Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 7 décembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-cour-appel-anvers-2009-12-07-7d10

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
7 décembre 2009

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 4 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers07.12.2009
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique08.04.2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

127 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 07.12.2009

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2008/AR/2381

BVBA S. O., met zetel te …, …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 juni 2008;

vertegenwoordigd door Meester L. K. loco Meester S. V., advocaat te …, …;

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie Ondememings- en Inkomstenfiscaliteit, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Mechelen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 32;

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Meester P. S., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, gewezen op 20 juni 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 september 2008.

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Op 26 januari 2007 werd een dwangbevel aan appellante betekend waarbij geïntimeerde een geldboete vorderde van … EUR en … EUR interesten.

1.2. Op 22 november 2006 had de accountant van appellante reeds een verzoek tot kwijtschelding van de geldboeten en vrijstelling van interesten gedaan; op 27 februari 2007 deelde de FOD Financiën, directie BTW Mechelen aan appellante mee dat aan de beide verzoeken geen gunstig gevolg kon gegeven worden.

1.3. Oorsprong van de betwisting is een laattijdige betaling van de BTW die verschuldigd was voor de maand juni 2006. Appellante is een BTW-belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van maandaangiften. Op basis van de ingediende BTW-aangifte voor de maand juni 2006 was appellante een bedrag van … EUR aan BTW verschuldigd. De aangifte voor de maand juni 2006 werd tijdig ingediend. De betaling die uiterlijk op 20 juli 2006 moest gebeuren, werd niet uitgevoerd.

Op 21 augustus 2006 stuurde de fiscale administratie een BTW-rekeninguittreksel. Het betreft het rekeninguittreksel dat regelmatig aan alle BTW-belastingplichtigen wordt toegezonden met het overzicht van de boekingen die de FOD Financiën heeft uitgevoerd op grond van de ingediende BTW-aangiften en de verrichte betalingen. Daaruit blijkt dat de aan de Staat verschuldigde BTW voor de maand juni 2006 nog niet betaald was. Als gevolg van de niet-betaling werd het verschuldigd bedrag verhoogd met interesten ten belope van … EUR. In het totaal was volgens het rekeninguittreksel bijgevolg aan de Staat een bedrag verschuldigd van … EUR.

1.4. Op 12 september 2006 wordt aan appellante het bericht verstuurd met de aankondiging dat het "BTW-controlekantoor binnenkort een bijzondere rekening zal opmaken conform artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 24 van 23 oktober 1970 voor het tijdvak dat voorafgaat aan 31 augustus 2006 omdat u één of meerdere aangiften niet hebt ingediend en/of de verschuldigde belasting niet hebt voldaan". Volgens het bericht bedraagt het saldo van de BTW die appellante op 31 augustus 2006 aan de Staat verschuldigd is … EUR. Intern onderzoek van appellante wijst uit dat appellante een vergissing heeft begaan bij het overschrijven van de BTW die aan de Staat verschuldigd was voor de maand juli 2006. Het gaat om een bedrag van … EUR. De betaling hiervan werd op 21 augustus 2006 uitgevoerd door de Duitse moedervennootschap van appellante, maar met een foutieve betalingsopdracht, waardoor het overgeschreven bedrag terecht kwam op de rekening courant van de zustervennootschap van appellante, met name de BVBA O. T.. Met een aangetekend schrijven van 18 september 2006 vraagt appellante de rechtzetting van de begane vergissing, wat de fiscale administratie ook gedaan heeft op 25 september 2006 (zie bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde, stuk nr. 13, detail van de rekening-courant).

1.5. De betaling van het openstaande bedrag van … EUR gebeurde op 15·september 2006. Ook deze betaling werd uitgevoerd door de Duitse moedermaatschappij van appellante.

1.6. Op 3 november 2006 zendt de FOD Financiën, Controle Mechelen 2 een aangetekend schrijven aan appellante wet de mededeling dat "voor het tijdvak van 31 mei 2006 tot 31 augustus 2006 een bijzondere rekening wordt bijgehouden waarin uw ingediende BTW-aangiften, bepaalde regularisaties en de door u overgemaakte betalingen zijn opgenomen. In bijlage vindt u een exemplaar van die bijzondere rekening."

