Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel de Gand du 31.03.2026 (2024/AR/1732)
FIN 54897117-01
[ Arrêt favorable ]
TVA – Société holding – Déclarant trimestriel – Non-paiement – Intérêts
Texte intégral:
Corps de la décision
Cet arrêt a été publié uniquement dans la langue originale.
Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 31.03.2026 (2024/AR/1732)
2024/AR/1732 - In de zaak van:
P.D., RRN ...,
wonende te ... ..., ...,
appellant,
hebbende als raadsman mr. DELAFONTEYNE Alexander, advocaat te 8340 SIJSELE, Holleweg
2
tegen
De BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal - Centrumdirecteur KMO Kortrijk, met buren te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 762,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. BRICOUT Tine en mr. DECORDIER Carmenta, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 25 november 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 24 juni 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/1293/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van
3 maart 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
cie1 (hierna 'de VOF') werd opgericht op 14 november 2018 door de appellant en
zijn zoon.
De zoon van de appellant had 4.999 aandelen, terwijl de appellant 1 aandeel had.
De VOF was een managementvennootschap. Voor de btw werd ze geregistreerd voor de economische activiteiten van 'holdings'.
De VOF heeft op 17 juli 2020 een trimestriële btw-aangifte ingediend voor een aan de Schatkist verschuldigd bedrag van 158.782,50 euro.
De VOF betaalde die btw-schuld niet.
Wegens die niet-betaling liet de geïntimeerde aan de VOF weten dat er een bijzondere rekening zoals bedoeld in artikel 8 §1 KB nr. 24 zou opgemaakt worden voor het tijdvak voorafgaand aan 31 augustus 2020.
Het bevoegde KMO-team van de geïntimeerde heeft per aangetekende zending van 28 september 2020 aan de VOF kennis gegeven van de bijzondere rekening voor de periode van 31 mei tot 31 augustus 2020 voor de volgende schulden op datum van 31 augustus 2020:
btw: 158.782,50 euro;
nalatigheidsinterest: 2.540,48 euro;
boete (15%): 23.810,00 euro.
Er werd meegedeeld dat op de btw vanaf 21 september 2020 nalatigheidsinterest verschuldigd was aan 0,8% per maand.
De geïntimeerde stuurde aan de VOF op 26 november 2020 een innings- en invorderingsbericht (schuldnummer 500/2319/03229) voor het totaal van 188.378,35 euro met vraag binnen de 48 uur na ontvangst dat bedrag te betalen. De interest bedroeg op dat moment al 5.785,85 euro.
Er volgde geen betaling.
Op 10 maart 2022 liet de geïntimeerde voor de verschuldigde bedragen een dwangbevel betekenen bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling, aan de VOF, maar ook aan zoon van de appellant en aan de appellant zelf. Deze laatste twee werden aangesproken als hoofdelijk gehouden vennoten van de VOF.
Op 12 april 2022 legden de VOF, de zoon van de appellant en de appellant een gezamenlijk verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Op 5 december 2022 werden zowel de VOF als de zoon van de appellant failliet verklaard.
De curatoren hebben laten weten dat ze de procedure niet verder zetten.
Nadat de eerste rechter de zaak op de terechtzitting 3 juni 2024 (waarop de toenmalige eisers niet verschenen, noch vertegenwoordigd waren) in beraad genomen had, legde de appellant op 11 juni 2024 een verzoekschrift tot heropening van het debat neer.
In het vonnis van 24 juni 2024 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-
Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:
Wijst de vraag tot heropening van de debatten af als ongegrond.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eisers in solidum tot betaling van de gedingkosten, in hun hoofde niet te begroten
aangezien ze hen ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Akte te willen nemen van de vordering van verzoekster tot het nemen van voorafgaande maatregelen op grond van artikel 19 Ger. W. teneinde de vordering te onderzoeken.
Dit verzoek ontvankelijk en gegrond te willen verklaren en vervolgens de heren Marc en Yves CASTERMANS, curatoren van het faillissement van de cie1, te veroordelen op grond van artikel 19, derde lid juncto 877 Ger. W., na behandeling met korte debatten overeenkomstig artikel 1066, tweede lid, 2° Ger. W., tot overlegging van de volgende stukken: - Het betalingsbewijs van cie1 aan cie3 of de boeking van een schuld aan cie3 t.b.v. overeenkomst die door deze laatste overgenomen werd.
