Régime particulier, petite entreprise, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 8 avril 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime particulier, petite entreprise, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-poursuite-cour-appel-anvers-2008-04-08-b1fc

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
8 avril 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

116 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 08.04.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

TUSSENARREST - BTW

Zitting van : 8/4/2008

In zake : 2007/AR/716

M. G., handelaar, wonende te … (…), …, HR te Tongeren nr. …, ondernemingsnummer …;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 10 januari 2007;

vertegenwoordigd door Meester S. G. loco Meester B. S., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de BTW, vertegenwoordigd door e.a. Inspecteur van het BTW­controlekantoor te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72, bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 10 januari 2007 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 maart 2007;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

1.1. De heer M. G., appellant, is uit hoofde van zijn economische activiteit van kleinhandel in veevoeders, sproeistoffen, tuingereedschappen en hengelsportartikelen onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Hij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

Appellant baat meer bepaald een tuin- en hobbycenter en dierenspeciaalzaak uit, gelegen te …. Hij heeft deze handelszaak van zijn vader overgenomen in 1982.

Tot en met het inkomstenjaar 1999 diende appellant forfaitaire BTW-aangiften in, te weten aangiften waarbij de maatstaf van heffing van BTW op een forfaitaire wijze werd bepaald, zonder voor de forfaitaire regeling evenwel voorafgaandelijk, zoals voorzien in artikel 5, § 2, van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 7 november 1969, te hebben geopteerd.

Als gevolg van de toepassing van deze forfaitaire regeling zou appellant de BTW steeds hebben voldaan bij aankoop van zijn stock, die op het einde van het jaar dan ook steeds als verkocht diende te worden beschouwd.

Vanaf 1 januari 2000 begon appellant een volledige boekhouding te voeren en diende hij aangiften in op grond van werkelijke verkopen. Hierbij werd hij echter geconfronteerd met de mogelijke dubbele belasting van de nog aanwezige stock, waarop de BTW reeds bij aankoop was voldaan.

De voorraad op 31 december 1999 zou volgens appellant als volgt zijn samengesteld, met uitsplitsing naargelang het toepasselijke BTW tarief :

- 6% : 39.633,49 EUR (1.598.811 BEF)

- 12% : 16.222,03 EUR (654.395 BEF)

- 21% : 228.077,73EUR (9.200.633 BEF)

- leeggoed : 2.646,96 EUR (10.6778 BEF)

- totaal : 286.580,21 EUR (11.560.617 BEF)

1.2. Bij brief van 14 december 2001 diende de accountant en gevolmachtigde van appellant, m.n. de heer J. F., een verzoek tot detaxatie (teruggaaf van de BTW) in met betrekking tot de BTW op de goederen die zich in de voorraad bevonden op het ogenblik van de overschakeling naar het voeren van een volledige boekhouding. Appellant ging er dus van uit dat hoewel hij aan de normale regeling van de BTW onderworpen was, maar desondanks steeds forfaitaire aangiften ingediend had, alle ingekochte goederen in de periodieke BTW aangiften (forfaitair) als belast aangegeven werden en dat de stock op 31 december 1999 ingevolge de aangifte via dagontvangsten vanaf 1 januari 2000 gedetaxeerd diende te worden.

In antwoord op deze vraag werd bij brief van 10 september2002 aan appellant door de heer e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Maaseik meegedeeld dat de bijzondere regels die bij het bestaan van een officiële forfait gelden voor ontlasting van de voorraad niet van toepassing zijn aangezien appellant ten onrechte beroep deed op de toepassing van artikel 56, § 1, van het BTW-wetboek. Appellant werd op de hoogte gebracht van het feit dat de aanvraag tot teruggave op basis van de detaxatie van de voorraad verworpen werd omdat het bewijs ontbrak dat de goederen vermeld op de eindinventaris in de aangiften verwerkt werden resp. dat de door hem aangekochte goederen nog niet verkocht waren op het ogenblik dat er werd overgegaan tot de toepassing van de normale regeling. Tevens werd opgemerkt dat de omstandigheid dat het omzetcijfer in het verleden forfaitair werd berekend, niet automatisch impliceert dat al de niet verkochte goederen als zijnde verkocht werden aangegeven. De bewijskracht die verbonden is aan de ingediende BTW-aangiften betreft enkel de berekening van de aangegeven omzet, niet het feit die ook de niet-verkochte aankopen kunnen geacht worden als zijn verkocht te zijn aangegeven.

