Amendes légales, Fraude · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 4 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Amendes légales, Fraude

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-legales-fraude-amende-tribunal-anvers-2025-06-04-f897

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
4 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

108 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 04.06.2025

WF 713-15-24/000975 - Finality 55332692

[ Jugement partiellement favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes légales – Fraude

Dispositions légales

Article 70, §1 CTVA

Résumé du jugement

1. Faits et antécédents de procédure

Le demandeur est enregistré depuis le 1er janvier 2021 comme assujetti à la TVA pour l'activité de réparateur. Il a cessé son activité avec comme date effective de cessation le 31/03/2022.

Au cours de la période pendant laquelle son numéro de TVA était actif, il n'a déclaré aucun chiffre d'affaires. Lors d'un contrôle effectué auprès d'un autre assujetti, plusieurs factures, avec TVA, émises par le demandeur ont été découvertes. Douze de ces factures datent même de l'année précédant son enregistrement en tant que contribuable assujetti à la TVA. Au total, il s'agit de 23 factures émises avec TVA qui n'ont jamais été déclarées dans une déclaration de TVA.

Ces infractions ont donné lieu à un procès-verbal constatant un montant de TVA dû de 34 563,47 euros et, compte tenu de l'intention d'éluder l'impôt, une amende de 200 %, soit 69 126,94 euros, a été infligée au demandeur sur la base de l'article 70, § 1, du Code de la TVA. Le requérant a ensuite introduit une requête sur la base de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831 en vue d'obtenir une réduction ou une remise de l'amende de 200 % infligée. Cette requête a été rejetée par décision administrative. La dette fiscale a ensuite été inscrite au registre de perception et recouvrement et déclarée exécutoire, puis notifiée au demandeur. Le demandeur a alors introduit une requête contradictoire auprès du greffe du tribunal de première instance d'Anvers.

2. Décision

Selon le tribunal, l'administration fiscale est parvenue à la conclusion justifiée qu'il y avait intention d'éluder l'impôt. Le demandeur a systématiquement omis d'inclure des opérations imposables dans ses déclarations de TVA et n'est pas en mesure de fournir une explication crédible à cet égard, de sorte que cela ne peut être interprété autrement que comme une tentative délibérée d'échapper à l'impôt. Il ne s'agit pas d'un oubli, d'un malentendu ou d'une négligence. Le tribunal estime toutefois qu'une amende de 200 % est disproportionnée en l'espèce.

Il ne semble pas que le demandeur ait déjà été condamné pour des infractions fiscales antérieures. En outre, le demandeur a entre-temps cessé son activité, il est à la retraite et, selon sa propre déclaration, qui n'est pas contestée par le défendeur, il dispose de moyens financiers limités. Le tribunal estime que les circonstances susmentionnées constituent un motif valable pour accorder un sursis partiel au demandeur et ne lui infliger effectivement que 50 % de l'amende.

Le tribunal constate toutefois que le Code de la TVA ne prévoit pas la possibilité d'infliger l'amende avec un sursis (partiel), et ce malgré le fait que le législateur sait depuis 2008 déjà que l'introduction dans le droit fiscal de sanctions à caractère pénal (article 6 CEDH) sans possibilité d'accorder un sursis est inconstitutionnelle. La Cour de cassation a jugé que lorsque la loi ne prévoit pas cette possibilité et que le tribunal estime qu'un sursis doit être accordé, il doit offrir au contribuable la réparation appropriée en refusant d'appliquer la disposition légale qui a édicté la sanction.

Dans cette affaire, le tribunal n'a donc d'autre choix que de déclarer partiellement inapplicable l'article 70, § 1, alinéa 1, CTVA, ce qui l'amène à conclure que l'amende infligée en l'espèce est partiellement illégale et doit être annulée dans la mesure où elle dépasse 50 %.

Le tribunal ramène donc l'amende de 200 % à 50 %.

Texte intégral:

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen dd. 04.06.2025

24/2260/A

Inzake:

X., (cfr. verzoekschrift, conclusie),

X., (cfr. Rijksregister),

geboren op … en wonende te …, RRN: …,

eiser

vertegenwoordigd ter zitting door Mr. B.M. te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met correspondentieadres te 2800 MECHELEN, Zwart Zustersvest 24 bus 17, KBO: 0308.357.159,

verweerder

vertegenwoordigd ter zitting door de heer V.R., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 4 juni 2024, ingeschreven ter griffie op 4 juni

2024;

- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 6 september 2024,

waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 7 mei 2025.

