Travaux immobiliers, Taux TVA réduit de 6 % · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 24 avril 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Travaux immobiliers, Taux TVA réduit de 6 %

https://juriel.be/fr/jurisprudence/travaux-immobiliers-taux-tva-reduit-tribunal-2024-04-24-74e2

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
24 avril 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

97 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre orientale, division Gand, du 24.04.2024

WF 709-15-22/037684

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Taux – Taux TVA réduit de 6 % - Démolition et reconstruction de bâtiments – Nouvelle construction

Dispositions légales

Art. 1 de l’AR n° 20 du 20 juillet 1970 — Rubrique XXXI, § 1 et XXXVIII, § 1 du tableau A de l’annexe à l’AR n° 20 du 20 juillet 1970

Résumé

1. Faits et antécédents de procédure

Le contrôle du taux de TVA applicable aux travaux immobiliers effectués sur le bien immeuble du contribuable a révélé que ces travaux ont été effectués au taux réduit de 6 %. Sur la base des documents présentés, l'administration a constaté que les travaux effectués ne bénéficiaient pas du taux réduit de TVA sur la base de l'article 1er de l'AR n° 20. Les deux parties ayant maintenu leur position, l'administration a dressé un procès-verbal. La TVA due selon l'administration a été inscrite dans un registre de perception et de recouvrement qui a été rendu exécutoire.

La partie adverse a ensuite introduit une requête fiscale auprès du greffe du tribunal de première instance de Flandre orientale, division de Gand.

2. La décision

Le jugement commence par indiquer que la question de savoir si les travaux immobiliers constituent une rénovation ou une nouvelle construction au sens de l'article 1er de l'AR n° 20 est une question de fait qui doit être examinée au cas par cas. Il s'agit d'apprécier dans quelle mesure les éléments essentiels de la structure du bâtiment restent présents et, en cas d'agrandissement, si le critère de superficie est respecté.

En l'espèce, il n'y a pas de contestation en ce qui concerne le critère de la superficie. En outre, le jugement indique que l'administration n'ajoute pas une condition à la loi en exigeant que la longueur totale de toutes les structures porteuses restantes de l'ancien bâtiment soit supérieure à 50 % de la longueur totale de toutes les structures porteuses de l'ensemble du bâtiment après l'achèvement des travaux de construction.

Pour ce faire, le jugement se réfère aux critères énoncés dans la circulaire n° 6 et la décision n° E.T. 106.933, qui ont été repris dans les commentaires administratifs du Code de la TVA (et confirmés par le ministre compétent en réponse à diverses questions parlementaires concernant l'interprétation de la distinction entre transformation et nouvelle construction). Ces critères ont également été confirmés par la Cour de cassation dans les arrêts du 25 juin 2020 (F.19.0069.N) et du 25 juin 2021 (F.20.0032.N).

Le juge a considéré que le contribuable n'a pas prouvé que la longueur totale de toutes les structures porteuses restantes de l'ancien bâtiment dépassait 50 % de la longueur totale de toutes les structures porteuses de l'ensemble du bâtiment après l'achèvement des travaux de construction, et que les travaux ne reposaient pas de manière significative sur les éléments essentiels de la structure de l'habitation à rénover. Par conséquent, la condition pour bénéficier du taux réduit de TVA de 6% n'est pas remplie.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, fiscaal, zesde burgerlijke kamer

Vonnis van 24/04/2024

Rol: 22/1510/A

IN DE ZAAK VAN:

V. H. J., met rijksregisternummer 84....83, wonende ...;

DEREU NELE, met rijksregisternummer 83...55, wonende ...;

eisende partijen, vertegenwoordigd door meester D. Z. in eigen naam en loco meester D. M. S., advocaat met kantoor te ...;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FO,D Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert ll-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit:

KMO AALST — EXPERTISE 2, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4,

verwerende partij, voor wie verschijnt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 6 maart 2024 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDURELE VOORGAANDEN

Eisers zijn eigenaar van een woning gelegen te .... De woning is meer dan 10 jaar oud en uitsluitend bestemd voor privébewoning.

