Régime forfaitaire des coiffeurs, Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2010/AR/2692 19 juin 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime forfaitaire des coiffeurs, Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-forfaitaire-coiffeurs-determination-chiffre-cour-appel-anvers-2012-06-19-1619

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Numéro de rôle
2010/AR/2692
Date
19 juin 2012

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 11 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance d'Anvers28.06.2010
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers19.06.2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

158 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel d’Anvers dd. 19.06.2012 (2010/AR/2692)

[Favorable à l’administration]

WF 030-15-08/057322

Taxe sur la valeur ajoutée – Régime forfaitaire des coiffeurs – Détermination forfaitaire du chiffre d’affaires – Inventaire – Principe de bonne administration – Principe de légitime confiance

Dispositions légales

Article 56, § 1er, du Code de la TVA

Article 64, § 1er, 1°, du Code de la TVA

Articles 4, 7 et 91 de l’arrêté royal n° 2 relatif à l'établissement de bases forfaitaires de taxation à la taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

Le redevable était identifié à la TVA pour l’exploitation d’un salon de coiffure pour dames et messieurs. Lors d’un contrôle opéré en 2007 couvrant les années 2004 et 2005, des infractions ont été constatées en ce qui concerne l’application en matière de TVA du régime forfaitaire coiffeurs hommes et dames.

Dans le régime forfaitaire, les bases forfaitaires de taxation sont déterminées par l'administration, par secteur d'activité, après consultation des groupements professionnels intéressés, pour une période déterminée (trimestre, année). L’exécution de l’article 56, § 1er, du Code de la TVA est réglementée par l’arrêté royal n° 2 du 7 novembre 1969. Le régime forfaitaire est un régime optionnel. Il n’est pas contesté que l’assujetti était soumis à ce régime depuis 1971. En appliquant ce régime, il avait accepté les dispositions régissant ce régime forfaitaire pour les années 2004 et 2005 telles qu’elles avaient été établies conformément à l’article 7 de l’arrêté royal n° 2 par l’administration après consultation des groupements professionnels intéressés.

L’agent taxateur a vérifié pour les années 2004 et 2005 les bases forfaitaires de taxation en matière de TVA telles qu’elles avaient été calculées par l’assujetti et les a recalculées selon les dispositions concernées. Contrairement à ce que soutient l’assujetti en degré d’appel, cette rectification n’est pas fondée sur des présomptions mais sur des bases forfaitaires de taxation que l’administration, après consultation des groupements professionnels intéressés, a déterminées.

Cependant, si l’assujetti estimait que ces bases forfaitaires n’étaient pas en adéquation avec son activité, il pouvait demander par pli recommandé à l’inspecteur principal de la TVA d’adapter ces bases forfaitaires de taxation afin de tenir compte de sa situation particulière, en vertu de l’article 4 de l’arrêté royal n° 2. De même, il pouvait également opter pour le régime normal de taxation. L’assujetti n’a fait usage d’aucune de ces possibilités et le régime forfaitaire de taxation en matière de TVA est dès lors resté d’application.

L’assujetti ne dressait pas un inventaire de son stock à la fin de l’année comptable. En vertu de l’article 64, § 1er, du Code de la TVA, il était dès lors présumé avoir vendu tous les biens achetés, jusqu’à preuve du contraire. Cette présomption est également reprise en matière de régime forfaitaire à l’article 91 de l’arrêté royal n° 2. La cour constate que le calcul du chiffre d’affaires relatif à la vente des produits a été déterminé conformément à cette disposition et que ce calcul tel qu’il a été mentionné dans le procès-verbal est en outre identique à celui que l’assujetti avait appliqué dans sa feuille de calcul.

En l’espèce, la violation des principes de bonne administration et plus particulièrement du principe de légitime confiance ne peut pas être retenue.

La cour considère qu’en l’espèce l’amende infligée est raisonnable et est proportionnelle à la gravité de l’infraction commise.

La cour déclare que l’appel formé par l’assujetti est recevable mais non fondé.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen

dd. 19.06.2012

(2010/AR/2692)

D. C. M., wonende te …, …, ingeschreven met KBO-nummer … eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. P. G., advocaat te …, …, tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 juni 2010,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, MINISTER VAN FINANCIEN, INSPECTEUR V/H 2DE BTW ONTVANGKANTOOR, 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4, verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. D. R. F., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 juni 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 augustus 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het tussenarrest van 20 maart 2012 waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen met het oog op de herneming van de zaak.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de zesde kamer van het hof.

