Substitution de motifs, Présomptions de fait · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 19 juin 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Substitution de motifs, Présomptions de fait

https://juriel.be/fr/jurisprudence/substitution-motifs-presomptions-fait-lieu-tribunal-gand-2023-06-19-5b30

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
19 juin 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

142 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre oriëntale, division Gand du 19.06.2023 - Rôle 21/3028/A

[ Arrêt infavorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Substitution de motifs – Présomptions de fait – Lieu des prestations de services – Siège de l'activité économique – Redevable de la TVA

Dispositions légales

Art. 21, §2 CTVA, art. 51, §1, 1° CTVA

Résumé du jugement

1.Faits

L'intimé est immatriculé en tant qu'assujetti à la TVA depuis le 13 novembre 2012 pour l'activité de location et de leasing de camions et d'autres véhicules à moteur et le commerce de gros d'autres véhicules à moteur. Il fait partie d'un groupe de transport qui comprend également deux sociétés ayant leur siège social en Bulgarie.

Deux contrôles TVA ont eu lieu dans le chef de l'intimé pour la période du 1er février 2020 au 31 mars 2020, puis pour la période 2018. Il en est résulté un procès-verbal daté du 8 juin 2020 et du 28 octobre 2021, contre lequel l'intimé a formé opposition. Dans les jugements du 19 juin 2023, le tribunal de première instance a jugé que la taxation était arbitraire et a déclaré la demande de l'intimé recevable et fondée.

C’est contre ces jugements que l’Etat belge a introduit un recours en appel.

Texte intégral :

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN,

afdeling GENT

FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 JUNI 2023

In de zaak van :

C.R., KBO 0500.877.811, met zetel te …,

eisende partij, hebbende ais raadslieden meester V.F. en meester W.S., beiden advocaat te …

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrumdirecteur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, KBO 0308.357.159,

verwerende partij, voor wie optreedt D.V., attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank ais volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 22 mei 2023. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 13 december 2021, de conclusies en stavingsstukken van partijen.

Il. DE VORDERING

Eiseres vordert in syntheseconclusie de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

"De inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.2272.67639, te vernietigen, dan wel te ontheffen;

In uiterst ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat de btw-vordering maximaa117.066,70 EUR (btw in hoofdsom) bedraagt.

Verweerder te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, te vermeerderen met interesten ex artikel 91 WBTW.

Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op:

•Rechtsplegingsvergoeding: 7.500 EUR

•Bijdrage voor het Fonds van Juridische Tweedelijnsbijstand: 22 EUR"

De rechtbank merkt op dat er een materiële vergissing is geslopen in de vordering van eiseres. "500.2272.67639" dient gelezen te worden ais "500.2476.28141". Dit blijkt duidelijk uit de voorgelegde stukken.

Verweerster vordert in syntheseconclusie de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren:

"De vordering van eiseres af te wijzen;

Het proces-verbaal van 28 oktober 2021 en de daaruit vloeiende fiscale schuld gekend onder de schuldnummer 500247628141 te bevestigen;

Eiseres te veroordelen tot de kosten."

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.C.R., eiseres, met zetel te … is sinds 13 november 2012 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-identificatienummer BE... Haar economische activiteiten bestaan uit de verhuur en lease van vrachtwagens en overige motorvoertuigen en groothandel in andere motorvoertuigen.

2.Eiseres maakt deel uit van de 'K.-groep', vennootschappen actief in de transportsector rond de familie K. De spilfiguren zijn in het bijzonder de heer H.K. en zijn dochter A.K.

3.Op 4 januari 2021 werd een fiscale controle opgestart betreffende de btw.

4.Op 4 januari 2021 heeft de fiscale ambtenaar N.V. een e-mail verstuurd naar de heer J.V. van het boekhoudkantoor A., en gevolmachtigd boekhouder van eiseres, met de vraag op grond van artikel 61 W.BTW, een back-up te bezorgen van de boekhouding, waarvan het bewaren is opgelegd door artikel 60 W.BTW voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

5.Op 9 april 2021 werd door N.V. een herinnering verzonden. Op diezelfde dag werd een back-up van de boekhouding per e-mail bezorgd door de heer J.V.

