Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 21.09.2021
WF 711-15-17/065616
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Club de football – Assujetti mixte – Usage réel
Dispositions légales
Articles 44, §2, 3°, 45, 46, § 1er, 70, § 1er bis et 61, § 1, 10 du Code de la TVA.
Tableau H de l’arrêté royal n° 41, du 30 janvier 1987, fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Résumé
1- Les faits et les antécédents de procédure
Lors d'un contrôle fiscal, il a été constaté que la partie adverse, en tant que club de football, exerce d'une part des activités imposables, à savoir le sponsoring et l'exploitation d'une cantine et d'autre part met également à disposition des installations sportives, qui sont exemptées de TVA sur la base de l'article 44, § 2, 3° du Code de la TVA. L'examen de la comptabilité a révélé diverses infractions concernant le droit à déduction de la TVA. Ces violations ont été consignées dans un procès-verbal car aucun accord n'a pu être trouvé avec la partie adverse. L’assujettie a déposé une requête administrative concernant ce procès-verbal qui a été rejetée par l'administration dans une décision motivée.
Par la suite, la partie adverse a déposé une requête fiscale contradictoire au greffe du tribunal de première instance du Limbourg, division Hasselt. Le juge siégeant en première instance a jugé que la demande de la partie adverse était recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement.
2- L’arrêt de la cour d’appel
* Le droit à déduction
Les infractions constatées par l'administration concernant l'usage réel ont été scindées en trois catégories dans le procès-verbal:
- la première catégorie contient les frais qui se rapportent uniquement à des opérations non-imposables sur la base de l'article 44, §2, 3°, du Code de la TVA,
- dans la deuxième catégorie sont repris les coûts relatifs aussi bien aux opérations imposables qu’aux opérations non imposables et pour lesquelles le droit à déduction est déterminé en fonction du prorata entre le chiffre d'affaires des opérations imposables et le chiffre d'affaires total des opérations imposables et non-imposables,
- dans la troisième catégorie, le droit à la déduction des frais est déterminé en fonction d'un prorata spécial basé sur la proportion entre la surface du bâtiment utilisée pour les opérations imposables et la surface totale du bâtiment utilisée pour les opérations imposables et non-imposables.
L’assujettie allègue qu'en plus des revenus imposables provenant du sponsoring et de la cafétéria pour la période contrôlée, elle a également tiré un revenu imposable consécutif à l’acquittement d’un droit d'entrée par les spectateurs pour les matchs de l'équipe première et des équipes de jeunes joueurs. Par conséquent, elle estime que les coûts mentionnés dans la première catégorie ne peuvent être rejetés dans leur totalité mais qu'un prorata de déduction doit également être déterminé pour ceux-ci.
En ce qui concerne la deuxième catégorie de frais, la partie adverse fait valoir qu'ils n'ont rien à voir avec les opérations non-imposables et sont dès lors entièrement déductibles.
En ce qui concerne la dernière catégorie de coûts, la partie adverse fait valoir que le prorata déterminé est arbitraire.
La cour d’appel constate que l'administration a correctement appliqué la déduction proportionnelle de la TVA aux coûts qui étaient exclusivement mixtes.
En outre, la cour estime que les allégations de la partie adverse concernant les paiements des recettes générées par l’acquittement du droit d’entrée sont réfutées par la déclaration de son directeur, qui est consignée dans le procès-verbal, et par le fait qu'aucun paiement de ces revenus n’a été repris dans les déclarations-TVA relative à la période contrôlée. En outre, l’accord présenté ne démontre pas que les investissements réalisés au cours de la période contrôlée avaient pour but de réaliser des opérations imposables. Par conséquent, l’assujettie ne prouve pas que des recettes ont été générées au cours de la période contrôlée.
En outre, la cour d’appel juge que les frais, à l'exception de ceux de la première rubrique, ne peuvent être mis en lien avec des opérations à la sortie spécifiques et que le prorata spécial utilisé pour les frais des deuxième et troisième rubriques est correct. De même, selon la Cour, le prorata déterminé pour l'utilisation du bâtiment a été correctement calculé.
* L’amende
Outre le fait qu'aucune demande de remise n'a été introduite par l’assujettie sur la base de l'arrêté du Régent, la cour d’appel constate qu'en l'espèce il n'était pas question d'une amende disproportionnée. Selon la cour d’appel, l'amende est légale, a été motivée de manière adéquate et est proportionnelle aux infractions commises et à la gravité des faits. De plus, en l'espèce, il n'existe aucune raison pour remettre, réduire ou prononcer le sursis de l’amende. Et il ne s'agit pas non plus d'une contestation de principe.
* Les intérêts
La partie adverse ne réussit pas à démontrer que les intérêts perçus sur base de l'article 91, § 1er, 1°, du Code de la TVA entraînent une atteinte disproportionnée à ses droits.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Antwerpen, kamer 86M burgerlijke zaken
Arrest van 21 september 2021
Rol: 2020/AR/452
BLST. VZW. ON 040...67, met maatschappelijke zetel te ... , Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr...., advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 27 februari 2020, gekend onder rolnummer 18/1013/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 27 februari 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 11 maart 2020, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwistinq.
Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel RCIV 500/1889/01614, uitgevaardigd op 08/12/2017 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 08/12/2017 met aangehecht proces-verbaal van 21/11/2017.
1.2. Feiten en voorqaanden.
Eiseres in hoger beroep, de VZW BLST., is geregistreerd ais BTW-belastingplichtige onder het nummer BE 040...67 met ais activiteit eetgelegenheden met beperkte bediening en exploitatie van sportaccommodaties (BTW) (vanaf 01/01/2008) en activiteiten van voetbalclubs (RPB) (vanaf 22/11/2012). Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 16/03/2017 en 15/09/2017 vonden er BTW-controles plaats op de maatschappelijke zetel van eiseres in hoger beroep te ... met betrekking tot de periode 01/01/2014 t.e.m. 31/12/2015.
Bij deze controles werden er een aantal onregelmatigheden inzake de toepassing van de BTW vastgesteld, te weten:
1. inbreuken op de verplichting om de BTW geheven van de ontvangen goederen en diensten in aftrek te brengen volgens hun werkelijk gebruik door een belastingplichtige die handelingen verricht waarvoor op grond van art. 45 WBTW aanspraak op aftrek bestaat, alsook andere handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat. De belastingadministratie ging over tot een herziening voor wat betreft de periode 01/01/2014 tot en met 31/12/2015. De administratie stelde dat voor de facturen opgenomen onder de tabellen A, B en C:
- de BTW niet aftrekbaar was omdat ze betrekking had op handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestond zijnde handelingen voorzien in art. 44 §2, 3° WBTW (tabel A)
- de BTW aftrekbaar was op grond van een bijzonder verhoudingsgetal dat werd bepaald volgens de verhouding: belastbare handelingen excl. BTW ten opzichte van totale belaste en niet belaste handelingen (tabel B)
- de BTW aftrekbaar was volgens een bijzonder verhoudingsgetal berekend op basis van de verhouding: oppervlakte van een gebouw gebruikt voor de belaste activiteit ten opzichte van de totale oppervlakte van het gebouw gebruikt voor de belaste en niet belaste handelingen (tabel C);
2. inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
Deze overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 21/11/2017.
Op grond van dit proces-verbaal werd op 08/12/2017 een dwangbevel uitgevaardigd, dat dezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard.
ln voormeld dwangbevel worden volgende bedragen gevorderd van eiseres in hoger beroep:
- 86.047,08 euro aan BTW;
- 8.600 euro aan proportionele geldboete;
- meer interesten en kosten.
Het dwangbevel werd op 15/12/2017 aangetekend ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.
Eiseres in hoger beroep diende bezwaarschriften in.
Op 15/03/2018 werd naar aanleiding van deze bezwaarschriften een beslissing genomen door het Centrum KMO Hasselt-Expertise 1.
Vervolgens werd een bijkomend bezwaar ingediend op 27/03/2018.
