Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 04.10.2022
WF 713-15-19/011934
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Taux réduit de TVA – Immeuble neuf
Dispositions légales
Article 1er et rubrique XXXVIII du tableau A à l’annexe de l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
Le litige concerne l’application du taux réduit de TVA de 6% à des travaux immobiliers exécutés dans une habitation. Le garage sous-jacent à l’habitation et le hangar situé à l’arrière de cette même habitation ont été complètement rasés. Des murs extérieurs de la maison, seuls la façade , une partie de la façade latérale gauche, et une partie de la façade latérale droite ont été conservés. Les autres murs extérieurs, les murs intérieurs et le plancher sous la toiture ont été démolis. A la place de l’étage sous la toiture, une toiture plate a été érigée.
Lors d’un contrôle, l’administration a estimé que les travaux immobiliers effectués ne consistaient pas en une transformation d’un immeuble mais qu’il s’agissait de la construction d’un immeuble neuf soumis au taux de TVA de 21%. Aucun accord n’a pu être conclu entre les parties.
En première instance, le tribunal a déclaré la demande de la partie adverse fondée. Le tribunal a estimé que le bâtiment n’avait subi aucun changement important de la structure. Il a dès lors jugé qu’il s’agissait d’une transformation d’une habitation soumise au taux réduit de TVA de 6%. L’administration a déposé un recours en appel contre ce jugement.
2. l’arrêt de la Cour d’appel
* Le taux de TVA applicable
La cour constate que plus de 50 % des murs portants extérieurs de l’habitation d’origine ont été démolis. En outre, la cour constate également que le toit à pignon de l’habitation d’origine et les murs intérieurs existants ont été démolis. En conséquence, les travaux immobiliers effectués ne reposent en aucun cas sur les éléments essentiels de la structure du bâtiment existant à l’origine. Selon la cour, les travaux vont bien au-delà de la transformation d’un étage sous un toit à pignon en un étage sous une toiture plate. La Cour estime donc qu’il s’agit d’un changement important de la structure dont il ressort que la maison existante a été en grande partie démolie et qu’une nouvelle maison a été reconstruite en conservant quelques façades.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken
Vonnis van 04.10.2022
Rol: 2021/ AR/393
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO centrum Mechelen, ON 0308.357.159,
met diensten te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20,
eiser in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw X, fiscaal ambtenaar (kenmerk: …)
tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 december 2020, gekend onder rolnummer 19/4302/A
tegen
1. V. P. J., RRN …, wonende te …,
2. D. C. G., RRN …, wonende te …,
verweerders in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. N. D. loco mr. L. F., advocaat te … (ref.: …)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 december 2020 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 4 maart 2021, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.
1. Feiteliike en procedurele retroacta.
1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op een naheffing inzake B.T.W. naar aanleiding van het bouwen dan wel de verbouwing van het pand te …, eigendom van verweerders in hoger beroep. De betwisting betreft de vraag of de werken aan de betrokken woning die door verweerders in hoger beroep werd aangekocht op 2 januari 2014 al dan niet onderworpen zijn aan het verlaagd tarief van 6% in toepassing van rubriek XXXVIII tabel A K.B. nr. 20 wegens renovatie en herstel van privéwoningen.
Er werd op 22 oktober 2018, na controle, een 'verduidelijking B.T.W.-standpunt in uw bouwdossier' toegezonden aan verweerders in hoger beroep waarbij werd meegedeeld, onder verwijzing naar de B.T.W-aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, dat het bouwproject van verweerders in hoger beroep op basis van de voorgelegde plannen en facturen moet worden aangemerkt als de afbraak van een oud gebouw gevolgd door een oprichting van een volledig nieuwe woning. Er werd een correctieopgave toegevoegd, die geen deel uitmaakt van het administratief dossier en er werd verweerders in hoger beroep verzocht deze voor 23 oktober 2018 te ondertekenen voor akkoord dan wel hun niet akkoord kenbaar te maken.
