Litige avant taxation, Visite fiscale, Détournement de pouvoir · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 25 mars 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Litige avant taxation, Visite fiscale, Détournement de pouvoir

https://juriel.be/fr/jurisprudence/litige-avant-taxation-visite-fiscale-tribunal-bruxelles-2024-03-25-4777

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
25 mars 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

124 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 25.03.2024

WF 014-15-22/024942

[Favorable à l'administration]

[Jugement favorable autorité de la chose jugée]

Taxe sur la valeur ajoutée – Litige avant taxation – Visite fiscale – Détournement de pouvoir – Nullité du procès-verbal

Dispositions légales

Articles 59, § 1er, alinéa 1er, 62, § 1er et 63 CTVA

Article 26bis de l’Arrêté royal n°1

Résumé

1. Faits et antécédents de procédure

L’assujettie, une société de droit néerlandais, exploite une plateforme de collaboration numérique par laquelle elle met en relation des personnes à distance pour la fourniture d'un service, à savoir la location d'un mobil-home ou d'un camping-car. Par le biais de sa plateforme, la partie adverse met ainsi en relation des propriétaires de camping-cars et des locataires potentiels.

Elle dépose des déclarations TVA OSS (one-stop-shop, un guichet unique pour l’UE) aux Pays-Bas, en répartissant la TVA imposable par État membre.

Elle n'a pas d'adresse connue en Belgique. Les clients sont dirigés vers une adresse à Anvers, qui ne semble être qu’une boîte postale.

Après une demande de renseignements, un mandataire de la société a pris contact avec l'administration et un rendez-vous a été fixé pour une visite sur place ainsi qu’une une discussion au domicile privé du mandataire.

Deux procès-verbaux sont rédigés à la suite de cette visite.

L’administration a ensuite envoyé une deuxième demande de renseignements.

En réponse, les avocats de l’assujettie envoient un courrier par lequel ils demandent la clôture immédiate de l’enquête en cours, notamment parce que la visite fiscale intervenue serait nulle.

Ensuite, l’assujettie a déposé une requête fiscale au greffe du tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division Bruges. Ce tribunal n’était cependant pas compétent. Un jugement avant dire droit a renvoyé l'affaire au tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles.

2. Le jugement

Le tribunal a considéré qu’un contrôle fiscal sur la base de l’article 61 CTVA avait été annoncé et réalisé dans cette affaire, et qu’il ne s’agissait pas d’une visite fiscale fondée sur l’article 63 CTVA.

Le contribuable n'a pas démontré que l'administration avait outrepassé la limite de ses pouvoirs ou qu'elle s'était rendue coupable d'un détournement de pouvoir.

Les procès-verbaux ne sont pas nuls.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7de kamer, sectie burgerlijke rechtbank

Datum van het vonnis: 25/03/2024

Rolnummer: 2022/3450/A

PRETAXATIEGESCHIL

EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK

In de zaak van:

De BV G., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te ..., gekend in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 076...70, die keuze van woonplaats doet bij haar raadsman mr. V. V.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M. V. loco mr. V. V. en mr. C. D., advocaten met kantoor te ... (info@...).

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, KBO F.O.D. Financiën 0308.357.159, de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Directeur van de Stafdienst Logistiek, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 971,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L. V. loco mr. C. C., advocaat met

kantoor te ... (…@d. .eu).

In deze zaak, in beraad genomen op 11 maart 2024,

spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:

I. PROCEDURE

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

het verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, op 4 april 2022,

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 31 oktober 2022 waarbij de zaak wordt verwezen naar deze rechtbank,

- de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 24 februari 2023,

- de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 2 november 2023,

- de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 30 januari 2024,

- de stukken van de partijen.

De raadslieden van de partijen zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 11 maart 2024. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.

II. FEITEN

Eiseres, een vennootschap naar Nederlands recht gevestigd te Utrecht, stelt dat haar voornaamste activiteit het voorzien van een online deelplatform (deeleconomie) is voor de huur en verhuur van mobilehomes.

Op 29 oktober 2021 stuurt verweerder een vraag om inlichtingen naar eiseres. Deze vraag wordt ook per e-mail verstuurd op 10 november 2021, met name naar het e-mailadres ….