Op 10 december 2019 verkregen eisers de stedenbouwkundige vergunning tot "Nieuwbouw van bijgebouwen en niet overdekte lage constructie, garage, garage-BIJCONSTR-BUGEBOUW-1*BIJGEBOUW GARAGE_CARPORT"; en ook "Verbouwen zonder functiewijziging en zonder wijziging van aantal woongelegenheden, woning, woning-WONEN-1*EENGEZIN". De werken startten op 1 februari 2020. De woning werd gerenoveerd teneinde te voldoen aan de hedendaagse (strengere} standaarden op het vlak van leefcomfort, duurzaamheid en energiezuinigheid. Daarnaast werd de renovatie gecombineerd met een uitbreiding op het gelijkvloers en de eerste verdieping. Daarbij werd de achterbouw gesloopt en kreeg de woning een nieuwe achtergevel.

De diverse aannemers pasten bij hun facturatie het btw-tarief van 6% toe.

Naar aanleiding van een uitgevoerde controle was de btw-administratie van mening dat de uitgevoerde werken aan de woning van eisers niet voldeden aan de toepassingsvoorwaarden voor het verlaagd btw-tarief van 6%. Alleen als de werken nog op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw en de overige voorwaarden vervuld zijn, kan het verlaagd tarief van 6% toegepast worden, aldus verweerder.

Verweerder weerhield derhalve een toepasselijk btw-tarief van 21% en berekende de bijkomende verschuldigde btw cp 36.462,27 EUR, meer een proportionele geldboete van 10% of afgerond 3.640 EUR. Een regularisatieopgave werd opgemaakt op 13 oktober 2021. Na gemotiveerd niet-akkoord vanwege eisers werd op 8 februari 2022 een proces-verbaal opgesteld.

Eisers zijn het daarmee niet eens waardoor zij huidige procedure opstartten.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

3.1.

Eisers vorderen in hun laatste conclusie:

"De vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren; Dienvolgens in hoofdorde:

- het proces-verbaal van regularisatie, dan wel de erin vervatte vordering ten titel van belasting over de toegevoegde waarde, verhogingen en interesten, vanwege verweerster, opgesteld op 8 februari 2022 door dhr. X, financieel assistent, met kenmerk NN 84....77 Fvdb, betreffende de gecontroleerde periode 1 februari 2020 t.e.m. 30 september 2021, met verschuldigde btw ten bedrage van 36.462,27 EUR en een proportionele geldboete ten bedrage van 3.640,00 EUR, interesten in meer, te vernietigen, minstens te ontheffen;

- de opname van de schuld met schuldnummer 500...60 in het innings- en invorderingsregister. opgemaakt op 21 maart 2022, uitvoerbaar verklaard op 23 maart 2022 en gekend onder het registernummer 20...18 te vernietigen, minstens te ontheffen;

Dienvolgens in ondergeschikte orde:

- de opgelegde proportionele geldboete volledig kwijt te schelden, minstens substantieel te verminderen;

Dienvolgens te zeggen voor recht dat concluanten de in het proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en verweerster te horen veroordelen om alle ten onrechte betaalde, ingehouden en/of op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan concluanten terug te betalen, meer de maratoriuminteresten;

Verweerster te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, daarin begrepen het betaalde bedrag aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 3.750,00 EUR cfr. artikel 1022 Ger. W. juncto het KB d.d. 26 oktober 2007 (85 9 november 2007), en zoals van toepassing vanaf 1 november 2022."

3.2.

Verweerder vordert in laatste conclusie:

"Het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Het verlaagd btw-tarief van 6% is niet van toepassing op de uitgevoerde werken. De werken dienden op grond van artikel 37 en 38 van het BTW-Wetboek en van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 gefactureerd te worden met toepassing van het normale btw-tarief van 21%.

Het proces-verbaal van regularisatie van 8 februari 2022, en gekend onder het schuldnummer 500...60, te bevestigen in alle onderdelen en te zeggen voor recht dat eisers gehouden zijn tot betaling van de som van 36.462,27 euro aan verschuldigde btw en 3.640,00 euro aan administratieve geldboete.

Eisers te veroordelen tot de kosten van het geding."

4. ONTVANKELIJKHEID

Er is geen betwisting tussen partijen over de ontvankelijkheid van de vordering van eisers. Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen om de vordering onontvankelijk te verklaren. De vordering van eisers is ontvankelijk.

5. BEOORDELING TEN GRONDE

5.1.

Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, wordt de belasting over de toegevoegde waarde geheven tegen een tarief van 6% voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

Tabel A, rubriek XXXI of XXXVIII, § 1, van de bijlage bij dit besluit bepaalt dat het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in §3 aan het verlaagd tarief wordt onderworpen, indien voldaan is aan vijf voorwaarden, waaronder: "1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben".

Krachtens tabel A, rubriek XXXI of XXXVIII, § 3, 1°, van de bijlage hij dit besluit worden het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitzondering van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed beoogd.

5.2.

Het enige punt waarover discussie is tussen de partijen is of de ter zake uitgevoerde bouwwerken aan de woning dienen beschouwd te worden als handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (btw-tarief van 6%) dan wel als "nieuwbouw" (btw-tarief van 21%).

Er bestaat geen betwisting tussen de partijen dat de vier overige voorwaarden van Tabel A, rubriek XXXI of XXXVIII, §1, ter zake vervuld zijn.

5.3.

De vraag of de bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van de vermelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht.

Waar het normale btw-tarief 21% bedraagt, berust de bewijslast inzake de toepassing van het uitzonderingstarief van 6% bij eisers.

Er is sprake van nieuwbouw, waarop een btw-tarief van 21% van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden (Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N, op www.iuportal.be). Dit is eveneens het geval, wanneer wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen (vgl. Cass. 21 oktober 2022, F.21.0053.N, cone'. J. Van der Fraenen, op www.iuportal.be).

Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (zie opnieuw Cass. 25 juni 2020, F.19.0069.N, op www.iuportal.be).

Om te kunnen spreken van een "omvorming" in de zin van vermelde rubriek XXXI of XXXVIII, § 1, 1°, dient de totale lengte van de behouden dragende buitenmuren betekenisvol hoger dient te zijn dan de totale lengte van de nieuwe dragende buitenmuren (in dezelfde zin: Gent 11 januari 2022, 2020/AR/1198) .

5.4.

Op basis van de stukken waarop de rechtbank acht kan slaan, stelt zij vast en oordeelt

zij als volgt:

Er is geen betwisting tussen partijen dat de totale oppervlakte van het behouden gedeelte (146 m2) groter is dan de totale oppervlakte van het nieuwe gedeelte (124,5 m2). Er is derhalve voldaan aan het oppervlaktecriterium, waarover geen discussie;

Verweerder voegt geen voorwaarde toe aan de wet door daarnaast te vereisen dat de totale lengte van alle overblijvende dragende structuren van het oude gebouw meer dan 50% bedragen van de totale lengte van alle dragende structuren van het ganse gebouw na beëindiging van de bouwwerken. De regelgever verduidelijkte niet wat onder de begrippen 'verbouwen' en 'nieuwbouwwerken' moet worden verstaan. Derhalve dienen deze begrippen in hun normale betekenis te warden begrepen. De fiscale administratie trachtte meermaals het onderscheid tussen beide begrippen te verduidelijken, op een wijze die verenigbaar is met de normale betekenis van deze begrippen. In de Aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 'verlaagd tarief in onroerende sector vanaf 01.08.1986' (stuk 19 van verweerder) verduidelijkte de administratie voor het eerst dat "onder 'omvorming' wordt verstaan de verbouwing aan de binnenkant van het gebouw af de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken. Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op de: oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de struktuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt: 10 het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn struktuur (b. v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader); (...)" (eigen onderlijning). In beslissing nr. E.T. 106.933 van 1 september 1994 (stuk 20 van verweerder) preciseerde de fiscale administratie onder welke omstandigheden een uitbreiding als een verbouwing kan worden beschouwd: "Hierna wordt verduidelijkt in welk geval een vergroting van een gebouw al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297, nr. 30). De uitbreiding van een bestaand gebouw kan warden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan warden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kon functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt." De criteria opgenomen in de Aanschrijving nr. 6 en de beslissing nr. E.T. 106.933 werden overgenomen in de administratieve commentaren bij het WBTW (en door de bevoegde minister bevestigd in antwoord op diverse parlementaire vragen omtrent de duiding van het onderscheid tussen verbouwing en nieuwbouw). Deze criteria werden ook door het Hof van Cassatie bevestigd in de arresten van 25 juni 2020 (F.19.0069.N) en 25 juni 2021 (F.20.0032.N). Onderhavige zaak betreft niet een geval waarin ofwel werken aan een bestaand gebouw worden uitgevoerd ofwel aan een bestaand gebouw een uitbreiding wordt toegevoegd, maar wel een geval waarin zowel aan een bestaand gebouw werken worden uitgevoerd als aan het aldus aangepaste bestaand gebouw een uitbreiding wordt toegevoegd. in het licht van voormelde rechtspraak moet eveneens worden uitgegaan van nieuwbouw wanneer de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen. (vgl. conclusie advocaat-generaal Van der Fraenen bij het cassatie-arrest van 21 oktober 2022 inzake F.21.0053.N, op wvvw.iuportal.be);

