Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 03.10.2001
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT - ELFDE KAMER - HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 98/362/A
K. E., werkzoekende, geboren op …, wonende te …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. P. J., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van. de Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Hasselt II, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. R., advocaat te …, …,
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- de akte, betekend door B. H., gerechtsdeurwaarder te …, op 5.02.1998 inhoudende verzet tegen het dwangbevel van verweerder van 22.03.1985;
- de conclusies en de stukken van partijen;
Feiten en voorgaanden
Eiser op verzet was als uitbater van een drankgelegenheid (café-bar) vanaf 8 februari 1980 geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en werd op 30 juni 1982 geschrapt als BTW-belastingplichtige wegens stopzetting van zijn werkzaamheid.
Op 15 juni 1983 heeft een controle-ambtenaar van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Maaseik, bij eiser een BTW-controle doorgevoerd over de periode 8 februari 1980 - 30 juni 1982.
De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 19 maart 1985 dat leidde tot navordering van BTW, boeten en intresten (stuk 1, bundel verweerder).
Dit proces-verbaal werd door verweerder samen met het dwangbevel van 25 maart 1985 aan eiser betekend bij aangetekend schrijven van 26 maart 1985, met vordering tot betaling van een bedrag van 166.028 BF BTW, een administratieve geldboete berekend aan 200 % t.b.v. 332.056 BF, meer de intresten en de kosten (stukken 2 en 3, bundel verweerder).
Bij gebrek aan betaling werd op 10 maart 1987 een exploot van betekening-bevel uitgevaardigd tegen eiser (stuk 4, bundel verweerder).
In het proces-verbaal van uitvoerend beslag van 16 december 1987 noteerde de gerechtsdeurwaarder : "Aangezien schuldenaar inwoont bij zijn ouders en zonder enige bron van inkomsten en totaal geen roerende goederen bezit zo heb ik onderhavig proces-verbaal van inbeslagname heb omgezet in een proces-verbaal van niet-bevinding. Het enige roerend goed dat hij bezat nl. een personenwagen werd door mij voorheen (1986) in beslaggenomen, doch verdween naar de schroothoop en hiervoor wordt hij thans correctioneel vervolgd door het Parket van Tongeren." (stuk 5, bundel verweerder).
Bij aangetekende brieven van 20 februari 1992 en van 23 september 1996 werd het voormeld dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van art. 85, § 1 BTW-Wetboek ter kennis gebracht van eiser (stukken 6 en 7, bundel verweerder).
Bij exploot van B. H., gerechtsdeurwaarder te …, van 5 februari 1998 tekende eiser verzet aan tegen het dwangbevel van 25 maart 1985.
Standpunten van partijen
In essentie is eiser van oordeel dat :
- de administratie niet tot een herberekening van de BTW kon overgaan aangezien zij zich hiertoe steunt op een niet rechtsgeldig proces-verbaal daar het proces-verbaal bijna 2 jaar na de controle werd opgesteld en derhalve de rechten van verdediging schendt;
- de administratie niet bewijst dat bepaalde beroepsverrichtingen onderworpen aan de BTW niet werden ingeschreven in de boekhouding of in de periodieke aangifte;
- de administratie voor de bepaling van de verschuldigde BTW geen bewijskrachtige gegevens aanvoert en het door haar vooropgestelde omzetcijfer, waarop de BTW werd geheven, niet bewijst. Het akkoord van eiser met de administratie omtrent de vaststelling van het omzetcijfer is aangetast door een wilsgebrek en kan derhalve niet worden aangewend door de administratie. In ondergeschikte orde, zo het akkoord zou kunnen aangewend worden door de administratie, kan dit enkel betrekking hebben op het jaar 1980;
- het dwangbevel dat werd betekend op grond van een proces-verbaal nietig is in zoverre het gesteund is op de verkeerde berekeningsbasis van het proces-verbaal;
- bij gebreke van enige overtreding in hoofde van verzoeker, de BTW-boete, die een strafsanctie is, evenmin kan opgelegd worden; in ondergeschikte orde verzoekt eiser deze boete te herleiden tot 50 %.
