Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Flandre-Occidentale, division Bruges du 27.06.2018
WF 804-15-17/032903
[Défavorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Principe non bis in idem – Amende fiscale proportionnelle – Amende fiscale non proportionnelle
Dispositions légales
Article 70, § 1er, du Code de la TVA
Arrêté royal n° 41, du 30 janvier 1987, fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Arrêté royal n° 44, du 21 octobre 1993, fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Résumé et commentaire
Ce jugement défavorable à l'Etat belge a été cassé par l'arrêt de la Cour d'appel de Gand du 14.01.2020. Le pourvoi en cassation contre cet arrêt par l’assujetti a été rejeté par l'arrêt de la Cour de cassation du 23.12.2021
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, vierde kamer
Vonnis van 27/06/2018
Rol: 17/1562/A + 17/1743/A + 17/2629/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, vierde kamer, heeft het volgend vonnis verleend:
ln de zaak : 17/1562/A, 17/1743/A en 17/2629/A
I. ln de zaak 17/1562/A
NV N.E., met maatschappelijke zetel te ..., voor BTW-doeleinden geregistreerd onder het BTW-nummer BE 044...09, EISERES, voor wie optreedt Meester ..., advocaat te ....
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, algemene Administratie van de inning en de invordering in de persoon van de Adviseur lnvordering - Ontvanger BTW van het Team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal - centrumdirecteur van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 en de adviseur-invordering-ontvanger van het team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 VERWEERDER, voor wie mevrouw X, adviseur, is verschenen,
II. ln de zaak 17/1743/A
NV N.E. met maatschappelijke zetel te ..., voor BTW-doeleinden geregistreerd onder het BTW-nummer BE 044...09, EISERES, voor wie optreedt Meester ..., advocaat te ...
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, algemene Administratie van de inning en de invordering in de persoon van de Adviseur lnvordering - Ontvanger BTW van het Team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal - centrumdirecteur van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 en de adviseur-invordering-ontvanger van het team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 VERWEERDER, voor wie mevrouw X, adviseur, is verschenen,
Ill. ln de zaak 17/2629/A
NV N.E., met maatschappelijke zetel te 8740 PITTEM, Brugsesteenweg 64, voor BTW-doeleinden geregistreerd onder het BTW-nummer BE 044...09, EISERES, voor wie optreedt Meester DE LANGHE FRANK en Meester EVERT MOONEN, beiden advocaat te WAREGEM.
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, algemene Administratie van de inning en de invordering in de persoon van de Adviseur lnvordering - Ontvanger BTW van het Team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal - centrumdirecteur van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 en de adviseur-invordering-ontvanger van het team lnvordering Rechtspersonen Brugge 1, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4 VERWEERDER, voor wie mevrouw X, adviseur, is verschenen,
I. RECHTSPLEGING
1.1. ln de zaak AR 17/1562/A
Gelet op het fiscaal verzoekschrift gedeponeerd ter griffie dezer rechtbank in datum van 19 mei
2017.
1.2. ln de zaak AR 17/1743/A
Gelet op het fiscaal verzoekschrift gedeponeerd ter griffie dezer rechtbank in datum van 7 juni 2017.
1.3. ln de zaak AR 17/2629/A
Gelet op het fiscaal verzoekschrift gedeponeerd ter griffie dezer rechtbank in datum van 12 september 2017.
1.4. ln de drie zaken
De rechtbank nam kennis van de dossiers der rechtspleging en van de door partijen gedeponeerde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting van 23 mei 2018.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.
Il. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is voor haar economische activiteit van "vervaardiging van verlichtingsapparaten en elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen" ais Btw-belastingplichtige geregistreerd onder het Btw-nummer BE 044...09.
Zij is ais dusdanig onderworpen aan de Btw-wetgeving in het algemeen en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
ln haar hoedanigheid van Btw-belastingplichtige is zij op grond van artikel 53, § 1, 2° W. BTW en artikel 18, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992, gehouden tot het indienen van periodieke kwartaalaangiften.
