Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 11.01.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer
Zitting : 11 januari 2008.
eindvonnis
Rol nr. : 04/1997/A
Inzake :
L.-A CV, met ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …, ….
eiseres op hoofdeis, verweerster op tegeneis,
ter zitting vertegenwoordigd door meester G. S. loco meester F. V., advocaat te …, ….
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
2. DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, Directie BTW Mechelen, met kantoren te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 28.
3. DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het Ontvangkantoor van de BTW te Leuven met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 2.
eerste, tweede en derde verweersters op hoofdeis, eiseressen op tegeneis,
ter zitting vertegenwoordigd door meester E. D. N., advocaat te …, ….
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift op tegenspraak op 15 september 2004 ter griffie neergelegd;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 14 december 2007.
II. De feiten
Op 13 september 2002 werden vier vennootschappen van de S. G. failliet verklaard.
Op 29 oktober 2002 werd tussen eiseres en de curatoren van deze failliete vennootschappen een overeenkomst afgesloten waarbij de curatoren alle handelsvorderingen die "op datum van failliet" uit de boekhouding van deze vennootschappen blijken verkopen aan eiseres. Deze overeenkomst werd voor de curatoren ondertekend door Mr. R. V., één van de curatoren.
De aan eiseres verkochte schuldvorderingen betroffen (onder meer ?) schuldvorderingen op de andere failliet verklaarde vennootschappen.
Dezelfde curatoren waren aangesteld als curator van deze verschillende vennootschappen. Zij verkochten dus als curator van de vennootschap A de schuldvordering van deze vennootschap. op de vennootschap B en in dezelfde overeenkomst verkochten zij, als curator van de vennootschap B, de schuldvordering van de vennootschap B op de vennootschap A.
Op 26 maart 2003 leverde Mr. R. V., in zijn hoedanigheid van curator van deze verschillende vennootschappen een fiscaal attest af waaruit blijkt dat de schuldvorderingen die aan eiseres werden overgedragen opgenomen werden in het passief van het faillissement en als oninbaar dienden te worden beschouwd.
In de BTW-aangifte over het tweede kwartaal 2003 vermeldde eiseres in het vak 62 een bedrag van 1.373.751,02 euro. Dit is de BTW die aangerekend werd op de oninbare schuldvorderingen.
Dit recht op teruggave wordt door verweerster betwist.
III. De vorderingen
Eiseres vraagt dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat zij terecht het recht op teruggave heeft uitgeoefend en verweerster te veroordelen tot terugbetaling van 1.368.046,02 euro, te vermeerderen met de moratoire- en/of wettelijke en/of gerechtelijke intresten vanaf 20 juli 2003.
Eiseres vraagt dat het vonnis uitvoerbaar zou verklaard worden bij voorraad, met uitsluiting van het vermogen van kantonnement.
Verweerster vraagt de vordering als ongegrond af te wijzen, dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat eiseres geen recht heeft op teruggave van een bedrag van 1.373.751,31 euro als BTW en te zeggen voor recht dat eiseres een boete verschuldigd is van 137.370,00 euro.
IV. Beoordeling
1. Artikel 77, § 1, 7° BTW-wetboek bepaalt dat de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
De teruggave geschiedt aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan. Hij die voor de voldoening van de belasting gehouden is een aangifte in te dienen, wordt geacht de belasting aan de Staat te hebben voldaan wanneer hij ze heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in de aangifte en hij de belasting heeft voldaan die die aangifte vaststelt. (artikel 1 Koninklijk Besluit nr. 4).
Bij een verkoop van een schuldvordering wordt de koper eigenaar van de schuldvordering. Deze eigendomsoverdracht is tegenwerpelijk aan derden. In dat geval is het de koper van de schuldvordering die bij geheel of gedeeltelijk verlies van de vordering van de prijs krachtens artikel 77, § 1, 7°, van het BTW-wetboek aanspraak kan maken op teruggave van de BTW.