De administratie antwoordde dat dit bijkomend bezwaar geen nieuwe argumenten bevatte en dat de getroffen beslissing van 15/03/2018 aldus behouden bleef.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 08/05/2018 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.
Eiseres in hoger beroep vorderde middels conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank op 29/03/2019 (conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank op 10/05/2019 werd door de eerste rechter ambtshalve uit de debatten geweerd in toepassing van art. 747 Ger.W.):
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het proces-verbaal d.d. 31/10/2017 (sic) (bedoeld wordt 21/11/2017) en het dwangbevel d.d. 15/12/2017 nietig te verklaren;
- minstens de boete te herleiden tot een evenredig bedrag,
- minstens te oordelen dat er geen interesten aan 9,6% mogen aangerekend worden; de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 6.000 euro
- minstens de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 91, §1 WBTW jo art. 2, §2 van de Wet van 5 mei 1865 het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet door te voorzien in een vast tarief van verschuldigde interesten van 9,6% wanneer de belastingplichtige intresten moet betalen en er a/tijd overeenkomstig art. 2 §2 Wet 05/05/1865 steeds minimaal 7% interest moet betaald worden, terwijl in burgerlijke gedingen overeenkomstig art. 2 §1 van genoemde wet van 05/05/1865 slechts een interest moet betaald worden die momenteel, op grand van de berekening overeenkomstig art. 2 §1 3% bedraagt?"
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerder in hoger beroep op O euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman en tot de bijdrage van 20 euro voor het fonds voor juridische bijstand.
Wat betreft de facturen opgenomen in tabel A stelde de rechtbank vast dat uit de BTW aangiften van eiseres in hoger beroep bleek dat er voor de controleperiode 2014 en 2015 geen inkomgelden werden opgenomen in vak 01 (6%) van de ingediende BTW-aangiften. De eerste rechter verwees ook naar de verklaring van de heer I.D., bestuurder van VZW BLST. d.d. 24/04/2017 die hierin verklaarde dat er nu inkom gevraagd werd gedurende een maand. De eerste rechter oordeelde dat uit de vaststellingen van de administratie, die bewijskrachtig waren namelijk de BTW-aangiften en de verklaring van de heer I.D., terecht werd afgeleid dat er geen inkomgelden werden gevraagd zodat de administratie terecht tot herziening overging en dat de enige belastbare activiteit die eiseres in hoger beroep op dat ogenblik uitoefende en waarvan de nodige boekhoudkundige stukken werden voorgelegd, betrekking had op de uitbating van de kantine alsook de sponsorgelden.
Wat betreft de facturen opgenomen in tabel B oordeelde de rechtbank dat het ging over goederen en diensten die voor beide sectoren (belastbare handelingen zoals uitbating kantine, sponsoring alsook de vrijgestelde handelingen zijnde diensten voorzien in artikel 44 §2, 3° WBTW: vergoeding voor opleiding en lidgelden) bestemd waren o.a. nutsvoorzieningen, abonnement boekhoudpakket, huur container. De eerste rechter oordeelde dat eiseres in hoger beroep ten onrechte voorhield dat bepaalde kosten zouden zijn gemaakt voor de belaste handelingen zijnde het verlenen van recht tot toegang nu blijkt dat er in de kwestieuze jaren geen inkom werd gevraagd.
Wat betreft de facturen opgenomen in tabel C stelde de rechtbank dat in geval waarin de sportclub voor het uitoefenen van haar recht op aftrek geen gebruik maakt van het algemeen verhoudingsgetal bedoeld in art. 46 §1 WBTW, er ten aanzien van de BTW verschuldigd op kosten die betrekking hebben op het gebruik van die infrastructuur een bijzonder verhoudingsgetal dient vastgesteld te worden. De rechtbank oordeelde dat de concrete vaststelling van de verhouding tussen het gebruik van de infrastructuur voor vrijgestelde activiteiten enerzijds en voor belaste activiteiten anderzijds, tot de bevoegdheid behoorde van de controlerende ambtenaar die daarbij rekening dient te houden met de feitelijke omstandigheden die van sportclub tot sportclub verschillen. De eerste rechter stelde vast dat op het gelijkvloers zich de kleedkamers bevonden, op de bovenverdieping was de kantine, vergaderlokalen, en een keuken. Op basis van de oppervlakte van het gebouw was 50% van het gebouw bestemd voor de vrijgestelde activiteit van art. 44 §2, 3° WBTW (gelijkvloers) en 50% voor de belaste activiteit (bovenverdieping). De aftrek werd beperkt op basis van dit verhoudingsgetal 50/50. Naar het oordeel van de eerste rechter had de administratie dit verhoudingsgetal correct berekend en bewees eiseres in hoger beroep geenszins dat de infrastructuur op een andere manier werd aangewend.
Wat betreft de opgeworpen strijdigheid van artikel 46 WBTW met de richtlijn 2006/112 oordeelde de rechtbank dat artikel 46 WBTW conform was met de artikelen 168 t.e.m. 175 van de Ri 2006/112. De rechtbank verwees dienaangaande naar een arrest van het Hof van Justitie van 14/12/2016 (C 378/15 Mercedes Benz ltalia SpA).
Wat betreft het door eiseres in hoger beroep opgeworpen bestemmingsbeginsel op basis waarvan de BTW volgens eiseres in hoger beroep voor een aantal kosten toch aftrekbaar zou zijn stelde de rechtbank vast dat er op het ogenblik van de aanvang van de controle 16/03/2017 nog geen sprake was van inkomgeld, dat er in 2016 geen inkomsten waren aangegeven aan 6% en er in de boekhouding geen facturen werden aangetroffen i.v.m. facturatie van de terbeschikkingstelling van het stadion aan de VZW BLST. en dat eiseres in hoger beroep geen objectieve gegevens aanbracht die haar voornemen tot het stellen van belastbare handelingen over te gaan, staafde.
Met betrekking tot de opgelegde boete oordeelde de eerste rechter dat er in onderhavig geval geen concrete elementen waren aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak en dat in de gegeven omstandigheden de opgelegde boete aansloot met de feiten. De rechtbank wees het verzoek tot uitstel af omdat er geen stukken werden voorgelegd waaruit zou blijken dat de opgelegde geldboete disproportioneel belastend zou zijn voor eiseres in hoger beroep.
Tenslotte oordeelde de eerste rechter wat betreft de intresten dat er geen reden was om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 11/03/2020, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eiseres in hoger beroep vordert:
- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- de bestreden beslissing (lees vonnis) te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen;
- dienvolgens het proces-verbaal d.d. 21/11/2017 en het dwangbevel d.d. 15/12/2017 nietig te verklaren;
- minstens volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het EHJ:
1) "Schendt art. 46 WBTW artikel 173 van de Richtlijn 2006/112 door bij wijze van algemene maatregel te bepalen dot de belastingplichtige die handelingen verricht waarvoor recht op aftrek ontstaat, evenals handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, de btw slechts mag aftrekken va/gens een verhoudingsgetal dat toegepast wordt op a/le kosten zonder dat een onderscheid wordt gemaakt of deze kosten betrekking hebben op de belastbare activiteit, dan wel op niet belastbare activiteit of beide samen, in het /icht van de rechtspraak van het Hof zoals deze geconcretiseerd is in het arrest Baumarkt d.d. 08/11/2012 {C-511/10) en het arrest Mercedes Benz d.d. 14/12/2016 {C-378/15)?"
2) "/s het strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en voorzienbaarheidsbeginsel wanneer een Lidstaat op de eerste p/aats voorhoudt dat de btw door gemengde belastingplichtigen mag afgetrokken worden va/gens een pro rata in verhouding tot de omzet om dan in tweede instantie bij een controle retroactief de regef van werkelijk gebruik op te leggen en de aftrek van btw s/echts toe te staan i.f. v. de bestemming van de kosten, terwijl de belastingp/ichtige overeenkomstig art. 46 WBTW in eerste instantie btw mag aftrekken op al zijn kosten in functie van de omzet, ongeacht de bestemming ervan?"
