Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 24.01.2022
WF 808-15-20/030204
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée - Principe de neutralité - Droit à déduction - Contrats de leasing – Restitution de la TVA – Etablissement d’une note de crédit - Résiliation du contrat - Faillite - Principe d'effectivité
Dispositions légales
Articles 45, § 1er, 75, 76, 77, § 1er, 5° et 7° du Code de la TVA
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
La demanderesse, une banque belge proposant des contrats de leasing, a acheté une machine (filtermachine) à un fournisseur le 17 juillet 2017. Par après, cette machine a été mise à la disposition d’un client, le preneur de leasing. La TVA a été déduite en totalité par la demanderesse. La machine ne fonctionnant pas correctement, la résiliation du contrat entre le fournisseur et la demanderesse a été prononcée dans un jugement daté du 10 décembre 2013. Entre-temps, le fournisseur a été déclaré en faillite dans un jugement du 2 octobre 2013.
Le 10 janvier 2014, le curateur du fournisseur en faillite a adressé une note de crédit à la demanderesse et a demandé la déduction de la taxe sur la base de l’article 77, § 1er, 5°, du Code de la TVA. Par après, le défendeur, l’État belge, a restitué au curateur la TVA payée par le fournisseur.
Lors d’un contrôle, le défendeur a constaté que la demanderesse avait mentionné une demande en restitution de la TVA déjà payée au fournisseur en grille 62 et que la déduction de la TVA, suite à la réception du document rectificatif, la note de crédit, n’avait pas été révisée dans la déclaration. Une requête contre le procès-verbal dressé reprenant cette infraction a été déposée au greffe du tribunal de première instance.
2) Le jugement rendu en première instance
a. La violation du principe de neutralité
La résiliation du contrat et la restitution de la TVA par la défenderesse entraînent logiquement que la taxe déduite par la demanderesse doit être reversée. Cela n’est pas contraire aux dispositions des articles 184 et suivants de la directive TVA. Le tribunal constate que la résiliation du contrat, l’établissement d’une note de crédit adressée à la défenderesse et le remboursement de la TVA par la défenderesse au fournisseur ne remplissaient plus les conditions matérielles exigée afin de déduire la TVA payée en amont. Contrairement à ce qui est allégué par la demanderesse, le principe de neutralité dans le cadre de la résiliation d’un contrat ne va pas jusqu’à dire qu’un État membre doit garantir que la TVA qui est remboursée à l’assujetti, ici en l’espèce le fournisseur, est à la charge de la personne qui a initialement payé la TVA, en l'occurrence la demanderesse. Cette obligation n’est pas prévue dans la directive.
b. La violation de l’article 77, § 1er , 7° du Code de la TVA et du principe d’effectivité
Contrairement à la position de la demanderesse, l'article 77, § 1er, 7°, du Code de la TVA ne s'applique qu'à la partie qui a payé la TVA à l'Etat et qui veut la récupérer parce que sa créance, par exemple en raison d'une faillite, a été perdue. La demanderesse oublie le fait que l'État a effectivement restitué la taxe au fournisseur, l’assujetti. L'application du principe d'effectivité ne peut avoir pour conséquence que l'Etat belge restitue deux fois la TVA, à savoir une fois à l'assujetti et une fois à l'acquéreur qui n'a pas ou difficilement la possibilité de récupérer la TVA auprès du fournisseur, par exemple en cas de faillite.
Remarque
La demanderesse a acquiescé au jugement.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7de kamer
Vonnis van 24 januari 2022
Rol: 2020/1477/A
In de zaak van:
De NV BSS, met zetel te …, met ondernemingsnummer 042...27, eiseres, vertegenwoordigd door mr. … en mr. …, advocaten met kantoor te ….
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, KBO F.O.D. Financiën 0308.357.159, de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum Grote Ondernemingen Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3350, verweerder, vertegenwoordigd door de dossierbehandelaars mevrouw X, adviseur, mevrouw X2, fiscaal deskundige, mevrouw X3, attaché en de heer X4, adviseur.
In deze zaak, in beraad genomen op 10 januari 2022, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
* het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 14 mei 2020 en op 15 mei 2020 ingeschreven op de algemene rol,
* de beschikking overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 19 juni 2020,
* de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 29 juli 2021,
* de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 29 november 2021,
* de stukken van de partijen.