Verweerder van zijn kant voert aan dat :
- om de verschuldigdheid van de BTW aan te tonen verweerder beroep doet op art. 59, § 1 en 64, § 1 en 2 van het BTW-Wetboek;
- de boekhouding van eiser onbetrouwbaar is en niet alle beroeps verrichtingen die onderworpen zijn aan de BTW werden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte, zoals bedoeld in art. 50, § 1, 3e (oud) BTW-Wetboek en art. 16, 2e lid (oud) van het KB nr. 1 van 23 juli 1969;
- de wijze van berekening van de meeromzet van eiser gegrond is; het akkoord over de omzet kan aangewend worden door de administratie aangezien eiser noch de vergissing in rechte of in feite, noch een wilsgebrek aantoont;
- de door eiser begane overtredingen op voldoende wijze bewezen zijn zodat de geldboete van 200 % terecht verschuldigd is.
Ontvankelijkheid
Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering in verzet niet en de rechtbank bemerkt geen reden die tot ambtshalve op te werpen middel van niet toelaatbaarheid aanleiding zou kunnen geven, zodat het verzet ontvankelijk dient te worden verklaard.
Beoordeling
1. De rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van 19 maart 1985
Op 15 juni 1983 heeft een controle-ambtenaar van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Maaseik, bij eiser een BTW-controle doorgevoerd over de periode 8 februari 1980 - 30 juni 1982.
Het proces-verbaal dateert van 19 maart 1985, zijnde bijna twee jaar na de controle. Daaruit volgt niet automatisch de onwaarde van het proces-verbaal nu dat document enerzijds de weergave vormt van de optekeningen die de controleambtenaar heeft gedaan bij en naar aanleiding van de vroegere controle en anderzijds de vaststellingen en gevolgtrekkingen weergeeft van dezelfde verbalisant.
De door eiser gedane bewering dat zijn rechten van verdediging werden geschonden door de laattijdige opstelling van het proces-verbaal, ontbreekt elke ernst, nu uit de feiten niet blijkt op welke wijze deze rechten zouden zijn geschonden.
Bovendien dient vastgesteld dat er geen enkele wetsbepaling een termijn voorziet waarbinnen de controle-ambtenaren hun proces-verbaal dienen op te stellen.
Het voorliggende proces-verbaal is derhalve rechtsgeldig.
2. Betreffende de bewijskracht van de vaststellingen in het proces-verbaal van 19 maart 1985
De materiële vaststellingen die zijn geschied door de controle-ambtenaar hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 19 maart 1985 de in artikel 59, § 1 in fine bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.
Uit dit proces-verbaal blijken de volgende materiële vaststellingen :
- eiser heeft een café-bar met diensters uitgebaat en gelet op de aangerekende prijs per consumptie. heeft hij ten onrechte geopteerd voor de bijzondere BTW-regeling met forfaitaire grondslag van aanslag;
- eiser heeft diensters in dienst gehad;
- de gemeentetaks dewelke geheven werd voor het tewerkstellen van diensters bedroeg 15.000 BF per dienster per jaar en dit ongeacht het aantal maanden dat een dienster werkte;
- eiser heeft in 1980 een bedrag van 45.000 BF aan gemeentetaks betaald, in 1981 een bedrag van 30.000 BF en in 1982 een bedrag van 15.000 BF
- eiser werd in 1981 door de administratie der accijnzen in overtreding gesteld voor het schenken van sterke dranken.
Door eiser wordt niet het minste bewijs van het tegendeel geleverd van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen, zodat de juistheid en de waarachtigheid van de in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen dienen aanvaard te worden.
De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d. m. v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen.
3. Betreffende het akkoord met de Administratie der Directe Belastingen omtrent het omzetcijfer voor het jaar 1980
Uit het proces-verbaal van 25 maart 1985 blijkt dat verweerder zich beroept op het akkoord van eiser met de Administratie der Directe Belastingen om het omzetcijfer vast te stellen op 823.091 BF
Vervolgens heeft verweerder de BTW berekend op het verschil tussen de aangegeven omzet en de bij akkoord vastgestelde omzet van 823.091 BF, met als gevolg dat eiser een bijkomend bedrag van 58.920 BF BTW verschuldigd is.