- minstens de boete kwijt te schelden of te herleiden tot een evenredig bedrag, dan wel te oordelen dat er redenen zijn om de boete met uitstel uit te spreken, en nu de wet dit niet toelaat, te besluiten dat art. 70 WBTW ongrondwettelijk is en niet kan worden toegepast;
- minstens te oordelen dat er geen interesten aan 9,6% mogen aangerekend worden; de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
1) "Schendt art. 91, §1 WBTW jo art. 2, §2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de Jening tegen intrest het evenredigheids- en ge/ijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grand van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8% per jaar {9,6 % per jaar}, terwijl inzake inkomstenbefastingen overeenkomstig art. 414 W/892 een interestvoet verschuldigd is, die is aangepast aan de economische realiteit?"
2) "Schendt art. 91 §1 WBTW jo art. 2 §2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest het evenredigheids- en ge/ijkheidsbeginse/ vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grand van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8 % per maand (9,6% per jaar}, terwijl op basis van art. 91 §2 bis WBTW slechts een interest verschuldigd is van 7% per jaar?"
- de terugbetaling te bevelen van aile bedragen die wederrechtelijk op grand van dit proces-verbaal werden geïnd;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 6.000 euro in eerste aanleg en 6.000 euro in hoger beroep, ais ook de bijdrage van 20 euro voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand.
Ter zitting van 22/06/2021 vordert eiseres in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds in beide aanleggen ten laste van de Belgische Staat te leggen.
Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het hoger beroep en vordert bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot betaling van de door de administratie gevorderde bedragen opgenomen in het dwangbevel uitgevaardigd d.d. 08/12/2017 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard d.d. 08/12/2017.
Verweerder in hoger beroep vordert dat indien het verzoekschrift tot hoger beroep gegrond zou worden verklaard, te oordelen dat eiseres in hoger beroep het bedrag van de herziening in haar voordeel van 60.035,38 euro (opgenomen in vak 62 van het 2de kwartaal 2018) terugbetaalt aan de Belgische Staat. Tevens vordert verweerder in hoger beroep te oordelen dat het niet noodzakelijk is om met betrekking tot de toepassing van art. 46 van het WBTW een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie en dat het niet noodzakelijke is om met betrekking tot de interesten prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Tenslotte vordert verweerder in hoger beroep eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep te begroten op 6.000 euro, zijnde de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Ter zitting van 22/06/2021 vorderen partijen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding toe te passen, zijnde 6.500 euro in hoger beroep.
2. Bespreking
2.1 Recht van aftrek
Eiseres in hoger beroep stelt dat zij aantoont dat zij enerzijds toeschouwers tegen betaling het recht verleent tot toegang tot de sportinrichting m.b.t. wedstrijden zowel van de eerste ploeg, ais van de jeugdspelers, inkomsten uit sponsoring heeft en inkomsten uit de cafetaria (belaste activiteiten) en anderzijds sportonderricht geeft aan sportbeoefenaars.
Volgens eiseres in hoger beroep kunnen de kosten vermeld onder punt A van het proces verbaal niet integraal verworpen worden. Volgens eiseres in hoger beroep kunnen de kosten genoemd onder punt A van het proces-verbaal nooit enkel betrekking hebben op een vrijgestelde activiteit zonder recht op aftrek en mogen deze niet volledig verworpen worden. Zij stelt dat minstens een verhoudingsgetal berekend moet worden voor de aftrek van deze kosten, rekening houdend met het feit dat deze kosten tevens gediend hebben voor de belaste activiteit van eiseres in hoger beroep ni. het verlenen van toegang tot de sportwedstrijden middels betaling van inkomgeld.
Wat betref punt B van het proces-verbaal stelt eiseres in hoger beroep dat de kosten die daar worden opgesomd volledig betrekking hebben op de belaste handelingen. Volgens eiseres in hoger beroep is er geen enkele relatie tussen deze kosten en de niet belaste handelingen. Zij stelt dat deze kosten gemaakt worden wat betreft toeschouwers die de wedstijden komen bezoeken en de exploitatie van de cafétaria. Eiseres in hoger beroep meent dan ook dat de kosten vermeld onder punt B volledig aftrekbaar zijn.
Tenslotte stelt eiseres in hoger beroep dat de verdeelsleutel van 50%-50% die door de administratie wordt toegepast voor de kosten vermeld in rubriek C van het proces-verbaal willekeurig is gemaakt.
De belastingadministratie ging over tot een herziening voor wat betreft de periode 01/01/2014 tot en met 31/12/2015. De administratie stelde dat voor de facturen opgenomen onder de tabellen A, B en C:
- de BTW niet aftrekbaar was omdat ze betrekking had op handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestond zijnde handelingen voorzien in art. 44 §2, 3° WBTW (tabel A)
- de BTW aftrekbaar is op grand van een bijzonder verhoudingsgetal dat werd bepaald volgens de verhouding: belastbare handelingen excl. BTW ten opzichte van totale belaste en niet belaste handelingen (tabel B)
- de BTW aftrekbaar is volgens een bijzonder verhoudingsgetal berekend op basis van de verhouding: oppervlakte van een gebouw gebruikt voor de belaste activiteit ten opzichte van de totale oppervlakte van het gebouw gebruikt voor de belaste en niet belaste handelingen (tabel C);
Het recht op aftrek kan slechts worden genoten wanneer de wettelijke voorwaarden voor de aftrek zijn voldaan. Eiseres in hoger beroep draagt hiervan de bewijslast.
Artikel 45, § 1 WBTW stelt dat elke belastingplichtige de btw geheven van de aan hem geleverde goederen of verleende diensten, de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in aftrek mag brengen in de mate dat die goederen en diensten worden aangewend voor het verrichten van btw-belaste handelingen of andere handelingen die recht op btw-aftrek toestaan in hoofde van de belastingplichtige.
Op grond van artikel 168 van de btw-richtlijn is een belastingplichtige gerechtigd de btw af te trekken van goederen en diensten die worden gebruikt voor btw-belaste handelingen.
Het recht op aftrek is dus afhankelijk van de bestemming die de belastingplichtige aan de ontvangen goederen of diensten geeft (art. 45 WBTW en art. 1 KB nr.3 ).
Het recht van aftrek van voorbelasting kan slechts worden toegestaan ten aanzien van geleverde goederen en ontvangen diensten die bestemd worden voor de btw-activiteit van de belastingplichtige. De bewijslast van de bestemming voor de economische activiteit rust op de belastingplichtige.
Wanneer het voornemen om een aanvang te maken met een economische activiteit die tot belastbare handelingen zal leiden, te goeder trouw is kenbaar gemaakt en dit voornemen wordt ondersteund door objectieve elementen, geniet de belastingplichtige het recht om onmiddellijk de BTW af te trekken die verschuldigd of voldaan is voor goederen of diensten die hij heeft ontvangen met het oog op voorgenomen economische activiteiten.
Overeenkomstig art. 46 WBTW is een gemengde belastingplichtige een belastingplichtige die in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van art. 45 WBTW aanspraak op aftrek bestaat.
Volgens artikel 17, 5 Zesde Btw-richtlijn (thans art. 173.1. Richtl. 2006/112/EG) heeft men slechts te maken met een gemengde belastingplichtige wanneer goederen en diensten worden gebruikt zowel voor handelingen waarvoor recht op aftrek ontstaat ais voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek ontstaat. Wanneer er twee activiteiten zijn - ni. één waarvoor recht op aftrek bestaat en één waarvoor geen recht op aftrek bestaat -, is er volgens de Richtlijn niet noodzakelijk sprake van een gemengde belastingplicht. Dit doet zich pas voor zodra er kosten zijn, die betrekking hebben op deze beide activiteiten gezamenlijk. Dit werd bevestigd door het arrest H.v.J. nr. 4/94, 6 april 1995 (BLP Group pic / Commissioners of Customs & Excise).
