Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 16.05.2013
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE A.R. nr. 12/133/A
BVBA E.-B. P., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer … en geregistreerd als BTW-plichtige onder het nummer BE …
Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. A B. loco Mr. S. L., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,
vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 op vervolging en benaarstiging van de
ADMINISTRATIE-VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN in de
persoon van de Ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevr. E. P., inspecteur
VOLGT HET VONNIS
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 12.01.2012;
- de conclusie, aanvullende conclusie, syntheseconclusie en stukken van verweerder;
- de eerste besluiten, synthesebesluiten en stukken van eiseres.
I FEITEN EN VOORGAANDEN
1. Eiseres, de BVBA E.-B. P., is ingevolge haar economische activiteit van detailhandelaar in onderdelen in onderdelen en accessoires van motorvoertuigen, algemeen onderhoud en reparaties van auto's en lichte vrachtwagens (= 3,5 ton) en detailhandelaar in auto's en lichte bestelwagens geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
2. Op 07.12.2011 heeft G. D., fiscaal deskundige bij de FOD Financiën, ter beschikking gesteld van de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, verbonden aan de Inspectie Hasselt 3 na inzage en afschrift genomen te hebben van de strafdossiers met notitienummer TG27.98.420/04 en TG27.F 1.104371/06 een proces-verbaal opgesteld.
Uit inzage van de strafdossiers zou volgens verweerder blijken dat eiseres inbreuken heeft begaan op de BTW-wetgeving.
De administratie stelde in het proces-verbaal dat uit het strafdossier zou blijken dat de genaamde C. G., wonende te …, … in de periode tussen 2002 en 2005 betrokken was bij verschillende illegale activiteiten. Zo zou blijken dat hij op grote schaal voertuigen en onderdelen van voertuigen aankocht bij verschillende Belgische firma's op naam van een zekere F. A. uit Italië.
Eén van deze firma's was de BVBA E.-B. P..
Eiseres verkocht in de jaren 2004 tot en met 2006 8 voertuigen KIA en bijbehorende onderdelen aan C. G. volgens de administratie; aan F. A. volgens eiseres.
De administratie van oordeel dat uit de verklaringen van de heer S. P. bleek dat de rol van C. G. de volgende was :
- de contacten en onderhandelingen verliepen via C.; hij was de enige contractpersoon;
- het GSM-nummer van C. … was het enige contactnummer voor F.;
- hij bestelde goederen op naam van F. A.;
- op zijn vraag werd gefactureerd aan F. A.;
- hij gaf de opdracht om de goederen op te halen;
- in een aantal gevallen werden de goederen door C. zelf afgehaald;
- het grootste gedeelte van de contante betalingen werden door C. zelf gedaan.
De administratie was van oordeel dat op grond van hoger vermelde vaststellingen blijkt dat de BVBA E.-B. P. geen intracommunautaire leveringen verricht heeft aan F. A. maar dat de goederen in België geleverd werden aan C. G., zijnde de reële koper van deze goederen in België, en dus niet verzonden buiten België met als bestemming F. A. in Italië.
De administratie stelde dat er sprake is van "een onterechte voorstelling van de bewuste transacties als intracommunautaire handel" en derhalve kon de BVBA E.-B. geen aanspraak maken op de ingeroepen vrijstelling voorzien in art. 39bis van het BTW-wetboek. De werkelijke afnemer is immers niet degene die op de. uitgereikte factuur vermeld staat.
Bijgevolg dient de BVBA E.-B. P. op grond van art. 2 W.BTW BTW aan te rekenen op die leveringen dewelke op grond van art. 15 en 16 W.BTW op plaatst waar het vervoer of de verzending aanvangt en op het tijdstip waarop de goederen ter beschikking van de verkrijger of overnemer worden gesteld.
In het proces-verbaal van 07.12.2011 werd gesteld dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- … euro aan BTW;
- … euro aan geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting, tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW en overeenkomstig art. 4, § 1 van het KB nr. 41 afgerond op het lagere tiental euro;
- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.02.2006 in toepassing van art. 91, § 1 W.BTW over … euro (zie stuk 1, bundel verweerder).
3. Op 09.12.2011 werd lastens eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 07.12.2011. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12.12.2011 (zie stuk 1, bundel verweerder).
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2011 overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW, desgevallend de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.
4. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 12.01.2012, stelde eiseres een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING
- Ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
- Ten gronde
2.1. Betreffende het bewijs van de intracommunautaire leveringen : art. 39 bis W.BTW en KB nr. 52 van 29.12.1992
In toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW draagt eiseres de bewijslast dat hij de voorwaarden vervulde om de geleverde goederen aan F. A. gevestigd in Italië, te factureren met vrijstelling van Belgische BTW in het kader van intracommunautaire leveringen.
Artikel 39bis, eerste lid 1° W.BTW stelt immers dat van de belasting zijn vrijgesteld :
"de leveringen van goederen door de verkoper andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, (…)"
Artikel 39bis, tweede lid W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29.12.1992.
Overeenkomstig voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :
- de goederen moeten geleverd worden door de verkoper;
- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn, buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1), en de verkoper, in casu eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3);
- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat (artikel 2)
Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, dient derhalve een dubbel bewijs te leveren, enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en anderzijds dat de levering.is geschied voor een belastingplichtige die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat.
- Verzending of vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap
Eiseres levert het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer van de goederen naar Italië via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken o.a. facturen, CMR vrachtbrieven en bijlagen, geldigheid BTWnummer koper, inschrijvingsbewijzen van de wagens in Italië (zie o.a. stukken 4, 6, 7, bundel eiseres).