1. De feiten.

1.1. -Eiser in hoger beroep is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer … voor de uitbating van een kapsalon voor dames en heren.

Op 22 augustus 2007 wordt door een daartoe bevoegde ambtenaar een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering betreffende de belasting over de toegevoegde waarde voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005.

Op basis van de forfaitaire regeling inzake de BTW voor heren- en dameskappers waarvoor-eiser in hoger beroep zelf opteerde en waaraan hij sedert 1971 onderworpen is, worden onregelmatigheden vastgesteld in verband met de aangegeven omzet.

Na herberekening van de omzet volgens de forfaitaire regeling voor haarkappers, wordt op 4 december 2007 een proces-verbaal opgemaakt, waaruit blijkt dat volgende sommen worden nagevorderd:

- Als BTW € …

- Als verminderde boete € …

- Wettelijke intresten vanaf 21 januari 2006 pro memorie

Een voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt op dezelfde-dag aan eiser in hoger beroep toegezonden.

1.2. -Op 6 december 2007 wordt voor deze verschuldigde sommen door de heer R. D. V., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 11 december 2007 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. D., waarnemend gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen en dat op 7 februari 2008 bij gerechtsdeurwaarderexploot wordt betekend aan eiser in hoger beroep.

2. De voorafgaande procedure.

2.1. -Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 28 februari 2008, vordert eiser in hoger beroep het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren; bijgevolg de in het dwangbevel opgenomen bijkomende heffing te vernietigen; het dwangbevel onwettig en van generlei waarde te verklaren; bijgevolg de vordering ten bedrage van € … en de administratieve boete van € … te annuleren, alsmede de nalatigheidsintresten, minstens de passende ontheffingen toe te staan en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen, zoals vermeld in het dwangbevel, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W. BTW; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten.

2.2. -Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond; veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten; vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op € … bij wijze van rechtsplegingvergoeding.

De rechtbank stelt vooreerst dat een correctieopgave louter een uitnodiging tot minnelijke betaling vormt en door geen wet of rechtsregel wordt opgelegd. Geen wet of rechtsregel staat eraan in de weg dat de controleambtenaar het dossier van zijn collega der directe belastingen mocht consulteren, ook niet artikel 93 quaterdecies §1 W. BTW. Het proces-verbaal is meer dan voldoende gemotiveerd. De herberekening van de omzet gebeurde volgens de normen van het forfait. De echtgenote van eiser in hoger beroep werd terecht aangemerkt als meehelpend. Eiser in hoger beroep zelf had bij de berekening van de omzet in zijn aangifte alvast geen rekening gehouden met arbeidsongeschiktheid of met een periode daarvan. Door de voorlegging van doktersattesten spreekt eiser in hoger beroep zichzelf tegen door zijn aangiften. Waar hij reeds midden jaren negentig gewag maakte van de voetproblemen van de echtgenote heeft hij desondanks nooit aanpassing van het forfait naar afwijkende omstandigheden gevraagd. Verder gaat hij de mist in waar hij plots aanvoert enkel een herenkapsalon te voeren. Hij spreekt daarmee zijn eigen prijslijst van 2005 en zijn aangiften tegen. Een en ander toont aan dat eiser in hoger beroep slechts uitvluchten zoekt om de realiteit te ontkennen. De herberekening van de omzet stoelt op artikel 64, § 1 W. BTW waarvan het forfait een toepassing vormt. De toegepaste geldboete is volkomen evenredig met de feiten.

2.3. -Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 30 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.

3.1. -Eiser in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis integraal te hervormen; derhalve het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren; bijgevolg de in het dwangbevel opgenomen bijkomende heffing te vernietigen en het dwangbevel onwettig en van generlei waarde te verklaren; bijgevolg de vordering ten bedrage van € … en de administratieve boete van € … te annuleren, alsmede de nalatigheidsintresten, minstens de passende ontheffingen toe te staan en de Belgische staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen, zoals vermeld in het dwangbevel, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W. BTW; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten, begroot op de rechtsplegingsvergoeding van € … per aanleg; in ondergeschikte orde het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een administratieve boete wordt nagevorderd, zowel wat de proportionele boete als wat de niet-proportionele boete betreft.

