Instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 5 mars 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Instance, droits et privilèges du Trésor, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/instance-droits-privileges-tresor-preuve-tribunal-bruges-2001-03-05-5cce

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
5 mars 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

78 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 05.03.2001

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 00/761/A Rep .nr. 2001/2788

de heer L. M., uitbater van tearoom en snackbar, (HR Brugge nr. …), wonende te …, …

eiser,

voor wie optreedt Meester F. V., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met burelen te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat te ….

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 29 februari 2000.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 5 februari 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van uitbating van een tearoom en snackbar.

Op 16 maart 1998 werd door een ambtenaar van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring werd door de controlerende ambtenaar op 24 maart 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd.

Op 3 september 1999 werd door de gewestelijke directeur van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een ambtelijke aanslag gevestigd.

Wegens niet betaling van de verschuldigde sommen werd op 27 januari 2000 door de met invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 28 januari 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer d. R., directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Op 8 februari 2000 werd voormeld dwangbevel bij deurwaardersexploot betekend aan eiser.

2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 27 januari 2000 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 januari 2000, nietig minstens onwettelijk en/of ongegrond is en dat hij bijgevolg geen BTW, noch boetes verschuldigd is. Verder vordert eiser de terugbetaling van alle sommen, die op onrechtmatige wijze zouden zijn betaald en/of achtergehouden, verhoogd met de wettelijke intresten vanaf het ogenblik van de inhouding of betaling. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt.

Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zijnde de dagvaardingskosten ten bedrage van 7.850 BF en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.600 BF rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ambtelijke aanslag

3.1.1. Uit het voornoemd proces-verbaal van 24 maart 1999 blijkt dat de opsteller ervan, samen met Mevr. I. D. V., e.a. verificateur bij de administratie der directe belastingen en de heer L. B., verificateur bij de administratie der directe belastingen zich op 23 oktober 1998 hebben aangeboden bij eiser. Zij werden er ontvangen door eiser en door de heer V., zijnde de boekhouder van eiser.

De boekhouder heeft toen met betrekking tot de vraag wat er was gebeurd met de dubbels van de kasrollen van het kasregister dat in gebruik was gedurende het gecontroleerde tijdvak, de volgende verklaring afgelegd : “De dubbels van de kasticketten die betrekking hebben op elke bestelling werden niet bewaard om reden dat zowel het origineel als het dubbel in éénmaal werden afgedrukt en afgescheurd, waarbij het origineel bestemd was voor de tafel van de consument en het dubbel (geel) werd afgegeven aan de persoon die op dat moment gelast was met het klaarmaken van de bestelling (tappen, koffie, schenken, …) en achteraf niet werd bijgehouden door het intern alleen dienstig was ter controle van het zaalpersoneel. Daartoe was dit kasregister uitgerust met een dubbele band, namelijk een witte band (tape A) en een gele telband (tape B). De registratie van elke verkoop werd in éénmaal afgedrukt op beide telbanden door middel van een doorslag”.

Deze verklaring die de verbalisant heeft ingewonnen is een door hem regelmatig gedane materiële vaststelling waaraan de bijzondere bewijswaarde is verbonden.

3.2.1. Overeenkomstig artikel 15, § 2, eerste lid van het KB nr. 1 van 29 december 1992 moeten de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.

Overeenkomstig artikel 60, § 1 W.BTW en artikel 61, § 1 W.BTW, dient eiser de gedateerde verantwoordingsstukken tot staving van de inschrijvingen in het dagontvangstenboek te bewaren en voor te leggen.

3.1.3. Uit voormelde afgelegde verklaring blijkt overduidelijk dat eiser gedurende het gecontroleerde tijdvak de dubbels van de rollen (geel) van het gebruikte kasregister niet heeft bewaard en dus heeft nagelaten de dagelijkse inschrijvingen in het dagontvangstenboek te staven door verantwoordingsstukken. Dit heeft voor gevolg dat er niet kan worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen en in hoeverre de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald. De boekhouding van eiser is derhalve niet bewijskracht.

3.1.4. Op grond van de overtredingen van artikel 15, § 2, eerste lid van het KB nr. 1 van 29.12.1992 en artikel 60, § 1 en 61, § 1 W.BTW, was verweerder gerechtigd om krachtens artikel 66 W.BTW een ambtelijke aanslag te vestigen.

3.2. nopens het bedrag van de ambtelijke aanslag

3.2.1. Door deze ambtelijke aanslag wordt verweerder in de mogelijkheid gesteld om de belastingen van de schuldenaar te vorderen die verschuldigd zijn volgens het vermoedelijk bedrag van de belastbare handelingen. Na het vermoedelijk bedrag van de door de schuldenaar verrichte handelingen te hebben vastgesteld behoort het aan de belastingplichtige te bewijzen dat de aanslag overdreven was.

3.2.2. Eiser stelt dat de door verweerder gemaakte theoretische, niet gefundeerde en fantastische berekening niet beantwoordt aan de werkelijkheid.