Op 25 november 2021 neemt de heer M. M. via het e-mailadres … contact op met verweerder. Hij bezorgt verweerder een aantal inlichtingen.

Op 1 december 2021 stelt verweerder voor om op 10 of op 11 januari 2022 ter plaatse te gaan bij de heer M. op diens domicilieadres te ....

In een e-mail van 6 december 2021 geeft verweerder aan dat een aantal specifieke vragen ter sprake kunnen komen bij het plaatsbezoek.

Met een e-mail van 9 december 2021 deelt de heer M. aan verweerder mee dat de 'meeting' op 10 januari 2022 kan doorgaan en dat hij "(...) op alle bovenstaande vragen makkelijk kan antwoorden, maar (...) dat er ook vragen kunnen zijn waar [hij] niet onmiddellijk antwoord op kan geven".

Op 10 januari 2022 gaat verweerder ter plaatse bij de heer M. te ....

Van dit plaatsbezoek worden op 25 januari 2022 twee processen-verbaal opgesteld. Op 28 januari 2022 stuurt verweerder een (tweede) vraag om inlichtingen naar eiseres.

Eiseres antwoordt met een email van 25 februari 2022 (…) op de vraag om inlichtingen (de bijlagen bij dit antwoord worden niet voorgelegd door de partijen).

Met een brief van 3 maart 2022 vragen de raadslieden van eiseres 'het lopende onderzoek onmiddellijk stop te zetten', onder meer omdat de fiscale visitatie van 10 januari 2022 nietig zou zijn.

Met een brief van 28 maart 2022 deelt verweerder aan eiseres mee dat haar argumentatie faalt en dat hij hoopt het dossier verder te kunnen afhandelen in een constructieve sfeer.

Op 4 april 2022 stelt eiseres een vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Met een vonnis van 31 oktober 2022 verwijst de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge de zaak naar deze rechtbank.

III. VORDERING

Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:

"De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens te horen bevelen dat alle documenten, data en verklaringen die werden verkregen in het kader van of dankzij de uitgevoerde zoeking d.d. 10 januari 2022, die werd afgedwongen zonder machtiging van de Politierechter, niet door verweerster mogen worden aangewend voor onderzoeks- of taxatiedoeleinden in hoofde van concluante of derden.

Dienvolgens het proces-verbaal van vaststellingen d.d. 25 januari 2022 met kenmerk DDS...0 (STUK 2) en het proces-verbaal van vaststellingen d.d. 25 januari 2022 opgemaakt in het kader van opdracht S...2 (STUK 3) te vernietigen;

En tot slot, verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de betaalde verplichte bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare vorderingen, dewelke wordt begroot op 1.800,00 EUR, op grond van artike11022 Ger. W. iuncto KB d.d. 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007), en zoals van toepassing vanaf 1 november 2022."

Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:

"Het verzoek van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren, en aldus: te bevestigen dat de administratie alle documenten en verklaringen die werden verkregen in het kader van of dankzij het plaatsbezoek van 10 januari 2022 mogen worden aangewend voor onderzoeks- of taxatiedoeleinden in hoofde van eiseres of derden.

Het proces-verbaal van vaststelling met het kenmerk D...0 als het proces-verbaal van vaststelling opgemaakt in het kader van de opdracht St...4 niet te vernietigen en aldus te bevestigen.

Eiseres te veroordelen tot betaling van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.800,00 EUR."

IV. BEOORDELING

Ontvankelijkheid

Er is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank merkt geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid op.

Ten gronde

Eerste middel — 'de uitgevoerde huisvisitatie d.d. 10 januari 2022 was op verschillende punten onregelmatig'

Eiseres voert in een eerste middel aan dat verweerder op 10 januari 2022 een zogenaamde fiscale visitatie heeft uitgevoerd in de privéwoning van de heer M. M.. Deze visitatie is volgens eiseres onwettig omdat de politierechter hiertoe geen machtiging heeft verleend conform artikel 319, tweede lid WIB92 en verweerder wetens en willens de toestemming heeft gevraagd aan een 'onbevoegd personeelslid' dat bovendien zijn toestemming niet heeft verleend voor de visitatie. Wegens deze redenen vraagt eiseres dat alle documenten en verklaringen die werden verkregen in het kader van of dankzij de 'uitgevoerde zoekingen' van 10 januari 2022 niet door verweerder mogen worden aangewend voor onderzoeks-of taxatiedoeleinden ten aanzien van eiseres of derden.

Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat verweerder een vraag om inlichtingen heeft verstuurd naar eiseres op 29 oktober 2021 en dat eiseres vervolgens, bij monde van de heer M. M., contact heeft opgenomen met verweerder. Het is in dit kader dat tussen de heer M. - die duidelijk optreedt als vertegenwoordiger van eiseres - en verweerder op 10 januari 2022 een afspraak is belegd in de privéwoning van de heer M. te K. .

Zoals verweerder aangeeft, en dit wordt niet op concrete wijze tegengesproken door eiseres, is de heer M. conform artikel 321quater, §3 WIB92, zoals destijds van toepassing (vóór de vervanging bij artikel 4 van de wet van 21 december 2022), aangewezen als vertegenwoordiger 'die persoonlijk verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de onderneming'.

In tegenstelling tot wat eiseres laat uitschijnen, komt het in die context niet toe aan verweerder om na te gaan of de vertegenwoordiger van eiseres wel over de nodige machtigingen of vertegenwoordigingsbevoegdheid zou beschikken. Het loutere feit dat de vertegenwoordiger mogelijks meer informatie heeft meegedeeld dan eiseres wenselijk acht, maakt uiteraard niet dat verweerder 'wetens en willens' — in de woorden van eiseres — zou zijn opgetreden ten aanzien van een onbevoegd personeelslid.

Ook het feit dat de heer M. tijdens het plaatsbezoek verklaart dat hij geen 'handtekeningsbevoegdheid' heeft, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk. De heer M. is immers vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 321quater, §3 WIB92 (zoals destijds van toepassing) en hij heeft, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, uitdrukkelijk ingestemd met het ruim op voorhand aangekondigde plaatsbezoek van 10 januari 2022. De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar het e-mailverkeer in de

periode november/december 2021 (zie stuk 5 van verweerder). Overigens blijkt uit het proces-verbaal van 25 januari 2022 dat tijdens het plaatsbezoek contact is opgenomen met de heer Jeroen Ducorney omdat de heer M. verklaart dat deze wel 'handtekeningsbevoegdheid' zou hebben en de heer Ducorney vervolgens via een videocall toestemming heeft verleend voor het kopiëren van de gegevens van 2019 tot en met 2021 met betrekking tot 'alle Belgische verhuurders samen met hun omzet'.

Samengevat blijkt dat verweerder eiseres verzoekt bepaalde stukken voor te leggen en hierover een bespreking te houden. Eiseres is bij monde van de heer M. ingegaan op dit verzoek en de heer M. heeft de controleurs hierbij uitgenodigd zijn woning te betreden en bepaalde documenten te kopiëren. Het blijkt niet dat eiseres, vertegenwoordigd door de heer M., door verweerder zou zijn gedwongen toegang te verlenen tot beroepslokalen of een privéwoning en/of bepaalde documenten of gegevensdragers te overhandigen of te laten raadplegen. In dat geval is geen machtiging van de politierechter nodig om de woning te betreden.

Bijgevolg dringt de vaststelling zich op dat een fiscaal boekenonderzoek op basis van artikel 315 WIB92 (of artikel 61 van het Btw-wetboek) is aangekondigd en uitgevoerd, en geen fiscale visitatie op basis van artikel 319 WIB92 (of artikel 63 Btw-wetboek).

Het eerste middel is ongegrond.

Tweede middel — 'er is sprake van machtsafwending'

Volgens eiseres is er sprake "(...) van machtsafwending doordat de visitatie beweerdelijk werd gevoerd om onderzoek te voeren naar de fiscale positie van derden, t.w. de verhuurders van het deelplatform, terwijl pas achteraf, op het ogenblik van de visitatie, bleek dat concluante het onderwerp van huidig onderzoek uitmaakt". Daarbij verwijst eiseres in het bijzonder naar de (eerste) vraag om inlichtingen van 29 oktober 2021.