Zij was er op grond van artikel 53, § 1, 3° W. BTW er eveneens toe gehouden de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn gesteld voor de indiening van de hiervoor genoemde aangifte.
Doordat eiseres in gebreke bleef om haar Btw-aangiften tijdig in te dienen werd haar rekening courant op nul gezet op 30/09/2014, 31/12/2014, 30/06/3015, 30/11/2015 en 29/02/2016, 31/07/2016 en 31/05/2017, conform de bepalingen van artikel 8 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992.
Op naam van eiseres werden volgende bijzondere rekeningen bijgehouden: Artikelnummer 500-1317-80839 (periode: 30/06/2014-30/09/2014)
• BTW: 176.630,15 euro
• Proportionele geldboete: 26.390,00 euro
• Niet-proportionele geldboete: 100,00 euro
• Te verhogen met intresten
Artikelnummer 500-1386-79357 (periode: 30/09/2014-31/12/2015)
• BTW: 201.698,40 euro
• Proportionele Btw-boete: 30.250,00 euro
• Niet-proportionele geldboete: 0
• Te verhogen met intresten
Artikelnummer 500-1494-22109 (periode: 31/03/2015-30/06/2015)
• BTW: 147.718,56 euro
• Proportionele Btw-boete: 22.150,00 euro
• Niet-proportionele geldboete: 0
• Te verhogen met intresten
Artikelnummer 500-1572-08882 (periode: 31/07/2015-30/11/2015}
• BTW: 150.713,04 euro
• Proportionele geldbtw-boete: 22.400,00 euro
• Niet-proportionele geldboete: 300,00 euro
• Te verhogen met intresten
Artikelnummer 500-1612-37921 (periode: 30/11/2015-29/02/2016}
• BTW: 198.560,06 euro
• Proportionele Btw-boete: 29.680,00 euro
• Niet-proportionele geldboete: 300,00 euro
• Te verhogen met intresten
Op 16 september 2016 richtte eiseres aan de gewestelijke directeur van de BTW een verzoekschrift tot kwijtschelding van boete ingevolge de bijzondere rekeningen opgemaakt in de periode juni 2014 tot februari 2016.
Op 31 juli 2016 werd de rekening-courant opnieuw op nul gezet ingevolge de niet-betaling van de verschuldigde BTW voortspruitend uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, 3° W. BTW met betrekking tot februari, maart, april, mei en juni 2016. Een bijzondere rekening werd opgemaakt voor de periode van 29/02/2016 tot 31/07/2016.
Op grond van deze bijzondere rekening waren volgende sommen verschuldigd:
Ais BTW: 217.627,47 euro
Ais proportionele geldboete: 32.640,00 euro
Ais niet-proportionele geldboete: 800,00 euro
Ais intresten: 2.707,52 euro te verhogen met een intrest van 0,8 % per maand vanaf 21/08/2016.
Aansluitend op het voornoemd verzoek van 16 september 2016 werd op 6 december 2016 een verzoekschrift ingediend tot kwijtschelding van de boete opgelegd geworden ingevolge de bijzondere rekening voor de periode 29/02/2016 tot 31/07/2016.
Bij directoriale beslissing van 3 maart 2017 werd beslist de geldboeten (periode 2014-juli 2016} niet te verminderen, noch kwijt te schelden.
Wegens de niet tijdige betaling van de verschuldigde sommen die werden opgenomen in hoger vermelde bijzondere rekening van 29/02/2016 tot 31/07/2016, werd op 24 januari 2017 een dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van het team invordering RP Brugge 1 dat op 26 januari 2017 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de adviseur van team 4 - GO beheer te Brussel.
Op 15 februari 2017 werd dit dwangbevel bij toepassing van artikel 85, § 3 W. BTW bij deurwaardersexploot van gerechtsdeurwaarder Luc Hillemans betekend aan eiseres.
Op 19 mei 2017 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank waarbij verzet tegen voornoemd dwangbevel werd aangetekend. Deze zaak is gekend onder het rolnummer 17/1562/A.