1.3. Bij dagvaarding betekend op 15 april 2003 vordert appellant het zeggen voor recht dat hij recht heeft op de detaxatie van zijn voorraad per 31 december 1999, zoals berekend in zijn schrijven van 14 december 2001, en dus op de teruggave van 62.665,17 EUR, het bevelen van de terugbetaling van een bedrag van 62.665,17 EUR en de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, tot de kosten van het geding.

1.4. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 10 januari 2007 beslist vooreerst dat de dagvaarding niet aan het hoofd van het controlekantoor inzake BTW waaronder appellant ressorteert diende te worden betekend, gezien artikel 90 BTW-Wetboek door artikel 60 van de Wet van 15 maart 1999 werd opgeheven. Bovendien, bewijst geïntimeerde geen belangenschade, zodat de vordering ontvankelijk is. Ten gronde, oordeelt de eerste rechter dat appellant op geïndividualiseerde wijze dient aan te tonen voor welke goederen, welke BTW op welk ogenblik afgedragen werd en voor welke goederen op welk ogenblik daaruit voortvloeiend, een recht op teruggave van BTW zou zijn ontstaan, zodat ook de tijdigheid van de vordering van appellant, wat de goederen betreft, op geïndividualiseerde wijze, gecontroleerd zou kunnen worden. Het feit dat geïntimeerde blijkbaar forfaitaire aangiftes inzake BTW gedurende jaren toeliet, ontlast appellant niet van de bewijslast van de gegrondheid van zijn vordering tot teruggave, daar uit hoofde van die werkwijze geen vertrouwen gewekt werd dat BTW op aangekochte goederen voor teruggave vatbaar zou zijn. De eerste rechter neemt derhalve niet aan dat de niet-inwilliging van de vraag van appellant tot teruggave van BTW het vertrouwensbeginsel zou schenden. Een globale benadering van de bewijslast van appellant op teruggave van BTW, samen met de bewering dat het merendeel van op 31 december 1999 in de voorraad aanwezige goederen "recent" zouden zijn, leidt evenmin tot het besluit dat de bewijslast krachtens artikel 77, § 1, W.BTW, ingevuld is. Tenslotte, leidt de vaststelling dat appellant inzake directe belastingen een akkoord bekwam tot aanvaarding als bedrijfslast van de kostprijs van de voorraad goederen op 31 december 1999 ook niet tot het besluit dat de gegrondheid van zijn vordering tot teruggave van BTW kan worden aangenomen, daar die gegrondheid op geïndividualiseerde wijze dient te worden nagegaan, ondermeer gelet op de onderscheiden tariefindeling inzake BTW en appellant geen bewijsgegevens verstrekt omtrent de concrete aard en oorsprong van de aanwezige hoeveelheid goederen. De vordering wordt dan ook ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.5. Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 maart 2007.