- De BTW-aangiftes gedaan door cie1 vanaf 2020 tot aan het faillissement;
- Alle andere stukken met betrekking tot de transactie, met name briefwisseling,
emailverkeer en overeenkomsten;
dit alles binnen de 14 dagen vanaf de datum van het te vellen tussenarrest.
Minstens Volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie:
"1. Moet artikel 183 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde zodanig worden uitgelegd dat het een nationale regeling zoals artikel 76 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde verbiedt, welke regeling enkel de belastingplichtige met identificatie voor btw-doeleinden (meestal de vennootschap zelf) het recht op teruggaaf van een btw-overschot toekent, terwijl een vennoot van een vennootschap onder firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CommV) overeenkomstig nationale invorderingsregels (artikel 2, § 1, 6° en 7°, Wetboek Invordering, juncto artikel 4:14 Wetboek van vennootschappen en verenigingen) persoonlijk en hoofdelijk kan worden aangesproken tot betaling van de btw-schulden van de vennootschap, maar geen persoonlijk recht op teruggaaf heeft van een btw-overschot dat door de vennootschap is opgebouwd?
2.Valt een dergelijke nationale regeling onder de schending van het beginsel van fiscale neutraliteit en het gelijkheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid indien zij leidt tot een asymmetrische behandeling van vennoten, waarbij de persoonlijke aansprakelijkheid voor betaling van btw-schulden wel onmiddellijk afdwingbaar is, maar de teruggaaf van overschotten wordt ontzegd, hetgeen de vrije beweging van goederen en diensten (artikelen 34 e.v. en 56 VWEU) belemmert?
3.Zo ja, in hoeverre kan de lidstaat in voorkomend geval afwijken van de in artikel 90 BTW-Richtlijn neergelegde onmiddellijke en volledige teruggaaf van btw-overschotten ter bevordering van de inning van belastingschulden, en welke waarborgen zijn vereist om het neutraal karakter van de btw te handhaven, rekening houdend met de persoonlijke aansprakelijkheid van vennoten zonder compenserend recht op teruggaaf?"
Alsook volgende prejudiciële vraag te willen stellen aan het Grondwettelijk Hof:
"Schendt artikel 76 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in die zin uitgelegd dat het enkel de belastingplichtige met identificatie voor btw-doeleinden (meestal de vennootschap zelf) het recht op teruggaaf van een btw-overschot toekent, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een vennoot van een vennootschap onder firma (VOF) of een commanditaire vennootschap (CommV) overeenkomstig artikel 2, § 1, 6° en 7°, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen (van 13 april 2019), juncto artikel 4:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, persoonlijk en hoofdelijk kan worden aangesproken tot betaling van de btw-schulden van de vennootschap, maar diezelfde vennoot geen recht op teruggaaf heeft van een btw-overschot dat door de vennootschap is opgebouwd, waardoor deze persoon wel onbeperkt persoonlijk aansprakelijk is voor de btw-schulden van de vennootschap, maar geen aanspraak kan maken op de teruggaaf van btw-overschotten van diezelfde vennootschap?"
Voor het overige het vonnis dd. 24 juni 2024 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijk rechtbank, kamer B.10 te vernietigen, en opnieuw wijzende te zien en te horen zeggen voor recht dat:
- De vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- Dienvolgens te zeggen voor recht dat volgende BTW-schuld ten onrechte gevorderd wordt van concluant, dienvolgens te zeggen voor recht dat het volgend dwangbevel vernietigd en minstens ontheven dient te worden, en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren :
| Belastingplichtige | cie1 | |
| Belastingschuldige | De Heer P.D. | |
| Schuldreferentie | RCIV 500/2319/03229 | |
| Betekening — bevel | 10 maart 2022 | |
| Gevorderd bedrag in hoofdsom | BTW: | € 158.782,50 |
| Proportionele geldboete: | €23.810,00 | |
| Totaal: | € 182.592,50 | |
Kosten lastens geïntimeerde, met name:
| - Geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. basisbedrag eerste aanleg: | € 7.000,00; |
| - Geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. basisbedrag hoger beroep: | € 7.500,00; |
| - bijdrage fonds tweedelijnsbijstand: | € 24, 00; |
| - Totaal: | € 14.524, 00 |
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
Dienvolgens het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 24 juni 2024 ( rolnummer 2022/1293/A) integraal te bevestigen; Appellant te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan de zijde van geïntimeerde in graad van hoger beroep begroot op een basisbedrag van €7.848,84.
Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, vordert zij hiervoor geen rechtsplegingsvergoeding.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Over het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen,
De appellant vraagt om bij wijze van voorlopige maatregel met toepassing van artikel 19, 3de lid, Ger.W. juncto artikel 877 Ger.W. bij de curatoren van het faillissement van de VOF de volgende stukken op te vragen:
het betalingsbewijs van de VOF aan cie3 (vennootschap naar Hongaars recht) of de boeking van een schuld aan cie3 t.b.v. overeenkomst die door deze laatste overgenomen werd.
de btw-aangiftes gedaan door de VOF vanaf 2020 tot aan het faillissement; alle andere stukken met betrekking tot de transactie, met name briefwisseling, e-mailverkeer en overeenkomsten.
De achtergrond voor die gevorderde maatregel is dat de btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2020 de btw bevatte op een factuur die de VOF (op 29 april 2020) had uitgereikt aan cie2 (voor een commissie van (800.000 euro + 168.000 euro btw _) 968.000 euro), terwijl naderhand overeengekomen werd om de VOF als medecontractant van cie2 te vervangen door een Hongaarse vennootschap, vertegenwoordigd door de zoon van de appellant, cie3. Ingevolge de vervanging van de VOF werd (op 5 maart 2022) een creditnota uitgereikt door de VOF aan cie2. De appellant licht toe dat het ging om een commissie die de VOF gefactureerd had voor het aanbrengen van een producent van mondmaskers. In werkelijkheid zou de gerechtigde op de commissie niet de VOF zijn geweest, maar de Hongaarse cie3, onder meer omdat het blijkbaar ging om leveringen die in Hongarije plaats moesten vinden, terwijl de VOF bovendien een loutere managementvennootschap was en dat de voormelde activiteit geenszins tot haar maatschappelijk doel behoorde.
De appellant stelt dat de creditnota in rekening zou moeten worden gebracht waardoor de betreffende btw-schuld komt te vervallen of minstens in belangrijke mate zou verminderen omdat de creditnota een recht op teruggaaf zou doen ontstaan.
De voorlopige maatregelen die op grond van artikel 19, 3de lid Ger.W. kunnen bevolen worden, moeten bedoeld zijn 'om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel'. In het concrete geval zou het overleggen van de stukken al moeten tot doel hebben om de vordering te onderzoeken.
In dat verband blijkt dat de appellant zich verweert als schuldenaar van de betreffende btw-schuld die in hoofde van de VOF ontstaan is. De appellant erkent zelf dat enkel de VOF (als belastingplichtige) en niet hijzelf (als belastingschuldige) recht op teruggaaf heeft. Met de voorgelegde stukken wil de appellant nochtans het bewijs leveren dat er recht op teruggaaf bestond.
Waar de appellant aangesproken wordt om de schuld van de VOF te betalen en dit om reden dat hij als vennoot van die VOF hoofdelijke gehouden is tot de schulden van die vennootschap, heeft hij persoonlijk belang om zich te verweren tegen de schuld. In zoverre hij inroept dat de VOF recht op teruggaaf heeft waardoor haar betreffende schuld wegvalt of minstens lager zal zijn, heeft hij er uiteraard persoonlijk belang bij om de stukken die het bewijs van het recht op teruggaaf kunnen leveren te kunnen voorleggen.
Het is nochtans duidelijk dat het feit dat de appellant, zoals hij althans beweert, de betreffende stukken niet in zijn bezit heeft of kon krijgen, noodzakelijk verband houden met de wijze waarop de VOF bestuurd werd en dus met de vraag of hij als vennoot al dan niet misleid, bedrogen enz. werd door zijn zoon (zoals hij zelf beweert). Gelet op het feit dat de appellant hoofdelijk gehouden vennoot van de VOF is, heeft hij persoonlijk de positie om ten aanzien van de VOF, dus de andere vennoot (zijn zoon) en — na de faillietverklaring van de VOF — de curatoren over het faillissement van de VOF, de nodige stukken op te vragen. Zoals de geïntimeerde met reden stelt, blijkt uit niets dat de appellant daartoe al op enige manier initiatief genomen heeft. Zelfs een ingebrekestelling in dat verband ligt niet voor, laat staan het bewijs dat de betrokkenen zouden geweigerd hebben om de betreffende stukken vrijwillig voor te leggen.