Eiser in hoger beroep stelt dat, aangezien het in casu een omzetberekening betreft, de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal niet speelt. Het dwangbevel bevat niet de minste informatie omtrent de navordering, noch in rechte noch in feite, wat tot gevolg heeft dat het dwangbevel geen voldoende bewijs vormt voor de BTW – navordering. Op grond van de “Wet Cerexhe” kan tot nietigheid van de handeling om de BTW na te vorderen besloten worden. Ook om die reden dient het dwangbevel vernietigd te worden. Door het niet opstellen van een correctieopgave worden de rechten van verdediging van eiser in hoger beroep geschonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de btw – controlediensten inzage hebben genomen van stukken uit het permanent dossier van de collega’s van de directe belastingen en dit op grond van de bepalingen van artikel 93quaterdecies W. BTW, waarbij zij kennis kregen van de inschrijving in het handelsregister van de echtgenote van eiser in hoger beroep. Uit geen enkel stuk blijkt dat de formaliteiten terzake worden vervuld. Ten gronde stelt eiser in hoger beroep dat de administratie de bewijslast draagt van de beweerde meer omzet. De administratie faalt in haar bewijslast van het feit dat er een belastbare levering heeft plaatsgevonden of dat zulks wettelijk kon worden vermoed en derhalve dient eiser in hoger beroep het bewijs niet te leveren.

Zonder dat ook maar het minste bewijs wordt geleverd dat eiser in hoger beroep beantwoordt aan de voorwaarden van het forfait, worden de bepalingen van het forfait gevolgd waarbij de echtgenote van eiser in hoger beroep voor 45 % van een voltijdse en vakbekwame kapster in aanmerking wordt genomen. De herberekening van de omzet werd op arbitraire wijze vastgesteld. De administratie miskent op flagrante wijze de voorgelegde medische attesten van de huisarts en specialisten. De beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden, inzonderheid het vertrouwensbeginsel. Tenslotte betwist eiser in hoger beroep ook de opgelegde boete.

3.2. -Verweerder in hoger beroep concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op € … per aanleg.

Volgens verweerder in hoger beroep heeft het proces-verbaal van 4 december 2007 wel degelijk de wettelijk voorziene bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Het dwangbevel verwijst naar het bijgevoegde proces-verbaal en bevat dus geen onregelmatigheden. Een correctieopgave is niet verplicht. Er is geen schending van artikel 93quaterdecies W. BTW. De inzage van het permanent dossier is aan geen enkele formaliteit gebonden. De herberekening van de omzet is op correcte wijze gebeurd. De opgelegde boete is reeds verminderd tot het strikte minimum.

4. Beoordeling.

4.1. -De bewijskracht van het proces-verbaal.

Voor het bewijs van overtredingen en de feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, beschikt de administratie niet alleen over de bewijsmiddelen van het gemeen recht, maar ook over processen-verbaal. Het proces-verbaal is een geschrift opgesteld door een ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, waarin hij zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststelling van feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent.

Artikel 59, §1 W. BTW bepaalt ten aanzien van het proces-verbaal het volgende:

"Iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door·de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.”

Het W. BTW bepaalt nergens wat een geschrift tot proces-verbaal maakt of aan welke formele voorwaarden een proces-verbaal moet voldoen. Algemeen wordt aangenomen dat het moet geschreven zijn, opgesteld door een daartoe bevoegde ambtenaar, naam, functie, hoedanigheid en standplaats van de opsteller vermelden, ondertekend zijn door de opsteller, gedagtekend zijn en voldoen aan de taalwetgeving. Aan deze voorwaarden is in deze voldaan.

Het proces-verbaal levert bewijs op van de juistheid en waarachtigheid van de vastgestelde en de erin weergegeven inlichtingen en feiten zolang de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat deze onjuist of onwaar zijn.