1.6. In dit verzoekschrift en in de op 1 oktober 2007 neergelegde synthesebesluiten voert appellant aan dat de forfaitaire vaststelling van de maatstaf van heffing inzake BTW gedurende 17 jaar werd toegepast en bij diverse controles van geïntimeerde werd aanvaard. Geïntimeerde kan zich dan ook niet beroepen op de onrechtmatige toepassing van het forfait gedurende de inkomstenjaren 1982 tot en met 1999 om de detaxatie te weigeren. Geïntimeerde heeft hiermede in hoofde van appellant het vertrouwen gewekt dat hij juist handelde. Uit de houding van geïntimeerde kon immers een vaste gedrags- en beleidsregel worden afgeleid. Appellant kon bijgevolg niet anders dan aannemen dat hij zijn fiscale verplichtingen correct nakwam. De gevolgen van deze vaste gedragslijn, in combinatie met de omschakeling sedert 1 januari 2000, naar het gebruikelijke systeem, nl. BTW-aangiften op basis van de werkelijke verkopen, leidt noodzakelijk tot dubbele BTW op de goederen die op 1 januari 2000 nog niet verkocht waren door appellant. Geïntimeerde kan zich, gelet op de toepassing gedurende 17 jaar van deze forfaitaire taxatie, niet beroepen op het legaliteitsbeginsel om te stellen dat dit voorrang zou hebben op het vertrouwensbeginsel, om zodoende het verzoek om detaxatie te verwerpen. Tot en met 31 december 1999 betaalde appellant BTW op al zijn aankopen, ongeacht of de goederen in datzelfde jaar verkocht werden of niet. Omtrent de goederen die zich op 31 december 1999 in de voorraad van appellant bevonden heeft appellant een tweede keer BTW betaald wanneer deze goederen na 1 januari 2000 verkocht werden. In zijn hoofde is dan ook aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77, § 1 W.BTW voldaan om teruggaaf van BTW te verkrijgen. De teruggaaf kan wel degelijk betrekking hebben op alle goederen in voorraad op het tijdstip van de wijziging van de belastingregeling. De inventaris voorafgaand aan die van 31 december 1999 betrof immers nihil goederen, vermits alle goederen werden beschouwd als zijnde verkocht in het forfaitair systeem. Het omzetcijfer in de BTW-aangiftes werd overigens berekend op grond van al de aangekochte goederen vermeerderd met een bepaalde winstpercentage. Door zulke forfaitaire aangifte te doen van al de aangekochte goederen, gaat men er vanuit dat al die aangekochte goederen verkocht zijn. Er vond aldus een dubbele taxatie plaats van de goederen die zich op het moment van de overgang in de voorraad bevonden en nadien verkocht werden.

Aangezien er nooit enige inventaris werd opgemaakt voor de overgang naar de normale regeling en er steeds vanuit gegaan werd dat alle aankopen werden verkocht, dient de teruggaaf betrekking te hebben op alle goederen aanwezig in de voorraad op het tijdstip van de wijziging van de bepaling van de maatstaf van heffing. De gemiddelde aangegeven winstmarge van appellant, met betrekking tot de vier jaren voorafgaand aan de overschakeling, bedroeg 20,88 %. In zijn verzoek om detaxatie van 14 december 2001 verklaarde appellant zich akkoord om een berekening te maken aan de hand van een in acht te nemen winstmarge van 20 %. Dit resulteerde in de volgende berekening van het bedrag aan BTW waarvan appellant voorhoudt recht te hebben op teruggave :

- 39.633,49 EUR (1.598.811 BEF) x 1,20 x 6% = 2.853,60 EUR (115.114 BEF)

- 16.222,03 EUR (654.395 BEF) x 1,20 x 12% = 2.335,98 EUR (94.233 BEF)

- 228.077,73 EUR (9.200.633 BEF) x 1,20 x 21% = 7.475,60 EUR (2.318.560 BEF)

- bedrag van de teruggave : 62.665,18 EUR (2.527.907 BEF)

Indien er in casu geen detaxatie wordt toegestaan, is er op de goederen die zich op 31 december 1999 nog in de stockvoorraad van appellant bevonden, dubbele BTW op afgedragen door appellant. De voorgelegde inventaris van de voorraad per 31 december 1999 is gedetailleerd en geïndividualiseerd. Ook de aankoopbewijzen zouden kunnen worden voorgelegd. De BTW-aangiftes zijn tevens in het bezit van geïntimeerde. Appellant voegde reeds bij zijn schrijven van 14 december 2001 een overzicht van het bedrag van de aankopen die jaarlijks verricht werden. Uit de jaarlijkse stijging van het bedrag van de aankopen resp. de grote omloopsnelheid van de aangekochte goederen kan worden afgeleid dat de voorraad uit recente goederen bestond. Ook de aard van de verkochte goederen wijzen op een grote omloopsnelheid (bv. dierenvoeding, meststoffen, enz.). De meeste goederen kunnen zelfs geen vijf jaar in voorraad blijven omdat deze een beperkte houdbaarheid hebben. Een 'oudere' voorraad- van vóór 1995 - is geenszins te verklaren in functie van een dergelijke stijging van het aantal aankopen. Dit heeft tot gevolg dat het recente goederen betreft en dat geïntimeerde dit niet in twijfel kan trekken om zich op een eventuele verjaring van de terug te vorderen BTW te kunnen beroepen. Appellant werpt tenslotte op dat geïntimeerde zelfs expliciet het feit van de dubbele taxatie heeft erkend. In het kader van een controle met betrekking tot de inkomstenjaren 2000 en 2001 werd op 4 november 2003 met de A0IF een akkoord bereikt waarbij een detaxatie werd toegestaan voor een bedrag van 20 % van de waarde van de voorraad per 31 december 1999. Geïntimeerde erkent hiermee het recht op teruggave van de BTW, die tweemaal geheven werd op de goederen in de voorraad. Appellant besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering.