Waar de geïntimeerde betwist dat er een recht op teruggaaf bestaat, roept hij trouwens (onder andere) in dat om het recht op teruggaaf te kunnen valideren nog zou moeten blijken dat die creditnota daadwerkelijk aan cie2 werd uitgereikt en dat die klant bovendien de creditnota zou verwerkt hebben (wat redelijkerwijze gepaard zou moeten hebben gegaan met het inschrijven van een factuur uitgaande van de Hongaarse cie3). Gelet op dit pertinente verweer van de geïntimeerde, betekent dit dat zelfs met de stukken waarvan de appellant vraagt de overlegging te bevelen, geen uitsluitsel over het recht op teruggaaf zal kunnen bestaan.
Bovendien betreft het geschil in wezen slechts de schuld die is opgenomen in het betreffende dwangbevel op basis van bijzondere rekening voor de periode van 31 mei tot 31 augustus 2020, terwijl de teruggaaf gesteund is op een creditnota van 5 maart 2022 en dus van latere datum en uit een andere periode. Dat impliceert dat de appellant in dit geschil een verrekening wil maken tussen de hier betwiste schuld en een beweerde, mogelijke schuldvordering (teruggaaf). Waar de appellant ten gronde vordert om te zeggen voor recht dat de btw-schuld ten onrecht wordt gevorderd en het dwangbevel moet vernietigd of ontheven worden en geen rechtsgevolg kan sorteren, kan die vordering trouwens nooit worden ingewilligd om de enkele reden dat er een later ontstaan recht op teruggaaf zou worden bewezen.
Het eventuele geschil over het recht op teruggaaf kan in het huidige geschil trouwens niet worden opgelost, al is het maar omdat daarvoor de nodige partijen niet (meer) in het geding zijn.
In die omstandigheden is het niet dienstig om op deze preliminaire vordering in te gaan, zodat ze als ongegrond wordt afgewezen.
4.2. Over de vraat tot schorsing van de rechtspleging
De appellant vraagt aan het hof om de rechtspleging te schorsen omdat hijzelf geen recht op teruggaaf heeft, vermits alleen de VOF teruggaaf kan vragen. Hij stelt dat hij — ondertussen — de curatoren over het faillissement van de VOF zal aanspreken met het oog op het instellen van een vordering tot teruggaaf van de btw.
Zoals hoger al vastgesteld, blijkt uit niets dat de appellant al een vordering tegen de betrokken curatoren zou hebben ingesteld, zelfs van het feit dat hij hen daartoe zou in gebreke hebben gesteld, ligt geen enkele bewijs voor.
Er valt niet in te zien waarom de appellant daarmee al geen aanvang zou hebben genomen, te meer dat hij langs die weg direct een aanspraak op (inzage en afschrift van) de nodige stukken die een eventueel recht op teruggaaf zouden onderbouwen, kan formuleren, terwijl een vordering tot teruggaaf sowieso door de VOF moet gesteld worden (en, zoals hoger al vermeld, niet in het huidige geschil kan opgelost worden).
De schorsing zou kennelijk slechts tot gevolg kunnen hebben dat de beslechting van het huidige geschil vertraagd wordt. Waar er geen reden is om in te gaan op de preliminaire vordering om stukken op te vragen (zie hoger), zou de gevraagde schorsing zelfs een permanent karakter kunnen hebben.
Ook die vordering wordt afgewezen.
4.3. Over de verschuldigde btw — recht op compensatie met terug te geven btw
Zoals de appellant zelf erkent, komt het recht op teruggaaf slechts toe aan de VOF.
Op heden is er geen recht op teruggaaf.
Anders wat de appellant wil doen aannemen, blijkt niet uit de e-mailcorrespondentie die tussen hem en/of een vorige advocaat en de geïntimeerde werd gevoerd, dat de geïntimeerde het recht op teruggaaf erkend heeft. Het meest sprekend in dat verband is dat de ambtenaar van het bevoegde team invordering op 9 maart 2022 (de dag waarop de VOF een btw-aangifte voor het vierde kwartaal 2021 indiende om het effect van de creditnota van 5 maart 2022 te verkrijgen) inriep dat bleek dat het btw-registratienummer van de VOF ambtshalve geschrapt was zodat hij vragen stelde bij de mogelijkheid om nog een creditnota op te maken. Dat hij eerder die dag het recht op teruggaaf betwist had door te stellen dat het bedrag sowieso ontoereikend was om de openstaande schuld te dekken, kan niets afdoen van het feit dat de geïntimeerde het recht op teruggaaf principieel betwistte om reden dat de creditnota als ongeldig werd beschouwd.