2.2. Op 7 juni 2017 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank waarbij kwijtschelding van de boeten ingevolge de bijzondere rekeningen opgemaakt in de periode juni 2014 tot februari 2016 wordt gevorderd. Deze zaak is gekend onder het rolnummer 17/1743/A.
2.3. Op 31 mei2017 werd de rekening-courant opnieuw op nul gezet. Een bijzondere rekening werd opgemaakt voor de periode van28/02/2017 tot31/05/2017 (stuk2).
Op grond van deze bijzondere rekening waren volgende sommen verschuldigd: Ais BTW: 192.757,57 euro
Ais proportionele geldboete: 28.920,00 euro Ais niet-proportionele geldboete: 200,00 euro
Ais intresten: 2.372,24 euro te verhogen met een intrest van 0,8 % per maand vanaf 21/06/2017.
Op 12 september 2017 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank waarbij kwijtschelding van de opgelegde boeten wordt gevorderd.
2.4. Eiseres vordert:
- ln de zaakAR17/1562/A:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. En dienvolgens.
ln hooforde:
Te zeggen voor recht dat de proportionele geldboete van 15 % die betrekking heeft op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 april 2016 tot en met 31 juli 2016
{32.640,00 EUR) onterecht werd opgelegd en dat deze bijgevolg niet verschuldigd is en dient te worden terugbetaald.
ln ondergeschikte orde:
Te zeggen voor recht dat de proportionele geldboete van 15 % die betrekking heeft op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 mei 2016 tot en met 31 ju/i 2016 ten belope van 32.371,00 EUR onterecht werd opgelegd en dat deze bijgevolg niet verschuldigd is en dient te worden terugbetaald.
ln uiterst ondergeschikte orde:
Te zeggen voor recht dat de proportionele geldboete van 15 % die betrekking heeft op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 april 2016 tot en met 31 juli 2016 dient te worden verminderd en dat deze ten belope van deze vermindering niet verschuldigd is en dient te worden terugbetaald.
Verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle onverschuldigd betaalde sommen, verhoogd met de moratoire intresten zoals voorzien in artikel 91 W. BTW en/of de artikelen 1376 en 1153 BW.
Verweerder te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, die wordt begroot op een bedrag van 2.400,00 EUR (vordering tussen 20.000,01 EUR en 40.000,00 EUR)."
- ln de zaak AR 17/1743/A:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. En dienvolgens.
ln hoofdorde:
Te zeggen voor recht dat de proportionele geldboeten van 15 % die betrekking hebben op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 juli 2014 tot en met 29 februari 2016 {131.270,00 EUR) onterecht werden opgelegd en dat deze bijgevolg niet verschuldigd zijn en dienen te worden terugbetaald en de beslissing d.d. 3 maart 2017 in die zin te hervormen.
ln ondergeschikte orde:
Te zeggen voor recht dot de proportionele geldboeten van 15 % die betrekking hebben op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 juli 2014 tot en met 29 februari 2016 dienen te worden verminderd en dot deze ten belope van deze vermindering niet verschuldigd zijn en dienen te worden terugbetaald en de beslissing d.d. 3 maart 2017 in die zin te hervormen. ln uiterst ondergeschikte orde:
Te zeggen voor recht dot de proportionele geldboeten van 15 % die betrekking hebben op de Btw-aangiften van concluante voor de maanden juli 2014, augustus 2015, oktober 2015, december 2015, januari 2016 en februari 2016 ten belope van 55.710,00 EUR onterecht werden opgelegd en dot deze bijgevolg niet verschuldigd zijn en dienen te worden terugbetaald en de beslissing d.d. 3 maart 2017 in die zin ter hervormen.
Verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle onverschuldigd betaalde sommen, verhoogd met de moratoire intresten zoals voorzien in artikel 91 W. BTW en/of de artikelen 1376 en 1153 BW.
Verweerder te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, die wordt begroot op een bedrag van 6.000,00 EUR (vordering tussen 100.000,00 EUR en 250.000,00 EUR)."