Eiser betwist vooreerst dat hij akkoord zou zijn gegaan met de wijze van vaststelling van het omzetcijfer door de Administratie der Directe Belastingen. Eiser stelt dat hij slechts akkoord zou zijn gegaan met het vastgestelde netto te belasten resultaat. Verder stelt eiser dat het akkoord zou aangetast zijn door een gebrek en derhalve nietig is
De rechtbank dient vast te stellen dat vermits het akkoord door de belastingplichtige gemotiveerd wordt betwist, het niet aan de basis kan liggen van een feitelijk vermoeden dat tot het verschuldigd zijn van de BTW kan doen besluiten.
De controle-ambtenaar heeft het akkoord dat werd afgesloten met de Administratie der Directe Belastingen niet bij het proces-verbaal gevoegd zodat de rechtbank niet kan nagaan of er een akkoord werd bereikt over de meeromzet, de omzet of het netto te belasten resultaat.
Daarenboven dient te worden vastgesteld dat aangezien de BTW-Administratie geen betrokken partij was bij de totstandkoming van het akkoord, de gegevens die door de Administratie der Directe Belasting worden verstrekt enkel gelden als een inlichting die, behoudens aanvulling door andere bewijskrachtige elementen, geen afdoende bewijs opleveren van de meeromzet (zie Gent, 15 mei 1996, A.J.T., 1996-97, 242, noot Chevalier; Antwerpen, 23 december 1996, Fisc. Koer., 1997, 654, noot Kiekens).
De loutere verwijzing naar het akkoord is derhalve geen afdoende bewijs van de meeromzet.
De administratie moet bewijzen dat haar vordering steunt op juiste gegevens die werkelijk bestaan of controleerbaar zijn. De controle-ambtenaar moet derhalve bewijzen dat zijn berekening van de omzet (en meer bepaald de omzetverhoging) gegrond is op basis van controleerbare gegevens zoals o.m. aankoopfacturen, winstmarges gerealiseerd door belastingplichtigen die in dezelfde sector in vergelijkbare omstandigheden werken ...
De controle-ambtenaar duidt als bewijskrachtige elementen om de omzet te bepalen aan dat de dranken tegen hogere prijzen worden aangerekend dan in gewone cafés en dat de diensters meedrinken. Verder baseert de controle-ambtenaar zich op de door hem veronderstelde netto-winsten van de tewerkgestelde diensters bepaald op 25.000 BF per dienster per maand. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de bruto-lonen van de diensters, de RSZ-bijdrage en de gemeentetaks.
De vermelde tekst zoals geformuleerd in het proces-verbaal laat de rechtbank niet toe om na te gaan of de vermeldingen van de opstellende ambtenaar eigen bewijskrachtige vaststellingen zijn of dan wel of het gaat om afleidingen die zij maakt uit het akkoord dat eiser heeft afgesloten met de Administratie der Directe Belastingen en dat niet bij het proces-verbaal is gevoegd, dan wel of het gaat om eigen veronderstellingen.
Uit de feiten die met voldoende zekerheid vaststaan en die werden opgenomen in het proces-verbaal (zie hoger) kan o.m. niet worden afgeleid dat een dienster een netto-winst van 25.000 BF per maand oplevert. De controle-ambtenaar verantwoordt niet hoe en met welke gegevens hij heeft geconstateerd dat er hogere prijzen worden aangerekend en dat de diensters meedrinken en dat dit gegeven een meeromzet inzake BTW zou behelzen.
De rechtbank stelt bovendien vast dat de berekening van de verschuldigde BTW wel gebeurde door de controle-ambtenaar, doch blijkbaar enkel uitgaande van de cijfers welke hem werden meegedeeld door de Administratie der Directe Belastingen en niet aan de hand van persoonlijke vaststellingen van de opsteller van het proces-verbaal.
Nu verweerder de rechtmatigheid van zijn BTW-vordering niet kan aantonen is de vordering in verzet gegrond inzake het jaar 1980.
4. Wat betreft het omzetcijfer voor het jaar 1981
De rechtbank dient na te gaan of in het proces-verbaal van 25 maart 1985 het bewijs is geleverd van de gevorderde BTW-schuld voor het jaar 1981.