De raadslieden van eiseres en de vertegenwoordigers van verweerder werden gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 10 januari 2022 waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Conform artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt enkel rekening gehouden met de laatste conclusies van de partijen.
ll. FEITEN
Op 17 juli 2007 sluiten eiseres en de NV E.P. (voorheen gekend als E.F.} een koopovereenkomst voor een filtermachine voor een bedrag van 565.000,00 euro (excl. btw}. De koopprijs moet door eiseres in drie schijven worden betaald, waarbij er sprake is van een totale btw van 118.650,00 euro.
Op diezelfde datum sluiten eiseres en de BVBA A.M. een leasingsovereenkomst met betrekking tot de filtermachine voor een termijn van 60 maanden.
Eiseres neemt de op grond van de facturen van de NV E.P. initieel verschuldigde btw integraal in aftrek.
Aangezien de filtermachine niet naar behoren werkt, stelt de BVBA A.M. in 2009 een vordering in tegen de NV E.P. voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen.
Met een vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 2 oktober 2013 wordt de NV E.P. failliet verklaard.
Met een vonnis van 10 december 2013 verklaart de rechtbank van koophandel te Antwerpen de overeenkomst tussen eiseres en de NV E.P. (aankoop filtermachine} ontbonden.
Op 10 januari 2014 geeft de curator van het faillissement van de NV E.P. een creditnota uit ten aanzien van eiseres voor een bedrag in hoofdsom van 565.000,00 euro en btw van 118.650,00 euro.
Het derdenverzet van eiseres tegen het vonnis van 10 december 2013 wordt definitief afgewezen met het arrest van het hof van beroep Antwerpen van 22 september 2016.
Na het arrest van 22 september 2016 betaalt verweerder 118.756,77 euro (btw} terug aan de curator.
Naar aanleiding van een controle in de periode 2017-2018 stelt verweerder op 5 september 2018 een proces-verbaal van regularisatie op waarbij twee inbreuken worden verweten aan eiseres, namelijk:
het niet opnemen van de gecrediteerde btw, in het bijzonder het niet herzien van de btw als gevolg van een ontvangen verbeterend stuk (inbreuk op artikel 5, §1, 2° en/of artikel 8, eerste lid, 2° van het Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december
1969},
het opnemen van de gecrediteerde btw in rooster 62 - verzoek tot teruggaaf (inbreuk op artikel 77 Btw-Wetboek}.
Met het proces-verbaal worden de volgende navorderingen ten aanzien van eiseres geformuleerd:
• BTW: 237.300,00 euro (2 x 118.650)
• Administratieve geldboete: 23.730,00 euro
• Intrest (tussentijds): 43.663,20 euro
Eiseres deelt mee niet akkoord te zijn met de inhoud van het proces-verbaal.
Op 8 mei 2019 deelt verweerder mee aan eiseres dat het standpunt zoals verwoord in het proces-verbaal behouden blijft.
Op 14 mei 2020 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank.
III. VORDERINGEN
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"te oordelen dat de vordering van concluante ontvankelijk en gegrond is;
bijgevolg, te oordelen dat het proces-verbaal van regularisatie d.d. 5 september 2018 met kenmerk "Team 5 / 042...27" en de beslissing d.d. 8 mei 2019 met kenmerk E.T.135.425 nietig zijn; bijgevolg verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van alle ontvangen bedragen uit hoofde van het vernietigde proces-verbaal van regularisatie (i.e. de btw in hoofdsom van 237.300,00 euro, de boete van 23.730,00 euro en de interesten van 64.545,60 euro), te vermeerderen met moratoriuminteresten;
minstens (in ondergeschikte orde) te oordelen dat de boete en de interesten integraal worden kwijtgescholden die op basis van het bestreden proces-verbaal van regularisatie worden gevorderd; bijgevolg verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van de uit hoofde van het bestreden proces-verbaal van regularisatie ontvangen boete van 23.730,00 euro en interesten van 64.545,60 euro, te vermeerderen met moratoriuminteresten;
verweerder te veroordelen tot de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, welke ten voorlopige titel kan worden begroot op 8.400 euro."
Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:
"(...)