- ln de zaak AR 17/2629/A:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. En dienvolgens.
ln hoofdorde:
Te zeggen voor recht dot de proportionele geldboete van 15 % die betrekking heeft op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 april 2017 tot en met 31 mei 2017
{28.910,00 EUR) onterecht werd opgelegd en dot deze bijgevolg niet verschuldigd is en dient te worden terugbetaald.
ln ondergeschikte orde:
Te zeggen voor recht dot de proportionele geldboete van 15 % die betrekking heeft op de Btw-aangiften van concluante voor de periode vanaf 1 april 2017 tot en met 31 mei 2017 dient te worden verminderd en dot deze ten belope van deze vermindering niet verschuldigd is en dient te worden terugbetaald.
Verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle onverschuldigd betaalde sommen, verhoogd met de moratoire intresten zoals voorzien in artikel 91 W. BTW en/of de artikelen 1376 en 1153 BW.
Verweerder te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, de rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, die wordt begroot op een bedrag van 2.400,00 EUR (vordering tussen 20.000,01 EUR en 40.000,00 EUR)."
2.5. Verweerder vraagt:
"Het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Verzoekster te veroordelen tot de kosten van het geding."
Ill. BEOORDELING
3.1. Nopens de samenvoeging
De gedingen gekend onder AR 17/1562/A, AR 17/1743/A en AR 17/2629/A zijn allen hangende tussen dezelfde partijen en betreffende een gelijkaardige betwisting.
De drie zaken worden dan ook samengevoegd conform artikel 30 Ger. W. teneinde bij een afzonderlijke behandeling der zaken tegenstrijdige beslissingen te vermijden.
3.2. Nopens de ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.3. Nopens de grond
A. Nopens het evenredigheidsbeginsel
a. Eiseres stelt dat de opgelegde geldboete van 15 % in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en volledig dient kwijtgescholden te worden.
Zij laat gelden dat zij op financieel vlak een moeilijke periode heeft gekend doch hieraan stelselmatig verbetering heeft kunnen in brengen met betaling van de Btw-schulden tot gevolg en vordert wegens manifeste onevenredigheid de volledige kwijtschelding van de opgelegde geldboete van 15 %.
b. lngevolge de opmaakt door de Btw- administratie van de bijzondere rekening werd op grond van artikel 70, § 1 W. BTW voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting, die verminderd is geworden tot 32.640,00 euro, zijnde 15 % van de verschuldigde belasting.
c. De litigieuze opgelegde geldboeten zijn een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
Zij strekken ertoe op algemene wijze elke Btw-belastingplichtige ertoe aan te zetten de Btw-wetgeving correct toe te passen om zowel de belastingverhoging te vermijden ais om de onjuiste toepassing van de Btw-wetgeving te bestraffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve boete te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige taken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 17 mei 2013, rolnr. F.11.015.N, http:jure.juridat.just.fgov.be).
d. De door eiseres aangevoerde financiële moeilijkheden die zij ondervonden heeft, kunnen geen aanvaardbare reden vormen om overtredingen te begaan op essentiële Btw-verplichtingen zoals het tijdig voldoen van de verschuldigd geworden belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende aangiften.
Bovendien voldeed eiseres, zoals verweerder in zijn conclusie aangeeft ook na de bijzondere rekening met betrekking tot de periode 29 februari 2016 tot 31 juli 2016 en ook vanaf april 2017 opnieuw niet aan haar verplichting tot tijdige indiening en betaling van de periodieke aangiften, dit in tegenstelling tot haar beweringen dienaangaande (stuk 8 administratief dossier).
Terecht werd aan eiseres een administratieve geldboete opgelegd die reeds werd verminderd overeenkomstig artikel 1 alinea 1° en de bijlage, tabel G, eerste afdeling 1, 2, A van het KB nr. 41 van 21 oktober 1993 gegeven ter uitvoering van artikel 70, § 1 W. BTW.