1.7. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 23 oktober 2007 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis en besluit dan ook tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

2.1. Naar luidt van artikel 5, § 2, van het Koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde (BS 14 november 1969) kan de belastingplichtige, die volgens de normale regeling van de belasting wordt belast, opteren voor de forfaitaire regeling wanneer hij de bij dit besluit gestelde voorwaarden vervult. De optie moet worden gedaan vóór 15 maart bij aangetekende brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Zij heeft uitwerking vanaf 1 april van hetzelfde jaar.

Het wordt niet betwist enerzijds dat appellant aan de door artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 2 gestelde voorwaarden om voor de forfaitaire grondslagen van aanslag te kunnen opteren niet voldeed en, zelfs als dit het geval zou zijn, dat hij hiervoor niet heeft geopteerd zoals vereist door artikel 5, § 2, van voormeld Koninklijk Besluit, doch anderzijds ook dat deze forfaitaire grondslagen van aanslag in zijn handelszaak wel degelijk vanaf 1982 en zonder onderbreking tot en met december 1999 in de BTW-aangiftes werden toegepast zonder dat de BTW-administratie hiertegen enig bezwaar uitte.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook ten aanzien van de administratie der belastingen gelden, sluiten het recht op rechtszekerheid in. Dat recht houdt o.m. in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd (Cass., 27 maart 1992, Arr. Cass., 1991-92, 727, BTW-Revue, 1995, 815, noot, Bull., 1992, 680, F.J.F, 2002, 85, noot, Fisc. Koer., 1992 (weergave), 374, noot F. BALTUS, 'Het recht op rechtszekerheid', (Fisc. Koer., 1992, 375-376), Not. Fisc. M., 1993, 70, noot K. LEUS, 'Contra legem-werking van het rechtszekerheidsbeginsel, meer in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel', (Not. Fisc. M., 1993, 72-74), Pas., 1992, I, 680, R.C.J.B., 1995, 53, noot N. GEELHAND, 'Le principe de la croyance légitime en droit administratif et en droit fiscal', (R.C.J.B., 1995, deel 1 : 57-105, deel 2 : 259-313, deel 3 : 488-523).

2.2. De belasting over de toegevoegde waarde kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het BTW-Wetboek dit voorziet (artikel 75 W.BTW).

De oorzaken die aan de basis van een dergelijke teruggaaf kunnen liggen, worden opgesomd in artikelen 76, 77 en 77bis W.BTW.

In artikel 77, § 1, W.BTW worden de gevallen geregeld waarin er zich bepaalde omstandigheden voordoen waardoor het recht op teruggaaf is ontstaan met betrekking tot belasting die geheven werd van leveringen van goederen, van diensten of van intracommunautaire verwervingen van goederen.

Overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen inzake het bewijs en overeenkomstig het gemeen recht - zoals onder meer geformuleerd door artikel 1315 BW - behoort het aan degene die teruggaaf van de belasting vraagt of een teruggaaf van belasting in zijn periodieke aangifte verrekent, om het bestaan van zijn recht op teruggaaf aan te tonen.