Deze bijzondere bewijskracht tot bewijs van het tegendeel is evenwel beperkt tot de materiële vaststellingen die de verbaliserende ambtenaar zelf doet en strekt zich niet uit tot de feitelijke en juridische conclusies die hij trekt

Wanneer de administratie vermoedens afleidt uit een feit dat in het proces-verbaal vermeld is, levert het proces-verbaal enkel het bewijs van het vastgestelde feit, dat dus als bekend feit zal gelden; de gevolgtrekking, het afleiden van het onbekende feit uit het bekende feit, blijft onderworpen aan het oordeel van de rechter.

In het proces-verbaal van 4 december 2007 wordt door de controlerende ambtenaar vastgesteld dat eiser in hoger beroep tijdens de gecontroleerde periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 een gemengd kapsalon (dames en heren) uitbaatte, dat hij van bij de aanvang van zijn activiteit opteerde voor de forfaitaire regeling “haarkappers" en dat hij deze regeling ook toepaste voor de gecontroleerde periode, doch dat uit de voorgelegde bescheiden bleek dat de aan deze regeling verbonden forfaitaire berekening van de omzet foutief was toegepast.

Eiser in hoger beroep stelt dat aangezien het in casu een omzetberekening betreft, de-bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal niet speelt en verwijst daarvoor naar een arrest van het Hof van Cassatie van 13 december 2007.

De verwijzing van eiser in hoger beroep slaat evenwel op de grieven van de eisende partij en niet op de uitspraak van het Hof.

Het Hof van Cassatie oordeelde als volgt:

“2. Een wettelijk forfaitaire vaststelling van de grondslag van de aanslag in een bepaalde sector -te dezen deze van de kappers - is een feitelijk gegeven waarop het bestuur, als er geen regelmatige boekhouding wordt voorgelegd, kan steunen en kan gelden als een vermoeden in de zin van het genoemde artikel 59, §1, BTW-wetboek.

3. Het onderdeel dat aanvoert dat het omstandigheden niet kan gelden als een vermoeden, kan niet worden aangenomen."

Bovendien zijn de feiten die ten grondslag liggen aan voormeld arrest van het Hof van Cassatie niet dezelfde als deze in onderhavige zaak: het betrof een aan de normale regeling onderworpen BTW - belastingplichtige die nagelaten had een volledige boekhouding te voeren en waar de administratie overging tot een forfaitaire herberekening van de omzet, terwijl in huidig geding eiser in hoger beroep zelf geopteerd heeft voor de toepassing van de forfaitaire regeling.

Het proces-verbaal van 4 december 2007 heeft wel degelijk de bijzondere bewijskracht in de zin van artikel 59, § 1 W. BTW.

4.2. -De motivering van het dwangbevel.

4.2.1. Eiser in hoger beroep houdt voor dat het dwangbevel niet afdoende is gemotiveerd en meer bepaald dat het niet de minste informatie bevat omtrent de navordering, noch in feite noch in rechte, wat tot gevolg heeft dat het dwangbevel een voldoende bewijs vormt voor de BTW - navordering van verweerder in hoger beroep.

Een dwangbevel vormt enerzijds de titel van de belastingschuld van een belastingplichtige (het zogenaamde “declaratieve karakter van een dwangbevel”) en anderzijds de titel op grond waarvan een gedwongen tenuitvoerlegging door de Belgische Staat kan plaatsvinden (het zogenaamde “executoire karakter van een dwangbevel”).

Een dwangbevel vormt m.a.w. de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan, in casu van een BTW – schuld, ten laste van een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld.

Indien er geen rechtsgeldig dwangbevel wordt uitgevaardigd of indien een dwangbevel niet beantwoordt aan de wettelijke vormvereisten, beschikt de Belgische Staat niet over een titel van belastingschuld ten opzichte van de betrokken belastingplichtige en kan de Belgische Staat derhalve de belastingschuld niet invorderen bij gebrek aan een titel voor de tenuitvoerlegging ervan.

Net omwille van het feit dat een dwangbevel de (enige) titel van de belastingschuld van de belastingplichtige ten opzichte van de Belgische Staat vormt, kan een dwangbevel slechts als rechtsgeldig beschouwd worden wanneer in het dwangbevel:

1. de belastingschuldenaar nauwkeurig wordt bepaald,

2. de som, tot betaling waarvan het dwangbevel uitgevaardigd wordt, vermeld wordt, en

3. het voorwerp en de grondslag van de vordering vermeld worden:

Deze laatste voorwaarde (vermelding van het voorwerp en de grondslag van de vordering) impliceert dat het noodzakelijk is voor de geldigheid van het dwangbevel dat dit dwangbevel gemotiveerd wordt.