De bijlage bevat de bijzondere rekening waarvan het besluit luidt :

"Gelet op het voorgaande is er verschuldigd aan de Belgische Staat, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit,

- als BTW … EUR

- als interesten … EUR

- als geldboeten … EUR".

1.7. Op 15 januari 2007 stelt geïntimeerde een dwangbevel op, dat uitvoerbaar verklaard wordt op 22 januari 2007 en op 26 januari 2007 betekend wordt aan appellante. Blijkens het dwangbevel vordert geïntimeerde, na toerekening van de gedane betaling van … EUR (op 15 september 2006), nog een BTW-saldo van … EUR van appellante.

1.8. Op 20 maart 2007 legde appellante op de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen een verzoekschrift neer; daarin verzocht zij de rechtbank het dwangbevel te vernietigen en te beslissen dat de erin vermelde bedragen ten titel van geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn. In ondergeschikte orde vroeg appellante de opgelegde boete en de gevorderde interesten gedeeltelijk kwijt te schelden.

1.9. Bij vonnis van 20 juni 2008 besliste de eerste rechter dat de vordering toelaatbaar maar ongegrond was.

(a) Wat de boete van … EUR betreft, besliste de eerste rechter dat ze wettelijk en voldoende gemotiveerd is en bovendien in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

(b) Op de vraag tot kwijtschelding van de interesten, antwoordt de eerste rechter dat appellante geen subjectief recht heeft om vrijgesteld te worden van de wettelijke verplichting om nalatigheidsinteresten te betalen en dat artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van nalatigheidsinteresten daaruit volgt dat de rechtbank niet in de plaats mag treden van de gewestelijke directeur; bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat de afwijzing van het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsinteresten voldoende gemotiveerd was.

1.10. Op 10september 2009 legt appellante een verzoekschrift tot hoger beroep neer op de griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen. De vordering in graad van beroep, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meer bepaald als volgt :

“Het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienovereenkomstig :

Het bestreden vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, Kamer 1 F, op de terechtzitting van 20 juni 2008, in de zaak met rolnummer A.R. 07/1793/A, te hervormen;

Opnieuw wijzende, de kwestieuze geldboete te ontheffen, minstens gevoelig te verminderen;

De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan appellante van alle bedragen die reeds werden betaald, geïnd of ingehouden ter delging van deze boete, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste als in graad van beroep;"

2. Standpunten van partijen voor het Hof

2.1. Appellante ontwikkelt in besluiten, als reactie op de beslissing van de eerste rechter, twee thema’s, met name de appreciatiebevoegdheid van het Hof en de beoordeling van de in casu opgelegde boete.

(a) Wat de appreciatiebevoegdheid van het Hof betreft.

Appellante verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in verband met art. 6 EVRM; volgens deze rechtspraak is vereist dat een rechterlijke controle de bevoegdheid inhoudt om de beslissing van de administratie op alle punten, zowel in feite als in rechte, te hervormen.

Appellante verwijst ook naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie die de rechter niet expliciet verbiedt om een boete te verminderen onder het wettelijk voorziene tarief.

Verder wijst appellante erop dat ook d fiscale administratie het recht heeft om een boete te verminderen onder het wettelijk of reglementair bepaald tarief. Appellante haalt het Regentsbesluit van 18 maart 1831 aan dat de administratie het recht geeft om de administratieve boeten zelfs kwijt te schelden. Bovendien volgt uit de recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgens appellante dat de rechter t.a.v. een boete dezelfde bevoegdheid moet hebben als de Minister Van Financiën.

Alleszins bestaat er volgens appellante geen twijfel over dat de rechter minstens bevoegd is om de evenredigheid te beoordelen van de opgelegde boete.