3.2.3. De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten C. en V., opsporingsagenten der directe belastingen, op 15 april 1998 een nazicht hebben verricht van het door eiser gebruikte kasregister. Onder meer werd toen gevraagd om een GT-rapport uit te voeren. Aan de hand van het opgevraagde grand-total-verslag bleek dat er in de periode van 22 maart 1991, zijnde de datum van ingebruikname van het kasregister, tot 15 april 1998, 213.602.455 BF aan ontvangsten werden ingetikt.

Verder is het zo dat uit nazicht van de door eiser bewaarde en voorgelegde telbanden is gebleken dat hij voor een totaal bedrag van 76.933.469 BF heeft ingetikt op zijn kasregister en hij aldus dit kasregister heeft gebruikt als telmachine voor de samenstelling van dag ontvangsten voor het periodiek afsluiten van elke BTW-periode.

Om het vermoedelijk bedrag van de omzet te gaan berekenen heeft verweerder vervolgens de ontvangsten die bleken uit het GT-rapport verminderd met het bewezen bedrag wegens gebruik van het kasregister als rekenmachine. Het vermoedelijk bedrag van de omzet gedurende de periode van 1 maart 1991 tot 31 maart 1998 bedraagt volgens verweerder aldus 136.668.986 BF (= 213.602.455 BF - 76. 933.469 BF). Aangezien eiser voor die periode slechts 75.791.035 BF heeft aangegeven, bedragen de nog aan te geven ontvangsten 60.877.951 BF (= 136.668.986 BF - 75.791.035 BF). Dit totaal verschil in aan te geven ontvangsten, werd vervolgens volgens de regel van drie omgedeeld naar de nog aan te geven ontvangsten voor de jaren 1995 en 1996. Aldus bedraagt de nog aan te geven omzet, exclusief BTW, voor het jaar 1995 en 1996, in totaal 13.446.717 BF.

3.2.4. Met de bewering van eiser, zonder dat hieromtrent stukken worden voorgelegd, dat verweerder hierbij ten onrechte enkel rekening heeft gehouden met de voorgelegde telbanden (dubbels van de kastrollen), kan de rechtbank niet akkoord gaan. Immers, indien eiser, zich bewust zijnde van de waarde en het cruciaal belang van deze telbanden, nog andere bewerkingen zou hebben uitgevoerd waarbij het kasregister als telmachine werd gebruikt, dan had hij ongetwijfeld deze telbanden bewaard en voorgelegd. Bij de berekening van de vermoedelijke omzet heeft verweerder bijgevolg terecht geen rekening gehouden met beweringen die door niets worden gestaafd.

Eiser stelt vervolgens dat verweerder ten onrechte is vertrokken van de premisse dat de teller van het kasregister op nul stond op 22 april 1991, aangezien het bewuste kasregister, alvorens hij door eiser werd aangekocht, meermaals is gebruikt geworden door de verkoper. Volgens eiser blijkt dit duidelijk uit de verklaring van de verkoper de dato 24 juli 1999. Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat de verkoper, de heer V. A., op 24 juli 1999 alleen heeft verklaard dat het bewuste toestel meermaals werd gedemonstreerd aan klanten vooraleer het werd aangekocht door eiser. De verkoper heeft echter niet verklaard dat het groot totaal (GT-totaal) op 22 maart 1991 niet door hem op nul werd gezet.

In de door eiser op 26 september 2000 ter griffie neergelegde conclusie wordt melding gemaakt van de door voormelde verkoper op 22 september 2000 afgelegde verklaring. In deze schriftelijke verklaring stelt hij dat hij het kasregister niet op GT nul heeft geplaatst bij de levering en dat dit enkel kan gebeuren in de fabriek. Voormelde verklaring komt de rechtbank weinig geloofwaardig over en kan zeker niet het tegenbewijs vormen zoals bedoeld in artikel 67 W.BTW, nu zij meer dan 2 jaar na de controle is opgemaakt en nu het tot de taak van de verkoper behoort om ervoor te zorgen dat het GT-totaal effectief op nul wordt gezet bij het effectief in gebruik nemen van voormeld toestel.

De verdere bewering van eiser dat er bij de herstellingen en onderhoudsbeurten berekeningen werden uitgevoerd die hun weerslag hebben gehad op het GT-totaal wordt door niets gestaafd.

Dat verkeerd ingetikte bedragen ten onrechte in het GT-totaal zijn begrepen, zijn ook beweringen die door niets worden gestaafd. Daarenboven stelt de rechtbank vast dat dergelijke vergissingen zich ook in omgekeerde zin hebben voorgedaan en dat het kwestieus kasregister over een VD-toets (void-toets) beschikt die precies dient om de verkeerde operaties ongedaan te maken zodat het GT-totaal correct bleef. Ook de bewering dat het GT-totaal van het kasregister werd beïnvloed door toevallige berekeningen zij gratuite beweringen die op generlei wijze het tegenbewijs vormen zoals bedoeld in artikel 67 W.BTW.