Een dwangbevel zou bvb. regelmatig zijn wanneer "het door zijn inhoud of door het proces-verbaal (of andere bijlagen) waarnaar het verwijst, het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.”

De motiveringsplicht voor de geldigheid van een dwangbevel wordt ook verantwoord doordat het enige rechtsmiddel tegen een dwangbevel voor een belastingplichtige erin staat hiertegen (voorheen) verzet in te stellen of (thans) een overeenkomstig (nieuw) artikel 1385decies Ger. W. vordering in rechte in te stellen.

Opdat een belastingplichtige zijn verzetsakte / vordering in rechte tegen een dwangbevel met redenen zou kunnen omkleden - zoals hij daartoe door de wet verplicht-wordt – is het noodzakelijk dat hij voorafgaandelijk kennis heeft kunnen nemen van de-redenen die de BTW-administratie ertoe aangezet hebben om tegen hem een navordering / vervolging in te spannen.

Men kan zich wellicht moeilijk verdedigen op toekomstige elementen die niet ter kennis gebracht waren op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel, doch zulks is niet het geval wanneer de belastingplichtige het voorwerp en de grondslag van de belastingschuld reeds voor het uitvaardigen van het dwangbevel kent of geacht moet worden te kennen. In dit geval zijn zijn rechten van verdediging, grondslag van de motiveringsverplichting, ten volle gevrijwaard.

De wet van 29 juli 1991 heeft aan alle administratieve overheden, als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting opgelegd om, met ingang van 1 januari 1992, alle van hen uitgaande eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren.

Deze verplichting wordt nader toegelicht in de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet, die bepalen:

"De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd."

“De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.”

De opgelegde motivering moet dus uitdrukkelijk zijn, wat de verplichting inhoudt in de akte zowel de juridische als de feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing, ten grondslag liggen en dit op afdoende wijze.

De aanduiding van de juridische overwegingen houdt o.m. in dat in de akte moet verwezen worden naar de toepasselijke wetsbepalingen. De motivering in feite houdt in dat de precieze, concrete feitelijke gegevens moeten aangeduid worden waarom, in het licht van de aangehaalde bepalingen, een bepaalde beslissing wordt genomen. De wetgever heeft het hierbij wenselijk geacht dat de redenen van de beslissing zelf zouden worden opgenomen.

De (uitdrukkelijke) motivering moet ook "afdoende" zijn, wat betekent dat de ingeroepen redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden. Dit wijst op de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsverplicht, met name de bestuurde een zodanig inzicht in de motieven van de bestuurshandeling te verschaffen dat hij instaat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de bestreden beslissing te verzetten.

De administratie mag na het uitvaardigen van een dwangbevel wel (ter motivering) nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoeren voor zover die argumenten en gegevens aangevoerd worden ter ondersteuning van wat in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld Cass., AR C.03.0354.N, 1 december 2005, T.F.R., 2006, afl. 307, 712 met conclusie advocaat-generaal D. THYS en noot A. KIEKENS, “Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW – administratie geen nieuwe motieven meer inroepen”).

Het niet naleven van de formele motiveringsplicht leidt bijgevolg niet automatisch tot het buiten toepassing laten van de betrokken bestuurshandeling. Enkel indien de betrokkene, in wiens belang de vormvereiste is voorgeschreven, in zijn belangen is geschaad door de miskenning ervan, zal de bestuurshandeling onwettig verklaard worden. Indien blijkt dat de bestuurde op een andere wijze dan door de formele motivering kennis heeft van de motieven en die kennisgeving zich heeft voorgedaan in omstandigheden waarin zijn recht om zich te verweren niet in het gedrang werd gebracht, werd het doel van de formele motivering bereikt, zodat in dat geval het niet naleven van de verplichting tot formele motivering niet tot het buiten toepassing laten van de bestuurshandeling kan leiden (Cass., 1e k., AR F.03.0067.N, 17 november 2006, RGCF 2009, afl. 128, Fiscoloog, 2007, nr. 1058, p. 7; A. BELLENS, “De motiveringsvereiste betreffende het dwangbevel in de BTW”, RABG, 2007, nr. 9, p. 557).