Dit houdt in dat het niet volstaat vast te stellen dat een belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit handelingen verricht waarvoor aanspraak op aftrek bestaat, en tegelijk handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat. Artikel 17, 5 Zesde richtlijn (zie art. 173.1. Richtl. 2006/112/EG) gaat ervan uit dat eerst per soort handelingen het recht op aftrek moet worden bekeken, dit volgens het werkelijk gebruik. AIieen voor goederen en diensten die de belastingplichtige verwerft ter uitvoering van de beide soorten handelingen, zal volgens de richtlijn sprake zijn van de toepassing van een evenredige aftrek of een pro rata ten aanzien van goederen en diensten die tegelijk worden gebruikt voor handelingen met én zonder recht op btw-aftrek. Op dat punt heeft de richtlijn rechtstreekse werking.
Op grand van de Europese regels, en conform het bestemmingsbeginsel, moet de belastingplichtige die goederen of diensten afneemt die rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan zijn btw-belaste respectievelijk btw-vrijgestelde activiteit, in principe zijn recht op btw-aftrek dienovereenkomstig bepalen (i.e. 100% of 0% btw). Enkel ten aanzien van goederen of diensten met een gemengd gebruik zal toepassing moeten worden gemaakt van een evenredige aftrek.
Ook het Hof van Cassatie heeft reeds beslist dat de uitoefening van het recht op aftrek op basis van de regel van het werkelijk gebruik, bij voorrang moet worden toegepast (Cass. 2 december 1988, R.W. 1988-89, 985). Art. 46 WBTW doet geen afbreuk aan de regel van artikel 45 WBTW, maar bepaalt alleen een wijze van berekening. ln beginsel mag alleen in aftrek worden gebracht de belasting geheven van de aan de betrokkene geleverde goederen en verleende diensten, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting.
Noch artikel 46 WBTW, noch het rechtzekerheids en/of vertrouwenbeginsel vormen een beletsel voor de administratie om, in het thans gegeven geval waar de belastingplichtige voorhield een "volledige" belastingplichtige te zijn doch waarbij naar aanleiding van een BTW controle de belastingadministratie de gemengde belastingplichtig vaststelde, de toepassing van de methode van het werkelijk gebruik ook voor het verleden verplicht op te leggen aan de gemengde btw-belastingplichtige aangezien dit te dezen tot een nauwkeurig resultaat leidt. Het Hof van Justitie besliste reeds in de zaak Wolfgand und Wilfried Rey dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zich er niet tegen verzetten dat ingevolge een wijziging van de nationale regelgeving een andere berekeningsmethode wordt opgelegd aan een gemengde btw-belastingplichtige voor het bepalen van het verhoudingsgetal voor het recht op btw-aftrek en dit met terugwerkende kracht, wanneer dit tot een nauwkeuriger resultaat leidt (HvJ. 9 juni 2016, C-332/14, Wolfgang und Dr.Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaft).
Gelet op voorgaande acht het hof het dan ook niet nodig om de door eiseres in hoger beroep voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Het hof stelt vast dat te dezen de belastingadministratie klaarblijkelijk gehandeld heeft in overeenstemming met de Richtlijn 2006/112/EG. De belastingadministratie heeft te dezen de evenredige btw-aftrek (volledig in de lijn en conform de Europese regels) beperkt tot de kosten die uitsluitend gemengd worden gebruikt.
De belastingadministratie heeft in het proces-verbaal de kosten aldus terecht toegewezen aan hun bestemming overeenkomstig artikel 45 WBTW:
- De BTW, geheven van goederen en diensten die uitsluitend voor de belastbare sector worden gebruikt, is volledig aftrekbaar volgens de geldende regels;
- de BTW, geheven van goederen en diensten die uitsluitend voor de nietbelastbare sector worden bestemd, is in het geheel niet aftrekbaar. Dit zijn de kosten opgenomen in tabel A van het proces-verbaal: facturen van de voetbalfederatie, onderhoud van het grasveld, aankoop voetbaluitrustingen, aankoop voetbalmaterialen, aanleg kunstgrasveld, huur containers (tijdelijke kleedkamers);
- de BTW geheven van goederen en diensten die zowel voor de belastbare ais voor de niet-belastbare sector worden gebruikt, moet worden in aftrek gebracht volgens een bijzonder verhoudingsgetal. Voor de facturen opgenomen in tabel B (dit betreft facturen voor o.a. nutsvoorzieningen, abonnement boekhoudpakket, huur container) werd het bijzonder verhoudingsgetal bepaald volgens de verhouding belaste handelingen excl. BTW ten opzichte van totale belaste en niet belaste handelingen (concreet bekwam men alzo een bijzonder verhoudingsgetal van 73% voor 2014 en van 71% voor 2015). Voor de facturen (bestemd voor het nieuw opgericht gebouw: gelijkvloers kleedkamers - bovenverdieping kantine, vergaderlokalen en een keuken) opgenomen in tabel C van het proces-verbaal werd het bijzonder verhoudingsgetal berekend op basis van de verhouding: oppervlakte van een gebouw gebruikt voor de belaste activiteit ten opzichte van de totale oppervlakte van het gebouw gebruikt voor de belaste en niet belaste handelingen (concreet bekwam men alzo een bijzonder verhoudingsgetal van 50%).
Uit de concrete en objectieve gegevens van het dossier blijkt dat door eiseres in hoger beroep goederen en diensten (opgenomen in tabel Ben C) worden gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek ontstaat (uitbating kantine, sponsoring) zowel ais voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat (art. 44 §2, 3° WBTW).
Te dezen blijkt echter geenszins zoals eiseres in hoger beroep voorhoudt dat de kwestieuze kosten alleen betrekking zouden hebben op de belastbare handelingen.
Ten onrechte houdt eiseres in hoger beroep voor dat bepaalde kosten zouden zijn gemaakt voor de belaste handeling zijnde het verlenen van het recht tot toegang tot sportverrichtingen.
De eerste rechter oordeelde terecht dat eiseres in hoger beroep niet bewijst dat er in de jaren 2014 en 2015 inkomgelden werden gevraagd zodat er ook geen sprake kan zijn van een belastbare handeling bestaande uit het verlenen van toegang tot sportverrichtingen.
Eiseres in hoger beroep verwijst naar diverse getuigenverklaringen. Het hof stelt samen met de eerste rechter vast dat deze verklaringen worden tegengesproken door de verklaring van de heer I.D., bestuurder van eiseres in hoger beroep. ln het proces-verbaal van vaststellingen van 24/04/2017 (dat geldt tot het bewijs van het tegendeel) werd het volgende vermeld: "Wij vroegen aan de heer I.D. vanaf wanneer er inkom gevraagd werd. De heer I.D. verklaarde: Wij vragen nu gedurende een maand inkom. Dit om het eens te proberen. Vanaf 01.07.2017 is onze nieuwe kantine klaar en dan beginnen wij met maa/tijden te verkopen via een traiteur. Dan zu/len we inkom vragen en ook lidgeld aan onze spelers".
Uit de BTW-aangiften van eiseres in hoger beroep blijkt ook dat er voor de gecontroleerde periode 2014 en 2015 geen inkomgelden werden opgenomen in vak 01 (6%) van de ingediende BTW-aangiften.
Uit de voorgelegde gegevens blijkt dat de enige belastbare activiteit die eiseres in hoger beroep in 2014 en 2015 uitoefende en waarvan de nodige boekhoudkundige stukken worden voorgelegd, betrekking had op de uitbating van de kantine, alsook sponsorgelden.
Eiseres in hoger beroep toont ook niet aan dat er in 2014 en 2015 al een oprechte bedoeling bestond om de belaste handeling zijnde het verlenen van het recht tot toegang tot sportverrichtingen te verrichten.
Eiseres in hoger beroep toont geenszins aan dat te dezen voldaan is aan het bestemmingsbeginsel met betrekking tot het nieuwe stadion en de aanleg van kunstgras.