1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de boete van de btw-schuld in hoofde van eiser opgenomen in het innings- en invorderingsregister opgemaakt op 17 juni 2024 en uitvoerbaar verklaard op 18 juni 2024 met artikelnummer 500.2897.66052 voor een bedrag van 39.881,14 euro.

Eiser diende op 5 januari 2021 een formulier 604A in, te weten een aanvraag tot identificatie voor btw-doeleinden bij aanvang van een activiteit (stuk 1 AD). Eiser gal aan zich vanaf 1 januari 2021 te willen registreren als klusjesman met een vermoedelijk jaarlijks omzetcijfer van 30.000,00 euro.

Eiser kreeg hierop van de belastingadministratie een btw-nummer toegekend vanaf 1 januari 2021 (stuk 2 AD).

Eiser diende op 20 mei 2022 een formulier 604C in, te weten een aangifte stopzetting van de activiteiten (stuk 4 AD). Eiser verklaarde zijn activiteiten te hebben stopgezet op 31 maart 2022.

Op 3 november 2023 werd een proces-verbaal van regularisatie inzake de btw opgemaakt waarin van eiser volgende bedragen werden gevorderd (stuk 7 AD):

 een bedrag van 34.563,47 euro aan btw;

een proportionele boete ten bedrage van 69.126,94 euro;

 te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21 januari 2022.

Op 5 februari 2024 diende eiser een bezwaarschrift in tegen het proces-verbaal (stuk 8 AD). Na communicatie tussen partijen werd dit gekwalificeerd ais een verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete (stuk 9 AD).

Op 17 juni 2024 werd de schuld van eiser opgenomen in het innings-en invorderingsregister onder het artikelnummer … met registernummer … en op 18 juni 2024 uitvoerbaar verklaard (stuk 11 AD). Op 18 juni 2024 werd het innings-en invorderingsbericht verstuurd aan eiseres.

Op 14 maart 2024 werd het door eiser ingediende verzoekschrift afgewezen ais ongegrond (stuk 10 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 juni 2024 stelde eiser een vordering in rechte in,

2. Vorderingen van partijen

Eiser verzoekt de rechtbank:

- zijn vordering ontvankelijk gegrond te verklaren;

- dienvolgens de bestreden beslissing van 14 maart 2024 teniet te doen;

- het pv, respectievelijk de vaststelling van de belastingschuld te vernietigen;

- het initiële bezwaar, respectievelijk verzoek tot kwijtschelding, minstens gedeeltelijke

- kwijtschelding van boeten gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat eiser wordt ontheven van de geldboeten zoals opgelegd bij pv van regularisatie d.d. 3 november 2023;

- in subsidiaire orde de boete te herleiden tot 20% van het niet aangegeven bedrag van de btw of 6.910,00 euro;

- verweerder te verwijzen in de kosten, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

 voor recht te zeggen dat er geen enkele reden is om de opgelegde boete van 200 %, zijnde 69.126,94 euro wegens niet aangeven van de verschuldigde btw met het oog de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, kwijt te schelden en dat de door de administratie opgelegde boete aan eiser correct is en volledig verschuldigd door eiser;

in ondergeschikte orde eiser, op basis van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, V, te veroordelen tot betaling van een geldboete van 20%, zijnde 6.910,00 euro wegens het niet aangeven van de door hem verschuldigde btw zoals opgenomen in het proces verbaal van 3 november 2023;

 Eiser te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiser is dan ook ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de geldboete van 200%

Eiser betwist de opgelegde boete van 200% omdat het bedrieglijk opzet niet 2011 aangetoond zijn. Ondergeschikt vraagt eiser de herleiding van de boete tot 20%.

Krachtens artikel 70, § 1, lid 1 WBTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84, lid 3 WBTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele geldboete bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning warden vastgesteld.