4.2.2. -Het hof dient vast te stellen dat het dwangbevel uitgevaardigd op 6 december 2007 wel degelijk alle gegevens bevat die de gecontroleerde belastingplichtige identificeren en hem moeten toelaten kennis te nemen van de vaststellingen verricht door de controleambtenaar alsook van de overtredingen van de BTW-wetgeving die hieruit worden afgeleid, en de begroting van de BTW -schuld die hieruit voortvloeit.

Aan het dwangbevel, dat op 7 februari 2008 bij gerechtsdeurwaarderexploot aan eiser in hoger beroep werd betekend, is het proces-verbaal gehecht dat op 4 december 2007 werd opgesteld door de controleambtenaar.

Het proces-verbaal van 4 december 2007 vermeldt duidelijk de toepasselijke wettelijke bepalingen en geeft een duidelijk overzicht van de vastgestelde overtredingen en de berekening van de BTW-schuld.

Verweerder in hoger beroep heelt in conclusies ook geen andere of nieuwe motivering gebruikt, maar heeft enkel aanvullende elementen en argumenten aangevoerd.

Het dwangbevel en het eraan gehechte proces-verbaal bevatten alle gegevens en motieven ter vrijwaring van de rechten van verdediging van eiser in hoger beroep en het dwangbevel is dan ook voldoende gemotiveerd.

4.3. -Het ontbreken van een correctieopgave.

Eiser in hoger beroep houdt voor dat zijn rechten van verdediging geschonden werden omdat geen correctieopgave werd opgesteld.

Geen enkele wetsbepaling of rechtsregel verplicht de ambtenaren van de FOD - Financiën om, ter gelegenheid van een uitgevoerde BTW-controle, een correctieopgave op te maken. Een correctieopgave is een voorstel tot minnelijke afhandeling van het dossier.

Door het niet opmaken van een correctieopgave werden de rechten van verdediging van eiser in hoger beroep niet geschonden.

4.4. - De toepassing van artikel 93quaterdecies W. BTW.

Uit het proces-verbaal van 4 december 2007 blijkt dat de controleambtenaar inzage heeft genomen van stukken uit het permanent dossier van eiser in hoger beroep, dat gehouden wordt door de administratie der directe belastingen, waarbij hij kennis heeft gekregen van het verzoek tot inschrijving van de echtgenote van eiser in hoger beroep in het handelsregister.

Volgens eiser blijkt niet dat de formaliteiten van artikel 93quaterdecies W. BTW vervuld werden.

Artikel 93quaterdecies, §1 W. BTW bepaalt:

"De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en rechtbanken, de besturen van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provinciën de agglomeraties en de gemeenten, evenals de openbare organismen en instellingen, zijn gehouden wanneer ze daartoe aangezocht zijn door een ambtenaar van een der rijksbesturen belast met de aanslag in, of de invordering van de belastingen, hem alle in hun-bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om 't even welke bescheiden inzage te verlenen en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen welke bedoelde ambtenaar ter verzekering van de aanslag in, of de heffing van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.

(...)

Van de akten, stukken registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures, mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal.

(...)"

In deze is er geen sprake van enig gerechtelijk onderzoek zodat geen uitdrukkelijke toelating tot inzage diende verleend te worden. Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal uitdrukkelijk vermeld wordt dat inzage werd genomen van het permanent dossier van eiser in hoger beroep op grond van artikel 93quaterdecies W. BTW. Er is geen enkele reden om de rechtsgeldigheid van deze inzage in twijfel te trekken en eiser in hoger beroep toont ook niet aan dat er sprake zou zijn van een onregelmatig inzage.

4.5. - De meeromzet.

4.5.1. Eiser in hoger beroep is geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor de uitbating van een kapsalon voor heren en dames.

In het normale BTW-stelsel wordt de BTW in beginsel geheven op wat de eindverbruiker betaalt voor een goed of een dienst. De maatstaf van heffing is dus in principe de prijs die voor de levering of de dienst wordt gevraagd. Het forfaitair stelsel vormt hierop een uitzondering. In het forfaitair stelsel wordt de maatstaf van heffing door de administratie per bedrijfssector, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, voor een hele periode (maand, kwartaal of jaar) vastgesteld.