Op 29 oktober 2021 stuurt verweerder de volgende vraag om inlichtingen naar eiseres: "Gelieve ons een overzicht van alle gemaakte facturen per klant te bezorgen van de jaren 2020 en 2021 evenals de betalingsbewijzen van de betreffende factuur van de gebruiker(s) met de volgende identificatie gegevens:

Lander, via //…

D. H. R., O...6”

Uit het daaropvolgende e-mailverkeer blijkt dat de vraag van verweerder betrekking heeft op een gebruiker van het platform van eiseres, met name de heer L. D.. Volgens de gegevens die eiseres bezorgt, verhuurt deze persoon 3 'campers'.

Vervolgens vindt er tussen eiseres en verweerder blijkbaar een telefoongesprek plaats waarin wordt overeengekomen een vergadering te houden te K. . Na dit telefoongesprek en een e-mail van eiseres om meer uitleg over de inhoud van de vergadering, deelt verweerder op 6 december 2021 onder meer het volgende mee aan eiseres:

"Hartelijk dank voor de info die u hebt bezorgd in verband met de mobilhomes verhuurd door L.. Onze opdracht bestaat er echter ook in om na te gaan welke diensten G. aanbiedt aan de verhuurders en huurders en hoe het allemaal in zijn werk gaat.

Via de webinar die u doorgegeven hebt, is één en ander reeds wat duidelijker geworden maar voor ons het is noodzakelijk om de werking te staven aan de hand van een aantal concrete voorbeelden. Enkele vragen die wij hebben en waarvan wij ons een idee zouden willen vormen aan de hand van enkele concrete voorbeelden door u aangeleverd en waarover wij dan zo nodig bijkomende uitleg kunnen vragen bij u ter plaatse.

1.Hoe geeft de verhuurder de beschikbaarheidsperiodes op en hoe worden die bijgehouden?

2.Een voorbeeld van een verhuurcontract. Hoe wordt dit opgesteld en bijgehouden?

3.Wat zijn de voorwaarden van de verschillende verzekeringscontracten?

4.Een voorbeeld van welke bedragen opgevraagd worden aan de huurder en wanneer.

5.Een voorbeeld van een GOform. Hoe/door wie wordt dit bijgehouden?

6.Een voorbeeld van waarborginhoudingen, extra kilometers... die afgerekend worden?

7.Wat kunnen de verhuurder en huurder opvragen via hun account?

Hieruit vloeit afdoende duidelijk voort dat eiseres, ruim voor het plaatsbezoek van 10 januari 2022, op de hoogte was van het feit dat het fiscaal onderzoek niet alleen betrekking heeft op derden doch ook op de boeken en bescheiden die noodzakelijk zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van eiseres te bepalen en/of om de juiste heffing van de belasting op de toegevoegde waarde te kunnen nagaan.

Eiseres voert tevergeefs aan dat verweerder het doelgeboden karakter van haar bevoegdheden zou hebben overschreden of zich schuldig zou hebben gemaakt aan machtsafwending.

Uit de vraag om inlichtingen van 28 januari 2022 blijkt overigens dat verweerder het fiscaal boekenonderzoek kort na het plaatsbezoek van 10 januari 2022 verderzet, eiseres eerst nog antwoordt op de vraag doch vervolgens blijkbaar weigert (verder) te antwoorden op de vragen, en via haar raadslieden op 28 maart 2022 vraagt 'het lopende onderzoek onmiddellijk stop te zetten'.

Het tweede middel is ongegrond.

Derde middel — 'de bewijswaarde van de processen-verbaal d.d. 25 januari 2022 is aangetast'

In tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, is er rekening houdend met de voorgaande vaststellingen geen reden om de processen-verbaal van 25 januari 2022 nietig te verklaren. De vraag welke bewijswaarde kan worden toegekend aan de processen-verbaal — onder meer in het licht van het voorbehoud dat eiseres hierover maakt — behoeft in het kader van dit pretaxatiegeschil geen antwoord.

Ook het derde middel is ongegrond.

V. KOSTEN

Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald.

Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4' W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

Dispositif

VI. BESLISSING

De rechtbank,

Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

In eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro (basisbedrag).

Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 25 maart 2024,

waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer F. v D.: rechter,

Mevrouw E. A.: griffier.

Textes cités

5
AR no 1 art. 26bis2 occurrences
CTVA art. 592 occurrences
CTVA art. 612 occurrences
CTVA art. 622 occurrences
CTVA art. 632 occurrences

Décisions similaires

8