(b) Wat de in concreto opgelegde boete betreft

Appellante betwist de wettelijkheid van de opgelegde boete wegens laattijdige betaling niet. Ook niet dat de boete voldoende gemotiveerd is. Alleen de onevenredigheid van de boete met de begane fout wordt aangeklaagd. Appellante beklemtoont dat ze niet met frauduleus opzet heeft gehandeld.

Ze wijst erop dat, door aan alle belastingplichtigen eenzelfde proportionele boete op te leggen, zonder rekening te houden met de concrete feitelijke elementen van de zaak, afbreuk wordt gedaan aan het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.

Appellante wijst op een aantal concrete elementen die een kwijtschelding, of minstens een vermindering van de boete verantwoorden :

- de laattijdige betaling heeft te maken met de vakantieregeling van het personeel;

- de fiscale administratie heeft geen schade geleden, want de mogelijke financiële schade wordt gecompenseerd door de nalatigheidsintresten; omdat appellante nalatigheidsintresten heeft betaald, kan ook niet beweerd worden dat zij over een gratis krediet heeft beschikt; van concurrentieverstoring kan om dezelfde reden ook geen sprake zijn;

- het gaat om een eerste overtreding;

- indien appellante met frauduleus opzet zou gehandeld hebben en voor de strafrechter zou vervolgd zijn, zou een maximale boete van … EUR kunnen opgelegd worden.

2.2. Geïntimeerde legt in conclusies eerst de werking uit van de rekening-courant en de bijzondere rekening in de BTW-context. De rekening courant wordt bijgehouden door het Centrum voor Informatieverwerking (C.I.V.) en de BTW-belastingplichtige ontvangt daarvan regelmatig rekeninguittreksels. De bijzondere rekening kan worden geopend indien een BTW-belastingplichtige zijn verplichtingen inzake indiening van aangiften en/of betalingen niet nakomt. De bijzondere rekening heeft steeds betrekking op een bepaalde, af te bakenen, periode. De gegevens die voor die afgebakende periode normaal opgenomen worden in de rekening-courant worden daaruit gelicht en dus verwerkt in een apart stuk.

Volgens geïntimeerde heeft de fiscale administratie de wetgeving terzake correct toegepast. Appellante heeft een overtreding begaan waardoor, op grond van art. 70, § 1 W.BTW wettelijke geldboeten verschuldigd zijn. De administratie aanvaardt de goede trouw van appellante en past bijgevolg de verminderde geldboeten toe volgens de schalen van KB nr. 41 van 30 januari 1987, in casu tabel G, afdeling 1, punt I, 2, a). De toepassing van KB nr. 41 beoogt volgens geïntimeerde een gelijke behandeling van alle belastingplichtigen.

Geïntimeerde benadrukt in de conclusies dat de foutieve betaling van het bedrag van … EUR (BTW verschuldigd op grond van de aangifte van de maand juli 2006) op geen enkele wijze gerelateerd is met de aanrekening van de geldboete en de interesten.

Onder verwijzing naar rechtspraak van Hoven en Rechtbanken besluit geïntimeerde dat de in casu opgelegde boete in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en door.de administratie noch door de rechterlijke macht om opportuniteitsredenen kan verminderd worden. Het Hof kan volgens geïntimeerde enkel besluiten over de wettelijkheid en de proportionaliteit van de geldboete, maar niet over de billijkheid.

Geïntimeerde pleit voor het behoud van de opgelegde boete en verzoekt het Hof bijgevolg het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.

2.3. In. Verband met de toepasselijke rechtsplegingsvergoedingen, gaan de beide partijen tijdens de terechtzitting akkoord dat het basistarief voor in geld waardeerbare vorderingen wordt gehanteerd. Ze zijn het er bovendien over eens dat de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wordt bepaald op … EUR.

3. Bespreking

3.1. Alle partijen zijn het erover eens dat-appellante een fout heeft gemaakt en de BTW-wetgeving heeft overtreden door de BTW die aan de Staat verschuldigd was voor de maand juni 2006 niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 20 juli 2006, te betalen.

