Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 19.06.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, TIENDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 06/2132/A
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, woonst kiezend ten kantore van de Federale Overheidsdienst Financiën, Directie BTW, Voorstraat 43 te 3500 Hasselt,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, ….
tegen :
S. J., arts, geboren te … op …, wonende te …, …,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. C. L. loco mr. J. J., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
1. Feiten en vorderingen
1. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12.09.2002 werd verweerder S. veroordeeld wegens :
- te Leopoldsburg op 13.10.1993 bij inbreuk op de art. 73 en 73bis, al. 1 wetboek BTW, met het oogmerk om een van de in art. 73 bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften, valsheid te hebben gepleegd, namelijk door op het formulier "aangifte van BTW", voorgeschreven door art. 64, par. 4 van het BTW-Wetboek, valse cijfergegevens te hebben aangebracht i.v.m. de verbouwingen aan zijn woning teneinde met bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, meer in het bijzonder het opzet in strijd met art. 45 en 64 van het BTW-Wetboek middels voornoemde factuur de bouwwaarde van de woning te motiveren, om alzo verschuldigde BTW te ontduiken,
- te Leopoldsburg van 13.10.1993 tot 03.10.1995 met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik gemaakt te hebben van de valse akte of van het vals stuk wetende dat het vervalst was.
In eerste aanleg was verweerder S. vrijgesproken en had de correctionele rechtbank zich in haar vonnis van 09.06.1999 onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering van eiseres de Belgische Staat. In het arrest van 12.09.2002 stelde het hof ter zake dat de burgerlijke partij geen hoger beroep aantekende tegen de afwijzing door de eerste rechter van haar vordering ten. overstaan van verweerder S. zodat zij niet gevat was van deze vordering, aangezien het bestreden vonnis wat dat betreft in kracht van gewijsde was gegaan.
Partijen bevestigden op de zitting van 22.05.2008 dat er geen cassatieberoep was aangetekend tegen het arrest van 12.09.2002.
2. Bij dagvaarding betekend op 11.08.2006 heeft eiseres de Belgische Staat, Federale overheidsdienst Financiën, verweerder S. gedagvaard in betaling van de som van 11.926,95 euro, meer de vergoedende intresten vanaf 20.01.1992, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.
2. Beoordeling
1. Ten onrechte beroept verweerder S. zich op het principe "non bis in idem".
In het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 09.06.1999, dat ter zake in kracht van gewijsde is gegaan, werd omtrent de burgerlijke vordering van eiseres de Belgische Staat enkel gesteld dat zij onbevoegd was om uitspraak te doen over die vordering. Omtrent deze vordering werd er bijgevolg nog geen uitspraak gedaan, zodat het principe "non bis in idem" niet van toepassing is.
2. verweerder S. werpt op dat de vordering van eiseres de Belgische Staat verjaard is op basis van art. 81 van het wetboek BTW. Volgens dat artikel verjaart een BTW-schuld na 5 jaar.
Eiseres de Belgische Staat vordert evenwel niet de betaling van een BTW-schuld, maar zij vordert op basis van art. 1382 B.W. en de strafrechtelijke veroordeling van verweerder S. de vergoeding van de schade die zij heeft geleden door de gepleegde inbreuken. Zij vordert een vergoeding van de schade die de schatkist heeft geleden ten gevolge van het bedrieglijk onttrekken door verweerder S. van de haar wettelijk toekomende inkomsten. Het voorwerp van huidige vordering is dus geen belastingheffing of -inning. De verjaringstermijn van art. 81 is dan ook niet van toepassing op huidige vordering.
In ondergeschikte orde argumenteert verweerder S. dat de vordering verjaard is overeenkomstig het oude art. 26 V.T.Sv..
Ook dat artikel is niet van toepassing op de voorliggende vordering. Dat artikel werd immers gewijzigd bij wet van 10.06.1998, die in werking is getreden op 27.07.1998.
Aangezien op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet de misdrijven reeds waren gepleegd en er sindsdien nog geen termijn van 30 jaar verstreken was, is conform de overgangsbepalingen zoals bepaald in art. 10 van deze wet, het oude art. 26 V.T.Sv. niet meer van toepassing op de voorliggende vordering.
3. Op basis van de strafrechtelijke veroordeling van verweerder S. heeft eiseres de Belgische Staat recht op de vergoeding van de schade die zij door de gepleegde misdrijven heeft geleden.
Deze schade bestaat uit het ontberen van de BTW door het aanwenden van een valse factuur waardoor verweerder S. de inning van de verschuldigde BTW ontliep.
Ten onrechte stelt verweerder S. dat in het arrest werd vastgesteld dat hij de BTW op de valse factuur reeds heeft afgedragen. Het hof heeft enkel vastgesteld dat aan de verplichting tot het indienen van de BTW-aangifte, zoals voorgeschreven door art. 64, par. 4 van het BTW-Wetboek, slechts met grote vertraging werd voldaan, wat geenszins inhoudt dat de BTW die op de valse factuur werd aangerekend, reeds werd afgedragen.
Eiseres de Belgische Staat vordert een schadevergoeding gelijk aan het equivalent van de ontdoken BTW, die zij bepaalt op 17 % van het bedrag van 70.153,53 euro dat fraudeleus werd opgenomen in de aangifte.
Eiseres de Belgische Staat kan en mag de hoegrootheid van deze schade bepalen aan de hand van de begrotingsparameters, zoals de ontdoken belastingen, fiscale boeten, intresten en kosten.
De gevorderde schade is het gevolg van de door verweerder S. gepleegde misdrijven zodat de vordering gegrond is.
4. Aangezien de vordering in schadevergoeding steunt op misdrijven volgens het arrest gepleegd op 13.10.1993, lopen de vergoedende intresten slechts vanaf die datum.
De voorschriften van de artikelen 2, 30 tot 37 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres de Belgische Staat ontvankelijk en deels gegrond.
Veroordeelt verweerder S. tot betaling aan eiseres de Belgische Staat, Federale overheidsdienst Financiën, van de schadevergoeding van 11.926,95 euro, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 13.10.1993, meer de gerechtelijke intresten vanaf heden.
Veroordeelt verweerder S. tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres de Belgische Staat, Federale overheidsdienst Financiën, begroot op 238,20 euro dagvaardingskosten en 2.000 euro rechtsplegingsvergoeding.
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal zonder borgstelling.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de tiende kamer op het gerechtshof te Hasselt op 19 JUNI 2008, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw H. C., enige rechter,
De Heer R. J., griffier.
R. J. H. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.