- het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, wat de
vordering in hoofdorde van eiseres betreft;
- te horen zeggen dat de Rechtbank onbevoegd is wat de vordering in ondergeschikte orde van eiseres betreft, nl. de integrale kwijtschelding van de geldboete en interesten;
- bijgevolg, de vorderingen, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde, van eiseres af te wijzen;
- de gevestigde aanslag te bevestigen, erin begrepen de boeten en de interesten;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding."
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Er is tussen de partijen geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid voorhanden.
De vordering is ontvankelijk.
Ten gronde
Algemeen
Het geschil betreft enerzijds in aftrek gebrachte btw ten belope van 118.650,00 euro na de aankoop van een filtermachine in 2007 en anderzijds het opnemen van een bedrag van 118.650,00 euro in de btw-aangifte voor november 2007, namelijk in vak 62 ("diverse btw herzieningen in het voordeel van de aangever - belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen, herzieningen van de aftrek, regularisaties ingevolge administratieve beslissingen").
Eerste middel - schending neutraliteitsbeginsel
Volgens eiseres kan de herziening van de door haar in aftrek gebrachte btw met betrekking tot de filtermachine slechts gebeuren voor zover eiseres ditzelfde bedrag heeft teruggekregen van de NV E.P.. Door de verplichte herziening van de in aftrek gebrachte btw, niettegenstaande eiseres de door haar betaalde btw niet terugkreeg van de NV E.P. of van verweerder, wordt het neutraliteitsbeginsel geschonden, aldus eiseres. Daarnaast argumenteert eiseres dat het niet-toepassen van een administratieve tolerantie - volgens eiseres het uitreiken van een creditnota zonder btw - tot gevolg heeft dat zij gehouden is btw te dragen op een levering die door een gerechtelijke beslissing is ontbonden, wat strijdig is met het neutraliteitsbeginsel terwijl verweerder en de NV E.P. deze schending konden beletten.
Krachtens artikel 45 Btw-Wetboek mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in beginsel in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De aftrekregeling heeft tot doel, de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen.
Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat de overeenkomst tot verkoop van de filtermachine ontbonden werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 10 december 2013, en dat dit vonnis definitief is. Uit de overwegingen van het vonnis blijkt dat de ontbinding van de overeenkomst met terugwerkende kracht tot aan de contractsluiting (ex tune) is uitgesproken, wat niet ter betwisting staat tussen de partijen.
De overeenkomst kan dus in beginsel geen rechtsgevolgen hebben voor het verleden of de toekomst. Door het derdenverzet, afgewezen bij (definitief) arrest van het hof van beroep Antwerpen van 22 september 2016, staat de ontbinding van de overeenkomst ook definitief vast ten aanzien van eiseres.
De juridische realiteit van de ontbonden overeenkomst dringt zich aan de partijen op.
Door de ontbinding van de overeenkomst moeten de contracterende partijen worden teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden voor de contractsluiting. Zoals ook wordt overwogen in het vonnis van 10 december 2013 heeft dit onder meer tot gevolg dat eiseres principieel recht heeft op de bedragen die zij heeft betaald aan de NV E.P.. Hiertoe heeft de curator op 9 januari 2014 een creditnota uitgeschreven aan eiseres voor een bedrag van 683.650,00 euro, namelijk 565.000,00 euro hoofdsom en 118.650,00 euro btw (zie stuk 3 van verweerder). Hoewel hierover geen gegevens worden voorgelegd, is er tussen partijen geen betwisting dat eiseres een aangifte van schuldvordering heeft ingediend in het faillissement van de NV E.P. voor een bedrag van 683.650,00 euro. Na het arrest van 22 september 2016 heeft de curator een brief gericht aan verweerder voor de terugbetaling van de btw - namelijk een bedrag van 118.756,77 euro -, bedrag dat werd terugbetaald door verweerder aan de curator.
Op vraag van de rechtbank bevestigen de partijen voor het overige ter zitting dat er geen betwisting bestaat over het feit dat:
- eiseres enkel de eerste twee facturen (inclusief btw) heeft betaald voor de aankoop van de filtermachine, en dus niet de laatste factuur waarin 11.865,00 euro btw vervat is (zie stuk 1 van verweerder),
- eiseres de volledige btw zoals opgenomen in de drie facturen (118.650,00 euro) in aftrek heeft gebracht,
- het faillissement van de NV E.P. in 2017 werd afgesloten,
- eiseres uit het faillissement geen uitkering heeft ontvangen die betrekking heeft op de door haar betaalde btw.