Verweerders in hoger beroep blijken zich niet akkoord te hebben verklaard. De briefwisseling ter zake bevindt zich evenmin in het administratief dossier.
Op 28 november 2018 werd een proces-verbaal tot naheffing B.T.W. opgesteld ingevolge waarvan verweerders in hoger beroep een bedrag van 60.106,12 EUR als B.T.W. verschuldigd zouden zijn, meer een proportionele boete van 6.010 EUR te vermeerderen met intresten. De administratie was van oordeel dat de bestaande woning door verweerders in hoger beroep werd afgebroken en heropgebouwd. De oude structuren zouden na afbraak minder dan 50% van de totale bewoonbare oppervlakte na verbouwing uitmaken, zodat de verbouwingswerken ten onrechte werden gefactureerd aan het verminderd tarief van 6%.
Het proces-verbaal werd bij aangetekende brieven d.d. 28 november 2018 aan verweerders in hoger beroep ter kennis gebracht. Bij aangetekend schrijven d.d. 26 februari 2019 werd administratief beroep aangetekend tegen de beslissing tot naheffing van B.T.W., dat werd afgewezen bij directoriaIe beslissing d.d. 27 juni 2019.
1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 27 september 2019, vorderden verweerders in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de vernietiging dan wel vermindering van de aanslag lastens verweerders in hoger beroep in het kader van de naheffing B.T.W. die onderwerp uitmaakt van de administratieve beslissing d.d. 27 juni 2019 onder referte 713-15-19/011934, het Vlaams Gewest (sic) te veroordelen tot terugbetaling geheel dan wel gedeeltelijk van de geldsommen die werden betaald en ten onrechte werden aangerekend i.k.v. naheffing B.T.W., meer moratoriumintresten en het Vlaams Gewest (sic) te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en verder gegrond als volgt. De eerste rechter verklaarde de fiscale navordering geformuleerd in het proces-verbaal d.d. 28 november 2018, zoals afgewezen in de administratieve beslissing d.d. 27 juni 2019 onwettig, veroordeelde eiser in hoger beroep tot terugbetaling aan verweerders in hoger beroep conform de wet de som van 46.791,63 EUR meer moratoriumintresten vanaf de datum van betaling tot volledige terugbetaling en tot de kosten, vereffend op 3.000 EUR rechtsplegingsvergoeding en tot de bijzondere bijdrage begrotingsfonds.
De eerste rechter oordeelde dat waar verweerders in hoger beroep bij aanbreng van het geding van een wel vreemde instelwaarde vertrokken door het Vlaams Gewest aan te duiden als tegenpartij, het normdoel werd bereikt nu eiser in hoger beroep het verweer heeft kunnen opnemen en geen onontvankelijkverklaring wordt nagestreefd door de Belgische Staat.
Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat verweerders in hoger beroep de bewijslast dragen van de toepassing van het verminderde tarief van 6%. Hij oordeelde onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25 juni 2020 dat een criterium ter opdeling ligt in beantwoording van de vraag of de werken hier op relevante wijze steunen op reeds bestaande dragende muren en, meer in algemeen, op de wezenlijke structuur van het bestaande gebouw. De eerste rechter oordeelde aan de hand van de stukken dat het gebouw bij aankoop een zadeldak had, verdieping die werd omgebouwd tot verdieping onder plat dak, waaruit alvast blijkt dat de vanaf de grond dragende muren niet werden verwijderd noch verstevigd. De oppervlakte beneden blijkt niet te zijn gewijzigd. De kubiekmeting speelt geen rol nu er geen verdieping werd toegevoegd. De wijziging van het kadastraal inkomen na de werken wijst noch in deze noch in gene richting. De eerste rechter oordeelde dat verweerders in hoger beroep terecht opwierpen dat de afbraak van de muren op de verdieping het gegeven van de afbraak van de oude dragende muren in se niet meebracht. De verdieping in vervanging en tegelijk lichte uitbreiding van de oude mag, met andere woorden niet worden weggecijferd omdat ze een ander, eigen uitzicht en intern een andere structuur bekwam. Het ging daardoor niet om een wezenlijke structuurwijziging in/ aan het gebouw. De eerste rechter beoordeelde de werken dan ook als geleid hebbend tot verbouwing.
Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 4 maart 2021, hoger beroep ingesteld.
2. De vorderingen en standpunten in hoger beroep.
2.1. Eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering van verweerder in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond is, bijgevolg te zeggen voor recht dat verweerders uit hoofde van de verbouwingen krachtens de stedenbouwkundige vergunning aan het onroerend goed te … geen 6% maar 21% B.T.W. verschuldigd waren, dienvolgens te zeggen voor recht dat verweerders in hoger beroep uit hoofde van de werken in onroerende staat de volgende bedragen verschuldigd is aan de Belgische Staat,
B.T.W. ten bedrage van 60.106,12 EUR en een proportionele geldboete van 6.010 EUR en het proces-verbaal d.d. 28 november 2018 te bevestigen.
Eiser in hoger beroep vordert voorts verweerders in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds van 20 EUR in hoger beroep.
2.2. Verweerders in hoger beroep vorderen het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, akte te nemen van de eisuitbreiding in toepassing van artikel 807 Ger.W., het vonnis a quo bijgevolg deels te hervormen en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de volgende betaling aan verweerders in hoger beroep, 20.292,56 EUR door tweede verweerder in hoger beroep betaald op 14 augustus 2019 en 46.791,63 EUR door eerste verweerder in hoger beroep betaald op 4 september 2019, 1.536,90 EUR (inhouding op personenbelasting voor aanslagjaar 2019) en 1.746,14 EUR (inhouding op personenbelasting voor aanslagjaar 2018), telkens meer moratoriumintresten en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 3.000 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 3.900 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 40 EUR in eerste aanleg.
3. Bespreking.
3.1. In toepassing van artikel 1, eerste lid K.B. nr. 20, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2007, bedraagt het normale tarief van de B.T.W. 21%. Het tweede lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, de belasting wordt geheven aan een tarief van 6% dan wel 12% voor de goederen respectievelijk opgenomen in de tabellen A en B.
Aldus dragen verweerders in hoger beroep de bewijslast dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief is voldaan (a contrario Cass. 13 mei 2005, C.03.0222.N en Antwerpen 22 januari 2019, AR 2017/AR/1191), zo niet geldt het normale tarief van 21%.
3.2. In toepassing van rubriek XXXVIII, tabel A, K.B. nr. 20 is het verlaagd tarief van 6% van toepassing op werk in onroerende staat, voor zover de handelingen de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een privéwoning tot voorwerp hebben. Inzonderheid worden beoogd, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van een privéwoning.
Aldus is het verlaagd tarief van toepassing op voorwaarde dat het gaat om een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een bestaand gebouw en niet om een nieuwbouw. De rechter beoordeelt onaantastbaar of de uitgevoerde werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele, van een woning tot voorwerp hebben dan wel of er sprake is van nieuwbouwwerken. Er is sprake van nieuwbouw, waarop een B.T.W.-tarief van 21% van toepassing is, indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden. Er is sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (Cass. 25 juni 2020, AR F.19.0069.N}.
Verweerders in hoger beroep kochten de betrokken woning aan op 2 januari 2014 voor een bedrag van 175.000 EUR (A.D. 150). Er werd een bouwaanvraag ingediend voor het 'verbouwen van een woning'. Uit de voorliggende plannen en foto's blijkt dat de aangekochte woning een oude woning betrof met achterliggende bergplaats en uitpandige garage (A.D. 59, 68 en 72}. Ten aanzien van het kadaster verklaarden verweerders in hoger beroep dat het huis bij aankoop reeds aanzienlijke tijd leegstond en volgens hen onbewoonbaar was. De algemene staat van het huis werd 'niet goed' genoemd (A.D. 71).