3.2. 0p grond van art. 70, § 1, eerste lid W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd die gelijk is aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze sanctie is van toepassing op wie o.a. de bepalingen van art. 53 W.BTW overtreedt (art.70 § 1, tweede lid W.BTW). Artikel 53, eerste lid, 3° W.BTW bepaalt dat de belastingplichtige gehouden is "de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij 2° voorgeschreven aangifte". Artikel 84, derde lid W.BTW bepaalt dat, binnen de door de wet vastgestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in het BTW-wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen worden vastgesteld door de Koning.

Ter uitvoering van deze bepaling is bij K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 de schaal van verminderde geldboeten vastgesteld.

Voor wat de overtredingen betreft die beoogd zijn in het artikel 70, § 1 W.BTW en die zijn begaan na 31 oktober 1993, is volgens het K.B. nr. 41 tabel G van toepassing (art. 1, 1° K.B. nr. 41). Afdeling 1 van deze tabel is van toepassing indien bepaalde overtredingen betrekking hebben op binnenlandse verrichtingen. Gesanctioneerd wordt o.a. "I Niet betaling en niet tijdige betaling van de belasting of van de voorschotten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het Wetboek, of uit het opstellen van de bijzondere rekening".

Binnen deze rubriek wordt verder het volgende onderscheid gemaakt om de toepasselijke, verminderde, geldboete te bepalen :

"1. Overtreding vastgesteld door het C.I.V. betreffende belasting en voorschotten waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de maand- of kwartaalaangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het wetboek'; volgens het K.B. nr. 41 is in dat geval verschuldigd : "per maand vertraging, een percentage gelijk aan dat van de moratoire interest dat is bepaald in artikel 91, § 1 van het Wetboek, te berekenen over het verschuldigde of nog verschuldigde bedrag".

"2. Overtreding waarvoor de BTW-hoofdcontroleur een bericht stuurt betreffende :

a) belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het wetboek, of uit het opstellen van de bijzondere rekening

b) …";

voor deze overtreding voorziet het K.B. nr. 41 een verminderde geldboete die gelijk is aan "10 % van de verschuldigde belasting".

3.3.

De in artikel 70, § 1, eerste lid van het BTW-wetboek bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben derhalve een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (Grondwettelijk hof 6 november 2008, arrest nr. 157/2008, overweging B.3.2.).

3.4.

De rechter aan wie gevraagd wordt een opgelegde administratieve sanctie te toetsen met een repressief karakter in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het toetsingsrecht moet de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Het Hof van Cassatie besliste dat de rechter bij dat onderzoek in het bijzonder acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Wel moet de rechter, volgens het Hof van Cassatie, daarbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. (Cass. 13 februari 200, T.F.R. 2009, afl. 370, blz. 894, nr. 2009/69; blz. 897, nr. 2009/70; met noot van F. Smet, blz. 903-909).

3.5.

Volgens dezelfde recente rechtspraak van het Hof van Cassatie houdt het toetsingsrecht evenwel niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat bij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. A contrario volgt uit deze rechtspraak dat de rechter op grond van objectieve, feitelijke gegevens van het dossier wel het recht heeft om de boete te verminderen of kwijt te schelden.

3.6.

Andere rechtspraak van het Hof van Cassatie bevestigt deze conclusie. Het Hof heeft namelijk beslist dat de belastingplichtige het recht heeft om de rechter te laten nagaan "of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaalde tarief” (Cass. 12 december 2008, nr. F.06.0111.N). In een recent arrest heeft het Hof van Cassatie dit recht bevestigd en uitgebreid tot de reglementair bepaalde tarieven van de geldboeten. Het Hof aanvaardde namelijk dat de rechter de opgelegde proportionele fiscale geldboete van 200 %, waarvan het artikel 1, laatste lid van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 stelt dat ze niet vatbaar is voor vermindering ten aanzien van overtredingen begaan (o.a.) met het oogmerk de belasting te ontduiken, onevenredig was en mocht verminderd worden tot het door de rechter bepaalde bedrag (Cass. 13 februari 2009, T.F.R. 2009, afl. 370, blz. 897, nr. 2009/70).

