Remise ou réduction d’une amende TVA, Principe de proportionnalité · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 16 février 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Remise ou réduction d’une amende TVA, Principe de proportionnalité

https://juriel.be/fr/jurisprudence/remise-reduction-amende-tva-principe-tribunal-hasselt-2023-02-16-e346

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
16 février 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Hasselt du 16.02.2023

[ Jugement favorable partiellement ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Remise ou réduction d’une amende TVA – Principe de proportionnalité

Dispositions légales

Art. 70, §1 CTVA

Résumé du jugement

1. Faits et jugement en première instance

Pour le deuxième trimestre 2020, la partie intimée a déposé deux déclarations comportant un crédit de TVA. Le crédit de TVA a été retenu à des fins de contrôle. Le contrôle n'a toutefois pas pu être effectué car, malgré des demandes répétées, la partie intimée n'a pas présenté les pièces justifiant le droit à déduction en application de l'article 45 CTVA. Pour la période du 1er avril 2020 au 30 juin 2020, un procès-verbal a été dressé et signifié le 17 juin 2021. Le litige porte sur le redressement de TVA établi au moyen du registre de perception et de recouvrement le 2 août 2021 et déclaré exécutoire le 5 août 2021 pour un montant de 745 500 euros de TVA, plus une amende de 1 491 000 euros et des intérêts de retard.

La partie intimée a demandé en première instance l'annulation ou la réduction de l'amende infligée et, à titre subsidiaire, l'octroi d'un sursis à l’exécution de l'amende pendant une période de trois ans. Le premier juge a déclaré la demande de la partie intimée recevable et partiellement fondée et a réduit l'amende à 500 000 euros. Selon le premier juge, l'amende a été infligée légalement, mais elle est, dans le cas d'espèce, disproportionnée par rapport à la nature et à la gravité de l'infraction.

L'État belge (appelant) a interjeté appel de ce jugement.

Texte intégral

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt d.d. 16.02.2023

21/1576/A

INZAKE:

X., met maatschappelijke zetel te …, met ondernemingsnummer …

- eiseres -

Tijdens de zitting van 19.01.2023 vertegenwoordigd door mr. L.K. loco mr. M.M., advocaat te …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financier) 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën), met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

- verweerder -

Tijdens de zitting van 19.01.2023 vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer P.V., adviseur bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 17 september 2021.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies neergelegd.

Verweerder heeft een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 19 januari 2023 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

II. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres X. is btw-belastingplichtige. Voor het tweede kwartaal 2020 diende eiseres twee aangiftes in. Een eerste aangifte werd ingediend door de gevolmachtigd boekhouder, waarbij het ging om een tegoed van 1.329,44 euro. Een tweede aangifte werd ingediend door de zaakvoerder van eiseres (de heer I.K.), waarbij een bedrag van 3.550.000 euro werd opgenomen in rooster 82 en van 745.500,00 euro in rooster 59 en waarbij het ging om een tegoed van 745.290,00 euro.

De btw-administratie voerde een controle uit. Voor de details daarvan verwijst de rechtbank naar de conclusies van partijen.

Op 17 juni 2021 stelde de btw-administratie een proces-verbaal van regularisatie op. Daarin werd gesteld dat eiseres volgende bedragen verschuldigd was:

- 745.500,00 euro btw;

- 1.491.000,00 euro boete

In verband met de boete stelde de administratie dat de vastgestelde overtredingen begaan waren met het oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Op 2 augustus 2021 werd de belastingschuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat op 5 augustus 2021 uitvoerbaar werd verklaard.