Artikel 56, §1 W. BTW luidt als volgt:

“Ten aanzien van door Hem te omschrijven kleine ondernemingen regelt de Koning de wijze waarop de administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststelt, wanneer zulks mogelijk is.”

De uitvoering van dit artikel wordt geregeld in het K.B. nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde.

Het forfaitair stelsel is een keuzestelsel. Het wordt niet betwist dat eiser in hoger beroep heeft geopteerd voor de toepassing van de forfaitaire regeling inzake de BTW voor haarkappers en dat hij sedert 1971 aan deze regeling onderworpen is. Door deze toepassing aanvaardt hij de bepalingen van het forfait zoals deze voor 2004 en 2005 krachtens artikel 7 van voormeld K.B. nr. 2 door de administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroepering, werden vastgesteld.

De controleambtenaar heeft voor de jaren 2004 en 2005 de forfaitaire grondslag van aanslag voor de BTW, zoals berekend door eiser in hoger beroep, nagezien en herberekend volgens de aldus vastgestelde bepalingen. In tegenstelling tot wat eiser in hoger beroep voorhoudt, is deze berekening dus niet gebaseerd op vermoedens, doch op grondslagen die de administratie, na overleg met de betrokken beroepsgroepering, heeft vastgesteld.

Indien eiser in hoger beroep zich niet kon terugvinden in deze grondslagen, kon hij, krachtens artikel 4 van het K.B. nr. 2, aan de bevoegde eerstaanwezend inspecteur van de BTW schriftelijk vragen om de forfaitaire grondslagen aan te passen om met zijn bijzondere toestand rekeninghouden of kon hij opteren voor de normale regeling. Eiser in hoger beroep heeft van geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt en derhalve bleef van geen van beide mogelijkheden gebruik gemaakt en derhalve bleef de forfaitaire regeling van aanslag voor de BTW op hem van toepassing.

4.5.2. -De betwisting heeft voornamelijk betrekking op de verhoging van de ontvangsten van de patroon wegens het in dienst hebben van personeel, meer bepaald de echtgenote van eiser in hoger beroep, zoals opgenomen in de forfaitaire bepalingen onder punt 10 tot en met 18.

In het proces-verbaal van 4 december 2007 (vierde blad, voorlaatste en laatste alinea) stelt de controleambtenaar dat de meehelpende echtgenote van eiser in hoger beroep·moet beschouwd worden als een vakbekwame kapper werknemer van meer dan 21 jaar, zodat volgens de kwalificatietabel, punt 10 van de forfaitaire bepalingen, een verhoging van de ontvangsten van 70 % moet toegepast worden. Rekening houdend met het feit dat zij slechts parttime in het kapperssalon aanwezig is, werd de verhoging teruggebracht tot 45 % zoals minimum voorzien in punt 11 van de forfaitaire bepalingen.

Eiser in hoger beroep betwist dit percentage, verwijzend naar een doktersbriefje van 27 juni 2000 waarin gesteld wordt dat de echtgenote van eiser in hoger beroep “gezien haar gezondheidstoestand max. voor slechts 10 % in aanmerking kan genomen worden als medewerkster in de zaak van haar echtgenoot” en naar een niet ondertekend briefje van 2 oktober 2007 waarin vermeld wordt “in de gehele periode vanaf juli 2005 is patiënte in staat geweest 10 % te werken…”.

De forfaitaire bepalingen voorzien, onder nr. 17, in een vermindering van de ontvangsten van de patroon bij een arbeidsongeschiktheid van een personeelslid wanneer deze bewezen is en betrekking heeft op minstens zeven achtereenvolgende dagen.

Eiser in hoger beroep zelf heeft bij de forfaitaire berekening van zijn omzet geen rekening gehouden met dergelijke vermindering en heeft nooit een aanpassing van het forfait naar bijzondere (afwijkende) omstandigheden gevraagd. Met het doktersattest van-juni 2000 kan geen rekening gehouden worden voor de gecontroleerde periode. Het doktersattest van 2007 heeft het over de periode vanaf juli 2005, doch vermeldt niets over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2005. Er was dan ook geen reden om enige vermindering toe te passen.