2. Iedere partij dient het bewijs te leveren van de feiten die zij aanvoert (artikel 870 Gerechtelijk Wetboek). Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen (artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
De belastingplichtige die teruggave vordert van de BTW dient het bewijs te leveren dat hij aan de voorwaarden voldoet om deze teruggave te kunnen bekomen. In de voorliggende zaak betekent dit dat eiseres moet bewijzen dat de BTW voldaan werd.
3. Eiseres, bewijst niet dat de BTW voldaan werd voor de schuldvorderingen waarvoor zij de teruggave vordert. Dit volstaat om de vordering als ongegrond af te wijzen.
4. Eiseres vraagt dat 'de rechtbank alvorens recht te doen, bij tussenvonnis verweerster zou bevelen bij toepassing van de artikelen 871, 877 e.v. Gerechtelijk Wetboek het controleverslag van de BTW-controle Leuven alsmede de BTW betalingsoverzichten van de vier vennootschappen die failliet verklaard werden over de jaren 2000, 2001 en 2002 ter griffie te deponeren.
Eiseres vraagt tevens, voor zoveel als nodig, bij toepassing van dezelfde wetsbepalingen, de curatoren van de vier gefailleerde vennootschappen te bevelen de integrale boekhouding met inbegrip van overtuigingsstukken te deponeren waaruit de verwerking, de aangifte en betaling van de BTW betreffende de aan haar overgedragen schuldvorderingen kan blijken.
5. De artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen weliswaar dat de rechter aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen en dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
Deze artikelen verlenen de rechter de mogelijkheid om overlegging te bevelen van het bewijsmateriaal dat een partij bezit of van een stuk dat zij vermoedelijk onder zich heeft en dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, maar verplichten hem daartoe niet (Cass., 14 december 1995; Arr. Cass. 1995, 1128; Bull. 1995, 1165; Pas. 1995, I, 1165; R.W. 1996-97, 198.)
6. De koper dient zich door de verkoper in het bezit te laten stellen van de gekochte zaak en haar toebehoren. Hiertoe behoort ook het bewijs dat de BTW aan de Staat voldaan werd indien de verkoop, zoals eiseres voorhoudt, tevens het recht op teruggave van de BTW impliceert.
Om de curatoren te verplichten hun leveringsplicht te vervullen dient eiseres een vordering in te stellen tegen de curatoren.
7. Wanneer een partij de bewijslast van een feit draagt en er door haar eigen nalatigheid niet in slaagt het bewijs van dit feit te leveren, is het niet aan de tegenpartij om het opzoekingswerk te verrichten en stukken bij te brengen om dit feit te bewijzen.
Eiseres dient zelf het nodige te doen om zich door de verkoper in het bezit te laten stellen van de nodige stukken om haar recht op teruggave te kunnen uitoefenen.
8. De vraag om de neerlegging van stukken te bevelen wordt afgewezen.
9. Volledigheidshalve kan hieraan worden toegevoegd dat de tussen de curatoren en eiseres afgesloten overeenkomst geen overeenkomst van verkoop van schuldvordering is.
10. De overeenkomst bepaalt dat de verkoopprijs afhankelijk is van de door eiseres geïnde sommen. Deze verkoopprijs werd vastgesteld op 97,5 % van de geïnde sommen.
Dit betekent dat eiseres op de geïnde sommen een commissie ontvangt van 2,5 %.
De overeenkomst bepaalt verder "Partijen kunnen in onderling overleg op elk moment een einde stellen aan de overeenkomst. Dit dient te gebeuren door middel van aangetekend schrijven. De overeenkomst eindigt 3 maanden na datum van bedoeld aangetekend schrijven [...]. De overeenkomst eindigt automatisch op het einde van het 5de jaar na ondertekening van deze overeenkomst. Op dat ogenblik zal een finale afrekening gebeuren. De dan nog openstaande vorderingen zullen als oninbaar beschouwd worden behoudens de vorderingen waarvoor een rechtszaak hangende is."