3.7.

Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat een interpretatie van artikel 70 W.BTW, die met de Grondwet in overeenstemming is, impliceert dat het een rechter toegestaan is "een toezicht met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete" (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, afl. 351, blz. 1027, nr. 2008/79, met noot van B. Coopman). Voordien had het Grondwettelijk Hof (toen nog het Arbitrage hof) geoordeeld dat indien de wetgever “van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van administratie valt, aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen" (Arbitrage hof 24 februari 1999, arrest nr. 22/99, T.F.R. 1999, 385, noot B. Coopman).

3.8.

Samengevat volgt uit de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof dat de rechter die op grond van het toetsingsrecht dat hij mag uitoefenen, op grond van objectieve gegevens, tot het besluit komt dat de sanctie onevenredig is, het recht heeft om de sanctie te matigen en een boete mag bepalen onder het wettelijk of reglementair bepaald tarief.

3.9.

Het Hof doet in de betwisting die voorligt, de volgende vaststellingen :

- appellante heeft de BTW die zij aan de overheid verschuldigd was voor de maand juni 2006, niet tijdig, 20 juli 2006 betaald, doch slechts op 15 september 2006;

- appellante heeft daarmee een eerste overtreding begaan;

- in het fiscaal dossier maakt geen enkele partij melding van andere, vroeger of later begane overtredingen van de BTW-wetgeving door appellante; geïntimeerde betwist trouwens niet de stelling (in de conclusies) van appellante dat zij "in het verleden steeds de door haar verschuldigde BTW tijdig en spontaan betaald" heeft;

- geïntimeerde wijst op het mogelijk concurrentieverstorend gevolg van de overtreding van appellante, maar geeft daarvoor verder geen concrete aanwijzingen;

- de Belgische Staat wordt vergoed voor het financieel nadeel dat ze geleden heeft doordat appellante verplicht is om op het niet tijdig betaalde bedrag interesten te betalen, waarvan de verschuldigdheid noch het bedrag betwist worden;

- het dossier bevat geen elementen waaruit concreet blijkt dat appellante gehandeld heeft met het oog op het behalen van een persoonlijk voordeel; aangezien appellante aan de Belgische Staat een interest moet betalen op de niet tijdig betaalde BTW, is het Hof het eens met het standpunt van appellante dat niet kan gesteld worden dat ze heeft beschikt over een gratis krediet.

Het Hof stelt vast dat in gelijkaardige fiscale betwistingen als diegene die voorligt, bovenstaande vaststellingen door de rechter zijn in aanmerking genomen om de aanvankelijk opgelegde boete te matigen (zie hiervoor de uitvoerig gedocumenteerde bijdrage van J. Verstappen, Knelpunten van de hervorming van de fiscale procedure, in : Tien jaar nieuwe fiscale procedure, uitgeverij Larcier, 2009, blz. 90, nr. 88 en voetnota's). Om die reden is het verantwoord om ook in het voorliggend dossier met deze feitelijkheden rekening te houden.

Wat de zwaarte van de inbreuk betreft, stelt het Hof vast dat het om een éénmalige overtreding gaat die erin bestaat dat de verschuldigde BTW 7 weken te laat werd betaald. Appellante wijt de laattijdige betaling aan een samenloop van omstandigheden, zoals de verlofperiode en het systeem van 'job-rotation' binnen haar onderneming. Appellante toont de invloed van deze omstandigheden op de overtreding evenwel niet concreet aan.