7. Op 22 april 2021 heeft de fiscale ambtenaar per e-mail een bijkomende vraag

om inlichtingen verstuurd naar de heer J.V. met het verzoek volgende documenten te bezorgen (stuk 5 verwerende partij):

•kopieën van bepaalde aan- en verkoopfacturen;

◦contracten met betrekking tot enkele verkoopfacturen voor de verhuur

◦van vervoermiddelen aan de buitenlandse vennootschappen;

▪enkele betalingsbewijzen van verkoopfacturen voor de verkoop van vervoermiddelen aan de buitenlandse vennootschappen.

7.8

Op 26 april 2021 heeft de heer. J.V. de gevraagde aan- en verkoopfacturen en de betalingsbewijzen per e-mail bezorgd.

89

Om reden dat de verhuurcontracten niet bezorgd werden, heeft N.V. op 29 april 2021 een herinnering per e-mail verstuurd naar de heer J.V. met het verzoek om de verhuurcontracten alsnog te bezorgen (stuk 7 verwerende partij).

10

Tot op heden werden de gevraagde verhuurcontracten niet ontvangen.

11

Vermits er bij de voorgaande controle met betrekking tot de periode 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020 geen akkoord werd bekomen en aangezien de vastgestelde inbreuken op de btw-wetgeving met betrekking tot het kalenderjaar 2018 dezelfde zijn, werden de vastgestelde overtredingen op 28 oktober 2021 onmiddellijk opgenomen in een proces-verbaal.

Dit proces-verbaal werd op 28 oktober 2021 per aangetekende zending naar eiseres verstuurd (stuk 8 verwerende partij).

12

In dit proces-verbaal werd de volgende inbreuk op de btw-wetgeving

vastgesteld:

Inbreuken op artikel 21, § 3 van het Btw-Wetboek, met betrekking tot de plaats van de dienst.;

Inbreuken op artikel 51 van het Btw-Wetboek, met betrekking tot de verschuldigdheid van de belasting.

Totaal verschuldigde btw: 176.679,14 EUR.

Er werd tevens een verminderde proportionele geldboete opgelegd van 10% overeenkomstig artikel 84, derde alinea, W.BTW juncto artikel 1, van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde juncto tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij dit besluit van 17.660,00 EUR.

13

Op 4 november 2021 werd een betaalbericht gestuurd naar eiseres.

14

De schuld werd op 13 december 2021 opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat uitvoerbaar werd verklaard op 14 december 2021, onder schuldnummer 500247628141.

Op 14 december 2021 werd een uittreksel uit voormeld innings- en invorderingsregister naar eiseres verstuurd (stuk 10 verwerende partij).

15

Op 13 december 2021 Iegde eiseres een verzoekschrift op tegenspraak neer ter

griffie van deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake de bewijskracht van het proces-verbaal (artikel 59 W.BTW)

2.1.

Eiseres argumenteert dat het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021 verwijst naar het proces-verbaal van 8 juni 2020 met betrekking tot de periode 1 januari 2020— 31 maart 2020. Meer bepaald wordt meegedeeld dat met de inhoud van dit proces-verbaal rekening wordt gehouden. Bovendien betreft het proces-verbaal van 8 juni 2020 een volledig andere periode, met name een periode van januari 2020 tot maart 2020.

Net proces-verbaal van 8 juni 2020 is niet gebaseerd op bewezen feiten en is dus willekeurig. De elementen of vaststellingen van de ene periode, voor zover deze al correct zouden zijn, zeggen niets over een andere periode en kunnen niet zonder meer worden geëxtrapoleerd naar een andere periode. De btw-navordering is daarom nietig.

De feiten staan niet vast, Iaat staan bewezen. De voorschriften van artikel 59 W.BTW zijn miskend.

Verder kan met de elementen uit het strafdossier geen rekening worden gehouden, daar zij hoogstens een post factum rechtvaardiging kunnen uitmaken.

2.2.

Artikel 59, §1 W.BTW. bepaalt dat:

"iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."

2.3.

De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal een akte is waarin een bevoegd

ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële

vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebbén en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.

De bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden: deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere gevolgtrekkingen.

2.4.

