234983381) niet verschuldigd is,

Wat de opgelegde geldboete betreft :

•In hoofdorde : de opgelegde geldboete te vernietigen

•In ondergeschikte orde : de opgelegde geldboete kwijt te schelden, minstens te matigen tot een redelijk niveau

De terugbetaling te bevelen van alle onterecht betaalde of geinde sommen, te verhogen met de moratoriuminteresten.

De kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van het basisbedrag van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 Ger.W., begroot op 14.000,00 EUR."

3.2.

Verweerder vordert in zijn Iaatste conclusie:

De vordering van eiseres ontvankelijk, doch volledig ongegrond te verklaren;

Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. DE BETWISTINGEN EN HUN BEOORDELING

4.1. Over de uitbreiding van de verjaringstermijn (middel "A" van eiseres)

4.1.1.

Als eerste middel werpt eiseres op dat de verjaringstermijn vervat in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW ten onrechte verlengd werd. Ze betwist dat de vermeende btw-inbreuken begaan werden met de intentie belastingen te ontduiken.

4.1.2.

Overeenkomstig artikel 81bis, §1 WBTW is er verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking hiervan is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgende op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (art. 81bis, §1, tweede lid, 40 WBTW).

Er is "bedrieglijk opzet" als de overtreding wordt begaan om zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen en er is "oogmerk te schaden" als de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen zelfs indien de betrokkene zelf geen voordeel uit zijn handeling haalt.

4.1.3.

De rechtbank is van oordeel dat de belastingadministratie het bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden in hoofde van eiseres afdoende bewijst. De inbreuken op de btw-wetgeving zijn niet het gevolg van eenvoudige nalatigheid, of materiele fout, of onregelmatigheid te goeder trouw. Het systematisch karakter van de inbreuken gedurende een lange periode, het bewust niet-naleven van de btw-verplichtingen inzake de btw-wetgeving en de gebrekkige medewerking tijdens de btw-controle geven blijk van het feit dat de inbreuken in hoofde van eiseres begaan werden met het oogmerk om de belastingen te ontduiken. Concreet voert de administratie de volgende elementen aan (zie randnummers 22 tot en met 24 van haar conclusie):

[begin citaat]

22. Zo ook het voorhouden t.a.v. de administratie dat er een intentie was om "bedrijvencentrum" uit te baten, terwijl er nooit een bedrijvencentrum is opgestart en uit de feiten eveneens blijkt dat er ook geen intentie is geweest om er ooit een uit te baten. Eiseres heeft onder dit valse voorwendsel jarenlang btw onterecht in aftrek gebracht. De Belgische Schatkist heeft hierdoor schade geleden.

23. Bovendien heeft eiseres zich met opzet geregistreerd voor btw-doeleinden om misbruik te kunnen maken van de aftrekregeling inzake btw.

Zo blijkt dat eiseres zich bewust registreerde voor btw-doeleinden om de btw (rechtstreeks via het stelsel van verlegging van de btw naar de medecontractant) onrechtmatig in aftrek te kunnen brengen via haar btw-aangiften. Eiseres was immers voordien niet geregistreerd voor btw-doeleinden (vrijgestelde belastingplichtige), maar door de onterechte registratie als btw-plichtige (voor de uitbating van een bedrijvencentra) kon zij misbruik maken van de aftrekregeling inzake btw.

Uit volgende vaststellingen blijkt dat zij reeds geruime tijd voor haar btw-registratie deze plannen had:

- op 11 maart 2014 (o.b.v. rekeninguittreksel eisers) verricht eiseres een betaling van € 16.000 aan NV O.. Hiervoor wordt geen voorschotfactuur uitgereikt;

op 5 juni 2014 (o.b.v. rekeninguittreksel eiseres) verricht eiseres een (tweede) betaling van € 30.000 aan NV O.. Hiervoor wordt geen voorschotfactuur uitgereikt;

op 3 december 2014 wordt een verkoopfactuur uitgereikt door NV O. aan eiseres voor exact € 30.000 en wordt de btw verlegd (de identificatie voor btw-doeleinden werd namelijk retroactief aangevraagd met aanvang vanaf 1 december 2014);

op 5 december 2014 verricht eiseres een (tweede) betaling van € 30.000 aan NV O.;

op 19 december 2014 wordt een aanvraag opgesteld door dhr. POSSION Geert, externe boekhouder van eiseres, om eiseres te registreren voor btw-doeleinden. De identificatie voor btw-doeleinden werd retroactief aangevraagd, namelijk met aanvang van. of 1 december 2014;

op 1 januari 2015 is er nog een totaal openstaand bedrag € 44.306,00 aan voorschotten betaald tijdens 2014 door eiseres aan NV O.. Dit bedrag wordt verrekend met facturen uitgereikt tijdens 2015 door NV O. (met verlegging van BTW) aan eiseres. (stuk nr.1, p. 14)