Krachtens artikel 75 van het Btw-Wetboek kan de belasting slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het Btw-Wetboek voorziet.
De NV E.P., in haar hoedanigheid van leverancier, heeft destijds 118.650,00 euro btw - initieel betaald door eiseres in haar hoedanigheid van afnemer - doorgestort aan verweerder. Deze heeft dit bedrag na de ontbinding van de overeenkomst terugbetaald aan de curator van het faillissement van de NV E.P. op grond van artikel 77, §1, 5° Btw-Wetboek, dat bepaalt:
"Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:
5° wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is;"
Artikel 77 van het Btw-Wetboek is een omzetting van artikel 90, eerste lid van de Btw richtlijn. De begrippen annulering, verbreking en ontbinding waarvan sprake in de richtlijn verwijzen naar situaties waarin, hetzij na een annulering met terugwerkende kracht, hetzij na een verbreking, die slechts gevolgen voor de toekomst heeft, de verplichting van de schuldenaar om zijn schuld af te lossen volledig heeft opgehouden te bestaan of is vastgesteld op een definitief bepaald niveau, met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de schuldeiser (vgl. HvJ nr. C-404/16, 12 oktober 2017).
De ontbinding van de overeenkomst en de terugbetaling van de btw door verweerder hebben logischerwijze tot gevolg dat de belasting die eiseres in aftrek heeft gebracht - 118.650,00 euro btw - aan verweerder moet worden teruggestort.
Artikel 79, §1, eerste en tweede lid Btw-Wetboek verwoordt dit principe als volgt: "Wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2 ° tot 7°, moet de leverancier of de dienstverrichter aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.
Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen."
Deze bepaling is niet strijdig met de bepalingen die zijn opgenomen in de Btw-richtlijn, in het bijzonder de artikelen 184 en volgende van de richtlijn, wat overigens ook niet wordt aangevoerd.
Eiseres voert evenwel aan dat de voormelde bepalingen van het Btw-Wetboek strijdig zijn met het in het Unierecht vervatte neutraliteitsbeginsel voor zover een herziening van de in aftrek gebrachte btw zou worden opgelegd zonder dat zij de btw heeft teruggekregen van de NV E.P. of van verweerder.
Het komt de rechtbank toe de bepalingen van nationaal recht gemeenschapsrechtconform uit te leggen en toe te passen en, wanneer een dergelijke gemeenschapsrechtconforme uitlegging onmogelijk is, waar het gaat om verdragsbepalingen die voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven, elke daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten (vgl. HvJ nr. C-208/05, 11 januari 2007, ITC lnnovative Technology Center GmbH).
Het basisbeginsel van neutraliteit verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde vervuld, formele ook wanneer voorwaarden.
Het neutraliteitsbeginsel is een basisbeginsel van het op Europees niveau ingevoerde gemeenschappelijke Btw-stelsel. Een toepassing van het neutraliteitsbeginsel kan ertoe leiden dat nationale bepalingen (formele en/of materiële wetten) buiten toepassing moeten worden gelaten.
De rechtbank stelt vast dat door de ontbinding van de overeenkomst, het uitgeven van een creditnota aan eiseres en de terugbetaling van de btw door verweerder aan de NV E.P. de materiële voorwaarden voor de aftrek van de voorbelasting niet (meer) vervuld zijn.
In tegenstelling tot wat eiseres stelt, gaat het neutraliteitbeginsel in het kader van een ontbinding van een overeenkomst niet zover dat een lidstaat moet waarborgen dat de btw die wordt terugbetaald aan de belastingplichtige - hier de leverancier, de NV E.P. - terechtkomt bij diegene die de btw initieel heeft betaald - hier de afnemer, eiseres. Een dergelijke verplichting is niet opgenomen in de richtlijn of de uitvoeringsbepalingen. Evenmin vloeit uit het neutraliteitsbeginsel voort dat de aftrek van voorbelasting moet worden toegestaan indien de initieel verschuldigde en terugbetaalde btw niet bij de afnemer is terechtgekomen als gevolg van het faillissement van de leverancier (belastingplichtige). Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat het risico van de terugbetaling van de aankoopprijs door de leverancier aan de afnemer, in het bijzonder de btw, in geval van faillissement ten laste wordt gelegd van de Belgische staat.
