Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 21.05.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig mei tweeduizend en twee in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
Inzake : AR nr. 99/1107/A
NV A. T., ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer ..,·met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester L. D. V. loco meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGlSCHE STAAT, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen I, van wie het kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder R. V. te … op 19 februari 1999,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 26 september 2001,
- de wijzigende beschikking overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 6 februari 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden, ter zitting van 22 april 2002.
Gegevens en voorgaande
Op 23 december 1998 heeft een daartoe bevoegd ambtenaar een proces-verbaal inzake BTW opgesteld na een controle ter plaatse bij huidig eiseres over de periode 1 juli 1996 tot en met 31 maart 1997 (stuk 1 verweerder).
Het proces-verbaal werd gehecht aan een op 21 januari 1999 opgemaakt dwangbevel (ref. Reg. 127/3430, uitvoerbaar verklaard op 25 januari 1999, en waarvan kennisgeving gebeurde met aangetekende brief van 28 januari 1999, resp. stukken 2 en 3 verweerder).
Eiseres dagvaardde met gerechtsdeurwaardersexploot van 19 februari 1999 in verzet tegen het dwangbevel.
Onderzoek en beoordeling
Verweerder werpt geen ontoelaatbaarheid op, en de rechtbank onderkent van haar kant geen van ambtswege op te werpen oorzaak van ontoelaatbaarheid van de vordering.
Eiseres werpt op dat verweerder op datum van 28 januari 1999 nog geen fiscale vordering kon effectueren om reden dat een betalingstermijn tot 5 februari 1999 was toegestaan, zodat ze de rechtbank verzoekt het dwangbevel 'onwettig en om deze reden nietig te verklaren.
Het is juist dat artikel 85, § 1 Wetboek BTW de ontvanger de mogelijkheid biedt om over te gaan tot uitvaardiging van een dwangbevel "bij gebreke aan voldoening van de belasting".
Deze Wettekst verbindt echter geen specifieke sanctie aan een te vroege uitvaardiging van een dwangbevel, in het bijzonder geen nietigheid ervan als titel tot invordering.
De begane onwettigheid, die enkel betrekking heeft op het tijdsgegeven, kan daarom niet worden gesanctioneerd door te oordelen dat het dwangbevel als titel geen gevolgen kon teweegbrengen zo naderhand werd vastgesteld dat de fiscale vordering niet binnen termijn voldaan werd, maar heeft te dezen enkel tot gevolg dat verweerder kosten heeft uitgezet zonder rekening te houden met de mogelijkheid voor eiseres de uitgedrukte vordering binnen de toegestane termijn te voldoen.
Bijgevolg moet verweerder de kosten van het dwangbevel en van de aanzegging ervan zelf dragen, ook al werd naderhand geconstateerd dat eiseres niet tot betaling was overgegaan.
Ten gronde valt de betwisting uiteen in aan eiseres ontzegde aftrek van voorbelasting met betrekking tot bij haar inkomende facturen van BVBA L. R. (1a hierna) en van BVBA S. E. (1b hierna), en in ten laste van eiseres gevorderde BTW met betrekking tot naar oordeel van de belastingdienst niet door haar bewezen intracommunautaire leveringen naar … in Nederland (2 hierna).
Van een andere intracommunautaire levering aan ditmaal een onderneming in … (Nl.) werd na aanzegging van het dwangbevel door de belastingdienst wel het inmiddels door eiseres aangebrachte bewijs aanvaard, zodat de fiscale vordering door verweerder in conclusie werd herleid.
1a. De op naam van BVBA L. R. uitgaande - bij eiseres inkomende - factuur in verband met verkoop en levering van informatica (stuk 6 verweerder), blijkt een BTWnummer te vermelden dat niet overeenstemt met het juiste BTW-nummer van de uitreiker.
In het proces-verbaal werd deze vaststelling weergegeven en werd er bewijskrachtig neergeschreven dat de bedrijfsleider van eiseres aan de verbalisant 'op geen enkele wijze' kon aantonen dat aan de factuur een daadwerkelijke levering of dienst beantwoordde.