Tijdens de controle inzake btw op 16 juni 2020 (stuk nr. 3) heeft de AABBI de vraag gesteld waarop de betalingen van 3 april 2014 en 5 augustus 2014 (datum van de opname in het dagboek van de betalingen van 11 maart 2014 en 5 juni 2014) betrekking hebben en waarom er geen voorschotfactuur werd uitgereikt. Hierop heeft dhr. Geert P. geantwoord: "dit was een intro group transfer van de ene rekening naar de andere rekening. Ze hebben geen betrekking op een voorschot voor werken. Ze zullen dat getal graag gezien hebben." Daaropvolgend stelde de AABBI de vraag waarom deze "transfers", die zonder reden zouden gebeurd zijn, toch later werden afgeboekt met werken. Hierop kon geen antwoord worden verstrekt door dhr. Geert P..

In de toelichtingen d.d. 3 juli 2020 (stuk nr. 5, p.8) verstrekt door mr. DEMEYERE, werden deze betalingen als volgt gemotiveerd:

"Alle bovenaan p. 7/19 vermelde facturaties/betalingen zijn intra-groep transfers en hebben betrekking op de site Ring-Oost (deel bedrijvencentrum). In de voormelde periode 2014 was de afwerking van dit bedrijvencentrum in voile gang. De Administratie verwijst naar betalingen van Cliënte aan O.. Deze betalingen werden gedaan om de leverancier toe te laten zijn eigen leveranciers te betalen vooraleer de werken waren opgeleverd."

Uit het antwoord blijkt dat de betalingen wel betrekking hadden op werken die zouden uitgevoerd worden door NV O.. NV O. was wettelijk verplicht een voorschotfactuur uit te reiken aan eiseres.1 Vermits eiseres op het tijdstip van betaling nog niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd was, had NV O. een voorschotfactuur met btw moeten uitreiken aan eiseres en kon er dus geen gebruik gemaakt worden van het stelsel van verlegging naar de medecontractant. NV O. had uiterlijk op 15 april 2014 en 15 juli 2014 een voorschotfactuur moeten uitreiken aan eiseres van respectievelijk € 16.000 en € 30.000, met btw. Aangezien eiseres op dat moment even we! nog niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd was (omdat zij enkel vrijgestelde handelingen stelde) kon zij deze btw niet in aftrek brengen. Om dat "probleem" te omzeilen heeft de NV O. gewacht met te facturen met btw totdat eiseres zich ten onrechte had laten registeren als btw-plichtige voor de uitbating van een bedrijvencentra.

24. Hetzelfde geldt voor het niet aangeven van grote werken aan de gelijkvloerse verdieping van de pond te Ring-Oost 16, 9400 Ninove. Ook hier heeft de Belgische Schatkist wederom schade geleden door moedwillig handelen van eiseres. Het pand werd namelijk verhuurd met vrijstelling van btw, waardoor er geen recht op aftrek zou zijn geweest voor de werken, mochten ze correct gefactureerd zijn geweest. Alle werken hadden immers aan eiseres met BTW gefactureerd moeten zijn. De btw op deze werken zou in geen geval aftrekbaar zijn geweest en dus blijvend verschuldigd zijn geweest.

Bovendien heeft eiseres verschillende malen geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Zo blijkt bijvoorbeeld dat, desondanks herinneringsverzoeken, vragen om inlichtingen niet beantwoord werden door eiseres. Zo werd bijvoorbeeld in een eerste vraag om inlichtingen van 7 april 2020 (stuk nr. 11) gevraagd om de huurovereenkomsten over te maken aan de AABBI. Bij gebreke van antwoord werd een herinneringsverzoek verstuurd op 27 april 2020 (stuk nr. 12). Op 7 mei 2020 heeft de AABBI nogmaals moeten verzoeken om de huurovereenkomsten over te maken. (stuk nr. 13) Op 18 mei heeft de AABBI voor de derde keer een herinnering moeten sturen aan eiseres om de huurovereenkomsten over te maken. (stuk nr. 14) Tijdens de controle ter plaatse op 16 juni 2020 (stuk nr. 3, p.8) werd dan nogmaals gevraagd (voor de 5de keer inmiddels) om alle huurovereenkomsten voor te leggen.