Er wordt niet betwist door partijen dat van de bestaande oude woning de uitpandige garage integraal werd afgebroken, evenals de achterliggende bergplaats. Evenmin is betwist dat van de buitenmuren van de woning zelf, een deel van de linker zijgevel, de voorgevel en een deel van de rechter zijgevel werd behouden (stuk 1 verweerders in hoger beroep 'best. gelijkvloers' en A.D. 23) en dat de overige buitenmuren, de binnenmuren en de verdieping onder het zadeldak werden afgebroken.
In aanmerking genomen dat ter beoordeling van de vraag of er sprake is van verbouwing of van nieuwbouw moet nagegaan worden of de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder op de buitenmuren en meer algemeen op de wezenlijke elementen van het te renoveren gebouw, is van belang te weten in welke mate de reeds bestaande dragende muren van de te verbouwen woning werden behouden.
In casu stelt het hof vast aan de hand van de voorgelegde plannen (A.D. 59 en stuk 1 verweerders in hoger beroep 'bestaande inplanting') dat de totale omtrek van de bestaande woning, inclusief bergplaats en uitpandige garage, 87,10 m bedroeg {16,7 m garage, 22,73 m bergplaats en 47,67 m woning). Hiervan werden de volledige garage en de bergplaats afgebroken evenals de achtermuur en een deel van de zijgevels van de woning, samen 56,23 m. De facto werd ook een deel van de rechter zijgevel uitgebroken aangezien daar een dubbele garagepoort werd geplaatst. Het hof houdt hiermee echter geen rekening bij de bepaling van het aantal meter afgebroken bestaande buitenmuren. Uit het voorgaande blijkt niettemin dat meer dan 50% van de dragende buitenmuren van de oude woning, meer bepaald ruim 64,5% werd afgebroken. Daarbij stelt het hof vast dat ook de verdieping onder het zadeldak van de oude woning werd afgebroken en de bestaande binnenmuren. De werken gingen aldus veel verder dan het louter ombouwen van een verdieping onder een zadeldak tot verdieping onder plat dak, zoals de eerste rechter ten onrechte vast stelde. Er werden immers wel degelijk vanaf de grond dragende muren verwijderd.
Uit een vergelijking tussen de plannen van de bestaande woning en deze van de nieuwe woning (stuk 1 verweerders in hoger beroep en A.D. 63-64 en A.D. 132 in vergelijking met A.D. 68 en 72) en met inachtneming van de afgebroken bestaande buitenmuren, binnenmuren en verdieping onder zadeldak, blijkt dat de uitgevoerde werken ook veel verder gingen dan de loutere aanbouw van een nieuw gedeelte aan het bestaande oude gedeelte. In tegendeel werd een oude, naar oordeel van verweerders in hoger beroep, onbewoonbare woning met zadeldak (type oude boerderij) op enkele buitenmuren na volledig afgebroken, waarna een nieuwe, strakke woning met volwaardige verdieping onder plat dak werd opgericht. De uitgevoerde werken steunen niet op relevante wijze op de bestaande dragende muren, gelet op de afbraak van ruim 64,5% van de bestaande buitenmuren en dit geheel in weerwil van het behoud van een deel van de voor- en zijgevels en funderingen. Bovendien werden ook de bestaande binnenmuren afgebroken en de verdieping onder zadeldak. De uitgevoerde werken steunen aldus niet op de wezenlijke elementen van de structuur van het bestaande gebouw.
De verhouding tussen het aantal lopende meter gevelmuur dat van de bestaande woning werd behouden (29,88 m aldus verweerders in hoger beroep) en het aantal lopende meter nieuw opgerichte gevelmuur (16,8 m aldus verweerders in hoger beroep), doet hieraan op zich geen afbreuk. Dat een kleiner deel, in gevellengte, werd bijgebouwd, doet in casu immers geen afbreuk aan de vaststelling dat het bestaande gebouw nagenoeg volledig werd afgebroken (64,5% van de dragende muren, verdieping onder zadeldak en binnenmuren). Om die reden is in casu ook niet relevant welke de verhouding is tussen de oppervlakte van de bestaande woning en de woning na de uitgevoerde werken.