Verder laat de geïntimeerde met reden gelden dat geen recht op teruggaaf kan bestaan als niet zou bewezen zijn dat de creditnota daadwerkelijk aan de betreffende klant werd uitgereikt en deze in zijn boekhouding en zijn btw-aangiften heeft verwerkt. In wezen voert de geïntimeerde daarmee terecht aan dat nog zou moeten blijken dat de betreffende creditnota aan de werkelijkheid beantwoordt. Het valt het hof in elk geval op dat in de door de appellant voorgelegde overeenkomst die tussen cie2 en cie3 (vertegenwoordigd door de zoon van de appellant) werd ondertekend (ter vervanging van de overeenkomst die eerst door de VOF met cie2 was gesloten), geen adres van cie3 vermeld staat en evenmin enig registratienummer als vennootschap of btw-belastingplichtige. In die omstandigheden maakt de appellant het recht van de VOF op teruggaaf niet aannemelijk, laat staan dat hij er het bewijs van zou leveren.
Even pertinent is het argument van de geïntimeerde dat de curatoren over het faillissement van de VOF (de enigen die wettelijk lopende het faillissement namens de vennootschap kunnen optreden) het geding voor de eerste rechter niet hebben voortgezet omdat zij de betreffende btw-schuld aanvaarden. Impliciet moet daaruit afgeleid worden dat de curatoren oordelen dat er geen reden bestaat (zoals een recht op teruggaaf) om iets van de betreffende schuld af te doen.
4.4. Over de ingeroepen schending van artikel 183 van de btw-richtlijn 2006./1121EG en
het gelijkheidsbeginsel
4.4.1. Enerzijds verzoekt de appellant het hof om de in zijn vordering geformuleerde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU om reden dat de Belgische nationale regels toelaten dat iemand persoonlijk en hoofdelijk tot een btw-schuld van een belastingplichtige kan gehouden zijn, zonder dat hij persoonlijk recht op teruggaaf heeft (waarmee hij de schuld zou kunnen compenseren).
Afgezien van het feit dat die vragen uitgaan van de aanname dat er daadwerkelijk recht op teruggaaf zou kunnen bewezen worden, terwijl dat bewijs niet voorligt (zie hoger), laat de geïntimeerde met reden gelden dat de problematiek waarmee de appellant wil afrekenen in wezen een geschil betreft tussen de appellant en de VOF en haar vertegenwoordigers die verantwoordelijk zijn voor het bestuur en beheer van die vennootschap met betrekking tot de btw-schuld. Dat is niet alleen het geval omdat er kennelijk in de redenering van de appellant geen reden was voor de VOF om een overeenkomst met cie2 aan te gaan (en als zodanig aan die klant een factuur uit te reiken waardoor aan de Schatkist btw verschuldigd was), maar ook omdat door of namens de VOF (hetzij door de zaakvoerder, hetzij door de curatoren) niet het nodige werd/wordt gedaan om het recht op teruggaaf af te dwingen en hij bovendien geen inzage in alle relevante stukken krijgt.
In de veronderstelling dat zou beslist worden dat de VOF recht op teruggaaf heeft, moet immers worden aangenomen dat de appellant het voordeel dat uitgaat van de compensatie in zijn voordeel zal kunnen inroepen in zoverre hij de schuld van de vennootschap zal/zou hebben vereffend.
Waar de appellant het in zijn tweede voorgestelde vraag heeft over de 'asymmetrische behandeling van vennoten' miskent hij dat het door hem aangeklaagde gebrek aan genot van het voordeel van de verrekening van het ingeroepen recht op teruggaaf, voor elke hoofdelijk gehouden vennoot bestaat en er dus geen ongelijkheid kan bestaan. Verder houdt de door de appellant aangeklaagde toestand in hoofde van een hoofdelijk gehouden vennoot geen verband met de neutraliteit van de btw; de appellant beroept zich immers niet op het feit dat de Belgische nationale regeling een recht op teruggaaf in de weg zou staan; dat die recht op teruggaaf enkel bestaat in hoofde van de btw-belastingplichtige (hier de VOF) doet daar niets van af.