Het is dus niet de administratie die eerst het negatief bewijs moet bijbrengen dat een teruggaaf ten onrechte gevraagd werd of ten onrechte werd verrekend. De administratie kan een teruggaaf verwerpen en dan moet degene die een recht op teruggaaf heeft uitgeoefend het bewijs leveren van het feit dat hij zich bevindt in de wettelijke omstandigheden waarin het recht op teruggaaf is ontstaan en dat de teruggaaf kan gevorderd worden overeenkomstig de bepalingen waarin het W.BTW heeft voorzien.

2.3. Naar luidt van artikel 77, § 1, W.BTW wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed wordt tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;

2° wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan;

3° wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend;

4° wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is;

5° wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is;

6° wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen;

7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

Een dubbele heffing van de verschuldigde BTW kan derhalve aanleiding geven tot teruggaaf.

In zoverre appellant bij aankoop van de op 31 december 1999 aanwezige voorraad de BTW hierop heeft voldaan, en, na overgang vanaf 1 januari 2000 naar de aangiften op grond van de werkelijke verkopen, bij verkoop van deze reeds belaste goederen niet tot aftrek van de reeds betaalde BTW zou kunnen overgaan, zou dit een dubbele heffing op dezelfde goederen tot gevolg hebben.

Aldus komen twee legaliteitsbeginselen in conflict. Enerzijds kan in hoofde van appellant een schending van de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangewreven, anderzijds zou een ontzegging van de teruggaaf, in zoverre een dubbele heffing bewezen zou zijn of worden, eveneens strijdig zijn met de wet.

2.4. Het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige is geen onbeperkt recht en moet onder omstandigheden wijken voor het legaliteitsbeginsel van artikel 170 van de Grondwet dat de rechtszekerheid en gelijkheid verzekert ten bate van alle belastingplichtigen (Cass., AR F.98.0072.N, 3 november 2000, Arr. Cass., 2000, 1710, Bull., 2000, 1674, Bull. Bel., 2002, 1421, F.J.F., 2001, 1, F.J.F., 2001, 267, Fisc. Act., 2001 (weergave G. POPPE), afl. 5, 2, T.F.R., 2001, 164, noot B. PEETERS, 'Het rechtszekerheidsbeginsel in het fiscaal recht : verduidelijking van het begrip gerechtvaardigde verwachting', (T.F.R., 2001, 167-171); zie ook : Cass., AR F.99.0108.F, 6 november 2000, A.P.T., 2000, 236, conclusie van advocaat-generaal J.-F. LECLERCQ, Act. fisc., 2001 (weergave J. BAETEN), 6, Arr. Cass., 2000, 1717, Bull., 2000, 1681, Bull. Bel., 2002, 391, F.J.F., 2000, 727, Fisc. Act., 2000 (weergave F. DESTERBECK), afl. 43, 7, Fisc. Koer., 2001 (weergave W. DEFOOR), 4, noot W. DEFOOR, Fiscoloog, 2001 (weergave S. VAN CROMBRUGGE), afl. 791, 3, J.L.M.B., 2001, 1100, R.W., 2002-03, 836, T.F.R., 2001, 164, noot B. PEETERS, 'Het rechtszekerheidsbeginsel in het fiscaal recht : verduidelijking van het begrip gerechtvaardigde verwachting', (T.F.R., 2001, 167-171)).

Doordat enerzijds het legaliteitsbeginsel een grondwettelijk principe is en anderzijds dit principe "onder omstandigheden" voorrang heeft op het recht op rechtszekerheid van de individuele belastingplichtige, dient te worden aangenomen dat dit laatste recht eveneens minstens een grondwettelijke waarde heeft. Het rechtszekerheidsbeginsel is een uitvloeisel van het beginsel van de rechtsstaat dat zelf in het geheel van de grondwettelijke bepalingen besloten ligt (L.P. SUETENS, 'De retroactiviteit van wetten, decreten en ordonnanties', T.F.R., 1993, 220-221; B. PEETERS, 'Rechts(on)zekerheid in het belastingrecht', T.F.R., 1994, 193, nr. 36).