Op het ogenblik van de aanvang van de controle 16/03/2017 was er nog geen sprake van inkomgeld. Meer nog blijkt dat op het ogenblik van de ingebruikname van de nieuwe infrastructuur in 2016 er geen inkomgelden werden aangegeven. Het louter gegeven dat men in 2017 "inkomgelden" heeft aangegeven is onvoldoende ais bewijs. Eiseres in hoger beroep komt desbetreffend niet verder dan loutere beweringen.
Wat betreft de aangevoerde bestemming voor de belaste activiteit zijnde de terbeschikkingstelling van het stadion onder het stelsel van de btw aan VZW BLST. (waar de jeugdploegen werden ondergebracht), stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep eveneens faalt in de op haar berustende bewijslast. De voorgelegde overeenkomst is onduidelijk wat betreft de erop vermeldde datum "15 oktober 208 (sic)". Deze overeenkomst kon tijdens de controle niet voorgelegd worden en er werd van dit voornemen tijdens de controle zelfs geen melding gemaakt. Het is pas in het jaar 2019 (tijdens de gerechtelijke fase) dat er uitgaande facturen werden voorgelegd aan de belastingadministratie met betrekking tot deze terbeschikkingstelling.
Het blijkt dan ook niet dat de investeringen die in 2014 en 2015 gebeurden toen reeds bestemd waren voor het stellen van belastbare handelingen, zoals eiseres in hoger beroep tracht voor te houden.
De kosten met uitzondering van de kosten opgenomen in tabel A (die wel uitsluitend kunnen toegewezen worden aan de sector zonder recht op aftrek-art. 44 §2, 3° WBTW) kunnen niet uitsluitend worden toegewezen aan een bepaalde uitgaande handeling.
De concrete berekening van het bijzonder verhoudingsgetal gebeurde correct door de belastingadministratie, zowel wat betreft de facturen opgenomen in tabel B, ais in tabel C.
Wat betreft de facturen opgenomen in tabel B wordt de berekening op zich van het bijzonder verhoudingsgetal cijfermatig niet betwist door eiseres in hoger beroep.
Wat betreft de facturen opgenomen in tabel C stelt het hof vast dat de aftrek van de BTW terecht door de belastingadministratie beperkt werd op basis van het verhoudingsgetal 50/50.
Hoger werd reeds gesteld dat zich op het gelijkvloers de kleedkamers bevinden. Op de bovenverdieping bevinden zich de kantine, vergaderlokalen en een keuken. Op basis van de oppervlakte van het gebouw is 50% van het gebouw bestemd voor de vrijgestelde activiteit van artikel 44 §2, 3° WBTW ni. het gelijkvloers en 50 % voor de belaste activiteit {bovenverdieping).
Eiseres in hoger beroep bewijst geenszins dat de infrastructuur op een andere manier wordt aangewend.
Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af ais niet ter zake dienend en/of overbodig.
De vordering van eiseres in hoger beroep is derhalve ongegrond.
2.2 De administratieve qeldboete?
Eiseres in hoger beroep verzoekt om de opgelegde geldboete kwijt te schelden dan wel evenredig te verminderen. Zij meent dat boete van 10% onevenredig is met de begane overtreding. Eiseres in hoger beroep is van oordeel dat er geen boete kan worden opgelegd omdat het een principiële betwisting zou betreffen over de al dan niet gemengde belastingplichtig van eiseres in hoger beroep en er zou daarenboven geenszins sprake zijn van een intentioneel begane fout. Tenslotte vraagt zij vast te stellen dat er redenen zijn om de boete met uitstel uit te spreken.
Los van het feit dat er geen verzoek is geweest aan de minister (art. 9 Regentbesluit 18/03/1831 ) is er in onderhavig geschil sowieso geen sprake van onevenredigheid.
Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboete wettelijk, voldoende gemotiveerd is en in redelijk verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
Het hof ziet geen redenen om de boete (10 %) kwijt te schelden of te verminderen, noch om enig uitstel toe te kennen. Het betreft hier geenszins een principiële betwisting en de inbreuken liggen ook geenszins buiten de wil van eiseres in hoger beroep. De gemengde belastingplicht werd vastgesteld naar aanleiding van de BTW-controle. Eiseres in hoger beroep heeft haar recht op BTW-aftrek niet toegepast overeenkomst de BTW-wetgeving.
Door eiseres in hoger beroep werden inbreuken gepleegd op de BTW-wetgeving die in de toekomst moeten worden vermeden en een sanctie verdienen. Om dat doel te bereiken en om in verhouding te staan tot de ernst van de inbreuk is een boete van 10 % gepast.
Gelet op voorgaande acht het hof het niet nodig verder in te gaan op de overige argumenten aangehaald door partijen. Het hof wijst deze af ais niet langer ter zake dienend en/of overbodig.
2.3 De interesten
Eiseres in hoger beroep stelt dat er ten onrechte interesten worden aangerekend aan 9,6% (art. 91 §1, 1° WBTW) wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. Zij verwijst naar de aanpassing door de wetgever van artikel 414 WIB92 aan de economische realiteit. Zij stelt dat de schade van de Staat inzake BTW niet groter is dan de schade van de Staat inzake inkomstenbelastingen en dat er geen redelijke verantwoording is voor het feit dat inzake BTW een vaste interestvoet van 9,6 % op jaarbasis gehanteerd wordt, terwijl inzake inkomstenbelastingen een aan de economische realiteit aangepaste interestvoet wordt gehanteerd. Zij houdt voor dat dit een schending inhoudt van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet en verzoekt het hof om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, zoals hoger weergegeven. Zij houdt voor dat de toestand van beide belastingen dezelfde is en een onderscheid wat betreft de gevorderde interesten dus niet is verantwoord.
Tevens houdt eiseres in hoger beroep voor dat artikel 91 §1, 1° WBTW het evenredigheids en gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet zou schenden doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8 % per maand (9,6% per jaar), terwijl op basis van artikel 91 §2 bis WBTW (oud art. 91 §4 WBTW) slechts een interest verschuldigd is van 7% per jaar.
Eiseres in hoger beroep betwist aldus de wettigheid van de intresten zoals bepaald in art. 91 §1, 1° WBTW. Zij verzoekt het hof om de hoger geciteerde twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Nalatigheidsinteresten hebben tot doel de belangen van de Schatkist te vrijwaren en te zorgen voor een efficiënte belastinginning. ln de BTW heeft de laattijdige betaling tegelijk tot gevolg dat het typische BTW-mechanisme wordt verstoord (de belastingplichtige is in de regel zelf ontvanger van de BTW die aan de Schatkist verschuldigd is. Hij moet daarvan periodieke aangifte indienen en deze meteen uit eigen beweging betalen). Het gaat hier om geld dat niet aan de belastingplichtige toebehoort en nooit heeft toebehoord.
De hoge interestvoet in BTW is kennelijk verantwoord om de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun betalingsverplichtingen te voldoen. Het feit dat deze interestvoet afwijkt (hoger is dan) van het gemeen recht is kennelijk niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel (vgl. GwH 29 november 2018, nr. 168/2018, overweging 8.8.4.).
Tegen voormelde achtergrond is het feit dat de rentevoet voor nalatigheidsinterest op niet tijdig betaalde BTW of ingeval van ontoereikende maatstaf van heffing op 0,8 % per maand of 9,6% per jaar is bepaald, niet in strijd met het eigendomsrecht. Dat dit tarief hoger is dan wat toepasselijk is in de BTW in andere gevallen (7% overeenkomstig art. 91 §4 WBTW, thans art. 91 §2 bis WBTW, onder meer van toepassing op de administratieve geldboete die de administratie bij overtreding van de wet oplegt) dan de hiervoor bedoelde gevallen blijft klaarblijkelijk redelijk verantwoord gelet op de doelstelling om de betaling van de BTW te verzekeren en rekening houdende met het typische BTW-mechanisme.
Zelfs een substantieel verschil specifiek tussen de nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet beschouwd ais een inbreuk op artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM (vgl. EHRM, Viaropoulou e.a. t. Griekenland, nr. 570/11, nr. 737/11, 25 september 2014).