Waar eiseres de factuurfout herleidt tot de niet-naleving van een formalisme waaraan geen verder gevolg mag worden geknoopt, blijken de wettelijke facturatieverplichtingen inzake BTW de controle op de werkelijkheid van de in de factuur geformuleerde BTW-handelingen tot functie te hebben.
Nu eiseres niet kon of kan aantonen dat er aan de factuur een onderliggende BTW-handeling beantwoordde, werd het factuurgebrek terecht inhoudelijk en niet louter formalistisch door verweerder aangewend om aan eiseres de aftrek van voorbelasting te ontzeggen bij gebrek aan invulling van de bewijslast ter uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting.
Eiseres verwart bij dit alles goede trouw met bewijslast.
Tenslotte leidt de vaststelling door de verbalisant in het proces-verbaal, dat de bedrijfsleider van eiseres hem toentertijd geen effectieve inkomende levering of dienst kon aantonen, gelet op de pas veel later door eiseres aangewezen boekhoudkundige aanknoping van de vermelde inkomende facturatie aan een doorfacturatie aan ene W.J. uit … (haar stukken onder 6), niet tot enige invulling van haar bewijslast, reeds vanuit het verschillende voorwerp van deze beweerde doorfacturatie ten opzichte van de eigen inkomende facturatie.
Het verhoren van de door eiseres als getuige naar voren geschoven W.J. blijkt vanuit deze vaststelling daarom niet dienstig.
1b. In verband met de ten name van BVBA S. E. voor eiseres inkomende facturen voor kleding en elektronica materiaal, bleek de verbalisant over een geschreven verklaring te beschikken van deze op de facturen als uitschrijver vermelde onderneming (verklaring ook zelf aanwezig in het dossier van verweerder als zijn stuk 5), dat er door haar nimmer enige levering “van wat dan ook gedaan” is aan eiseres.
Eiseres draagt de bewijslast dat in haren hoofde de wettelijke voorwaarden voldaan zijn om te kunnen overgaan tot aftrek van voorbelasting, ook onafhankelijk van die verklaring.
Haar beweringen dat ene W.A. zich zou hebben voorgedaan als vertegenwoordigingsbevoegd persoon van de op de factuur als leverancier vermelde onderneming, dan wel zich zou hebben voorgedaan als tussenpersoon ten opzichte van die onderneming, is niet relevant, gelet op ook hier de op eiseres rustende bewijslast van het ontvangen hebben van (op de factuur vermelde) goederen of diensten waarvoor aanspraak wordt geformuleerd op de aftrek van voorbelasting waarvan bovendien op zich geen betaling (aan de slechts beweerde leverancier) vaststaat.
Bewijs van zulke BTW-betaling aan de meer vermelde beweerde leverancier blijkt, in tegenstelling met wat eiseres in conclusie voorhoudt op bladzijde 9, niet sluitend uit haar stukken onder nummer 15. Deze stukken laten met name geenszins de controle daarvan toe.
Het gegeven dat eiseres aan eigen afnemers goederen verkocht die ten dele of geheel overeenstemmen met goederen die worden vermeld in de hogerop vermelde inkomende facturatie BVBA S. E., toont niet aan dat de in deze inkomende facturatie vermelde BTW bij wijze van voorbelasting werd voldaan.
2. Artikel 39bis Wetboek BTW stelt intracommunautaire leveringen vrij van BTW zo door de belanghebbende bewezen wordt dat de wettelijke vrijstellingsvereisten voldaan zijn.
Waar het niet in betwisting is dat de door eiseres in … (Nl.) aangewezen onderneming in haar eigen land geldig is - minstens indertijd was - geregistreerd inzake BTW, blijkt uit geen enkel bewijskrachtig gegeven dat de precieze goederen waarvoor eiseres de vrijstelling vraagt, op enig ogenblik buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap zijn verzonden of vervoerd.
Niet alleen is een eenzijdig van eiseres zelf uitgaand 'Contact Report' (haar stuk 16) op zich geenszins dienstig als bewijs, maar hoe dan ook legt ze geen stuk neer dat zelfs maar wijst op het verricht zijn van enig vervoer of verzending naar Nederland.