Op het ogenblik van de werken en de facturatie dienden eisers zich derhalve bewust te zijn van deze vereisten, zodat zij er rekening mee dienden te houden;

Eisers tonen niet aan dat de totale lengte van alle overblijvende dragende structuren van het oude gebouw meer dan 50% bedragen van de totale lengte van alle dragende structuren van het ganse gebouw na beëindiging van de bouwwerken. Ze leggen de stabiliteitsstudie niet voor. Deze studie is nochtans zeer nuttig omdat daaruit het al dan niet dragend karakter van muren blijkt, zoals verweerder meermaals opmerkte in zijn conclusie. Op basis van het grondplan heeft verweerder in zijn conclusie (en ook ter zitting) op zeer gedetailleerde en overtuigende wijze aangetoond dat er na voltooiing van de werken méér nieuwe dragende structuren zijn dan behouden dragende structuren (stuk 21). Dit wordt bevestigd door de bijkomende stukken die verweerder voorlegt, met name: (i) het bouwplan van de architect met aanduiding sloop in paars/roze markering (stuk 22), (ii) de foto's van de woning voor en na de uitgevoerde werken op Google Streetview (stukken 26 en 27), (iii) de vorderingsstaat van de aannemer (stuk 23), (iv) het funderings- en rioleringsplan van de nieuwe toestand (stuk 29);

Dat het om 'nieuwbouw' en niet om `renovatie' gaat, blijkt des te meer indien ook rekening moet worden gehouden met de gemene rechterzijgevel zoals door eisers gevraagd. Deze zijgevel werd over de gehele lengte (17,25 meter) verstevigd met nieuwe snelbouwsteen met een dikte van 0,14 meter (= 14 cm). Het substantieel verstevigen of (gedeeltelijk) vernieuwen van bestaande draagmuren heeft tot gevolg dat er een nieuwe draagstructuur wordt gecreëerd ondanks feit dat de oude bestanddelen (gedeeltelijk) behouden blijven (zie hogerop randnummer 53 met verwijzing naar cassatie 21 oktober 2022). De nieuwe toestand steunt in dat geval niet wezenlijk op de oude structuur;

Uit het voorgaande volgt dat de werken niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning.

Bijgevolg is niet voldaan aan de voorwaarde van vermelde Tabel A, rubriek XXXI of XXXVIII, §1, 1°, om te kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief van 6%.

5,5.

In ondergeschikte orde betwisten eisers de proportionele geldboete van 10% voor een totaalbedrag van 3.640 EUR. Zij voeren aan dat de geldboete onevenredig is in verhouding tot de inbreuken en merken op dat zij te goeder trouw gehandeld hebben. Om die reden vragen eisers om de boete kwijt te schelden, minstens te verminderen.

De boete van 10% werd opgelegd overeenkomstig artikel 70, §1 WBTW en het KB nr. 41.

De rechtbank oordeelt dat de geldboete wettelijk en voldoende gemotiveerd is. Deze staat in redelijke verhouding tot de gepleegde inbreuken en de aard en de ernst van de feiten. Er is geen reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen, noch om deze te bekleden met de gunst van een uitstel.

5.6.

De vordering van eisers is niet gegrond.

6. GERECHTSKOSTEN

Eisers worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.

Eisers moeten conform artikel 1017 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, naast hun eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OPTEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk, maar ongegrond;

Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen in openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag vierentwintig april tweeduizend vierentwintig, waar aanwezig waren:

mevrouw H. V. O., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door: mevrouw E. H., griffier.

Textes cités

4
AR no 20 art. 16 occurrences
CTVA art. 371 occurrence
CTVA art. 381 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8