De controleambtenaar heeft dan ook terecht de (meer)omzet berekend overeenkomstig de forfaitaire bepalingen.

4.5.3. Eiser in hoger beroep betwist ook dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 64, §1 W. BTW vervuld zijn.

Artikel 64, §1 W. BTW bepaalt:

"Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.”

Aangezien eiser in ho er beroep per einde boekjaar geen goedereninventaris opmaakte, wordt krachtens voormeld artikel 64, § 1 geacht dat alle aangekochte goederen, behoudens tegenbewijs, verkocht werden.

Artikel 9 van het K.B. nr. 2 bepaalt in dat verband:

“De belastingplichtige die onderworpen is aan de forfaitaire regeling wordt, behoudens tegenbewijs, geacht al de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd te hebben geleverd, al dan niet be- of verwerking, of ze te hebben gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit vermoeden vindt toepassing op ieder aangiftetijdvak, tenzij zulks anders zou worden beslist door of vanwege de Minister van Financiën of bij het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag.

Wanneer de belastingplichtige niet jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt die voorraad geacht constant te zijn gebleven.

Wanneer de belastingplichtige jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt wordt voor het vaststellen van de omzet van het tijdvak waarin de inventaris wordt opgemaakt het bedrag van de inkopen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren, naargelang van het geval, vermeerderd of verminderd met het verschil in waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen, van de goederen die in de opeenvolgende inventarissen van zijn voorraad werden opgenomen.”

Het hof stelt vast dat de berekening van de omzet van de verkoop van producten conform deze bepaling is gebeurd en dat de berekening zoals deze werd opgenomen in het proces-verbaal trouwens identiek is aan deze die door eiser in hoger beroep op zijn berekeningsbladen werd toegepast

4.5.4. - Uit de voorliggende stukken en gegevens blijkt dat de controleambtenaar de omzet voor de jaren 2004 en 2005 heeft berekend aan de hand van de bepalingen die voor die jaren werden vastgelegd in het forfait voor dames-en herenkappers en dat er geen sprake is van willekeur.

Er is evenmin sprake van enige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald van het vertrouwensbeginsel.

In het kader van de uitgevoerde controle werd de boekhouding van eiser in hoger beroep niet verworpen. Aangezien hij opteerde voor de forfaitaire regeling voor haarkappers is het eiser in hoger beroep toegestaan om, voor de toepassing van de BTW – wetgeving en reglementering, een vereenvoudigde boekhouding te voeren.

Eiser in hoger beroep houdt ook voor dat de administratie in de voorgaande jaren de omzet niet in vraag heeft gesteld, doch de laatste grondige controle blijkt betrekking gehad te hebben op de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996, terwijl de controle die aanleiding heeft gegeven tot deze betwisting betrekking had op de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005, waarbij niet duidelijk is of de omstandigheden waarin de zaak werd uitgebaat dezelfde waren.

4.6. - De boete.

4.6.1. - Krachtens artikel 70, §1 W. BTW werd een geldboete opgelegd die het dubbele bedraagt van de verschuldigde BTW.

Artikel 84 W. BTW bepaalt dat binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten vastgesteld in dit wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, wordt bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Conform de bepalingen van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel G, afdeling 1, V, werd de boete verminderd tot het minimum, nl. € … x 20% = € … overeenkomstig artikel 4 van hetzelfde K.B. afgerond op € ….

Er werd geen niet - proportionele boete opgelegd.

4.6.2. -De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsten die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Het hof oordeelt dat in deze de opgelegde boete redelijk en in verhouding met de ernst van de gepleegde inbreuk is en dat er geen reden is om deze boete te verminderen;

4.7. - Besluit.

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige motieven gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en eiser in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

5. - Beslissing.

Dispositif

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van M. D. C. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt M. D. C. tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de Belgische Staat begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van

NEGENTIEN JUNI 2012 door:

Ondertekeningen

Textes cités

7
AR no 2 art. 44 occurrences
AR no 2 art. 73 occurrences
AR no 2 art. 913 occurrences
CTVA art. 563 occurrences
CTVA art. 643 occurrences
AR no 2 art. 91 occurrence
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8