Vraag: in de vraag om inlichtingen en aankondiging controle d.d. 7/04/2020 en d.d. 27/04/2020, werd uitdrukkelijk gevraagd om alle huurcontracten m.b.t BVBA EUROPE INSTRUMENTS voor te leggen. In een e-mail d.d. 18/05/2020 werd nog eens uitdrukkelijk gevraagd om alle huurovereenkomsten, zowel geregistreerde als niet-gereglstreerde, inclusief addenda en bijlagen, voor te leggen. De AABBI stelt vast dat niet alle huurovereenkomsten werden voorgelegd.

a) waarom werden niet elle huurovereenkomsten voorgelegd?

b) gelieve ate huurovereenkomsten voor te leggen.

Antwoord:

a) er is geen reden waarom er bepaalde huurcontracten niet werden overgemaakt De door ons beschikbare huurcontracten werden aan jullie overgemaakt.

b) wij kunnen u vandaag geen bijkomende huurcontracten voorleggen.

Desondanks dat het verzoek tot het voorleggen van de huurovereenkomsten al 5 keer ter kennis werd gebracht aan eiseres, weigerde eiseres om deze voor te leggen.

Het is dan uiteindelijk de AABBI zelf die de huurovereenkomsten heeft aangetroffen in de burelen van eiseres. (stuk nr. 4, p.2)

Tijdens het bezoek aan deze burelen hebben we vastgesteld dat hier documenten lagen met informatie waarnaar wij tijdens de voorafgaande controle (zie PV van Vaststellingen d.d. 19/06/2020) gevraagd hebben en hierop geen of een onduidelijk antwoord werd geformuleerd door zowel de zaakvoerder als de accountant en dit terwijl voorafgaand aan de controle een vragenlijst was bezorgd aan de vennootschap. Het betreft onder meer verschillende huurcontracten opgesteld door BVBA EUROPE INSTRUMENTS en documenten m.b.t de verbouwingswerken uitgevoerd aan het pand gelegen op dit adres. Ook werd er vastgesteld dat hier verschillende mappen aanwezig waren met (boekhoudkundige) stukken van andere ondernemingen waaronder ook de Luxemburgse vennootschappen SA ORPA en

[einde citaat]"

De administratie heeft terecht toepassing gemaakt van de verlengde verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW met betrekking tot de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Deze verlenging werd overeenkomstig artikel 84ter WBTW voorafgaandelijk ter kennis gebracht van eiseres per aangetekende brief van 2 september 2020. Eiseres weerlegt de vaststellingen van de BBI niet. De argumenten die eiseres aanhaalt, zijn niet van aard de rechtbank tot een ander besluit te brengen.

4.1.4.

Het eerste middel van eiseres is ongegrond.

4.2. Ten gronde — de vastgestelde btw-inbreuken

Ten gronde betwist eiseres de vastgestelde btw-inbreuken. De btw-inbreuken werden opgenomen in het proces-verbaal van taxatie van 1 december 2020, dat 82 bladzijden beslaat. De rechtbank zal hierna de betwistingen een voor een beoordelen, en komt daarbij tot het besluit dat de middelen die eiseres ter zake aanvoert ongegrond zijn, dit omwille van de redenen die hierna uiteengezet zullen worden.

4.2.1.

Aangaande de onterecht in aftrek genomen btw op aankoopfacturen 2014-2015-2016

(26.351,12 EUR) (middel "B" van eiseres — punt 1.5 van het proces-verbaal)

De BBI heeft voor de periode van 1 december 2014 tot en met 31 maart 2016 in hoofde van eiseres de aftrek van btw verworpen voor een totaal bedrag van 26.351,12 EUR. Volgens de BBI had eiseres niet de intentie om een bedrijven- en dienstencentrum uit te baten en heeft eiseres zich enkel voor btw-doeleinden geregistreerd onder deze hoofdactiviteit om de btw op een onrechtmatige wijze in aftrek te kunnen brengen. Op basis van een zeer uitgebreide motivering op p. 10-19 van het proces-verbaal, komt de BBI tot de vaststellingen op p. 19-20 van het proces-verbaal, waarnaar alhier integraal verwezen kan worden (stuk 1 van verweerder).

Eiseres weerlegt deze vaststellingen niet, noch levert ze bewijs van het tegendeel.