Het hof treedt het standpunt van verweerders in hoger beroep bij dat de aanpassing van het KI op zich niet impliceert dat de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de bestaande woning. Zulks geldt ook voor de kost van de uitgevoerde werken.
In casu blijkt echter uit de voorliggende stukken dat de uitgevoerde werken veel verder gingen dan de enkele vervanging van een verdieping onder zadeldak door een verdieping onder plat dak of de aanbouw van een nieuw deel aan het oude. Er was wel degelijk sprake van een wezenlijke structuurwijziging waarbij de bestaande woning voor het overgrote deel werd afgebroken en een nieuwe woning werd heropgebouwd op enkele gevels na. Dat de administratie van het kadaster hierover een ander standpunt zou hebben ingenomen, is niet relevant ter beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een nieuwbouw dan wel een verbouwing voor de bepaling van het toepasselijke B.T.W.-tarief.
Er was in casu dan ook geen sprake van een verbouwing, doch wel van een nieuwbouw die onderworpen is aan het normale B.T.W.-tarief van 21%. Het hoger beroep is op dit punt gegrond.
3.3. Verweerders in hoger beroep betwisten de opgelegde geldboete van 10% en stellen dat deze niet evenredig zou zijn met de begane inbreuk. Zij verwijzen ter zake naar de plannen van de architect waaruit blijkt dat niet meer dan 50% werd bijgebouwd. Zij hadden een gewettigd vertrouwen in hun architect die een voorafgaand overleg had met de gemeente Bornem die de plannen tot 'verbouwing' goedkeurde.
Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 10 % evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door verweerders in hoger beroep gepleegde feiten, met name de onterechte toepassing van het verlaagd B.T.W.-tarief van 6% wegens verbouwing van een privéwoning terwijl het in werkelijkheid om de oprichting van een nieuwe woning ging. De boete van 10% betreft een verminderde geldboete waarbij reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van verweerders in hoger beroep (artikel 1, laatste lid K.B. nr. 41). Dat de werken werden uitgevoerd conform de door de gemeente goedgekeurde plannen van een architect en dat niet meer dan 50% werd bijgebouwd, maakt de toegepaste boete ten bedrage van 6.010 EUR niet overdreven, noch onevenredig met de begane inbreuk. Uit de opstelling van de plannen door de architect en de goedkeuring ervan door de gemeente kon althans niet worden afgeleid dat zonder meer toepassing kon worden gemaakt van het verlaagde tarief van 6% voor de werken in onroerende staat.
Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten is er in casu dan ook geen enkele reden om de boete van 10% kwijt te schelden dan wel te verminderen, noch om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.
3.4. Verweerders in hoger beroep werpen tenslotte de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op, in het bijzonder van het zorgvuldigheids- het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Verweerders in hoger beroep stellen dat de beslissing door eiser in hoger beroep wordt gekenmerkt door willekeur en de eenzijdige, schadelijke interpretatie van de aard van de uitgevoerde werken. Eiser in hoger beroep zou onzorgvuldig hebben gehandeld door te blijven uitgaan van een verkeerd standpunt ondanks het feit dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het verminderd tarief zou zijn voldaan. Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zouden zijn geschaad omdat de goedgekeurde bouwaanvraag, waarin staat dat het gaat om een 'verbouwing', door de administratie werd gekwalificeerd als een herbouw op basis van een éénzijdige en willekeurige interpretatie die afwijkt van het standpunt van de administratie van het kadaster.