III. DE VORDERINGEN

Eiseres X. vraagt om:

- haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- in hoofdorde te zeggen voor recht dat de boete dewelke aan eiseres werd opgelegd door de administratie (middels proces-verbaal d.d. 17.06.2021) conform artikel 70 §1bis BTW-Wetboek wordt kwijtgescholden dan wel gevoelig wordt verminderd;

- ondergeschikt, te zeggen voor recht dat aan eiseres het voordeel van uitstel wordt verleend voor de geldboete dewelke aan haar werd opgelegd door de administratie conform artikel 70 §1bis BTW-Wetboek en dit gedurende een termijn van drie jaar;

 de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

 het door eiseres ingediende verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

 eiseres in haar eisen of te wijzen en haar te veroordelen tot betaling van de door de administratie gevorderde bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister d.d. 2 augustus 2021 en uitvoerbaar verklaard d.d. 5 augustus 2021.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankeliikheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen. De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1. Principes van de wettigheidscontrole

De vordering van eiseres is gericht tegen de opgelegde boete.

De in artikel 70 Btw-Wetboek bedoelde fiscale geldboeten hebben tot doel de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen te voorkomen en te bestraffen, zonder enig onderscheid. Zij hebben dus een repressief karakter en zijn strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (vergelijk GwH 15 mei 2008, 79/2008; GwH 21 februari 2013, 13/2013; GwH 3 april 2014, nr. 61/2014 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020). Dit geldt in het geval van eiseres des te meer gelet op de hoogte van de boete.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie met de betrokken omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vergelijk Cass. 13 februari 2009, F.06.0109.N.; Cass. 15 oktober 2010, F.09.0081.N; Cass. 12 november 2010, F.09.0146.N; Cass. 8 april 2011, F.10.0033.N; Cass. 15 maart 2012, F.11.0012.N; Cass. 17 mei 2013, F.11.0155.N; Cass. 18 januari 2018, F.16.0160.N;Cass. 21 september 2018, F.17.0086,N en Cass, 23 september 2022, F.20.0112.N).

De fiscale administratie heeft de mogelijkheid om een boete kwijt te schelden met toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Dit verandert echter niets aan bovenvermelde principes over de wettigheidscontrole.

Die wettigheidscontrole volgt immers uit een fundamenteel mensenrecht zoals voorzien in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daar heeft iedereen hoe dan ook recht op. De uitoefening van dat recht is dus niet afhankelijk van de (al dan niet) voorafgaande toepassing van de mogelijkheid om een kwijtschelding te vragen, bijvoorbeeld op basis van het Regentsbesluit.

Het Hof van Cassatie spreekt dit geenszins tegen in het arrest van 17 januari 2019 (F.16.0130.F). In dat arrest stelt het Hof van Cassatie dat uit artikel 6.1 EVRM niet volgt dat de rechter de bevoegdheid heeft om boetes kwijt te schelden op een manier zoals de administratie dat wel kan op basis van het Regentsbesluit. Dat is ook logisch. Het Regentsbesluit geeft de administratie immers een veel verregaander beoordelingsmarge, waarbij de opportuniteit van de boete kan worden beoordeeld. Dit gaat veel verder dan de wettigheidscontrole (met inbegrip van de evenredigheidscontrole) die de rechter moet toepassen op basis van artikel 6 EVRM. De rechter moet op basis van artikel 6 EVRM

enkel de wettigheid (inclusief de evenredigheid) controleren en mag - zoals hoger al vermeld - de boete niet kwijtschelden of verminderen louter om opportuniteitsredenen. Maar de wettigheidscontrole die

volgt uit artikel 6 EVRM moet nog steeds worden uitgevoerd (vergelijk ook de conclusie van advocaat-generaal Henkens bij bovenvermeld arrest van 17 januari 2019, in het bijzonder randnr. 12 van deze conclusie).

De mogelijkheid van de administratie tot kwijtschelding die volgt uit artikel 9 van het Regentsbesluit Ieidt er dus niet toe dat de rechter de bevoegdheden van de administratie kan uitoefenen. De rechter kan dus niet de zuivere opportuniteit van de omvang van de boete of van een eventuele kwijtschelding beoordelen. Maar dat verhindert niet dat de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen in het kader van bovenvermelde wettigheidscontrole, ook wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de administratie op grond van artikel 9 Regentbesluit (vergelijk Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N).