Krachtens artikel 1, laatste lid KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechtbank merkt op dat de belastingadministratie het opzet de belasting te ontduiken afleidt uit volgende elementen:

- eiser heeft tijdens het jaar 2020 in totaal 12 facturen uitgereikt met vermelding van een verschuldigd bedrag aan btw terwijl hij op dat moment nog niet geregistreerd was voor btw-doeleinden;

- eiser heeft op 10 april 2021 een eerste btw-aangifte ingediend waarin hij de reeds door hem uitgeschreven facturen met verschuldigde btw niet heeft opgenomen. Het betrof een aangifte zonder omzet;

- eiser heeft tijdens het jaar 2021 nog 11 facturen uitgereikt met vermelding van verschuldigde btw zonder deze btw op te nemen in een aangifte;

- eiser heeft in totaal 5 periodieke btw-aangiftes ingediend, buiten de reeds vermelde aangiftes, telkens ging het om nihil-aangiftes;

- eiser heeft op 30 maart 2023 een nihil listing ingediend.

Volgens de rechtbank kwam de belastingadministratie op basis van deze elementen tot het terechte besluit dat er sprake is van het oogmerk de belasting te ontduiken. Eiser liet op systematische wijze na belastbare handelingen op te nemen in zijn btw-aangiftes en kan hiervoor geen enkele geloofwaardige uitleg verschaffen zodat dit niet anders verklaard kan worden dan zijnde gepleegd met het opzet de belasting te ontduiken. Van een vergetelheid, misverstand of nalatigheid is geen sprake.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat een boete van 200% in casu disproportioneel is. Het blijkt niet dat eiser reeds gekend staat voor eerdere tekortkomingen op fiscaal vlak. Daarnaast heeft eiser zijn activiteit inmiddels stopgezet, is hij gepensioneerd en heeft hij volgens zijn eigen verklaring, die door verweerder niet wordt tegengesproken, beperkte financiële middelen.

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande omstandigheden een gegronde reden zijn om een gedeeltelijk uitstel te verlenen aan eiser en de geldboete slechts voor 50% effectief op te leggen. Het verlenen van uitstel kan de belastingplichtige er immers toe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door dreiging, om indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete alsnog uit te voeren (zie by. GwH 6 november 2008, 157/2008, www.const-court.be, zie o.a. 6.4.1.).

De rechtbank stelt evenwel vast dat het btw-wetboek niet de mogelijkheid biedt om de geldboete met (gedeeltelijk) uitstel op te leggen en dit ondanks het feit dat de wetgever reeds sinds 2008 op de hoogte is van het feit dat het invoeren in het fiscaal recht van strafsancties (artikel 6 EVRM) zonder de mogelijkheid uitstel toe te kennen, ongrondwettelijk is (GwH 6 november 2008, 157/2008; GwH 14 oktober 2021, 143/2021, www.const-court.be).

Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer de wet niet in die mogelijkheid voorziet en indien de rechtbank van oordeel is dat uitstel moet worden verleend, hij de belastingplichtige het passende herstel dient te bieden door de toepassing van het artikel dat de sanctie oplegde te weigeren (by. Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F, www.juportal.be)

De rechtbank heeft in deze zaak dan ook geen andere mogelijkheid dan artikel 70, § 1, lid 1 WBTW gedeeltelijk buiten toepassing te laten, waardoor de rechtbank vaststelt dat de geldboete in case gedeeltelijk onwettig werd opgelegd en deze dient te worden vernietigd voor zover ze meer bedraagt dan 50% (vergelijk Gent 19 september 2023, 2022/AR/767, Fisc. Koer. 2023/17, 434 e.v.; Luik 18 december 2020, 2016/RG/1334, www.taxwin.be).

De rechtbank herleidt de geldboete dus van 200% naar 50%.

De vordering van eiser is in die zin gegrond.

5. Kosten van het geding

De rechtbank vindt het passend, nu partijen elk gedeeltelijk in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W., om te slaan, zodat elke partij instaat voor zijn eigen kosten.

De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft dus ten taste van eiser.

Er zijn tot slot geen rolrechten verschuldigd in fiscale zaken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en els volgt gegrond.

Zegt voor recht dat de vordering van eiser met betrekking tot de schuld met schuldnummer … gegrond is in de mate dat de opgelegde btw-boete van 200% dient te worden herleid naar 50%.

Verklaart de vordering van eiser voor het overige ongegrond.

Beveelt de terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 WBTW.

Veroordeelt iedere partij tot de eigen kosten.

Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiser, definitief verworven voor het fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op vier juni tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

A. D., rechter

C. L., griffier

Note du SPF Finances

Referentie WF

WF 713-15-24/000975 - Finality 55332692

Textes cités

4
CTVA art. 706 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 841 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8