Vanuit die invalshoek is het rechtszekerheidsbeginsel een algemeen rechtsbeginsel in de technisch-juridische zin van het woord, d.w.z. een beginsel waarop een cassatiemiddel kan worden gesteund, zonder dat verdere wetsbepalingen moeten worden aangewezen die door de bestreden beslissing werden geschonden (S. VAN CROMBRUGGE, 'Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht', T.F.R., 1996, (1), 4- 5, nr. 7-9).

De woorden "onder omstandigheden" wijzen op de noodzaak tot afweging. Het recht op rechtszekerheid van de individuele belastingplichtige is immers een grondwettelijk beginsel met een relatieve werking en moet worden gezien in samenlezing met andere grondwettelijke beginselen, zoals het legaliteitsbeginsel. Aangezien beginselen van gelijke waarde normaal niet met elkaar mogen conflicteren, worden zij tegen elkaar afgewogen (B. PEETERS, 'Werking contra legem van het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht', (noot onder Antwerpen, 4 november 1996), A.F.T., 1997, (185), 186-187).

Zo uit de toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW gedurende 17 jaar weliswaar in hoofde van appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontstaan dat hij dit verder onbeperkt in de tijd zou mogen toepassen zonder aan de wettelijke voorwaarden hiertoe te voldoen, dan nog kan uit dit gedogen van de toepassing van deze forfaitaire grondslagen van aanslag door de administratie in hoofde van appellant wel een gerechtvaardigde verwachting zijn ontstaan dat hij bij overgang naar het stelsel van de BTW-aangifte op grond van werkelijke verkopen wel aanspraak zou kunnen maken op de toepassing van artikel 77, § 1, W.BTW, te weten op teruggaaf van de BTW in zoverre op dit ogenblik een dubbele heffing van de BTW zou kunnen worden aangetoond.

In het eerste geval primeert het legaliteitsbeginsel, in het tweede geval moet voorrang worden gegeven aan het recht op rechtszekerheid.

2.5. Het behoort aan appellant, die teruggave van door hem betaalde BTW vordert op grond van artikel 77, § 1, W.BTW, het bewijs te leveren dat de door hemzelf voldane belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen aangegeven in zijn periodieke aangiften, bedoeld in artikel 53ter W.BTW, het bedrag te boven gaat dat werkelijk verschuldigd was.

Door het Hof dient te worden vastgesteld dat door geïntimeerde (in conclusie) wordt erkend dat appellant de in artikel 53ter W.BTW bedoelde aangifte van de al dan niet belastbare handelingen, die tijdens het vorig belastbaar tijdvak in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid werden verricht, eerst driemaandelijks en vanaf 1992 maandelijks indiende.

Appellant legt zijnerzijds een lijst voor van zijn beweerde voorraad per 31 december 1999 en stelt in het bezit te zijn van een omvangrijk aantal aankoopbewijzen, aan de hand waarvan samen met de ingediende BTW-aangiftes de juistheid van de voorraadlijst zou kunnen worden getoetst.

Er dient hierbij tevens rekening mee te worden gehouden dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten moet worden ingesteld binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van betaling van de niet verschuldigde BTW (artikel 82 W.BTW).

Dit houdt in dat ook dient te worden bewezen op welk ogenblik, welke goederen dewelke nog per 31 december 1999 nog in voorraad aanwezig zouden zijn geweest als verkocht aangegeven zouden zijn geweest en dan ook nog wel in welke periodieke BTW aangifte.

Het onderzoek van de voorgelegde stukken is omslachtig en bijzonder technisch van aard. Het komt het Hof dan ook gepast voor, gezien de omvang van het te verrichten onderzoek in de boekhoudkundige stukken van appellant, de technische aard van dit onderzoek en het financieel belang van de zaak, een deskundigenonderzoek te bevelen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en alvorens nader over de gegrondheid hiervan uitspraak te doen, stelt de heer J. B., accountant, met kantoor te …, … (tel.: …; GSM : …; email : …), als deskundige aan, met als opdracht na kennisname van het dossier van de rechtspleging, van het administratief dossier van de belasting over de toegevoerde waarde, alsook van alle ter zake dienende en door hem als nuttig beschouwde boekhoudkundige stukken van appellant,