Daarnaast ontbreken op de facturen uitgereikt tijdens 2014 en 2015 door NV O. aan eiseres essentiële specificaties (zoals adres werf, tijdstip uitvoering werken, aantal deuren en ramen). Ook het btw-identificatienummer van eiseres wordt op bepaalde facturen niet vermeld. Tijdens de btw-controle werd vastgesteld dat de kookplaat en vaatwasmachine, opgenomen in de facturen van 8 december 2014 uitgereikt door NV O., niet aanwezig waren op de eerste verdieping van het pand met perceelnummer B102L2P0000. De toelichtingen dd. 3 juti 2020 verstrekt door eiseres stroken niet met de werkelijkheid. Verder werd niet aangetoond dat de verbouwingswerken enkel betrekking hebben op de eerste verdieping van het pand.

Uit de voornoemde vaststellingen blijkt dat eiseres in tegenstrijd met artikel 45, §1 WBTW meermaals de btw op inkomende handelingen die geen betrekking hebben op belaste handelingen, in aftrek heeft genomen. De rechtbank treedt verweerder bij dat eiseres niet aantoont dat zij daadwerkelijk de intentie had om een bedrijvencentrum uit te baten zodat de uitgeoefende aftrek niet verantwoord is en deze bijgevolg terecht verworpen werd. Bovendien vertonen de facturen allerhande gebreken waardoor het

recht op aftrek ook om die reden niet aanvaard kan worden. Zelfs indien eiseres de intentie had om de ruimte te verhuren als bedrijvencentrum, wat niet aangetoond is, dan had zij minstens een herziening van haar recht op aftrek moeten doorvoeren toen ondubbelzinnig kwam vast te staan dat zij opteerde voor een passieve verhuur, zoals blijkt uit het contract met immobiliënkantoor D.B. (stuk 6 van verweerder). Eiseres heeft dit echter niet gedaan en heeft de ten onrechte afgetrokken btw niet gecorrigeerd.

De btw-aftrek werd terecht verworpen. Het middel van eiseres is ongegrond.

4.2.2.

Aangaande de niet-aangegeven uitvoerinqswerken in 2013 met betrekkinq tot Rinq-Oost

16 (50.194,71 EUR) (middel "C" van eiseres — punt 1.6 van het proces-verbaal)

In het proces-verbaal werd vastgesteld dat in 2013 verbouwingswerken werden uitgevoerd aan het pand te Ring-Oost 16 te Ninove waarvan eiseres eigenaar is sedert 20 december 2012; en eiseres de werken niet heeft aangegeven in haar btw-aangiftes. Op basis van talrijke stukken, die in het proces-verbaal uitvoerig worden aangehaald, werd de waarde van de uitvoeringswerken bepaald op 239.022,43 EUR, en de btw daarop op 50.194,71 EUR.

Eiseres meent evenwel dat de waarde van de uitvoeringswerken hoogstens 79.600,24 EUR bedraagt (nl. 239.022,43 - 38.766,14 - 5.097,51 - 24.987,43 - 34.470,61 ­56.100,50 = 79.600,24 EUR) en de daarop verschuldigde btw dus 16.716,05 EUR.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet.

Op basis van de zeer gedetailleerde vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal toont verweerder aan dat de werken die in hoofde van de verhuurder, zijnde eiseres, werden uitgevoerd niet beperkt waren tot in hoofdzaak het brandwerend maken van de staalconstructies, de plaatsing van ramen en de aanleg van de parking, zoals eiseres nochtans volhoudt.

Bovendien:

Wat betreft het bedrag van 38.766,14 EUR (15.900 + 22.866,14 = 38.766,14 EUR) moet verweerder worden bijgetreden dat de factuur van V. ten bedrage van 5.402,09 EUR (stuk 24 van verweerder) louter de levering van brandwerende platen betreft, zonder de plaatsing ervan. Om de waarde van de levering met plaatsing te bepalen, heeft de BBI zich terecht gesteund op de offerte van M.D. (15.900 EUR). Het feit of M.D. deze werken al dan niet zelf heeft uitgevoerd is niet bepalend, nu op basis van het proces-verbaal vast staat dat de werken uitgevoerd zijn in hoofde van de verhuurder, ongeacht via welke aannemer dit gebeurd is. Vast staat dat deze werken niet aan eiseres gefactureerd werden, zodat de BBI zich voor de waarde van deze werken terecht liet Leiden door voornoemde offerte. Hetzelfde geldt voor de brandwerende schilderwerken waarvoor een offerte van W. (22.866,14 EUR) voorligt. Verweerder stelt met reden dat het om twee onderscheiden werken gaat zodat er geen overlapping is;