2. Concrete toepassing

Eiseres maakt geen concrete opmerkingen bij de wettigheid van de boete op zich. De rechtbank stelt ambtshalve ook geen wettigheidsproblemen vast met betrekking tot de boete.

De administratie heeft bij het opleggen van de boete een correcte toepassing gemaakt van artikel 70 §1bis Btw-Wetboek.

De administratie heeft daarbij de boete terecht niet verminderd met toepassing van de verminderde tarieven vermeld in het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987. De administratie is er immers terecht van uitgegaan dat het gaat om overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking er van mogelijk te maken (artikel 1 laatste lid van het KB nr. 41).

Eiseres heeft een zeer groot bedrag ten onrechte in aftrek gebracht waardoor een zeer groot fictief tegoed werd gecreëerd. De voorgehouden aftrek kon niet met stukken worden gestaafd, ondanks de herhaalde gelegenheid die daartoe werd geboden. Het is niet geloofwaardig dat over de voorgehouden handeling geen stukken kunnen worden voorgelegd (desgevallend kopieën).

Bovendien heeft de zaakvoerder van eiseres getracht om de administratie te misleiden door te beweren dat de teruggave was goedgekeurd.

Verder had de gevolmachtigde boekhouder van eiseres voor hetzelfde kwartaal ook een aangifte ingediend en daarin was van het hoge tegoed helemaal geen sprake. De gevolmachtigde boekhouder was niet op de hoogte van de tweede aangifte.

De boete werd dus wettig opgelegd.

De rechtbank is echter van oordeel dat een boete in dit concrete geval onevenredig is met de aard en ernst van de inbreuk. Het gaat weliswaar om handelingen die werden gesteld met het opzet om belasting te ontduiken en er werd getracht om een zeer groot bedrag onrechtmatig te bekomen. De boete van 200% leidt echter tot een zeer groot bedrag van 1.491.000,00 euro dat een buitensporig grote last vormt voor eiseres. Bovendien blijkt niet dat eiseres eerder reeds de btw-wetgeving heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat een geldboete van 1.491.000,00 euro in die omstandigheden onevenredig is met de begane inbreuk.

De rechtbank is van oordeel dat in die omstandigheden de boete kan worden beperkt tot 500.000,00 euro,

De vordering van eiseres is in die zin deels gegrond.

3. Geen uitstel

In zoverre artikel 70 Btw-Wetboek aan de rechtbank niet toelaat om een uitstel te verlenen, is het in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet (vergelijk GwH 21 februari 2013, 13/2013 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020).

Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om artikel 70 Btw-Wetboek toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vergelijk GwH 21 februari 2013, nr. 13/2013; GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020; Cass. 20 juni 2013 F.11.0007.F en Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F en vergelijk ook i.v.m. de inkomstenbelasting Cass. 13 november 2015, F.14.0119.F).

Wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er een reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen indien de wet in die maatregel had voorzien, dan bestaat het passend herstel in de weigering tot toepassing van de wetsbepaling die de geldboete oplegt (vergelijk Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F).

Er blijkt in het geval van eiseres echter niet dat er een reden is om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien. Zoals hoger reeds aangegeven, gaat het om frauduleus handelen en een poging om op een onrechtmatige manier een groot bedrag aan middelen van de gemeenschap te bekomen. Bovendien werd de boete al verminderd zoals hoger vermeld.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Eiseres werd deels in het ongelijk gesteld nu de boete niet volledig werd kwijtgescholden. Eiseres moet de kosten van de procedure betalen.

Dispositif

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en deels gegrond als volgt.

De rechtbank vermindert de aan eiseres opgelegde btw-boete van 1.491.000,00 euro (vermeld in het proces-verbaal van regularisatie van 17 juni 2021 en opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 2 augustus 2021) tot 500.000,00 euro.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres voor het overige ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor de Belgische staat vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de tiende kamer, op het gerechtshof to Hasselt, op 16 februari 2023 alwaar zetelden:

De heer R. M., alleenzetelend rechter,

Mevrouw G. B., griffier.

Textes cités

3
CTVA art. 708 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 451 occurrence

Décisions similaires

8