- de partijen te horen in hun uitleg en hun stukken in ontvangst te nemen;

- zijn advies te verlenen over de juistheid van de door appellant voorgebrachte voorraadlijst per 31 december 1999, alsook over het ogenblik waarop de hierin voorkomende goederen als verkocht aangegeven zijn geweest resp. in welke periodieke BTW-aangifte zij als dusdanig vermeld zijn;

- verder zijn advies te verlenen over de uitsplitsing van deze voorraad naargelang het op de verschillende aanwezige goederen toepasselijk BTW-tarief en daarop aansluitend de raming van de mogelijk te weerhouden winstmarge op deze goederen en het bedrag aan BTW dat voor aftrek c.q. gebeurlijke teruggave in aanmerking zou kunnen komen;

- te antwoorden op alle nuttige en ter zake dienende vragen die door de betrokken partijen worden gesteld en het Hof alle nodige adviezen te verschaffen, die haar toelaten tot een beslissing te komen;

Wijst raadsheer S. B. aan om het verloop van het onderzoek op te volgen;

Zegt verder dat dit arrest door de griffie binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden;

Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren;

Zegt dat de deskundige en de partijen zich naar aanleiding van het deskundigenonderzoek verder dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek;

Zegt dat de installatievergadering, bedoeld in artikel 972 van het Gerechtelijk Wetboek, zal plaatsvinden op 3 juni 2008 om 11 uur in lokaal nr. 122 op de 1ste verdieping van het Hof van beroep, Waalsekaai 35A, 2000 Antwerpen;

Zegt dat de deskundige zich op de datum en het uur van de installatievergadering ter beschikking van het Hof dient te houden en voorafgaand aan het Hof (tel.: … - fax : …) dient mede te delen op welk telefoonnummer hij alsdan zal kunnen worden bereikt teneinde zijn zienswijze te vernemen nopens :

- de plaats, de dag en het uur van zijn verdere werkzaamheden;

- de noodzaak om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;

- de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of tenminste de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;

- het bedrag van het voorschot dat ter griffie dient te worden geconsigneerd op rekeningnummer …;

- het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige;

- de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies;

- de termijn voor het neerleggen van het eindverslag.

Zegt dat de deskundige in persoon aanwezig zal dienen te zijn op de installatievergadering indien één van de partijen hem dit zal vragen middels een aangetekende brief met ontvangstbewijs die uiterlijk 15 dagen vóór de datum van de installatievergadering door de post aan de deskundige zal dienen te zijn bezorgd;

Zegt evenwel dat van het houden van deze installatievergadering zal worden afgezien indien alle partijen of hun raadslieden uiterlijk tegen 3 mei 2008 schriftelijk aan het Hof en aan de deskundige zullen hebben laten weten dat zij hiermee instemmen en dat in dit geval als volgt zal worden gehandeld :

- de deskundige zal zelf de plaats, de dag en het uur bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief met ontvangstbewijs meedelen aan de partijen en per gewone brief aan hun raadslieden, tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen;

- de deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;

- de deskundige zal aan de partijen zelf een raming laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;

- de deskundige zal zelf de redelijke termijn bepalen waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies;

- over het bedrag van het voorschot en het redelijk deel dat vrijgegeven kan worden, zal beslist worden nadat de deskundige deze informatie heeft verstrekt;

- de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek;

Zegt dat het de deskundige toekomt het Hof in kennis te stellen van het verloop van het onderzoek zoals bepaald is in art. 972bis Gerechtelijk Wetboek;

Zegt dat het de deskundige overeenkomstig artikel 509quater van het Strafwetboek verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te ontvangen;

Stelt vast dat de zaak niet in staat van wijzen is en verzendt ze naar de bijzondere rol;

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ACHT APRIL TWEEDUIZENDENACHT,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter;

S. B. en M. V. d. B., Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. M. V. D. B. S. B. R. T.

Textes cités

4
AR no 2 art. 52 occurrences
AR no 2 art. 11 occurrence
CTVA art. 561 occurrence
CTVA art. 901 occurrence

Décisions similaires

8