Wat betreft het bedrag van 5.097,51 EUR werden de grootboekrekeningen 610180 ('onderhoud machines'), 610190 ('benodigdheden'), 610220 ('klein materieel') en 610250 ('gas en zuurstof') van O. nv terecht opgenomen in het overzicht op p. 34-35 van het proces-verbaal. Het is duidelijk dat de materialen en machines tijdens 2013 aangekocht werden op het btw-nummer van O. NV met de bedoeling de btw te kunnen recupereren. In 2013 was het btw-nummer van eiseres mag niet geactiveerd en was er geen intentie om een bedrijvencentrum op te richten. Wanneer door O. nv in 2013 dan geen werken in onroerende staat aan eiseres werden doorgefactureerd, is door de BBI in het proces-verbaal terecht ook rekening gehouden met voornoemde grootrekeningen. Om de werken te kunnen uitvoeren, waren er immers ook machines, klein materieel, e.d. nodig. Waar eiseres stelt dat deze werken (weliswaar met vertraging) door O. nv aan haar werden doorgefactureerd, moet verweerder warden bijgetreden dat uit de facturen van O. nv niet blijkt dat deze betrekking hebben op materiaal of prestaties uit 2013;

Wat betreft het bedrag van 24.987,43 EUR toont eiseres niet aan dat deze werken betrekking hebben op de eerste verdieping. De omschrijvingen in de tabel op p. 11/23 van haar conclusies zijn door haarzelf aangebracht en vinden geen steun in de facturen waarop de locatie (by. 'eerste verdieping') niet vermeld werd;

Wat betreft het bedrag van 34.470,61 EUR (11.157,65 + 23.312,96 = 34.470,61 EUR) kan eiseres evenmin gevolgd warden Verweerder geeft in diens conclusie post per post een plausibele tegenargumentatie die door eiseres niet afdoende weerlegd wordt;

Wat betreft het bedrag van 56.100,50 EUR toont verweerder aan dat gesteund werd op de uurroosters van de Poolse werknemers waarin het land van tewerkstelling expliciet was opgenomen, en dat enkel rekening werd gehouden met de uren waarop de Poolse werknemers werkzaam waren in België (zie p. 36­37 van stuk 1 van verweerder). Voor deze gepresteerde manuren tijdens 2013 werden geen inkomende facturen opgenomen in de boekhouding van O. nv. De btw op deze diensten werd nooit doorgestort naar de Belgische Staat. Daarnaast is niet aangetoond dat de manuren verricht door de Poolse werknemers (door)gefactureerd werden aan eiseres. Uit niets blijkt dat en in welke mate de facturen van 2019 vanwege O. nv aan eiseres (stukken 11­12-13 van eiseres) betrekking hebben op de prestaties in 2013 met betrekking tot de werf Ring Oost 16, meer bepaald de werken die uitgevoerd moesten worden door de verhuurder.

Het voorgaande doet besluiten dat eiseres de btw verschuldigd is over de waarde van de uitvoeringswerken die tijdens 2013 in haren hoofde werden uitgevoerd aan het pand to Ring-Oost 16 en waarvoor geen facturen aan haar werden uitgereikt. De waarde van de uitvoeringswerken werd terecht bepaald op 239.022,43 EUR, waaruit een verschuldigde btw voortvloeit van 50.194,71 EUR. Het middel van eiseres is ongegrond.

4.2.3.

Aangaande de in aftrek genomen btw op de aankoopfacturen mbt Rinq Oost 16 (achteraan) voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (3.575,33 EUR) (middel "D" van eiseres) (punt 1.9.2, p. 62 van het proces-verbaal)

Anders dan eiseres meent, werd het recht op aftrek van de btw met betrekking tot deze aankoopfacturen terecht verworpen. De bewijsstukken die eiseres in het kader van deze procedure voorlegt, overtuigen niet.

4.2.4.

Aangaande de in aftrek genomen btw op aankoopfacturen mbt Brakelsesteenweg voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (middel "E" van eiseres) (punt 1.9.2. p. 62-63 van het proces-verbaal)

Eiseres betwist niet dat de aftrek van de btw op de aankoopfacturen die zij ontvangen heeft van O. NV met betrekking tot werken aan het pand op de Brakelsesteenweg voor een totaalbedrag van 110.000 EUR (excl. btw) terecht verworpen werd. Volgens eiseres gaat het om een foutieve dubbele facturatie, en had O. NV een creditnota moeten opmaken, maar daarvan legt eiseres geen stukken voor. Bij gebrek aan bewijs heeft eiseres ook geen recht op teruggave van de btw jegens verweerder. Het middel is ongegrond.