Uit de loutere vaststelling dat voor nalatigheidsinteresten in de BTW-wetgeving een hogere interestvoet van toepassing is dan de nalatigheidsinteresten in de inkomstenbelasting kan evenmin klaarblijkelijk een schending van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM worden afgeleid (evenredigheidsbeginsel).
ln het licht van de scheiding der machten behoort het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen wanneer een beleidswijziging noodzakelijk is. Dat geldt des te meer in fiscale aangelegenheden, waar de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De wetgever heeft hier klaarblijkelijk in aile redelijkheid een beleidswijziging noodzakelijk geacht in de inkomstenbelasting (zie art. 77 en 79 wet van 25/12/2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting). De BTW verschilt fundamenteel van de andere belastingen. ln de BTW is het niet de belastingplichtige die de uiteindelijke last van de belasting draagt maar de belastingdruk wordt geheel en uitsluitend op de eindverbruiker gelegd door de mogelijkheid van aftrek van de voorbelasting. Dit onderscheid rechtvaardigt klaarblijkelijk een verschillende behandeling met betrekking tot de tarieven van de nalatigheidsinteresten.
De wettelijke bepalingen van de respectievelijke belastingen (BTW en inkomstenbelastingen) zijn bovendien op dezelfde wijze van toepassing op alle belastingplichtigen die onder het toepassingsgebied van respectievelijk de BTW en de inkomstenbelasting vallen.
Verder is het hof van oordeel dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van belastingplichtigen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende voorschriften op verschillende situaties en omstandigheden op zich klaarblijkelijk niet discriminerend is. De wetgever is immers niet verplicht om deze onderscheiden procedures van toepassing op verschillende situaties volledig gelijkvormig te maken (vgl. Grondwettelijk Hof 29 november 2018, 2019/25, TFR, 2019, 561, 448). Er is klaarblijkelijk geen schending van de artikelen 10 en 11 GW.
Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot theoretische overwegingen, doch haalt geen concrete elementen aan die zouden moeten onderbouwen dat de toegepaste interestvoet van 0,80% per maand dermate disproportioneel is dat deze ais straf dient beschouwd te worden en niet als !outer vergoedend.
Er is kennelijk geen sprake van een onevenredige beperking van de rechten van de betrokkene (art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM).
Eiseres in hoger beroep toont ook niet aan dat de toepassing van art. 91 §1, l0 WBTW een onevenredige beperking van haar rechten met zich zou meebrengen.
Het hof acht het dan ook niet nodig om de voorgestelde 2 prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM, aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank en het hof over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grand van artikel 6.1 EVRM (vergelijk EHRM 14 september 2004, F.J.F. 2005/126, EHRM 12 juli 2001, T.F.R.2001/94 en Cass., 23 jan. 1992,Pas., 1992,1,nr.269,p.453}. Evenmin ligt er te dezen een kennelijke schending van een grondwettelijke bepaling voor wat betreft de toepasselijke wettelijke nalatigheidsinteresten overeenkomstig artikel 91 §1 WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil.
2.4 De rechtspleqinqsverqoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten gewezen te worden.
Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 6.500 euro.
Het hof laat de bijdrage betaald aan het Begrotingsfonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) in hoger beroep, vereffend op 20 euro, ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op
6.500 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof laat de bijdrage betaald aan het Begrotingsfonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) in hoger beroep, vereffend op 20 euro, ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 21 september 2021 door ...
Ondertekeningen
Décision jointe par le SPF
Texte du jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A kamer
Eindvonnis d.d. 27.02.2020
Rol: AR 18/1013/A
IN ZAKE:
BLST. VZW, met maatschappelijke zetel te ..., met ondernemingsnummer BE 040...67. - eiseres - Ter zitting vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat, kantoor houdende te ...
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, ADMINISTRATIE KMO. handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 106. - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw Y, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.
VOLGT HET VONNIS:
Gelet op:
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.05.2018;
- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 07.06.2018;
- de wijzigende beschikking van 08.11.2018;
- de eerste conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de conclusies en syntheseconclusies, nieuwe syntheseconclusies, nota en stukken van eiseres.
Voorafgaand: weren van conclusies uit de debatten:
Het dossier is vastgesteld overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. bij beschikking van 07.06.2018.
Eiseres heeft op 10.05.2019 nieuw syntheseconclusies neergelegd ter griffie daar waar de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. ais uiterste datum van neerlegging 07.04.2019 voorzag.
Eiseres stelt dat de neerlegging van deze besluiten gerechtvaardigd wordt doordat verweerster in haar laatste besluiten een arrest van het Hof van Justitie van 14.12.2016 heeft aangehaald en waarover zij wenste standpunt in te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat deze reden de laattijdige neerlegging van de besluiten niet rechtvaardigt en dat deze overeenkomstig art. 747 Ger.W. ambtshalve uit de debatten te worden geweerd.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN:
Eiseres, de VZW BLST., is geregistreerd ais BTW-belastingplichtige onder het nummer BE 040...67 met ais activiteit eetgelegenheden met beperkte bediening en exploitatie van sportaccommodaties (BTW} (vanaf 01/01/2008} en activiteiten van voetbalclubs (RPB} (vanaf 22/11/2012}. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van het BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 16.03.2017 en 15.09.2017 vonden er BTW-controles plaats op de maatschappelijke zetel van eiseres te ... met betrekking tot de periode 01.01.2014 t.e.m. 31.12.2015.
Bij deze controles werden er een aantal onregelmatigheden inzake de toepassing van de BTW vastgesteld, te weten:
1. lnbreuken op de verplichting om de BTW geheven van de ontvangen goederen en diensten in aftrek te brengen volgens hun werkelijk gebruik door een belastingplichtige die handelingen verricht waarvoor op grand van art 45 WBTW aanspraak op aftrek bestaat, alsook andere handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat;
2. lnbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
Deze overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 21.11.2017. Uit het proces-verbaal bleek dat de belastingplichtige volgende bedragen verschuldigd is:
- 86.047,08 euro aan BTW;
- 8.600,00 euro aan geldboete;
- de op grand van artikel 91 § 1 WBTW van rechtswege verschuldigde intresten aan 0,8 % per maand te rekenen over 86.040,00 euro vanaf 21.01.2016
(zie stuk 2, bundel administratie)
Op grand van dit proces-verbaal werd op 08.12.2017 een dwangbevel uitgevaardigd, dezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar verklaard in opdracht van de centrumdirecteur KMO (zie stuk 3, bundel administratie).
ln dit dwangbevel werden de hoger vernoemde bedragen gevorderd alsook:
- de nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2017 overeenkomstig art. 91, §1 WBTW;
- desgevallend de moratoire intresten te berekenen op aile nog verschuldigde sommen niet bedoeld onder vorig gedachtestreepje, die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van onderhavig dwangbevel overeenkomstig art. 91, § 4 WBTW;
- de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.
Bij mail van 29.11.2017, 14.12.2017, 12.01.2018 en 29.01.2018 diende de raadsman van eiseres bezwaarschriften in (zie stuk 5, bundel administratie).
Op 15.03.2018 werd naar aanleiding van deze bezwaarschriften een beslissing genomen door het Centrum KMO Hasselt - Expertise 1 (zie stuk 6, bundel administratie).
Vervolgens werd een bijkomend bezwaar ingediend op 27.03.2018 (zie stuk 7, bundel administratie).
De administratie heeft hierop geantwoord dat dit bijkomend bezwaar geen nieuwe argumenten bevat en dat de getroffen beslissing van 15.03.2018 aldus behouden blijft (zie stuk 8, bundel administratie).
Bij verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd door eiseres op 08.05.2018 stelde eiseres een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING:
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde:
De betwisting tussen partijen beperkt zich tot de hierna volgende rubrieken.
De raadsman van eiseres stelde dat er geen betwisting meer gevoerd wordt over rubriek Il van het proces-verbaal van regularisatie (inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit).