Evenmin kan de aankoop van een rekenmachine in 1998 een bewijs vormen van de oprechtheid van de aangegeven inkomsten van de jaren ervoor.

Tenslotte kan de door eiser gemaakte theoretische berekening van het zakencijfer van de bewuste tearoom, snackbar, uitgaande van de prijs van een standaardconsumptie van 50 BF, evenmin het vereiste tegenbewijs vormen.

3.2.5. Bij het vestigen van een ambtshalve aanslag dient zoals hierboven reeds gesteld de BTW, berekend op het vermoedelijk bedrag van de belastbare handelingen. Bij een vermoedelijke raming is een zekere mate van onzekerheid toegelaten. Zo de gegevens waarop het besluit steunt de mogelijkheid van een andere conclusie niet uitsluiten, is zulks niet noodzakelijk van aard de vermoedelijke raming te weerleggen. Het volstaat dat er in de ogen van de rechtbank een afdoende mate van waarschijnlijkheid bestaat, zonder dat er vanwege de administratie enig bewijs van haar standpunt kan gevergd worden. Zo de belastingplichtige deze vermoedelijke raming aanvecht dient hijzelf de volledige bewijslast te dragen (Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen de dato 16 oktober 1995).

De rechtbank stelt vast dat in casu verweerder bij de berekening van de vermoedelijke omzet is vertrokken van het kasregister dat eiser aanwendt om al zijn verkopen te registreren en dat er bij de vaststelling van de omzet rekening werd gehouden met de door eiser voorgedragen bewijsstukken.

De ambtshalve aanslag is derhalve gesteund op ter zake dienende objectieve vaststaande gegevens en feitelijke vermoedens. Hij benadert zo dicht mogelijk de werkelijkheid en is niet willekeurig van aard. Met de door eiser naar voor gebrachte beweringen, veronderstellingen en eenvoudige gissingen waarvan de echtheid of de oprechtheid niet kan worden nagegaan, kan geen rekening worden gehouden. Eiser is er niet in geslaagd om aan te tonen dat de ambtelijke aanslag overdreven is.

3.3. nopens de schending van het vertrouwensbeginsel

3.3.1. Eiser stelt dat er regelmatig een BTW-controle werd doorgevoerd en dat er 5 jaar lang geen enkele bemerking over het gebruik van het kasregister werd geformuleerd. Hij was er dan ook van overtuigd dat de door hem gevolgde werkwijze in orde was.

3.3.2. Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat er na de ingebruikname van het bewuste kasregister slechts één summiere BTW-controle werd uitgevoerd over de jaren 1993, 1994 en 1995. Deze controle werd op 10 oktober 1996 uitgeoefend.

Verder blijkt uit het aangetekend schrijven de dato 15 januari 1996 vanwege de administratie der directe belastingen dat eiser uitdrukkelijk op de hoogte werd gesteld van zijn verplichting om de kasticketten, kasafsluitingen en verkoopbons te bewaren en voor te leggen in geval van controle. Uit de controle de dato 16 maart 1998, dus méér dan 2 jaar na het aangetekend schrijven van 15 januari 1996, bleek echter dat eiser nog steeds naliet om de voormelde verantwoordingsstukken te bewaren.

3.3.3. Voorhouden dat verweerder een rechtmatig vertrouwen zou hebben opgewekt met betrekking tot het gebruik van het kasregister en het bewaren van de verantwoordingsstukken, is, gelet op het voorgaande, niet ernstig en geeft blijk van kwade trouw.

3.4. nopens de boete

3.4.1. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW en artikel 70, § 4 W.BTW, werd aan eiser een boete opgelegd ten bedrage van resp. 557.000 BF en 100.000 BF.

3.4.2. De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW, is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel G, eerste afdeling, rubriek V van het KB nr. 41 op 20 % van de verschuldigde rechten, zijnde 557.000 BF.

3.4.3. De normaal verschuldigde boete volgens artikel 70, § 4, eerste lid W.BTW, is vastgesteld op 1.000 BF tot 100.000 BF per overtreding. Het bedrag van deze boete wordt bepaald door het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993. In voormeld KB worden de overtredingen van de verplichtingen krachtens de artikelen 61, 62bis, 63 en 63bis van het wetboek gestraft met 100.000 BF per overtreding.

3.4.4. De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboeten nu eiser ongetwijfeld ter kwader trouw is. Bovendien zijn de verminderde fiscale geldboete tot 557.000 BF en de geldboete van 100.000 BF evenredig met de gepleegde inbreuken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.600 BF, uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding (zoals gevorderd).

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op vijf maart tweeduizend en één.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. H.

Textes cités

6
AR no 1 art. 152 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 611 occurrence
CTVA art. 62bis1 occurrence
CTVA art. 631 occurrence
CTVA art. 63bis1 occurrence

Décisions similaires

8