Eiseres voert terecht aan dat indien het onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn om de btw terug te krijgen van de leverancier, de klant zich rechtstreeks tot de belastingdienst moet kunnen richten om de onterecht aangerekende btw terugbetaald te krijgen. Evenwel moet worden vastgesteld dat deze situatie zich hier niet voordoet aangezien verweerder de btw heeft terugbetaald aan de leverancier. In het licht van het doeltreffendheidsbeginsel kan het daarbij niet de bedoeling zijn dat de Belgische staat de btw tweemaal betaalt, namelijk éénmaal aan de leverancier en éénmaal aan de afnemer die de btw niet, moeilijk of slechts ten dele terugkrijgt van de leverancier, bijvoorbeeld in geval van faillissement. Tevergeefs verwijst eiseres in dat verband naar arresten van het Hof van Justitie - onder meer HvJ nr. C-35/05, 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken - aangezien deze rechtspraak betrekking heeft op situaties waarbij de btw door de belastingdienst niet werd terugbetaald aan de belastingplichtige, wat hier wel het geval is.
Eiseres voert dan ook ten onrechte aan dat slechts een herziening van de in aftrek gebrachte btw moet gebeuren voor zover zij dit bedrag heeft teruggekregen van de NV E.P. (curator).
Ook de argumentatie van eiseres met betrekking tot de administratieve tolerantie moet worden verworpen. Zelfs indien de voorwaarden voor deze tolerantie vervuld zouden zijn, wat niet het geval blijkt te zijn omdat de filtermachine een bedrijfsmiddel is (zie de artikelen 6 en 7 van het Koninklijk besluit 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de
aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde), moet worden vastgesteld dat de curator geen toepassing heeft gevraagd van de facultatieve mogelijkheid om geen vordering tot teruggaaf in te dienen en de btw wel degelijk heeft opgenomen in de creditnota gericht aan eiseres. Het feit dat eiseres de rechtsgeldigheid van de creditnota betwist - zie de bespreking van het derde middel - doet hieraan geen afbreuk.
Het eerste middel is ongegrond.
Tweede middel - schending artikel 77, §1, 7° Btw-Wetboek en het doeltreffendheidsbeginsel
Volgens eiseres is het opnemen van het bedrag van 118.650,00 euro in vak 62 van haar btw-aangifte (november 2017) niet strijdig met artikel 77 Btw-Wetboek omdat zij dit bedrag rechtstreeks kan terugvorderen van verweerder op basis van artikel 77, §1, 7° BtwWetboek, minstens is de onmogelijkheid om dit te doen strijdig met het doeltreffendheidsbeginsel.
Artikel 77, §1, 7° Btw-Wetboek bepaalt:
"Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:
7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan."
In tegenstelling tot wat eiseres stelt, is artikel 77 § 1, 7° Btw-Wetboek enkel van toepassing
op een partij die de btw aan de Staat heeft betaald en deze wil terugkrijgen omdat haar schuldvordering, bijvoorbeeld door een faillissement, is verloren gegaan. Er anders over oordelen, komt neer op een verkeerde lezing van het voormeld artikel (vgl. Brussel, 23 oktober 2018, Fisc.Koer. 2019, afl. 6, 292; zie ook stuk 17 van verweerder). Deze situatie is niet aan de orde aangezien eiseres niet de partij is die de btw aan de Staat heeft betaald.
Voorts, zoals vastgesteld bij de bespreking van het eerste middel, gaat eiseres voorbij aan het feit dat verweerder de btw wel degelijk heeft terugbetaald aan de belastingplichtige, namelijk aan de NV E.P.. De toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel kan niet tot gevolg hebben dat de Belgische staat de btw tweemaal betaalt, namelijk éénmaal aan de belastingplichtige en éénmaal aan de afnemer die de btw niet, moeilijk of slechts ten dele terugkrijgt van de leverancier, bijvoorbeeld in geval van faillissement. Tevergeefs verwijst eiseres in dat verband (opnieuw) naar arresten van het Hof van Justitie - onder meer HvJ nr. C-35/05, 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken - aangezien deze rechtspraak betrekking heeft op situaties waarbij de btw door de belastingdienst niet werd terugbetaald aan de belastingplichtige, wat hier niet het geval is.