2.1. Met betrekking tot de inbreuken op de verplichting om de BTW geheven van de ontvangen goederen en diensten in aftrek te brengen volgens hun werkelijk gebruik door een belastingplichtige die handelingen verricht waarvoor op grand van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, alsook andere handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat (rubriek 1. A, B en C van het proces-verbaal van regularisatie - stuk 2).
De administratie is van oordeel dat eiseres een "gemengde belastingplichtige" is en tijdens de periode vanaf 01.01.2014 tot en met 31.12.2015 zowel belastbare handelingen verricht (uitbating kantine, sponsoring) waarvoor op grand van artikel 45 § 1 WBTW recht op aftrek bestaat alsook van de belasting vrijgestelde handelingen verstrekt zijnde diensten voorzien in artikel 44, § 2, 3° WBTW (of diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen) waarvoor op grand van artikel 45, § 1 WBTW geen recht op aftrek bestaat.
Hiermee rekening houdend ging de administratie over tot een herziening voor wat betreft de periode 01.01.2014 t.e.m. 31.12.2015.
De administratie stelde dat voor de facturen opgenomen onder de tabellen A, B en C:
- de BTW niet aftrekbaar is omdat ze betrekking heeft op handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat zijnde handelingen voorzien in artikel 44,§ 2, 3° WBTW (tabel A);
- de BTW aftrekbaar is op grand van een bijzonder verhoudingsgetal dat werd bepaald volgens de verhouding: belaste handelingen excl. BTW ten opzichte van totale belaste en niet belaste handelingen (tabel B);
- de BTW aftrekbaar is volgens een bijzonder verhoudingsgetal berekend op basis van de verhouding: oppervlakte van een gebouw gebruikt voor de belaste activiteit ten opzichte van de totale oppervlakte van het gebouw gebruikt voor de belaste en niet belaste handelingen (tabel C).
Volgens aanlegster kan er slechts sprake zijn van een gemengde belastingplichtige indien er kosten worden gemaakt die betrekking hebben op beide activiteiten samen, zijnde de belaste activiteit en de vrijgestelde activiteit. Het probleem van de berekening van de aftrek kan zich alleen voordoen voor gemengde kosten.
- Wat betreft de facturen opgenomen in tabel A:
Voor wat de facturen vermeld in tabel A stelt de administratie dat er geen recht op aftrek is omdat:
- er zouden geen belastbare handelingen gesteld zijn van het verlenen van recht op toegang tot sportverrichtingen omdat er geen inkomgeld zou gevraagd zijn;
- de kosten zouden eveneens betrekking hebben op de vrijgestelde activiteiten van het geven van sportbeoefening of het verlenen van recht op gebruik van sportinrichting.
Eiseres is de mening toegedaan dat de kosten opgenomen in tabel A volledig gelieerd zijn aan de belaste activiteit behoudens een aantal kosten die een gemengd karakter hebben omdat ze gedeeltelijk op de jeugdspelers betrekking hebben en de activiteit van de jeugdspelers langs de ene kant onderworpen is aan BTW omdat ze deel uitmaakt van een belastbare activiteit en anderzijds eventueel deel kan uitmaken van een vrijgestelde activiteit wegens het laten spelen van spelers. Een omdeling van de betreffende kosten zou moeten gebeuren volgens een verhoudingsgetal.
Het uitgangspunt van eiseres hierbij is dat er wel degelijk sprake is van een belaste activiteit omdat er in de jaren 2014 en 2015 inkomgelden werden gevraagd.
De rechtbank stelt evenwel vast dat uit de BTW-aangiften van eiseres blijkt dat er voor de controleperiode 2014 en 2015 geen inkomgelden werden opgenomen in vak 01 (6%) van de ingediende BTW-aangiften.
Eiseres wilt dit bewijs leveren aan de hand van de getuigenverklaringen van diverse personen.
Deze verklaringen worden echter tegengesproken door de heer I.D., bestuurder van de VZW BLST.. ln het proces-verbaal van vaststelling van 24.04.2017 werd vermeld : "Wij vroegen aan de heer I.D. vanaf wanneer er inkom gevraagd werd. De heer I.D. verklaarde: Wij vragen nu gedurende een maand inkom. Dit om het eens te proberen. Vanaf 01.07.2017 is onze nieuwe kantine klaar en dan beginnen wij met maaltijden te verkopen via een traiteur. Dan zullen we inkom vragen en ook Jidgeld aan onze spelers". (zie stuk 11, bundel administratie).
Uit de vaststellingen van de administratie, die bewijskrachtig zijn ni. de BTW-aangiften en de verklaring van de heer I.D., werd terecht afgeleid dat er geen inkomgelden werden gevraagd zodat de administratie terecht tot herziening overging.
De enige belastbare activiteit die eiseres op dat ogenblik uitoefende en waarvan de nodige boekhoudkundige bewijsstukken worden voorgelegd, had betrekking op de uitbating van de kantine alsook sponsorgelden.
De vordering van eiseres is wat betreft dit onderdeel ongegrond.
- Wat betreft de facturen opgenomen in tabel B:
De activiteiten van eiseres tijdens de jaren 2014 - 2015 bestaan uit:
- uitbating kantine, sponsoring (belaste activiteit)
- diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen (vrijgestelde activiteit van artikel 44, § 2, 3° WBTW).
ln tabel B wordt het recht op aftrek berekend op grond van het bijzonder verhoudingsgetal bepaald volgens de verhouding belaste handelingen excl. BTW ten opzichte van totale belaste en niet belaste handelingen.
Het betreft het recht op aftrek met betrekking tot goederen en diensten die voor beide sectoren (belastbare handelingen zoals uitbating kantine, sponsoring alsook van de belasting vrijgestelde handelingen zijnde diensten voorzien in artikel 44, § 2, 3° WBTW) bestemd zijn o.a. nutsvoorzieningen, abonnement boekhoudpakket, huur container.
De belaste handelingen hebben betrekking op de inkomsten van de uitbating kantine en sponsoring terwijl de niet belaste handelingen betrekking hebben op vergoedingen voor opleiding en lidgelden.
Ten onrechte houdt eiseres voor dat bepaalde kosten zouden zijn gemaakt voor de belaste handeling zijnde het verlenen van recht tot toegang nu blijkt dat er in de kwestieuze jaren geen inkom werd gevraagd.
De vordering van eiseres is wat betreft dit onderdeel ongegrond.
- Wat betref t de facturen opgenomen in tabel C:
ln het geval waarin de sportclub voor de uitoefening van haar recht op aftrek geen gebruik maakt van het algemeen verhoudingsgetal bedoeld in artikel 46, § 1 WBTW, dient er ten aanzien van de btw verschuldigd op de kosten die betrekking hebben op het gebruik van die infrastructuur een bijzonder verhoudingsgetal vastgesteld te worden. De concrete vaststelling van de verhouding tussen het gebruik van de infrastructuur voor vrijgestelde activiteiten enerzijds en voor belaste activiteiten anderzijds, behoort tot de bevoegdheid van de controlerende ambtenaar die daarbij rekening dient te houden met de feitelijke omstandigheden die van sportclub tot sportclub verschillend zijn.
Op het gelijkvloers bevinden zich kleedkamers. De bovenverdieping is een kantine, vergaderlokalen en een keuken. Op basis van de oppervlakte van het gebouw is 50% van het gebouw bestemd voor de vrijgestelde activiteit van artikel 44, § 2, 3° (gelijkvloers) en 50% voor de belaste activiteit (bovenverdieping).
Op basis van dit verhoudingsgetal 50/50 werd de aftrek beperkt.
De administratie heeft dit verhoudingsgetal correct berekend, eiseres bewijs geenszins dat de infrastructuur op een andere manier wordt aangewend.
De vordering van eiseres is wat betreft dit onderdeel ongegrond.