Vooreerst is de gebruikte terminologie niet van belang ter beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbouwing dan wel van een nieuwbouw. Uit de vermelding van de term 'verbouwing' in de bouwaanvraag, noch uit er goedkeuring ervan door de gemeente kan worden afgeleid dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief zou zijn voldaan. Zulks kan ook niet worden afgeleid uit het standpunt van de administratie van het kadaster ter zake die zich niet kan uitspreken over de al dan niet correcte toepassing van het verlaagd tarief inzake B.T.W. Verweerders in hoger beroep konden dan ook geen gerechtvaardigd vertrouwen putten uit de goedgekeurde bouwaanvraag of uit het standpunt van de administratie van het kadaster. Van een schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Of aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief is voldaan dient in concreto door de rechter, in casu het hof te worden beoordeeld (vgl. Cass. 25 juni 2020, AR F.19.0069.N). Het hof heeft deze beoordeling gemaakt aan de hand van de door partijen voorgelegde plannen en foto's om vast te stellen dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6%. Het enkele feit dat verweerders in hoger beroep het niet eens zijn met het standpunt van de administratie heeft niet tot gevolg dat de administratie willekeurig of onzorgvuldig heeft gehandeld.
Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is gegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden hervormd.
De administratie werd niet vertegenwoordigd door een raadsman, zodat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep wordt begroot en vereffend op O EUR. De administratie verzocht tevens de bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep ten laste te leggen van verweerders in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg"
Dispositif
4. Beslissing.
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het bestreden vonnis. Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerders in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Het hof veroordeelt verweerders in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep.
Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 04 oktober 2022
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4
Vonnis van 16/12/2020
Rol: 19/4302/A
1. V. P. J.
wonende te …, RRN: …
2. D. C. G.
wonende te …, RRN: …
eisende partijen
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. L. F. te …,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 20, KBO: 0308.357.159,
verwerende partij
Vertegenwoordigd door mevr. X, attaché
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;
Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 18 november 2020.
Het geschil behelst BTW.
Eisers kochten samen op 2 januari 2014 een gebouw, omschreven als woning, deden daarop volgend een bouwaanvraag tot 'verbouwen van een woning', aanvraag die naderhand werd ingewilligd.
Het gaat om …, perceelnummer ....
Zij lieten ter plaatse werk in onroerende staat uitvoeren met aanverwante leveringen. Op 2 maart 2018 werd een nieuw kadastraal inkomen toegekend (2.330,00 EUR).
Blijkens een proces-verbaal van 28 november 2018 verrichtte de BTW-belastingdienst controle per 3 september 2018.
Hij had in mei 2018 naar eisers een aangifte 1063 verzonden inzake toevallige belastingplicht. Tweede eiseres diende begin juli het desbetreffende BTW-dossier in.
Op de 'werken in onroerende staat' bleken de leveranciers en dienstverleners slechts 6% BTW te hebben aangerekend.
Het proces-verbaal formuleert navordering van het verschil tussen 21% en 6%.
Dit houdt 60.106,12 EUR rechten in meer tot 10% krachtens KB 41 herleide boete (6.010,00 EUR) plus pro memorie intrest krachtens art.91 §1 Wetboek BTW.
Het proces-verbaal werd middels brieven van 28 november 2018 ter kennis gebracht aan beide eisers afzonderlijk.
Eisers dienden gezamenlijk informeel bezwaar in.
In hun stelling gaat het om een verbouwing in plaats van afbraak gevolgd door herbouw.
Een bevoegd ambtenaar wees het bezwaar(schrift) op 25 juni 2019, gemotiveerd, ten gronde af.
De beslissing werd aangezegd middels afzonderlijke brieven van 27 juni 2019.
Een toenmalig raadsman legde, voor eisers gezamenlijk, op 27 september 2019 een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie.
Afschrift der beslissing is aan het gedinginleidend verzoekschrift gehecht.
Beoordeling
1. Eisers vorderen onwettigverklaring van de BTW-navordering, aansluitend vordering tot terugbetaling der op 14 september 2020 geïnde rechten, boete en intrest.
Op de teruggaaf vorderen zij moratoire intrest krachtens en conform art.91 §4 Wetboek BTW.
Verweerder streeft ongegrondverklaring der rechtsvordering na.
2. Eisers vertrokken, bij aanbreng van het geding, van een wel vreemde instelwaarde door het Vlaams Gewest te duiden als hun tegenpartij.
Hoe ze er toe kwamen, blijft nogal ongewis.