De wagens werden via een Italiaanse transportfirma (A. M. G.) getransporteerd vanuit België naar Italië voor rekening van F. A..
De CMR-documenten vermelden F. als bestemmeling; de CMR-documenten werden afgetekend voor levering in Italië.
Ten overvloede overlegt eiseres de inschrijvingsbewijzen van 7 van in het procesverbaal vermelde wagens, met name de wagens vermeld op de factuurnummers 2004.06542, 2005.03961, 2005.03959, 2004.06536, 2004.06538, 2004.01297 en 2005.01297(zie stuk 12, bundel eiseres).
- Levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lidstaat
Overeenkomstig art. 10, § 1, eerste lid WBTW wordt als een levering van een goed beschouwd, de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken.
Uit de in art. 10, § 1, eerste lid W.BTW gebruikte bewoordingen blijkt dat het begrip "levering van een goed" niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de vormen voorzien door het nationale recht, maar elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak (zie H.v.J., 08.02.1999, F.J.F., 1990, 118-119).
Het gaat hierbij niet noodzakelijk om civielrechtelijke eigendomsoverdracht. Ook indien geen juridische eigendom van een zaak wordt overgedragen, kan sprake zijn van levering. Waar het op aankomt is niet dat juridisch civielrechtelijke eigendom wordt overgedragen, maar wel dat er een overdracht is van het recht om juridisch over het goed te beschikken juridische beschikkingsbevoegdheid).
Bijgevolg dient eiseres dan ook te bewijzen dat zij het recht om juridisch over de goederen te beschikken heeft overgedragen aan een belastingplichtige of aan een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere lidstaat.
Eiseres bewijst dat zij de goederen heeft verkocht en het “juridisch beschikkingsrecht" heeft overgedragen aan F. A. door middel van de volgende stukken :
- de facturen opgesteld door eiseres op naam van F. A.;
- CMR vrachtbrieven (stukken 6 en 1, bundel eiseres);
- de betalingsbewijzen op naam va F. A. (zie stuk 5, bundel eiseres);
- een kopie van de rekening "klant F." uit de boekhouding van eiseres waaruit blijkt dat in deze rekening van het grootboek al de vermelde facturen zijn opgenomen in de rekening van klant F. (zie stuk 4, bundel eiseres)
Het feit dat de goederen geleverd werden aan "E." doet niets af aan het feit dat het juridisch beschikkingsrecht werd overgedragen aan F. A..
De verkoop heeft tot gevolg dat het eigendomsrecht over de goederen wordt overgedragen aan de koper. In de Commentaar bij het WBTW wordt gesteld dat :
"Men kan dus stellen dat wanneer er sprake is van een civielrechtelijke eigendomsoverdracht, deze overdracht in elk geval als levering in de zin van art. 10, § 1 W.BTW moet worden aangemerkt"
(zie Comm. BTW, 10/280).
Nu de BTW-wetgeving enkel vereist dat eiseres aantoont dat de Italiaanse afnemer F. A., op het ogenblik van de leveringen in Italië geïdentificeerd is en dat de goederen die het voorwerp vormen van leveringen, verzonden of vervoerd worden buiten België maar binnen de Gemeenschap voor een geldig geïdentificeerde BTWbelastingplichtige in de lidstaat van aankomst, heeft eiseres haar wettelijke bewijslast vervuld.
Verweerder stelt in conclusies dat F. niet de werkelijke afnemer van de voertuigen is doch dat de werkelijke afnemer E. zou zijn. Uit de afgestempelde CMR's blijkt immers dat de auto's geleverd werden bij E. en niet op het opgegeven facturatieadres van de heer F. Verweerder leidt hieruit af dat eiseres fraude zou gepleegd hebben en wist of had moeten weten dat de heer F. niet de werkelijke afnemer van de goederen was.
Verweerder beroept zich op fraude om de geldigheid van vrijstelling te betwisten.
Fraude wordt evenwel niet vermoed maar dient bewezen te worden.
Eiseres houdt voor dat zij volledig te goeder trouw is geweest. Het feit dat er nadien eventueel in Italië fraude heeft plaatsgevonden, bewijs niet dat eiseres hiervan op de hoogte was en meer nog dat eiseres hieraan heeft meegewerkt.
Uit geen enkel element in het strafdossier blijkt de betrokkenheid van eiseres.
Het feit dat de auto's werden geleverd aan E., zoals trouwens blijkt uit de CMR's doch dat de juridische eigendom aan F. werd overgedragen, houdt geenszins een bewijs van fraude in.
Verweerder levert niet het concrete bewijs van fraude in hoofde van eiseres, de argumenten van verweerder overstijgen het loutere niveau van de bewering niet.
De vordering van eiseres is derhalve gegrond.
De overige argumenten van eiseres aangehaald dienen verder niet onderzocht te worden aangezien de vordering van eiseres om hoger vermelde redenen gegrond dient te worden verklaard.
2.2. Aangaande de geldboete
Gelet op de gegrondheid van de vordering van eiseres, dient eveneens de opgelegde geldboete van 200 % te worden kwijtgescholden.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
Partijen ter zake standpunt ingenomen.
In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.
Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.
Dispositif
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.
Stelt dat de BTW-vordering in hoofdsom, geldboete en interesten gesteld in het dwangbevel van 09.12.2011 ongegrond is.
Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd of ingehouden.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, vereffent in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 16 mei 2013 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enig rechter,
De heer S. G., toegevoegd griffier (329 Ger. Wb.) hiertoe toegevoegd door de rechter.
S. G. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.