11. Deze laatste clausule sluit uit dat er een overdracht van eigendom is van de schuldvordering van de curatoren naar eiseres. De curatoren kunnen immers op elk ogenblik, mits een opzeg van 3 maanden, een einde stellen aan de overeenkomst. Na het einde van het 5de jaar wordt de overeenkomst automatisch beëindigd. Dit betekent dat eiseres dan geen eigenaar meer is van de schuldvorderingen. Deze bepalingen zijn in strijd met de essentie van een verkoop, namelijk dat de koper eigenaar wordt van de gekochte zaak, in casu de schuldvorderingen.
12. Alhoewel partijen de overeenkomst kwalificeren als een overeenkomst tot verkoop van schuldvordering, is·de overeenkomst in feite een overeenkomst waarbij eiseres van de curatoren de opdracht krijgt om deze schuldvorderingen te innen, waarbij zij op de ontvangen gelden een commissie van 2,5 % mag inhouden.
13. Daarbij komt dat de curatoren op het .ogenblik dat zij de schuldvorderingen verkochten zeer goed wisten dat de schuldvorderingen, waarvoor thans teruggave van BTW gevraagd wordt, oninbaar waren. Het waren immers schuldvorderingen in het passief van de failliete vennootschappen waarvan ze zelf curator waren.
Op het ogenblik van de verkoop stond reeds vast dat de schuldvorderingen oninbaar waren, en dus niets waard waren. Men kan moeilijk spreken van een verkoop van een schuldvordering, dit is van het recht betaling van de schuld te ontvangen, als reeds vaststaat dat de schuld niet zal betaald worden.
14. Tenslotte kan men zich ook de vraag stellen of de schuldvorderingen werkelijk oninbaar waren. Verbintenissen. gaan teniet door schuldvergelijking en schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars; de twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag (artikel 1290 van het Burgerlijk Wetboek).
In de mate dat de voorwaarden voor schuldvergelijking aanwezig waren vóór het faillissement had in principe schuldvergelijking plaats voor de schulden waarbij twee failliete vennootschappen van de S. G. wederzijds een schuldvordering op elkaar hebben.
15. Verweerster is terecht van oordeel dat een boete van 10 % of 137.370,00 euro verschuldigd is. Eiseres voert dienaangaande, in ondergeschikte orde, geen verweer.
16. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat treedt in werking op 1 januari 2008 (artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding). Deze wet is van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treedt. Een zaak die, zoals onderhavige zaak, in beraad werd genomen vóór 1 januari 2008, maar waarin nog geen uitspraak gedaan werd op 1 januari 2008, is op 1 januari 2008 nog steeds hangende, zodat de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 dienen te worden toegepast.
Partijen hebben ter zitting hun standpunt hierover kunnen uiteenzetten, evenals over het bedrag van de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding.
Het bedrag van de vordering is hoger dan 1.000.000,00 euro zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 15.000,00 euro bedraagt.
Eiseres kan als in het ongelijk gestelde partij geen aanspraak maken op een rechtplegingsvergoeding zodat deze dan ook voor haar niet begroot dient te worden.
17. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing (artikel 92bis BTW-wetboek).
De rechtbank mag de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis niet toestaan.
Dispositif
V. Uitspraak
Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering van eiseres is ontvankelijk maar ongegrond.
De tegenvordering van de BELGISCHE STAAT is ontvankelijk en gegrond. Eiseres heeft geen recht op teruggave van 1.373.751,31 euro en is een boete verschuldigd van 137.370,00 euro.
De rechtbank wijst al het anders of meergevorderde als ongegrond af.
De rechtbank veroordeelt eiseres tot de kosten, die voor haar niet moeten begroot worden omdat ze ten hare laste blijven, en die voor verweerster kunnen begroot worden op 15.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 11 januari 2008, waar zetelden :
De heer L. W., alleen zetelend rechter;
Mevrouw M. R., adjunct-griffier.
M. R. L. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.