Appellante wijst er wel op dat het opleggen van dezelfde verminderde proportionele boete wegens het niet tijdig betalen van de BTW, de gelijkheid onder de belastingplichtigen in het gedrang kan brengen en dus bron van een onevenredige behandeling kan zijn. Appellante haalt aan dat de boete die zij verschuldigd is wegens de laattijdige betaling van een som van … EUR, vastgesteld wordt op 10 % en dus in haar geval … EUR bedraagt. Wie dezelfde belasting bijvoorbeeld 14 of 28 weken te laat betaalt, is dezelfde boete verschuldigd. BTW-belastingplichtigen die zich in een verschillende situatie bevinden, worden in die hypothese met eenzelfde geldboete bestraft. De vaststelling van een dreigende ongelijke behandeling van BTW-belastingplichtigen, rechtvaardigt de tussenkomst van de rechter.

3.10.

Bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en de opgelegde sanctie wenst het Hof ook het optreden van de fiscale administratie in aanmerking te nemen, zoals dat blijkt uit de stukken in het dossier.

Op grond van tabel G, afdeling 1, I, 2, a van het K.B. nr. 41 wordt de laattijdige betaling van de BTW waarvan de opeisbaarheid blijkt uit een ingediende periodieke BTW-aangifte of uit het opstellen van de bijzondere rekening gesanctioneerd met een verminderde geldboete van 10 % van de verschuldigde belasting nadat de BTW-hoofdcontroleur daarvoor een bericht heeft gestuurd. Het Hof onderzoekt wanneer de BTW-hoofdcontroleur het bericht gestuurd heeft dat de administratie toelaat de geldboete van 10 % toe te passen.

Appellante heeft de verschuldigde BTW, vermeerderd met de gevorderde interesten betaald op 15 september 2006. Het betreft een totaal bedrag van … EUR zoals blijkt uit het rekeninguittreksel dat het Centrum voor Informatieverwerking (C.I.V.) haar toestuurde op 21 augustus 2006. In het rekeninguittreksel is er geen sprake van enige boete. Integendeel, het rekeninguittreksel vermeldt onder "geldboeten" een bedrag van "0,00" (Bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 14). Op 12 september 2006 ontvangt appellante een brief, uitgaande van "de rekenplichtige van BTW-Ontvangsten te Brussel" waarin haar wordt meegedeeld dat het "BTW-controlekantoor binnenkort een bijzondere rekening zal opmaken conform artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 24 van 23 oktober 1970". En verder. "Uw BTW-controlekantoor zal u een exemplaar van de bijzondere rekening bezorgen samen met de nodige toelichtingen". Ook deze brief vermeldt geen enkel bedrag van enige geldboete. Op 15 september 2006 vindt, zoals gezegd, de betaling van de BTW en de interesten plaats (… EUR).

Op 3 november 2006 (i.e. meer dan een maand na de betaling van het bedrag waarvan appellante in kennis was gesteld) ontvangt appellante een aangetekende zending waarbij de Eerstaanwezend Inspecteur bij het Controlekantoor BTW Mechelen 2 appellante ter kennis brengt dat "een bijzondere rekening wordt bijgehouden"; een exemplaar van die bijzondere rekening is als bijlage gevoegd bij dat schrijven. Blijkens de bijzondere rekening vordert de fiscale administratie (op 3 november 2006) een bedrag van … EUR als BTW (terwijl dat bedrag reeds betaald was op 15 september 2006), … EUR als interesten en … EUR als geldboeten (Bundel met stukken neergelegd door geïntimeerde, bijlagen bij stuk nr. 4).

Verder stelt het Hof vast dat na ontvangst van het exemplaar van de bijzondere rekening, appellante bij de Gewestelijke Directeur van de BTW te Mechelen op 22 november 2006 een verzoek tot kwijtschelding van boete en interesten indiende. De Gewestelijke Directeur nam zijn afwijzende beslissing op 27 februari 2007. Hangende het onderzoek van het ingediende verzoekschrift vaardigt de Eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Mechelen op 15 januari 2007 een dwangbevel uit met het oog op de invordering van een bedrag van … EUR. Bedoeld bedrag is blijkens het dwangbevel te kwalificeren als nog te betalen BTW, vermits de door appellante op 15 september 2006 gedane betaling in eerste instantie wordt aangerekend op de geldboeten en de interesten en vervolgens pas op de verschuldigde BTW.