Hoe dan ook werd het normdoel bereikt nu verweerder grif het verweer heeft kunnen opnemen.
In de conclusie voor dan verweerder Belgische Staat wordt overigens geen onontvankelijk verklaring nagestreefd.
3. Eisers stellen dat het ging om" handelingen inzake omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering , herstelling of onderhoud aan het aangekochte gebouw/woning" (KB 20 inzake BTW, Bijlage Tabel A, Diensten XXXI).
Verweerder stelt dat te dezen het (algemene) volle tarief van 21% geldt (KB 20 art.1 lid 1).
Deze bewijsregel werd in 2006 ingevoerd in met name wijziging op de voorgaande regel die door het Hof van Cassatie nog was beoordeeld in zijn arrest van 2005, zoals geciteerd door eisers.
Volgens eisers zouden de feiten ertoe leiden dat het om 'herbouw' onder 6% gaat.
Eisers dragen aldus de bewijslast van toepassing van het verminderde tarief (van 6%), gelet op, in dat geval, afwijking op het basistarief (21%), zoals zonet uiteengezet.
5. Een criterium ter opdeling ligt in beantwoording van de vraag of de werken hier 'op relevante wijze' steunen op reeds bestaande dragende muren en, meer in algemeen, op de wezenlijke structuur van het bestaande gebouw (vgl.Cass.25 juni 2020, F190069, Overweging 7).
Uit de stukken die de rechtbank ter inzage krijgt komt naar voren dat het gebouw bij de aankoop een verdieping met zadeldak had, verdieping die werd omgebouwd tot verdieping onder plat dak.
Alvast blijkt daaruit dat de vanaf de grond dragende muren niet werden verwijderd noch verstevigd).
De oppervlakte vanaf beneden blijkt, bij dit alles, niet te zijn gewijzigd.
De kubiekmeting speelt hier geen rol, nu er geen verdieping werd toegevoegd, met andere woorden slechts vervanging van de bestaande verdieping, weliswaar in een andere vorm, waardoor een intern andere structuur in de bouwlaag, vormende een gedeeltelijke toename der hoogte in verhouding tot de reeds bestaande oppervlakte, van zadeldak naar plat dak.
6. De wijziging van het kadastraal inkomen, na de werken, wijst noch in deze noch in gene richting.
7. In het proces-verbaal van 28 november 2018 staat met zoveel woorden te lezen (blad 40 verweerder) :" ... stel ik vast dat de oude verdieping eigenlijk de zolder is, vlak onder het zadeldak-gebinte van het oude woonhuis".
Dat de oude (dragende) muren niet dienstig zouden zijn voor de aanpassing van de verdieping, klinkt niet overtuigend aan de hand van de loutere bevindingen van de verbalisant.
Eisers werpen terecht op dat afbraak van de muren op de verdieping het gegeven van afbraak van de oude dragende muren in se niet meebracht.
De verdieping in vervanging en tegelijk lichte uitbreiding van de oude mag, met andere woorden, niet worden weggecijferd omdat ze een ander, eigen, uitzicht en intern een andere structuur bekwam.
Het ging te dezen daardoor niet om een wezenlijke structuurwijziging in/aan het gebouw. 8.
De rechtbank beoordeelt bij dit alles dan ook de werken als geleid hebbend tot verbouwing.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
recht doende op tegenspraak,
verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, verder als volgt gegrond.
Verklaart de fiscale navordering geformuleerd in het proces-verbaal van 28 november 2018, zoals ze werd afgewezen in de administratieve beslissing van 27 juni 2019, onwettig.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiser / eisers, conform de wet, de som van 46. 791,63 EUR, meer moratoire intrest vanaf de datum van betaling tot volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot de kosten.
Vereffent de kosten in hoofde van eisers op 3.000,00 (drieduizend) EUR bij wijze van (geïndexeerde) rechtsplegingvergoeding, zoals door hen gevorderd.
Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van de bijdrage Fonds wet 19/03/2017.
Dit vonnis werd uitgesproken op zestien december tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFi4
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.