Het tweede middel is ongegrond.
Derde middel - schending artikel 4, §1, 3° van het Koninklijk besluit 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: KB nr. 4) en het neutraliteitbeginsel
Volgens eiseres worden belastinginkomsten op haar verhaald die verweerder verloren heeft aangezien hij een ongeldig verzoek tot teruggaaf heeft ingewilligd, wat strijdig is met het neutraliteitsbeginsel. In het bijzonder wijst eiseres op het feit dat de creditnota niet de vermelding bevat: "Btw terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht'', wat volgens haar een essentiële vermelding is in het licht van artikel 4, §1, 3° van het KB nr. 4.
De terugbetaling van de btw aan de NV E.P. is gebeurd op basis van een wettelijke verplichting (zie artikel 77, §1, 5° Btw-Wetboek) en in het kader van het neutraliteitsbeginsel (zie de bespreking van het eerste middel). De formaliteiten en voorwaarden voorzien bij het indienen van een verzoek tot teruggaaf zijn er op gericht het neutraliteitsbeginsel te doen eerbiedigen. Met verweerder moet worden vastgesteld dat in artikel 77, §1, tweede lid Btw-Wetboek uitdrukkelijk is bepaald dat de medecontractant de in aftrek gebrachte belasting moet terugstorten aan de Staat met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen. Uit het verbeterend stuk (creditnota) blijkt duidelijk over welke in aftrek gebrachte belasting het gaat. Door in het kader van een verzoek tot teruggaaf van de curator te eisen dat de zinsnede waarvan sprake in artikel 4, §1, 3° van het KB nr. 4 in de creditnota wordt opgenomen, zou verweerder de wetgeving aanwenden in een mate die verder gaat dan nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van de wet, wat niet is toegelaten (vgl. Cass. AR F.13.0031.N, 31 oktober 2014).
Eiseres voert dan ook tevergeefs aan dat verweerder een ongeldig verzoek tot teruggaaf heeft ingewilligd.
Het derde middel is ongegrond.
Vierde middel - schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Aangezien het vierde middel vertrekt van het onjuiste uitgangspunt dat verweerder een ongeldig verzoek tot teruggaaf heeft ingewilligd (zie de bespreking van het derde middel), is het vierde middel ongegrond.
Vijfde middel (in ondergeschikte orde) - administratieve geldboete en intrest
In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de boete en de intrest die op basis van het proces-verbaal wordt gevorderd, integraal wordt kwijtgescholden.
De rechtbank stelt vast dat de in het proces-verbaal opgenomen geldboete van 10 % is aangepast aan de aard en de ernst van de door eiseres begane overtredingen van de btw regels. Een (verdere) vermindering of kwijtschelding van deze boete zoals voorzien in artikel 3 van het Koninklijk besluit 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarden (geen spontane rechtzetting voor enige tussenkomst van de administratie) of artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (het blijkt niet dat eiseres een dergelijk verzoek aan de minister heeft gericht) is niet mogelijk (vgl. Cass. AR F.16.0130.F, 17 januari 2019; Cass. AR F.11.0142.F, 18 april 2013). Evenmin, in tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, is een verdere vermindering mogelijk op grond van artikel 1, eerste lid, 1° en tabel G van het Koninklijk besluit 41.
Voorts, en eveneens in tegenstelling tot wat eiseres stelt, komt de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van nalatigheidsintrest toe aan de adviseur-generaal, en niet aan de rechtbank (zie artikel 84bis Btw-Wetboek, thans artikel 70 van het Wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen). Het betreft een gunstmaatregel. Aangezien eiseres geen verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintrest heeft ingediend bij de adviseur-generaal, kan de rechtbank hierover geen uitspraak doen.
Het feit dat eiseres niet akkoord was met de inbreuken opgenomen in het proces-verbaal doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen.
Het vijfde middel is ongegrond.
V. KOSTEN
Aangezien eiseres in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld tot de kosten van het geding. Verweerder wordt niet bijgestaan door een raadsman en kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Huidige zaak betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Cire. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Dispositif
Vl. BESLISSING
De rechtbank,
Gelet op artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder niet verder te begroten.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 januari 2022.
waar aanwezig waren en zitting namen: …
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.