De opgelegde boete is niet onevenredig met de inbreuk en kon in alle redelijkheid worden opgelegd. lmmers eiseres is door de Btw-administratie herhaaldelijk op haar financiële verplichtingen gewezen.
Van eiseres, die deelneemt aan het handelsverkeer, mag verwacht worden dat zij weet dat een inbreuk op de fiscale verplichtingen tot gevolg kan hebben dat een administratieve geldboete wordt opgelegd.
Evenzeer dient zij te weten dat bij het telkenmale niet nakomen van de fiscale verplichtingen telkens een boete kan opgelegd worden.
Het middel mist grondslag.
B. Nopens het non bis in idem beginsel
a. ln het geschil gekend onder AR 17/1562/A voert eiseres aan dat haar blijkens de opgave van een bijzondere rekening d.d. 16.11.2016 tot 31 juli 2016 door de Btw-administratie een niet-proportionele geldboete opgelegd is geworden omwille van de laattijdige indiening van Btw-aangiften en dat er haar op 31 juli 2016 tevens een proportionele geldboete van 15 % opgelegd is geworden wegens laattijdige betaling van de verschuldigde BTW betreffende dezelfde periode, zodat verweerder feiten die in essentie dezelfde zijn tweemaal heeft bestraft zodat de proportionele geldboete van 15 % die dateert van een latere datum in strijd is met het non bis in idem beginsel voor wat betreft de periode 1 mei 2016 tot en met 31 juli 2016, zijnde 32.371,00 euro.
Betreffende het geschil gekend onder AR 17/1743/A wijst eiseres erop dat zij vanwege de Btw-administratie diverse opgaven van bijzondere rekeningen met betrekking tot de periode 1 juli 2014 tot 29 februari 2016 heeft ontvangen blijkens dewelke niet proportionele geldboeten in haren hoofde werden opgelegd betreffende deze periode die gemotiveerd werden wegens de laattijdige indiening van Btw-aangiften en dat er tevens enkele proportionele geldboeten van 15 % in haren hoofde opgelegd zijn geworden wegens laattijdige betaling van de verschuldigde BTW betreffende dezelfde periode, zodat volgens eiseres de opgelegde proportionele geldboeten van 15 % die geheven werden betreffende de Btw-schuld met betrekking tot de maanden juli 2014, augustus 2015, oktober 2015, januari 2016 en februari 2016 in strijd zijn met het non bis in idem beginsel, zijnde 55.710,00 euro.
Betreffende het geding gekend onder AR 17/2629/A wijst eiseres erop dat er blijkens de bijzondere rekeningen betreffende de periode van 1 maart 2017 tot 31 mei 2017 in haren hoofde twee niet-proportionele geldboeten zijn opgelegd (op 21 april 2017 en op 21 mei 2017) wegens de laattijdige indiening van de Btw-aangiften en dat er tevens in haren hoofde een proportionele geldboete van 15 % opgelegd is geworden wegens laattijdige betaling van de verschuldigde BTW betreffende dezelfde periode, zodat volgens eiseres de opgelegde proportionele geldboete van 15 % die geheven werd over de Btw-schuld met betrekking tot de maanden april 2017 en mei 2017 in strijd is met het non bis in idem beginsel zijnde 28.910,00 euro.
b. Luidens de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt het non bis in idem beginsel geschonden wanneer een persoon na een eerste bestraffing met een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM, voor dezelfde feiten of voor feiten die substantieel dezelfde zijn, een tweede keer wordt vervolgd door de overheid.
Om tot een schending te besluiten is het voldoende vast te stellen dat dezelfde feiten worden bestraft, los van elke verdere kwalificatie van de inbreuk en los van elke inhoudelijke interpretatie van de vervolging (EHRM 10 februari 2009 Zolotukhin v. Rusland, T. Strafrecht, 2009, 128).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevestigde dit op fiscaal vlak nogmaals in het arrest Ruotsalainen (EHRM 16 september 2009, Ruotsalainen v. Finlang, T.F.R. 2010, nr. 382, 501).