2.2. M.b.t. de strijdigheid van art. 46 WBTW met de Ri.2006/112:
De BTW-administratie steunt haar vordering op art. 46 WBTW. Deze bepaling is volgens eiseres strijdig met de Ri. 2006/112. De vordering is aldus gesteund op onwettelijke bepalingen en bijgevolg, aldus eiseres, nietig.
De rechtbank is van oordeel dat art. 46 §2 WBTW conform is met de artikelen 168 t.e.m. 175 van de Ri 2006/112.
De rechtbank verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van Justitie van 14.12.2016 (C 378/15, Mercedes Benz ltalia SpA) waarin het Hof stelt:
"Artike/ 17, /id 5, derde alinea onder d) en artike/ 19 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting- Gemeenschappelijk stelse/ van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme gronds/ag, moeten a/dus worden uitge/egd dat zij niet in de weg staan aan een nationale rege/ing en een nationale praktijk, zoals die we/ke in het hoofdgeding aan de orde zijn, op grond waarvan een belastingplichtige verplicht is:
- voor aile door hem verworven goederen en diensten een pro rata voor de toepassing van de aftrek toe te passen dat is gebaseerd op de omzet, zonder dat is voorzien in een berekeningsmethode die is gebaseerd op de aard en de daadwerke/ijke bestemming van elk van de verworven goederen en diensten en objectief weergeeft welk aandeel van de uitgaven werke/ijk toe te rekenen is aan elk van de belaste of niet-belaste activiteiten
(Artikel 17 en 19 van de richtlijn naar waarin dit arrest naar verwezen wordt, zijn ondertussen opgenomen in artikel 173,174 en 175 van de Richtlijn 2006/112: zie stuk 15, administratief bundel).
2.3. M.b.t. het bestemmingsprincipe:
Eiseres is van oordeel dat indien toch dient te worden aangenomen dat er in de jaren 2014 en 2015 geen recht op toegang tot een sportinrichting werd verleend onder bezwarende titel en er zodoende geen belastbare handeling is, dat evenwel voor een aantal kosten het bestemmingsbeginsel geldt.
Eiseres verwijst naar het arrest Rompelman waarin wordt gesteld dat het recht op aftrek onmiddellijk kan worden uitgeoefend ais er een intentie bestaat om belastbare handelingen te stellen.
Wanneer het voornemen om een aanvang te maken met een economische activiteit die tot belastbare handelingen zal leiden, te goeder trouw is kenbaar gemaakt en dit voornemen wordt ondersteund door objectieve elementen, geniet de belastingplichtige het recht om onmiddellijk de BTW af te trekken die verschuldigd of voldaan is voor goederen of diensten die hij heeft ontvangen met het oog op voorgenomen economische activiteiten, en verzetten het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel er zich tegen, dat een wetswijziging die tot stand komt nadat deze goederen zijn geleverd of deze diensten zijn verricht, hem met terugwerkende kracht dit recht ontneemt.
Het recht op aftrek m.b.t. de kosten die specifiek betrekking hebben op het aanleggen van het nieuwe stadion en het nieuwe kunstgrasveld zou dan ook onmiddellijk zijn ontstaan omdat deze kosten werden gemaakt om belastbare handelingen te stellen zijnde het verlenen van het recht op toegang tot de sportinrichting.
Derhalve dien er nagegaan te worden of eiseres in 2014 en 2015 investeringen heeft gedaan die bestemd waren voor het stellen van belastbare handelingen in een later tijdperk en of dit voornemen reeds kenbaar werd gemaakt en ondersteund werd door objectieve gegevens.
Volgens eiseres kan dit worden aangetoond:
- vanaf 2016 worden er inkomsten aangegeven aan 6% ni. de inkomgelden tot het stadion en werd het nieuwe kunstgrasveld en het nieuwe stadion vanaf 2016 voor BTW activiteiten gebruikt;
- sedert 01.01.2016 wordt het stadion middels een overeenkomst van terbeschikkingstelling "verhuurd" onder het stelsel van de BTW aan de VZW BLST.
Op grand van het bestemmingsbeginsel is de BTW dan ook aftrekbaar volgens eiseres.
Evenwel stelt de rechtbank vast dat er op het ogenblik van de aanvang van de centrale 16.03.2017 nog geen sprake was van inkomgeld, dat er in 2016 geen inkomsten zijn aangegeven aan 6%, en er in de boekhouding geen facturen werden aangetroffen i.v.m. de facturatie van de terbeschikkingstelling van het stadion aan de VZW BLST.
Eiseres brengt geen objectieve gegevens aan die haar voornemen om tot het stellen van belastbare handelingen over te gaan, staaft.
Deze vordering is derhalve ongegrond.
2.4. M.b.t. de opgelegde boete:
Eiseres streeft de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde geldboete na of ze of te verlenen met uitstel.
De opgelegde geldboete voor de overtredingen opgenomen in het proces-verbaal van 21.11.2017 die krachtens artikel 70 §lbis WBTW in principe het dubbel van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW bedraagt, werd conform de richtlijnen verstrekt in het KB nr.41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag der proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde , verminderd tot 8.600,00 euro (tabel H).
Een bestraffing met 10 % van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW sluit volgens verweerder volledig aan bij de zwaarte van de in casu begane overtreding en is geenszins onevenredig hiermee.
De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval geen concrete elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.
Nu de geldboeten werden opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een herhaalde onvoorzichtigheid van eiseres, sluit deze in de gegeven omstandigheden aan bij de feiten.
De vordering is dan ook ongegrond.
Eiseres verzoekt verder de rechtbank om de geldboete minstens gepaard te laten gaan met een uitstel.
De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boeten evenwel in functie van het nagestreefde doel in het concreet geval enigszins disproportioneel belastend te zijn voor de belastingplichtige en dit vergeleken met het voordeel dat het algemeen belang eruit kan halen.
Aan de rechtbank worden evenwel geen stukken overlegd waaruit zou blijken dat de opgelegde geldboete disproportioneel belastend is voor eiseres zodat dit verzoek ongegrond voorkomt.
De vordering van eiseres wat betreft het te verlenen uitstel is dan ook ongegrond.
2.5. M.b.t. de intresten:
Eiseres is van oordeel dat een intrest van 9,6% op basis van art. 91 § 1 WBTW discriminatoir is' en strijdig is met art. 10, 11 en 172 van de Grondwet.
Art. 11 van de Grondwet legt de wetgevende instanties op de burgers gelijk te behandelen.
Het gelijkheidsbeginsel sluit evenwel niet uit dat er een verschil in behandeling wordt ingesteld (zie Cass., 8 juni 2006, F.J.F., nr. 2006/268; Cass., 30 november 2006, F.J.F., nr. 2007/92}. Het gelijkheidsbeginsel belet niet dat een bepaalde categorie anders wordt behandeld voor zover er een redelijke en objectieve verantwoording bestaat.
ln casu steunt het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het ene geval de Staat is, die het algemeen belang behartigt, en die in het andere geval een particulier kan zijn, die zich door een persoonlijk belang mag laten leiden.
ln het arrest Viaropoulou e.a. t. Griekenland van 25 september 2014 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het niet onverantwoord is dat de Staat, voor de moratoriuminteresten die hij verschuldigd is in de uitvoering van zijn taken van algemeen belang, een rentevoet bepaalt die vier procentpunt lager is dan de rentevoet die van toepassing is op de moratoriuminteresten die particulieren moeten betalen. Een dergelijk beperkt verschil schendt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet.
Het feit dat in art. 91 § 1 WBTW een interest gevraagd wordt van 0.8% per maand en minstens een intrest van 7% terwijl in burgerlijke zaken de burger slechts een intrest moet betalen overeenkomstig art. 2 § 1 van de wet van 05.05.1865 dewelke in casu slechts 2 à 3 % bedraagt, kan dan ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaken.
e rechtbank oordeelt ook dat er geen reden is om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007} en de onmiddellijke toepassing van deze wet op aile hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14}.
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging van door een raadsman en tot de bijdrage van 20,00 euro voor het fonds voor juridische bijstand.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 27.02.2020. alwaar zetelden: ...
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.