Terecht laat de geïntimeerde ook gelden dat de btw-richtlijn 2006/112/EU in zijn artikel 205 de lidstaten toelaat te voorzien dat anderen dan de btw-belastingplichtige hoofdelijk tot de btw-schuld gehouden zijn. Waar de regels met betrekking tot teruggaaf in de richtlijn niet voorzien in het recht op teruggaaf voor deze hoofdelijk gehoudenen, is ook in de richtlijn kennelijk besloten dat het recht op teruggaaf niet aan deze hoofdelijk gehouden derden moet worden verleend.
De derde vraag, gaat uit van de aanname dat het antwoord op de tweede vraag 'ja' zou zijn. Nu de tweede vraag niet dienstig is, is ook de derde vraag niet dienstig.
Er geen reden om de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.
4.4.2. Anderzijds verzoekt de appellant om de in zijn vordering geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen omdat er een niet verantwoorde ongelijkheid zou bestaan tussen de vennootschap-belastingplichtige en de persoonlijk en hoofdelijk gehouden vennoot van een VOF.
Om dezelfde redenen als deze waarvoor het hof onder hoofdstuk 4.5.1. heeft vastgesteld dat er geen reden is om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, is er geen reden om de vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
De appellant gaat uit van het feit dat hij gehouden is tot het betalen van een schuld van de VOF maar geen het recht op teruggaaf zou kunnen laten gelden. Daarmee miskent hij dat, indien de VOF recht op teruggaaf heeft (en kan bewijzen én vordert) hij zich als hoofdelijk gehouden schuldenaar evengoed op de compensatie met die teruggaaf zal kunnen beroepen.
De vraag is niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
4.5. Wat de opgelegde boete betreft
Zoals in het feitenrelaas weergegeven werd een boete van 15% van de niet-betaalde btw opgelegde, zijnde voor een bedrag van 23.810,00 euro.
4.5.1. Het hof stelt in elk geval vast dat de boete die aan de VOF werd opgelegd in overeenstemming is met de wet (art. 70 WBTW) en met de uitvoeringsbepalingen (art. 4 KB nr. 41).
De appellant bewijst niet dat die boete niet in redelijke verhouding staat tot de inbreuk die door de VOF (namelijk de niet-betaling) werd begaan en gepast is met het oog op de bedoeling van die sanctie (naast een vergoedende functie, een straf en een afschrikking om herhaling te vermijden).
Omdat anders de boete haar doel niet zou bereiken zou er hoe dan ook geen reden bestaan om uitstel van betaling ervan toe te kennen. Waar de appellant om uitstel vraagt, doet hij dat niet namens de VOF, wat hij overigens niet zou kunnen omdat hij haar niet vertegenwoordigt en ook niet kan vertegenwoordigen.
4.5.2. Het bedrag dat de appellant aan de geïntimeerde verschuldigd is voor het gedeelte dat bestaat uit de aan de VOF opgelegde boete, is geen sanctie die aan de appellant is opgelegd. De appellant is het bedrag om geen andere reden verschuldigd dan wegens het feit dat hij vennoot is van de VOF en als zodanig krachtens de wet hoofdelijk tot de schulden van die vennootschap gehouden is.
De geïntimeerde verwijt de appellant geen enkel gedrag.
De argumenten en middelen van de appellant die steunen op het persoonlijk karakter van de straf, het recht op een beoordeling met volle rechtsmacht, het recht op eigendom en het verzoek om uitstel, zijn tegen die achtergrond niet pertinent. Zij gaan immers alle ten onrechte uit van de veronderstelling dat de appellant hier om betaling gevraagd wordt van een sanctie (met strafrechtelijk karakter in de zin van het EVRM) die aan hem werd opgelegd.
Ook deze middelen zijn ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft
De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.848,83 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.848,83 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
de vorderingen op grond van artikel 19 Ger.W. zijn ongegrond;
de vordering tot schorsing van de procedure is ongegrond;
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd.
het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger
beroep, vastgesteld als volgt:
aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.848,83 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op eenendertig maart tweeduizend en zesentwintig.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.