De in casu door de Btw-administratie opgelegde fiscale geldboeten zoals bepaald geworden in artikel 70 W. BTW hebben een overheersend repressief karakter en vormen bijgevolg sancties van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 4 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Grondwettelijk Hof, 3 april 2014, nr. 61/2014, http://www.sonstcourt.be).
Er zijn geen redenen voorhanden om wat betreft hun repressief karakter een onderscheid te maken tussen proportionele en niet-proportionele geldboeten (Gent 10 maart 2015, Fisc. Koer. 2015/08, 622-625).
Het in idem vereiste moet feitelijk worden benaderd en het volstaat dat identieke feiten worden bestraft los van elke juridische (straf)kwalificatie van de inbreuk en ongeacht het beschermde rechtsbelang.
Het in idem vereiste viseert zowel identieke feiten alsook andere feiten die met de reeds bestrafte feiten "een onlosmakelijk geheel vormen (verbonden) door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp".
Het komt aan de (bodem)rechter toe om op soevereine wijze te oordelen over de aan of afwezigheid van die onlosmakende samenhang, waarbij de gedraging het uitgangspunt vormt (C. Van de Heyning, D. Verbeke, P. De Vos en S. Lamberigts, Het na bis in idem-beginsel in parallelle administratieve en strafrechtelijke procedures: de beperkte beperking van "bis", T.F.R. 2018, nr. 540, 376 e.v.).
ln casu blijkt uit het administratief dossier dat de niet-proportionele geldboeten in hoofde van eiseres werden opgelegd door de Btw-administratie omwille van de laattijdige indiening van de Btw-aangiften door eiseres.
De litigieuze proportionele geldboeten werden opgelegd in hoofde van eiseres omwille van de laattijdige betaling van de BTW betreffende dezelfde periodes.
De door de Btw-administratie opgelegde litigieuze proportionele geldboeten zijn door de Btw-administratie niet gemotiveerd geworden ais een verantwoorde aanvulling op een eerdere bestraffing waaruit dient geconcludeerd te worden dat verweerder de kwestieuze proportionele geldboete opgelegd heeft naar aanleiding van de feiten die zij reeds eerder had bestraft wegens laattijdige indiening van de Btw-aangiften.
De litigieuze proportionele geldboeten van 15 % die dateren van een latere datum dan de niet-proportionele geldboeten zijn derhalve strijdig met het non bis in idem beginsel.
Het middel is gegrond.
Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.
3.3. Nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 107, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.
Deze belopen in hoofde van eiseres het basisbedrag der geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. 2.400,00 euro, zoals gevorderd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN, beslist De Rechtbank ais volgt,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Voegt de zaken gekend onder AR 17/1562/A, AR 17/1743/A en AR 17/2629/A samen. Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in volgende mate.
Zegt voor recht dat de proportionele geldboeten van 15 % die betrekking heeft op de Btw aangiften van eiseres voor: de periode vanaf 1 mei 2016 tot en met 31 juli 2016 ten belope van 32.371,00 euro (AR 17/1562/A); de maanden juli 2014, augustus 2015, oktober 2015, november 2015, december 2015, januari 2016 en februari 2016 ten belope van 55.710,00 euro (AR 17/1743/A) en de maanden april 2017 en mei 2017 ten belope van 28.910,00 euro (AR 17/2629/A) niet verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder ingeval van inhouding bij eiseres of betaling door eiseres van voormelde geldboeten, tot terugbetaling ervan aan eiseres, verhoogd met de moratoire intresten conform artikel 91 W. BTW.
Veroordeelt verweerder tot betaling der gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding ad. 2.400,00 euro.
Wijst het meer of anders gevorderde door partijen af ais ongegrond.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op zevenentwintig juni tweeduizend en achttien.
Aanwezig zijn:
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
3Jurisprudence
2Belgique
2Cour de cassationF.20.0097.N/123.12.2021
Amende proportionnelle, Amende non-proportionnelle, Principe non bis in idem
Cour d'appel de Gand14.01.2020