Het Hof stelt op grond van bovenstaande gegevens vast dat het bericht vanwege de BTW-hoofdcontroleur, waarvan sprake is in K.B. nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, afdeling 1, I, 2, a en dat de administratie toelaat om een geldboete te vorderen naar appellante gestuurd wordt (op 3 november 2006) nadat appellante de haar bekende belastingschuld reeds betaald heeft (op 15 september 2006).

Gelet op de bewoordingen van het genoemde K.B. nr. 41, Tabel G, afdeling 1, I, 2, a waarin er sprake is van een bericht betreffende "de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit …", is het Hof van oordeel dat het bericht van de BTW~hoofdcontroleur doelt op belasting die op het ogenblik van de verzending van het bericht nog steeds opeisbaar is, i.e. nog met betaald is. Zodra de verschuldigde belasting is voldaan, heeft het geen zin meer om een bericht te verzenden m.b.t. de (nog) opeisbare belasting: Met de verzending van het bericht wordt de BTW-belastingplichtige als het ware formeel in gebreke gesteld en wordt hem een geldboete opgelegd van 10 % van de (nog) verschuldigde (opeisbare) belasting.

Verder merkt het Hof op dat de betaling door appellante op 15 september 2006 van een bedrag van … EUR alleen kon aangerekend worden op de verschuldigde BTW en de interest die op dat ogenblik verschuldigd waren. Aanrekening op een geldboete die pas ten vroegste op 3 november 2006 aan appellante is bekendgemaakt, is volgens het Hof uitgesloten.

3.11.

Op grond van al de aangehaalde gegevens van het individuele dossier komt het Hof tot het besluit dat het bevoegd is om te beoordelen of de opgelegde geldboete in rechte en in feite verantwoord is. Het Hof is van oordeel dat het opleggen van een verminderde proportionele geldboete van 10 % van de verschuldigde belasting in het dossier dat voorligt, niet gerechtvaardigd is omdat de sanctie niet evenredig is met de begane overtreding. Het Hof verwijst daarvoor naar de hierboven uiteengezette feitelijke elementen en overwegingen. Het Hof vindt de toegepaste sanctie nog om een tweede reden niet terecht. Zoals hierboven uiteengezet heeft geïntimeerde ten onrechte de sanctie beschreven in K.B. nr. 41, Tabel G, afdeling 1, I, 2, a toegepast.

Volgens het Hof moet de overtreding van appellante die niet betwist wordt, gerangschikt worden als een overtreding die op het moment van de betaling alleen door het C.I.V. was vastgesteld en waarvoor nog geen bericht door de BTW-hoofdcontroleur was verstuurd; bijgevolg is de sanctie beschreven in K.B. nr. 41, Tabel G, afdeling 1, I, 1 van toepassing : een percentage gelijk aan dat van de moratoire interest dat is bepaald in artikel 91, § 1 van het Wetboek, te berekenen over het verschuldigde bedrag.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel24 van de Wet van15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis.

Opnieuw recht doende,

Beslist dat de als geldboete gevorderde som van … EUR niet verschuldigd is, in de mate dat ze meer bedraagt dan de boete die voortvloeit uit de toepassing van Tabel G, afdeling 1, I, 1 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;

Maakt het bestreden dwangbevel van 15 januari 2007, dat uitvoerbaar verklaard werd op 22 januari 2007 en aan appellante betekend werd op 26 januari 2007 ongedaan voor zover het betrekking heeft op het bedrag van de niet verschuldigde boete;

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling aan appellante van de bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden om de verschuldigde boete te delgen, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;·

Legt de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep wordt bepaald op … EUR voor 1/10de ten laste van appellante en voor 9/10de ten laste van geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZENDENNEGEN,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. V. d. B., Raadsheer;

L. M., plaatsvervangend Raadsheer;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. L. M. M. V. D. B. D. W.

Textes cités

4
CTVA art. 533 occurrences
AR no 41 art. 12 occurrences
CTVA art. 912 occurrences
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8