De rechtbank heeft geoordeeld (in de zaak 21/2931/A die samen werd behandeld op dezelfde openbare terechtzitting) dat de elementen die de fiscale administratie naar voren heeft gebracht in het proces-verbaal van 8 juni 2020 regelrecht ingaan tegen de overeenkomsten die als bijlage aan dat proces-verbaal zijn gehecht.

Eiseres heeft het tegendeel bewezen van wat de fiscale ambtenaar, N.V. (fiscaal deskundige verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Team 12) poneert in dit proces-verbaal. Zodoende heeft verweerster de voorschriften van artikel 59 W.BTW miskend.

2.5.

De rechtbank is van oordeel, nu de fiscale ambtenaar, N.V. (fiscaal deskundige verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Team 12) opnieuw naar dit proces-verbaal van 8 juni 2020 verwijst in het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021, de voorschriften van artikel 59 W.BTW worden miskend. De elementen of vaststellingen van de ene periode kunnen niet zonder meer worden geëxtrapoleerd naar een andere periode.

De grief van eiseres is gegrond.

inzake het feitelijk vermoeden

2.6.

Eiseres argumenteert dat het bewijs door feitelijke vermoedens in het

voorliggend geschil niet mogelijk is.

De elementen opgenomen in het proces-verbaal van 8 juni 2020 maken hoegenaamd geen vaststaande feiten of bekende gegevens uit, waaruit enige gevolgtrekking zou kunnen volgen. Het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021 kan er dan ook niet naar verwijzen. Door dit wel te doen is er sprake van een verboden opeenstapeling van vermoedens.

2.7.

Artikel 64, §1 en §2 van het W.BTW bepaalt:

"Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."

Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid.

Voor de vermoedens ais bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter ais uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op http://jure.juridat.just.fgov.be).

2.8.

De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie zich heeft gebaseerd op elementen die zogenaamd verwijzen naar 'vaststaande feiten of bekende gegevens', die in werkelijkheid geen vaststaande feiten of bekende gegevens blijken te zijn (zie randnummer 2.4. en 2.5.).

De fiscale administratie kan hieruit geen gevolgtrekkingen maken zonder hierdoor willekeurig te werk te gaan. Het proces-verbaal van 8 juni 2020 betreft een volledig andere periode, namelijk een periode van januari 2020 tot maart 2020. Het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021 daarentegen betreft de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. De fiscale ambtenaar, N.V. (fiscaal deskundige verbonden aan het KMO Centrum Aalst, Team 12), heeft dus elementen en/of vaststellingen geëxtrapoleerd naar een andere periode.

Het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021 is dan ook gebaseerd op een opeenstapeling van vermoedens. Door op deze wijze te werk te gaan heeft verweerster zich bezondigd aan een verboden opeenstapeling van vermoedens. De btw-navordering werd dan ook niet op een geldige wijze berekend.

De grief van eiseres is gegrond.

Besluit

2.9.

De rechtbank besluit, op grond van de hierboven gemaakte overwegingen, dat de fiscale administratie het vermoeden niet correct heeft toegepast en willekeurig te werk is gegaan.

Eiseres heeft het vermoeden weerlegd. In het voorliggende geschil is er sprake van een willekeurige taxatie door middel van een verboden opeenstapeling van vermoedens, zodat artikel 64 W.BTW niet correct werd toegepast.

De btw-vordering dewelke voortvloeide uit het proces-verbaal van regularisatie van 28 oktober 2021 dient dan ook te worden vernietigd. Een passende

ontheffing dringt zich op.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen ais niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1.De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6' juncto artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Eiseres is de partij die in het gelijk werd gesteld. Aangezien zij wordt vertegenwoordigd door een advocaat, heeft zij recht op een rechtsplegingsvergoeding.

De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden btw-navordering, in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR. De rechtbank begroot de rechtsplegingsvergoeding dan ook, sinds 1 november 2022, op het geïndexeerd basisbedrag van 7.500,00 EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

- alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen ais niet ter zake dienend;

- de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate;

- de inschrijving in het Innings- en Invorderingsregister BTW met schuldnummer … te vernietigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR en tot de rechtsplegingvergoeding van 7.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde

burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen,

afdeling Gent, op maandag 19 juni 2023, waar aanwezig waren :

- T.L., rechter, voorzitter van deze kamer,

- T.D., griffier.

Textes cités

4
CTVA art. 213 occurrences
CTVA art. 513 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8