Verder is de loutere aanduiding van ene dame A. R. in het vermelde 'Contact Report' voor de rechtbank onvoldoende precies om te kunnen stellen dat deze dame mogelijk, zulks buiten de aanwezigheid van enige aanknoping aan documenten, gedetailleerde getuigenis kan afleggen omtrent·- naast het feit zelf - de data, laat staan het detail van hoeveelheden en van aard van goederen die ooit vanwege eiseres in Nederland zouden zijn aangekomen.
Dit getuigenaanbod vanwege eiseres kan daarom, geler op dit alles, in het gestelde kader met moeite als ernstig worden beschouwd.
De wetgever mag ter uitoefening van de controletaak van de belastingdienst een aantal redelijke bewijsvereisten stellen, en het is niet in betwisting dat artikel 3 van KB nr. 52 inzake BTW daartoe slechts exemplatief is.
Wat eiseres te dezen aanvoert als bewijselementen of als 'bewijsaanbod', neemt met de op haar rustende bewijslast een loopje, en het doet alsof eiseres zou kunnen volstaan met het formuleren van slechts vage elementen ter invulling van haar wettelijke bewijslast.
3. De boetebedragen die voorkomen in het proces-verbaal dat deel vormt van het dwangbevel zijn onrechtstreeks maar op zekere wijze formeel gemotiveerd door precieze en bepaalde verwijzing naar het in het Koninklijk Besluit nr. 41 inzake BTW geventileerde onderscheid in grondslag, zulks al naargelang de aard van de specifiek vastgestelde overtredingen.
De rechtbank heeft gelet op de, binnen het specifieke kader van het EVRM tegelijk ook strafrechtelijke, aard van de maximaal oplegbare boete volle rechtsmacht ter boordeling van de concrete aangepastheid van de werkelijk toegepaste boete aan de feiten, zonder echter te mogen statueren op basis van loutere billijkheid.
Het gegeven dat de wettelijk in percentages uitgedrukte boete - van alhier telkens effectief 10 % - in absolute bedragen neerkomt op een hoog bedrag, staat de concrete evenwichtigheid van die concrete boetes met de begane wetsovertredingen niet in de weg, zulks gelet op de immers ook vergoedende en afschrikkende aard van fiscale boetes, en ook mede gelet op de door het hogerop vermelde KB nr. 41 geventileerde wettelijke herleidingen al naargelang de relatieve ernst van telkens de gebleken wetsovertreding, aldus op een weliswaar min of meer forfaitaire wijze tegemoetkomend aan de noodzaak tot aangepastheid van de werkelijk toegepaste boete aan de concrete feiten van wetsovertreding.
Eiseres brengt geen concrete feiten of gegevens aan die de rechtbank ertoe leiden om in de voorliggende betwisting af te wijken van de werkelijk opgelegde boetes.
4. De intrest over de gevorderde rechten is krachtens de wet zelf (artikel 91, § 1 Wetboek BTW) en van rechtswege verschuldigd en heeft geen betrekking op schade maar wel op vertraging in de betaling van de rechten.
De intrest op de herleide boetes wordt door verweerder in toepassing van artikel 91, § 1 Wetboek BTW in zijn fiscale vordering correct gevorderd pas vanaf het dwangbevel.
5. De kosten van het dwangbevel en van de aanzegging ervan blijven - zoals reeds hogerop uiteengezet - ten laste van verweerder.
De gerechtskosten komen integraal ten laste van eiseres, zulks ondanks de herleiding van de fiscale vordering door verweerder in conclusie, nu eiseres het bewijs dat tot die herleiding (met de desbetreffende hoofdsom en de daaraan klevende intrest) heeft geleid pas na de uitvaardiging van het dwangbevel heeft bijgebracht.
Dispositif
0M DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige middelen verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze aan de zijde van beide partijen in conclusie begroot, doch door de rechtbank in hoofde van verweerder ambtshalve vereffend op 167,33 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.