In het proces-verbaal werd vastgesteld dat eiser zijn belastbare omzet forfaitair had vastgesteld op 62.256 BF terwijl uit zijn periodieke BTW-aangiften blijkt dat hij een belastbare omzet heeft gerealiseerd van minstens 500.017 BF
Vervolgens werd in het proces-verbaal vastgesteld dat eiser in 1981 door de administratie der douane en accijnzen in overtreding werd gesteld voor het schenken van sterke dranken, hetgeen een beroepsverrichting uitmaakte. Uit de voorliggende gegevens in het proces-verbaal bleek echter dat eiser in zijn omzetaangifte, die op forfaitaire wijze gebeurde, de ontvangsten van de verkoop van sterke dranken niet heeft opgegeven.
De gerealiseerde belastbare handelingen m.b.t. het schenken van die sterke dranken werden tevens niet opgenomen in de boekhouding, noch in de periodieke BTW-aangifte. Hieruit kan met redelijke zekerheid worden afgeleid dat de boekhouding van eiser onbetrouwbaar is en dat eiser niet alle beroeps verrichtingen die onderworpen zijn aan de BTW erin heeft opgenomen, noch in zijn periodieke BTW-aangifte heeft vermeld.
Vanuit het hoger vermelde kan met zekerheid worden afgeleid dat de door eiser vooropgestelde omzetcijfers van respectievelijk 62.256 BF en 500.017 BF niet correct zijn.
De controle-ambtenaar heeft bij gebrek aan voorlegging van een betrouwbare boekhouding, voor de vaststelling van de omzet voor het jaar 1981 gesteund op dezelfde elementen als voor het jaar 1980 nl. de ontvangsten van de dranken die door eiser op forfaitaire wijze werden berekend aan de hand van zijn geboekte aankopen, de geraamde omzet verwezenlijkt bij de verkoop van dranken tegen hogere prijzen dan in gewone cafés en de ontvangsten uit de consumptie van de meedrinkende diensters, de veronderstelde netto-winst van de diensters, de bruto-lonen van de diensters, de R.S.Z. en de betaalde gemeentetaks op de diensters.
De rechtbank stelt vast dat voor het aanslagjaar 1981 de controle-ambtenaar is uitgegaan van de cijfers welke hem blijkbaar werden meegedeeld door de Administratie der Directe Belastingen.
Aangezien deze cijfergegevens voor het jaar 1981 niet persoonlijk werden vastgesteld door de controle-ambtenaar genieten deze gegevens, wat hun juistheid betreft, niet van de bijzondere bewijskracht.
De bewijslast m.b.t. het bestaan en de concrete inhoud van een eventueel tot stand gekomen akkoord met de Administratie der Directe belastingen blijft ten deze berusten bij de Administratie van de BTW.
De rechtbank dient vast te stellen dat de BTW-administratie faalt in haar bewijslast en dat de vordering in verzet gegrond is inzake aanslagjaar 1981.
5. Wat betreft het omzetcijfer voor het jaar 1982
De controle-ambtenaar is bij het vaststellen van de belastbare omzet voor het jaar 1982 uitgegaan van de voorgelegde facturen van de drankenleverancier PVBA D.. Tevens baseert de controle-ambtenaar zich op de gegevens die hem werden meegedeeld door de Administratie der Directe Belastingen voor het jaar 1980 m.b.t. de netto-winst van de tewerkgestelde diensters, het bruto-loon van deze diensters, de RSZ en de gemeente taks per dienster.
6. Toepassing van de van rechtswege verschuldigde boete gelijk aan tweemaal het recht
In zoverre het dwangbevel van 25 maart 1985 een boete oplegt met betrekking tot de jaren 1980, 1981 en 1982, is deze boete niet verschuldigd, gelet op het gegeven dat de over deze jaren gevorderde BTW zelf niet verschuldigd is.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 25 maart 1985 ontvankelijk en gegrond en verbiedt de uitvoering van dat dwangbevel.
Veroordeelt verweerder tot de kosten en begroot deze kosten als volgt :
Aan de zijde van eiser op 3.263 BF of 80,89 euro dagvaardingskosten en 13.200 BF of 327,22 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aan de zijde van verweerder op 13.200 BF of 327,22 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 3 OKTOBER 2001 alwaar aanwezig waren :
De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter;
De Heer L. B. en Mevrouw A. G., rechters;
Mevrouw B. G., e.a. adjunct-griffier.
B. G. A. G. L. B. E. S.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.