4.2.5.

Aangaande de in aftrek genomen btw op aankoopfacturen mbt Termurenlaan voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 (middel "F" van eiseres) (63 van het proces-verbaal)

Het verhoudingsgetal dat eiseres vooropstelt (24,23%) kan niet worden toegepast. De BBI heeft tijdens het bezoek op 1 juli 2020 niet kunnen vaststellen of de diensten opgenomen in deze facturen betrekking hebben op "belaste" handelingen inzake btw. De BBI kreeg geen toegang tot de lokalen op deze site. In dit kader werd de btw die door eiseres in aftrek werd gebracht terecht verworpen. Het middel is ongegrond.

4.2.6.

Aangaande de niet-aangegeven omzet uit de terbeschikkinqstelling stalling voor rijtuigen met betrekkinq tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 (middel "G" van eiseres) (1.8 van het proces-verbaal, zie aldaar p. 41-51)

In hoofdorde meent eiseres dat zij op grond van artikel 51bis, §1, 1° WBTW niet hoofdelijk gehouden kan zijn tot voldoening van de btw omdat de heer V. zich kon beroepen op de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen en hij bijgevolg geen btw diende aan te rekenen. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. Verweerder stelt terecht dat de vrijstellingsregeling nooit werd aangevraagd door de heer V., zodat over de verhuuractiviteiten wel degelijk btw verschuldigd was.

Ondergeschikt betwist eiseres de berekeningswijze van de maatstaf van heffing inzake de parkeerplaatsen. Volgens eiseres strookt dit niet met de realiteit en is er hoogstens sprake van 15 parkeerplaatsen die worden gebruikt door ACTION, maar eiseres onderbouwt haar beweringen niet. De berekening van de maatstaf van heffing en de btw werd zeer uitgebreid gemotiveerd en toegelicht op p. 46-51 van het proces-verbaal en eiseres weerlegt deze vaststellingen niet. Het middel is ongegrond.

4.2.7.

Aangaande de overiqe vastqestelde inbreuken

De overige inbreuken die werden vastgesteld in het proces-verbaal betwist eiseres niet, minstens ontwikkelt zij daartegen geen concrete middelen. In die mate is haar vordering derhalve reeds a priori ongegrond.

4.3. De opgelegde btw-boete van 200%

In haar Iaatste middel ("H") betwist eiseres de opgelegde btw-boete van 200%. In hoofdorde voert eiseres aan dat de boete vernietigd dient te worden bij gebrek aan oogmerk om de belasting te ontduiken en wegens schending van het recht op eigendom. In ondergeschikte orde beroept eiseres zich op het toetsingsrecht van de rechtbank en vraagt zij om de boete te matigen. Aangezien de minister van financiën op basis van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 de bevoegdheid heeft om boetes kwijt te schelden om loutere redenen van opportuniteit, meent eiseres dat deze bevoegdheid ook aan de rechter moet toekomen. Verder ondergeschikt vraagt eiseres om de toepassing van opschorting of uitstel.

De rechtbank oordeelt dat de opgelegde boete van 200% gehandhaafd moet worden.

Het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres is aangetoond. De boete van 200% werd opgelegd overeenkomstig de wet. De bepalingen van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM tasten niet het recht aan dat een Staat heeft om de wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. De gehanteerde sanctie is evenredig met de begane inbreuken. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met voile rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde boetetarief. Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met voile rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst. In voorliggend geval blijkt niet dat eiseres voorafgaandelijk bij het bestuur een verzoek heeft ingediend op grond van het Regentsbesluit. Bijgevolg kan de rechtbank de boete niet verminderen tot beneden het door de wet opgelegde boetetarief, zijnde 200%.

4.4. Algemeen besluit

De vordering van eiseres is ongegrond.

5. GERECHTSKOSTEN

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen. De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding.

Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar wijst deze of als ongegrond;

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen in openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag zeven mei tweeduizend vijfentwintig, waar aanwezig waren:

mevrouw H. V., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door: mevrouw E. H., griffier.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 81bis5 voorkomens
WBTW art. 402 voorkomens
WBTW art. 442 voorkomens
WBTW art. 84ter2 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 51bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8